Hoofdstuk 4, paragraaf 1 t/m 6

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo/vwo | 1853 woorden
  • 2 maart 2011
  • 25 keer beoordeeld
Cijfer 6.3
25 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Past een studie in het onderwijs bij jou?

Met een studie in het onderwijs kies je voor afwisseling, persoonlijke groei en een goed salaris. Je helpt anderen vooruit en blijft zelf ook leren. Ontdek of het onderwijs iets voor jou is. 

Meer informatie
1. VAN GUNST NAAR RECHT
1.1 Nachtwakersstaat en verzorgingstaat
In de 19e eeuw was de rol van de overheid veel minder groot dan tegenwoordig.

Vanwege haar beperkte taak wordt de staat van toen nachtwakersstaat genoemd.

Particulier initiatief = burgers namen zelf zorg voor armen, zieken enz.

Civil Society = zelfstandige instellingen op economisch, intellectueel, politiek en sociaal terrein.

- Belangorganisaties

- Organisaties op het gebied van gezondheidszorg

- Schoolverenigingen

- Natuur/milieu organisaties

- Sportclubs

- Vrouwenbonden

- Jeugdverenigingen

- Hobbyclubs

- Zang, muziek en toneel verenigingen

Kenmerken van een Civil Society

1. Organisatie, het is meer dan een informele groep of tijdelijk verband

2. Privaat karakter, de organisatie maakt formeel geen deel uit van de overheid

3. Geen verdeling van winst

4. Zelfbestuur

5. vrijwilligheid

De verzorgingsstaat = een samenleving waarin de overheid zich ten doel stelt de zorg voor het sociale welzijn van haar burgers op zich te nemen.

4 doelstellingen:

1. bescherming van burgers tegen risico’s van de industriële samenleving.

2. Garantie van minimum loonkosten

3. Het aanbieden van voorzieningen die iedere burger nodig heeft om in de samenleving goed te kunnen functioneren

4. Het bevorderen van het welbevinden van alle burgers

1.2 Achtergronden van het ontstaan van de verzorgingsstaat
1. Toenemende bewustwording van de maatschappelijke kosten van de industrialisering:

Industrialisering en verstedelijking leidde in West- Europa tot allerlei sociale problemen.

2. Het gevaar van maatschappelijke onrust:

Ziektes, misoogsten, honger, lage lonen en werkloosheid leidden aan het eind van de 19e eeuw tot veel armoede en ontevredenheid van de arbeidende bevolking.

3. Toenemende invloed van de arbeidersbeweging:

Aan het eind van 19e eeuw ontstonden vakbonden.

1.3 De verzorgingsstaat krijgt vorm

Sociale rechten

In de loop van de 20e eeuw ontstonden instellingen van wat later de verzorgingsstaat zou gaan heten. Daarmee verschoof de zorg voor burgers van gunst naar recht.

De eerste sociale zekerheidswet is De Ongevallenwet uit 1901; een verplichte bedrijfsongevallenverzekering voor werklieden in een aantal sectoren van het bedrijfsleven.

De gedachte achter deze sociale zekerheidswetten is het beginsel van een rechtvaardig arbeidsloon.

Stormachtige uitbreiding

Na WO II nam de Nederlandse overheidsbemoeienis met de verzorging van burgers sterk toe.

Volksverzekeringen

Na WO II werden een werkloosheidsverzekering, de Algemene Ouderdomswet, de Algemene bijstandswet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering ingevoerd.

Verbreding

Ieder mens heeft recht op zelfontplooiing en gelijkheid van kansen.


2. DE HEDENDAAGSE VERZORGINGSSTAAT

2.1 Typen verzorgingsstaten
- Sociaaldemocratische type: dit type, ook wel Scandinavische type genoemd, heeft een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid met relatief hoge, vrij algemeen toegankelijke uitkeringen. We vinden dit type terug in Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden.

- Corporatistische type: Hoog voorzieningenniveau, maar niet iedereen heeft recht op een uitkering. Hangt af van hoeveel premie je hebt betaald en hoelang je hebt gewerkt. We vinden dit type terug in landen als België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Oostenrijk.

- Liberaal type: Ook wel het Angelsaksische type genoemd, heeft een veel lager niveau van sociale voorzieningen. Je moet ook aan meer eisen voldoen om een uitkering te krijgen. Dit type zien we terug in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Australië en Canada.

De Nederlandse verzorgingstaat wordt gezien als een mengeling van de Scandinavische en het corporatistische type. Het is niet volgens een plan met een beginselprogramma vanuit een duidelijke politieke ideologie ontworpen, maar met vallen en opstaan historisch gegroeid.

De sociaaldemocratische stroming benadrukt gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit.

Liberalen hechten grote waarde aan persoonlijke vrijheid, verantwoordelijkheid en de verdelende werking van de markt.

Waarden
Het sociaaldemocratische karakter blijkt uit het uitgebreide overheidsingrijpen in het economische en maatschappelijke leven en uit de betekenis van solidariteit voor de verzorgingsstaat. Het sociaal beleid is gericht op het zo goed mogelijk garanderen van vrijheid. Christendemocratische politici hadden invloed op de ontwikkelingen vanuit hun principes van rechtvaardigheid en solidariteit (naastenliefde). Ze hebben de moderne verzorgingsstaat na de WO II enorm uitgebreid.

2.2 Het hart: het stelsel van sociale zekerheid

Het stelsel van sociale zekerheid is een belangrijk onderdeel van de verzorgingsstaat.

Het belangrijkste doel van sociale zekerheid is van oudsher inkomensbescherming.

Dit stelsel dekt alleen de zogenoemde sociale risico’s.

Ingewikkeld

Door de lange ontstaansgeschiedenis is het stelsel bijzonder ingewikkeld.

Het stelsel van sociale zekerheid bestaat uit:

- Sociale verzekeringen, waarvoor premie betaald moet worden.

- Sociale voorzieningen, betaald uit belastinggelden.

Sociale verzekeringen bestaan uit:

- Werknemersverzekeringen.

Dit zijn verplichte verzekeringen voor alle mensen die in loondienst werken:

De Werkeloosheidswet (WW), de Ziektewet (ZW), de Wet op arbeidsongeschiktheid (WAO) (per 1 jan. 2006 WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen)

Omslagstelsel: Ieder jaar wordt berekend hoeveel er aan uitkeringen wordt uitgegeven.

Sinds 1968 is er in Nederland een wettelijk minimumloon van 1272,60 euro bruto per maand.

- Volksverzekeringen, zijn bedoeld voor het hele volk.

Algemene ouderdomswet (AOW)

Algemene nabestaandenwet (Anw)

Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)

Algemene Kinderbijslagwet (AKW)

Iedere Nederlander is verplicht verzekerd. Iedereen van 15 tot 65 betaalt premie.

De AKW vormt hierop een uitzondering, die wordt betaald uit belastinggeld.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB) voert de AOW, Anw en AKW uit. De zorgverzekeraars voeren de AWBZ (en de ziekteverzekeringswet) uit.

- Sociale Voorzieningen
Sociale voorzieningen zijn bedoeld als aanvulling op de verzekeringswetten. Als iemand niet in aanmerking komt voor een uitkering kan hij of zij beroep doen op een sociale voorziening. Er wordt dan nagegaan of de aanvrager nog andere inkomsten heeft.

De bekendste sociale voorziening was de Algemene bijstandswet (ABW). De ABW is met de komst van de nieuwe Wet Werk en Bijstand (WWB) in 2004 ingetrokken.

De bijstandsuitkering voor een alleenstaande van 21 tot 65 jaar bedroeg in 2006 ong. 600 euro (incl. vakantiegeld) per maand.

CWI
CWI = Centra voor Werk en Inkomen, het CWI neemt een centrale plaats in bij de uitvoering van de sociale zekerheid. Het CWI probeert zo veel mogelijk mensen aan het werk te helpen.

Draagkracht
De verzekeringsgedachte vormde de basis voor verschillende regelingen. De solidariteitsgedachte is na WO II nadrukkelijk op de voorgrond gekomen.

Hierbij doet de overheid een beroep op de meest welvarende burgers; De ‘sterkste schouders’ moeten de ‘zwaarste lasten’ dragen.

Verantwoordelijkheidszin
Vertegenwoordigers van de hogere inkomensgroepen vonden dat de ‘zwakste schouders’ meer ‘verantwoordelijkheidszin’ moesten tonen.

3 WERKGEVERS EN WERKNEMERS
3.1 Werknemersorganisaties

Tussen 1860 en 1870 begon aarzelend de industrialisatie van Nederland. In 1866 ontstond de eerste vakbond: Algemene Nederlandse Typografen Bond.

Vakbeweging = Het geheel van alle werknemersorganisaties.

Dubbele doelstelling

1. Materiële positieverbetering (correctiefunctie), hogere lonen, kortere werkdagen etc.

2. Volwaardige positie van werknemers op het werk en in de samenleving. (emancipatiefunctie), vakbonden streven ernaar werknemers te ‘verheffen’ in de maatschappij.

Koepels

Meestal zijn vakbonden aangesloten bij overkoepelende organisaties (vakcentrales)

- Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) – 1,2 miljoen leden

- Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) – 300.000 leden

- Unie Middelbaar en Hoger Personeel (MHP) – 200.000 leden


3.2 Werkgeversorganisaties

De eerste werkgeversorganisaties ontstonden op de drempel van de 20e eeuw.

De Vereniging van Nederlandse Werkgevers (VNW) werd in 1899 opgericht.

Arbeidsverhoudingen = de relaties tussen werkgevers, werknemers en de overheid op het gebied van arbeid.

Twee functies

1. politiek-economische functie – komen op voor de collectieve belangen van ondernemers tegenover de overheid en andere relevante instituten.

2. belangenbehartigende functie – Zij behartigen de belangen van werkgevers in onderhandelingen met vakbonden.

Werkgeversorganisaties en vakbewegingen worden samen de sociale partners genoemd.

Ze moeten samen in het onderhandelingsspel tot oplossingen zien te komen voor geschilpunten.

Belangen

Werknemers- en werkgeversorganisaties beschikken over verschillende middelen om hun belangen te behartigen.

- Onderhandelingen

- Prikacties

- Stakingen

- Bedrijfsbezettingen

- Lobbyen bij de overheid


3.3 Sociale partners en overheid

De overheid vervult de volgende rollen:

- Overlegpartner

- Werkgever

- Regelgever

- Initiator

Overeenstemming
De aanpak om problemen op te lossen door overleg met de betrokkenen en het streven naar consensus en compromis wordt het poldermodel genoemd.

Samenwerking en overleg
De Sociaal - economische Raad (SER) is in 1950 ingesteld als belangrijkste adviesorgaan van de overheid op sociaaleconomisch gebied. De raad bestaat uit 33 leden. Werkgevers, werknemers en kroonlieden hebben ieder 11 zetels.

In de Stichting van de Arbeid (1945), zitten de centrale organisaties van werkgevers en werknemers.

Uitvoering en toezicht
De SER en de Stichting van de Arbeid speelden een belangrijke rol bij de uitvoering van de regelingen van de verzorgingsstaat en bij het toezicht daarop.

De Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) werd in 1967 ingevoerd.

De sociale partners namen de uitvoering (en controle) voor hun rekening.

Explosieve stijging
Door de sterke economische recessie rond 1980 nam de instroom in de WAO enorm toe.

Bij gebrek aan onafhankelijk toezicht was het aantal WAO’ers explosief gestegen.

De invloed van de sociale partners werd flink teruggedrongen.


4 SOCIALE BURGERRECHTEN EN –PLICHTEN

4.1 Sociale burgerrechten
De overheid is na de Tweede Wereldoorlog de sociale grondrechten van het individu gaan garanderen. Dat betekent recht op:

- Sociale zekerheid

- Onderwijs

- Geneeskundige hulp

- Verzorging

We kunnen spreken van het ontstaan van een sociale rechtsstaat.

In 1983 zijn de sociale rechten in de Nederlandse grondwet vastgelegd.

4.2 Wat zijn burgerplichten?

Naast sociale rechten zijn er sociale plichten.

Burgers die inkomsten uit arbeid hebben, zijn verplicht tot het afdragen van premies voor sociale verzekeringen.

Naast formele plichten zijn er ook morele plichten. Het zijn plichten die je van elkaar mag verwachten, zoals verzorging van een ziek familielid etc. Het gaat om informele zorg, ook wel mantelzorg.

Vrijwilligerswerk
Vrijwilligerswerk is niet bij wet geregeld, al vinden sommigen mensen het wel nodig dat de overheid dat doet. Veel mensen zien het wel als morele plicht om bij voorbeeld het begeleiden van kinderen en jongeren in sportverenigingen.


5 POLITIEKE OPVATTINGEN OVER DE VERZORGINGSSTAAT
5.1 Problemen van de verzorgingsstaat

1. Economische problemen: financiële onbetaalbaarheid.

2. Politiek-bestuurlijke problemen: bestuurlijke onbeheersbaarheid.

3. Sociaal-culturele problemen: veranderende gedragspatronen.


5.2 Politiek-ideologische opvattingen over sociaaleconomische kwesties

1. Sociaaleconomische vraagstukken, zoals werkgelegenheid,

2. De rol van de overheid op sociaaleconomisch gebied.

A) Liberale visie

- Vóór de markteconomie

- Vóór vrije ondernemingsgewijze productie

- Vóór concurrentie

- Vóór het terugdringen van de rol van de overheid

B) Sociaaldemocratische visie

- Vóór spreiding van kennis, inkomen en macht.

- Vóór een zekere mate van planning

- Vóór selectieve groei

- Vóór democratisering

C) Christendemocratische visie

- Gespreide verantwoordelijkheid

- Rentmeesterschap

- Gerechtigheid

- Solidariteit

D) Ecologische visie

- Economie van het genoeg

- Kleinschaligheid

- Kringloopeconomie

6 VERBOUWING VAN DE VERZORGINGSSTAAT

6.1 Nationaal beleid

Vanaf 1975 hebben verschillende regeringscoalities in Nederland ingegrepen in het stelsel van sociale zekerheid.

Prijsbeleid (1975-1985)

VUT = Vervroegde uittreding

Ontkoppeling van de uitkeringen vond plaats, deze gingen niet langer jaarlijks omhoog met de stijging van de lonen.

Volumebeleid (vanaf 1985)
Het recht op een werkeloosheidsuitkering werd beperkt en arbeidsongeschikten werden opnieuw gekeurd op basis van strengere eisen.

Meer weerbaarheid van burgers
De maatregelen uit deze periode hadden tot doel de zelfredzaamheid van mensen te verhogen en hen ertoe te brengen dat ze meer hun eigen problemen gingen oplossen.

Privatisering en concurrentie
Een aantal uitkeringsinstanties werd geprivatiseerd. Deze werken nu bestuurlijk onafhankelijk van de overheid en krijgen met concurrentie te maken waardoor ze efficiënter moeten werken.

Zorgstelsel 2006
Een voorbeeld van de verschuiving van staat naar markt is de invoering van het nieuwe zorgstelsel in 2006. Tegelijk met dit nieuwe stelsel wordt de concurrentie tussen zorgverzekeraars bevorderd.

Van landelijk naar lokaal
De landelijke overheid probeert haar taken over te hevelen naar de gemeenten. Een voorbeeld van een overheveling van verantwoordelijkheid is de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Gemeenten krijgen de verantwoordelijkheid voor het welzijn van ouderen en mensen met een beperking. De WMO schuift de Wet Gehandicapten en de Welzijnswet in elkaar.

Jongerenwerk
De WMO is ook voor jongeren van belang, jongeren die na school nergens in de buurt terecht kunnen, kunnen bijvoorbeeld het recht op een jongerencentrum proberen te claimen.


6.2 Sociale cohesie en sociale ongelijkheid
Het sociale zekerheidsstelsel wordt gezien als het hart van de verzorgingsstaat. Sociale zekerheid kan een bijdrage leveren aan sociale integratie. Binding tussen mensen heet sociale cohesie.

Bedreigingen
Men vreest dat stijgende sociale ongelijkheid kan leiden tot dalende sociale cohesie.

Onder druk
Niet alleen inkomensongelijkheid vormt een bedreiging voor sociale cohesie. Ook factoren als etniciteit, religieuze verschillen en taalproblemen kunnen de samenhang tussen bevolkingsgroepen onder druk zetten.

REACTIES

K.

K.

Zeer goed verslag, ben blij dat ik hem tegen ben gekomen!

15 jaar geleden

S.

S.

Heeeeeel erg bedankt dit is echt super!

15 jaar geleden

S.

S.

Een vrij goed over nagedachte samenvatting. Hier s tijd in gestoken en dit komt het product ten goede.

15 jaar geleden

J.

J.

hallo thijs,
ik zie dat u hier heel wat tijd heeft ingestoken en dat is te zien aan het resultaat. wat een prachtige vertoning is dit! mijn grote complimenten!

hoogachtend, jeroen

15 jaar geleden

I.

I.

wtf, jeroen wat een idiote reactie. leuk dat je positief bent maar dat u gedoe en hoogachtend en weet ik veel wat, we zijn allemaal tieners hoor geen beroemde proffesoren of whatever.

14 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.