Quel temps fait-il?
Wat voor weer is het?

Pour les températures (voor de temperaturen):

  • Il fait 40 degrés / un degré Het is 40 graden.
  • Il a fait / il va faire….
  • Il fait moins 10. Het is min 10.
  • Il fait froid. Het is koud.
  • Il fait chaud. Het is warm.
  • Il fait doux. Het is zacht weer.

Pour dire le temps qu’il fait (om te zeggen wat voor weer het is):

  • Pleuvoir
    Il pleut: het regent.
    Il a plu: het heeft geregend.
  • Neiger
    Il neige: het sneeuwt.
    Il a neigé: het heeft gesneeuwd.
  • Geler
    Il gèle: het vriest.
    Il a gelé: het heeft gevroren.
  • Briller
    Le soleil brille: de zon schijnt.
    De zon scheen : le soleil a brillé.

 

  • Il y a des nuages. Er zijn wolken.
    Il y a eu des nuages/ Il va y avoir des nuages.
  • Il y a du soleil. Er is zon.
  • Il y a du vent. Er is wind.
  • Il y a une tempête. Er is een storm.
  • Il y a une éclaircie. Er is een opklaring.
  • Il y a du brouillard. Er is mist.
  • Il y a un orage. Er is onweer.

Met ontkenning :

  • Il n’y a pas de nuages.
  • Il n’y a pas eu de nuages.
  • Il ne va pas y avoir de nuages.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.