Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Module 5; Actieve Aarde

Aardrijkskunde

Samenvatting

ViaDELTA

5.8 / 10
5e klas vwo
  • Koen Keunen
  • Nederlands
  • 4143 woorden
  • 9727 keer
    23 deze maand
  • 12 februari 2004
Samenvatting Aardrijkskunde Module 5: ‘Actieve Aarde’

Hoofdstuk 1: Anatomie van de Aarde


DE BLAUWE PLANEET

Tekst 1 Aardse sferen, grootte en vorm
Lithosfeer (gesteenteschaal) De korst die het inwendige omhult
Hydrosfeer (natte schil) Het water in de grond, aan de oppervlakte en als damp
Atmosfeer gasvormige schil
Biosfeer Hierin speelt het leven op aarde zich af
Afmetingen aarde De aarde is een ellipsoïde. Aardomtrek langs evenaar:40.077 polen:40.009
Temperatuur aarde De aardoppervlak temperatuur is gemiddeld 10 C. De temp. loopt op met ongeveer 3 C per honderd meter de aarde in. (=geothermische gradiënt)
Geografische polen De uiteinden van de as waarom de aarde draait.
Magnetische polen punten die zich langzaam rond de geografische polen verplaatsen.
Declinatie De afwijking tussen de geografische en magnetische noordpool op een bepaalde plaats.

Tekst 2 Graadnet
Graadnet stelsel van coördinaten dat bestaat uit lengte- en breedtecirkels
Lengtecirkels (meridianen) Lopen van de noord- naar de zuidpool en zijn halve cirkels.
Breedtecirkels (parallellen) Lopen parallel aan de evenaar en zijn hele cirkels die naar de polen toe kleiner worden.
0-meridiaan Meridiaan over de sterrenwacht van Greenwich, die de aarde verdeelt in een westelijk en een oostelijk halfrond.
Geografische lengte plaats van steden e.d. op het graadnet van de meridianen
Evenaar (equator) Ligt halverwege de polen en verdeelt de aarde in een noordelijk en zuidelijk halfrond.
Geografische breedte plaats van steden e.d. op het graadnet van de parallellen
Kreeftskeerkring 23,5 NB waarop de zon op 21 juni en 23 december een ogenblik loodrecht staat. Die data markeren de lente en de herfst op het noordelijk halfrond.
Steenbokskeerkring hetzelfde als de kreeftskeerkring alleen dan op 23,5 ZB
Poolcirkels liggen op 66,5 NB en ZB. Op die lijnen gaat de zon een keer per jaar niet onder en blijft hij ook een keer per jaar een nacht op. Hoe dichter je bij de polen komt hoe hoger het effect. (poolnacht & middernachtzon)

DE DUNNE KORST

Tekst 4 Dikte en samenstelling
Aardkorst 1% van het totale volume van de aarde
Hypsografische curve schema van de verdeling van de gemiddelde reliëfhoogten v.d. aardkorst
Sial-gesteente bestaat uit siliciumoxide & aluminiumoxide. De dichtheid is 2,65 g/cm3
Sima-gesteente siliciumoxide & magnesiumoxide. De dichtheid is vanaf 2,8 g/cm3
Oceanische korst bestaat uit sima-gesteente
Continentale korst bestaat uit sial-gesteente

Tekst 5 Afbraak
Afbraak door temp. Gesteenten zetten uit als ze warm zijn en krimpen door afkoeling. Daardoor breken ze langzaam in stukken.
Afbraak door water 1. water kan in spleten terechtkomen en dan bevriezen en uitzetten
2. in water kunnen stoffen zijn opgelost die het gesteente aantasten
verwering vergruizing die het gevolg is van de invloed van het weer en het plantendek
erosie uitschurende werking van verweringsmateriaal dat wordt meegevoerd door wind, water of ijs
glaciale erosie erosie als gevolg van ijs dat bijvoorbeeld grote stukken steen meevoert.
Mariene erosie erosie als gevolg van water dat bijvoorbeeld aan de kust stenen ‘afbreekt’
Fluviatiele erosie erosie als gevolg van stromend (rivier) water dat stenen, keien en zand meeneemt
Eolische erosie erosie als gevolg van met zand beladen lucht die over stenen schuurt.

Tekst 6 Transport
IJs vervoert o.a. grote en kleine rotsblokken, grind en zand, wat afkomstig is van berghellingen
Rivieren vervoeren o.a. grind, zand, klei. In de bergen nemen rivieren soms zelfs complete rotsblokken mee.
Wind vervoert o.a. zand, stof & vulkanisch as

Tekst 7 Sedimentatie
Sedimentatie het verschijnsel dat los materiaal na transport op het aardoppervlak terecht komt.
Glaciale afzettingen door ijs gesedimenteerde materialen (gletsjerpuin of morene)
Fluviatiele afzettingen door rivieren gesedimenteerde materialen (zand, fijn grind)
Mariene afzettingen door de zee gesedimenteerde materialen (klei, zand)
Eolische afzettingen door de wind gesedimenteerde materialen (zand en stof)
Chemische sedimenten bepaalde delen v.d. korst die zijn opgelost en later worden neergeslagen
Biogene sedimenten (organogene sedimenten) sedimenten afkomstig van plantaardige of dierlijke oorsprong

Tekst 8 Ontstaan van reliëf
Endogene krachten krachten die van binnen uit de aarde werken (bijv. Alpen en Himalaya zijn zo ontstaan)
Exogene krachten processen die van buitenaf op de aardkorst inwerken (bijv zand hoopt op tot duinen)
Orogenese gebergtevorming waarbij aardlagen worden opgetild en verfrommeld tot bergketens
Anticlinales plooiruggen (bovenste deel v.e. in elkaar gevouwen berg)
Synclinales plooidalen (onderste deel v.e. in elkaar gevouwen berg)
Plooiingsgebergte gebergte dat ontstaan is door orogenese
Horst hogere delen v.e. in elkaar gezakt gebergte
Slenk lagere delen v.e. in elkaar gezakt gebergte
Plateau gesteentelagen die horizontaal zijn opgedrukt en waar dus geen orogenese plaatsvindt
Tafelbergen restanten v.e. plateau die als enorme grafzerken of monumenten blijven staan
Jonge gebergten hebben scherpe kammen en hoge toppen, en bestaan tussen de 20 en 40 miljoen jaar
Oude gebergten hebben afgeronde bergtoppen
Schiervlakte compleet afgebroken bergen
Laagvlakten deel van het puin van de afgebroken gebergten

Tekst 9 Het reliëf van de zeebodem
Continentale plat (continental shelf) de zeebodem die aan een landmassa grenst en een diepte heeft van >200. Dit gebied was ooit land maar kwam tijdens het Holoceen onder water te staan.
Continentale hellingen grenzen aan continentale platen. Hier daalt de zeebodem af naar ± 3000 meter
Diepzeevlakten (abyssale vlakten) liggen naast de continentale hellingen op ± 3000 meter
Black smokers in de diepzeevlakten gelegen onderzeese vulkanen (bijv. Midden-Atlantische Rug)
Diepzeetroggen langgerekte diepe dalen (bijv. de Marianentrog)
Trog zone waar oceanische korst onder een andere plaat wegduikt

Tekst 10 Ouderdom van de aarde
Geologische tijdschalen perioden waarin de leeftijd van de aarde in is onderverdeeld
Absolute tijdschaal geologische tijdschaal die uitgaat van de ouderdom van de aarde in jaren
Relatieve tijdschaal geologische tijdschaal die de volgorde van ouderdom van de aarde aangeeft
Fossielen restanten van vroeger leven (letterlijk: ‘Dat wat opgegraven is’) bijv. delen van platen enz.
Gidsfossielen fossielen die op veel, ver uit elkaar liggende plaatsen voorkomen en die een betrekkelijk korte periode als soort hebben geleefd die daardoor de ouderdom van de aardkorst aangeven
Wet van superpositie gesteentelagen worden horizontaal boven op elkaar afgezet
Actualiteitsprincipe het oppervlak van de aarde wordt gevormd door processen die nu nog steeds plaatsvinden
*****leer ook de tijdschaal op pagina 346 van het theorieboek*****

Hoofdstuk 2: Platentektoniek

DE KORST IN STUKKEN

Tekst 11 Continenten tonen grote samenhang
Paleoklimatologie de kennis van klimaten in vroeger tijden
Schilden de alleroudste kernen van de continenten
Pangea (‘de gehele wereld’) Het door Wegener zo genoemde oercontinent

Tekst 12 Meer aanwijzingen
Magnetisch gesteente Gesteente dat zich heeft gericht naar het magnetische veld v.d. aarde. Dit ontstaat als het gesteente afkoelt.
Paleomagnetisme het terugvinden van het oorspronkelijke aardmagnetische veld van het gesteente.
Continentendrift bewegingstheorie v.d. aardplaten. Aanwijzingen hiervoor vinden we bijv. in het paleomagnetisme en in de paleontologie
Paleontologie wetenschap van het vroegere leven.

Tekst 13 Twijfels… en antwoorden
Bezwaren tegen Wegeners - waar lag het vaste punt waarbij je bij beweging van uit ging?
theorie - er bestaan niet zulke enorme krachten, dat ze een continent uit elkaar kunnen trekken.
Echolood hiermee kon de diepte van zeeën automatisch en sneller vastgesteld worden.
Platentektoniek nieuwste inzichten over de bouw en de beweging van de aardkorst

HOE HET ZIT

Tekst 14 Platentektoniek
mid-oceanische rug onderzees gebergte waar contact plaatsvindt tussen 2 oceanische platen, waarbij vanuit de aardmantel nieuw gesteente opwelt. Op deze punten ‘groeit’ de oceaanbodem.
Subductie contactzone tussen platen waarbij de oceanische plaat onder de continentale plaat schuift en verdwijnt in de mantel. Dit leidt tot heftige, schoksgewijze vulkaanuitbarstingen.
Frontale botsingen botsingen tussen platen die leiden tot heftige kreukels en het ontstaan van kreukelgebergte.
Langs elkaar schuiven dit gebeurt schoksgewijs, en hierbij vinden veel trillingen en aardbevingen plaats, hierbij kan vulkanisch materiaal omhooggeperst worden.
Breukzone plaats waar platen langs elkaar schuiven.
Accretie (aangroeiing) Het ‘vastlijmen’ van kleine stukjes plaat door smelting.
Hot spots zwakke plaatsen in de aardkorst waar gloeiend magma doorheen gaat.

Tekst 15 Twee soorten aardkorst
Continentale korst 2,65 g/cm3
Oceanische korst 2,9 g/cm3
Mantel 3,2 /cm3
Discordantie v. Mohorovic overgangszone tussen korst en mantel
Asthenosfeer vloeibare & buitenste deel van de mantel, vlak onder de korst

Tekst 16 Oorzaak van de beweging
Oceaanbodemspreiding Bij de breuk ontstaat oceanische korst, en in de subductiezones vergaat dit weer.
Mantelpluimen enorme bellen vloeibaar gesteente die uit het onderste deel v.d. mantel komen.

Tekst 17 Continentale drift in het geologische verleden
Paleografie de wetenschap die de ruimtelijke verdeling van landmassa’s en oceanen in het geologische verleden bestudeert.
Precambium (4,6-2,5) de structuur v.d. aarde verandert. De mantel en aardkorst ontstaan.
Paleozoïcum de continenten drijven verder uit elkaar. Uiteindelijk vormen alle continenten samen Pangea, het oercontinent.
Mesozoïcum – Krijt Pangea breekt in stukken, Gondwana enz. drijven uit elkaar. Later ontstaat de Alt. Ocean
Tertiair de continenten drijven verder uiteen en vormen de huidige oceanen en zeeën

Hoofdstuk 3: Vulkanen en aardbevingen

VULKANISME

Tekst 18 Vulkaantypen
Vulkaan plaats waar gloeiend heet magma uit de diepe ondergrond naar boven komt
Magma gesmolten gesteente (vloeibaar (lava), gasvormig of vast)
Eruptie vulkaanuitbarsting waarbij het magma onder grote druk naar het aardopp. wordt geperst.
Schildvulkaan vulkaan met een zeer flauwe helling (dunne lava)
Stratovulkaan opgebouwd uit afwisselend lava en aslagen. (dikke lava)
Hawaï -vulkaan betrekkelijk dunne lava met voortdurend kleine erupties, langdurige werking
Stromboli –vulkaan iets heftiger erupties, langdurige werking
Pliniaanse vulkaan druk is jarenlang opgebouwd, bijv. door een lavaprop. Als deze losschiet ontstaat een enorme explosie.
Gloedwolk mengsel van as en gifgas, dat zwaarder is dan lucht en langs de helling omlaagstroomt.

Tekst 19 Vulkanische nawerkingen
Stoombronnen leveren vooral waterdamp
Geisers spuitende heetwaterbronnen. Deze spuit als de druk v.h. koken groot genoeg is om het gewicht van de bovenliggende waterkolom aan te kunnen. (bij 20 m. is een druk van 3)
Gasbron komt in de buurt van vulkanen voor.
Minerale bronnen ontstaan op plaatsen waar grondwater tot op zekere hoogte verhit wordt.
Opwekking elektriciteit heet water wordt opgewekt, verandert in stoom die door turbines geleid wordt.

DE AARDE ROMMELT!

Tekst 20 Schalen van Richter en Mercalli
Aardbeving trilling van de aarde die het gevolg is van plotselinge verschuiving van stukken van de aardkorst of van de eronder liggende aardmantel.
Hypocentrum punt in de aardkorst of mantel waar bij een aardbeving de verschuiving begint en van waaruit de trillingen in eerste instantie afkomstig zijn.
Epicentrum de plaats op het aardoppervlak loodrecht boven het hypocentrum v.d. aardbeving.
Schaal van Richter meet de hevigheid van de bevingen aan de hand van de hoeveelheid vrijkomende energie
Schaal van Mercalli meet de hevigheid van de bevingen aan de hand van wat je ‘voelt’

Tekst 21 Seismologie
Seismische activiteit door verplaatsingen van aardschollen langs breuken in de aardkorst ontstane trillingen
Seismografen apparaten die aardbevingen registreren
Seismogram schema waarop kan worden afgelezen wanneer de beving plaatsvindt en hoe sterk deze is.
Bijdrage seismisch onder- kennis en inzicht in de aarde en de omvang van de kern, mantel en korst
zoek

Tekst 22 Hazard management
Hazard management het voorspellen van rampen en een daarop toegespitst beleid uitvoeren.
Nederlands rampenplan toegespitst op mogelijke overstromingen, fabrieksbranden en andere grote ongevallen

Hoofdstuk 4: Gesteenten en delfstoffen

BOUWSTENEN VAN DE KORST

Tekst 23 Gesteenten
Gesteenten bestaan uit mineralen
Mineralen stoffen met een bepaalde chemische samenstelling, kristalstructuur en andere natuurkundige eigenschappen zoals hardheid en soortelijke massa.
Mineraal ‘dat wat aan de aardkorst onttrokken kan worden’
Ertsen mineralen waarin metalen in een concentratie voorkomen die winning ervan lonend maakt.
Edelstenen mineralen die over het algemeen ‘mooi’ gevonden worden
Organische gesteenten gesteenten die gevormd zijn door organismen en hun overblijfselen
Magmatische gesteenten gesteenten ontstaan door stolling van magma of lava, bijvoorbeeld graniet en basalt
Afzettingsgesteenten ontstaan uit materiaal dat door water ijs of wind is neergelegd
Metamorfe gesteenten ontstaan doordat gesteenten onder hoge druk en/of bij een hoge temperatuur zijn opgesmolten.

Tekst 24 Soorten gesteenten
Deze tekst is niet relevant voor het proefwerk voor zover ik weet.

DELFSTOFFEN

Tekst 25 Ertsen en zouten
Indampingsproces is het geval bij zout. Resultaat: grote zoutafzettingen met diktes van +/- 1500 meter
Zoutpijler omhooggestuwde zoutlagen, meestal op plaatsen waar veel breuken zijn.

Tekst 26 Bruinkool en steenkool
Fossiele brandstoffen brandstoffen die opraken (bruinkool, steenkool, aardolie en aardgas)
Steenkool komt voor in de ondergrond, is ouder dan bruinkool, stookt beter, meer warmte en minder vervuiling dan bruinkool
Bruinkool tegenovergestelde van steenkool
Tekst 27 Aardgas en aardolie
Aardgas afkomstig uit plantaardige resten van oerwouden. Bestaat uit methaan
Aardolie ontstaan uit plankton
Anticlinalen hoogstgelegen plooien
Oil trap olie kan niet hoger dan de anticlinale waar ie nu in ligt.

WINNING VAN DELFSTOFFEN

Tekst 28 Reserves en winbaarheid
Winning van een mineraal afhankelijk van techniek (is het mogelijk), economie (kunnen we het betalen), politiek (is het verstandig?) en milieu (schaadt het het milieu?)

Tekst 29 Winning
Schachtbouw winnen van harde delfstoffen. Er worden tunnels en schachten diep de aarde in gebouwd.
Dagbouw bovenlaag weggraven, delfstof weghalen met machines. Dit kost weinig mensenarbeid.
Oppompen voor vloeibare delfstoffen als aardolie en water.
Kleinschalige winning bijvoorbeeld zoutwinning in droge gebieden door zonnewarmte

Tekst 30 Verspreiding en bezit van delfstoffen
Er staat in deze tekst echt niets dat interessant is.

Tekst 31 Resource management
Resource management een beleid, gericht op zorgvuldig beheer van delfstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen zodat langdurig gebruik mogelijk is en iedere verspilling wordt tegengegaan.

Hoofdstuk 5: De sluier van Moeder Aarde

SAMENSTELLING EN OPBOUW VAN DE ATMOSFEER

Tekst 32 Samenstelling van de atmosfeer
Atmosfeer luchtlaag rond de aarde die bestaat uit zuurstof, stikstof, waterdamp, en sporengassen. Samenstelling: stikstof 78%, 21% zuurstof en 1% sporengassen als argon en ozon.

Tekst 33 Warmtehuishouding van de aarde
Stralingsbalans het overzicht van de hoeveelheid straling die de aarde bereikt en de hoeveelheid die de atmosfeer weer verlaat
Hoeveelheid straling - de breedteligging: hoe dichter bij de evenaar, hoe lager de breedte dus hoe warmer
hangt af van: - de lengte van de dag en de zonnestand gedurende de dag
- de dichtheid van het wolkendek; hoe meer wolken, hoe minder straling
absorptie het verschijnsel dat het aardoppervlak de overgebleven zonnestraling opneemt
reflectie het verschijnsel dat het aardoppervlak zonnestralen terugkaatst in de vorm van warmtestraling.
Broeikaseffect verwarming van de aarde als gevolg van stoffen in de atmosfeer die wel de straling van de zon doorlaten, maar niet de warmtestraling van de aarde

Tekst 34 Opbouw van de atmosfeer
Troposfeer schil rond het aardoppervlak tot de tropopauze. (bevat alle waterdamp en ¾ van de gasmassa van de atmosfeer. De troposfeer wordt opgewarmd door warmtestraling van het aardoppervlak. (0-10 km)
Temperatuurinversie plaats waar de temperatuur over een paar kilometer constant blijft
Weer de toestand van de atmosfeer op een bepaalde plaats en op een bepaald moment
Stratosfeer 10 tot 50 km. Hierin bevindt zich de ozonlaag (20-40 km) toenemende temp tot 0
Mesosfeer afnemende temp. tot –50 50-80 kilometer boven aardoppervlak
Thermosfeer temp neemt weer toe
-pauze eerst is er steeds een –sfeer, bijv. de troposfeer, dan een –pauze, bijv. de tropopauze

DE GROTE CIRCULATIE

Tekst 35 Luchtdruk en wind
Luchtdruk druk die de atmosfeer uitoefent op de aarde ( 1 kub. mtr. Lucht = 1,3 kg) in Hp of mb
Hogedrukgebied koude zware lucht
Lagedrukgebied warme lichte lucht
Isobaren de lengtemaat voor luchtdruk op het aardoppervlak of op een bep. plaats in de atmosfeer
Wind luchtstromingen tussen een hoge- en lagedrukgebieden
Luchtdrukgradiënt mate van ‘verval’ tussen verschillende luchtdrukgebieden

Tekst 36 Globale luchtcirculatie
Globale luchtcirculatie uitwisseling tussen koude en warmte breedtegraden
Equatoriaal minimum de plaats rond de evenaar waar continu sprake is van een lagedrukgebied
Polair maximum de plaats rond de Noord- en Zuidpool waar continu sprake is van een hogedrukgebied
Passaat wind die naar de evenaar waait
Subtropisch maximum hogedrukgebied op de subtropen waar een luchtconcentratie is die omlaag beweegt
Pubpolair minimum lagedrukgebied waar een opeenhoping van lucht ontstaat die alleen maar omhoog kan
Afkoelende lucht water condenseert, de lucht stijgt en er is veel regen

Tekst 37 Wet van Buys Ballot
Wet v. Buys Ballot Lucht beweegt van een hogedruk naar een lagedrukgebied, waarbij met de wind in de rug geldt: op het noordelijk halfrond met een afwijking naar rechts en op het zuidelijk halfrond met een afwijking naar links. Dit heeft te maken met de draaiing van de aarde.
Coriolis kracht de (schijn) kracht die de afwijking van de windstromen veroorzaakt

Tekst 38 Intertropische convergentiezone
Intertropische conver- (ITCZ) gebied nabij de evenaar waar de noordpassaat en de zuidoostpassaat elkaar
gentiezone ontmoeten, en waar het equatoriaal minimum heerst. Dit gebied verplaatst continu.

Tekst 39 Straalstromen
Straalstroom of jet stream De wind op een hoogte van 12.000, meestal in de troposfeer, die gebundeld is als een soort waterstraal uit een spuit. Deze wind heeft een grote snelheid (bijna altijd orkaan)
Subtropische straalstromen liggen op 30° noorder- en zuiderbreedte
Polaire straalstromen liggen op 55° noorder- en zuiderbreedte

Tekst 40 Fronten
Frontale zone overgangsgebied tussen koude en warme lucht (koud gaat vaak onder warm)
Koufront de koude lucht verdringt de warme lucht in een frontale zone
Warmtefront de warme lucht verdringt de koude lucht in een frontale zone
Frontale depressie lagedrukgebied met een tekort aan lucht. Hier vormen wolken en gaat het regenen

Tekst 41 (EXTRA) Moessons
Moesson halfjaarlijks wisselende winden in de landen rond de keerkringen

Tekst 42 Lokale winden
Land- en zeewinden lokale winden, die op zeer kleine schaal plaatsvinden

DE OPBOUW VAN DE HYDROSFEER

Tekst 43 Waterkringloop
Kringloop v.h. water voortdurende circulatie van water tussen oceanen, atmosfeer, het aardoppervlak en de boden
Korte kringloop water dat boven zee verdampt, kort erna condenseert en weer terugvalt in zee
Lange kringloop water dat boven zee verdampt, boven land condenseert en op het land als neerslag valt

ZOET WATER

Tekst 44 Water in de atmosfeer
Relatieve vochtigheid de verhouding tussen de hoeveelheid waterdamp die de lucht bevat en die de lucht maximaal zou kunnen bevatten bij de dan gemeten temperatuur
Stijgingsregen is het gevolg van plaatselijk snel opstijgende luchtmassa’s die vervolgens afkoelen (bijv. wolken boven een heideveld aan het eind van een warme dag)
Stuwingsregen als luchtmassa’s tegen bergen opgestuwd worden ontstaat neerslag als gevolg van de afkoeling van de lucht en waterdamp die zich daarin bevindt.
Frontale neerslag de neerslag die valt als een warmte- en koudefront tegen elkaar botsen en het warmtefront snel opstijgt

Tekst 45 (►) Bodem- en oppervlaktewater
Rivieren & beken stromen in de regel naar zee, maar soms ook naar de woestijn waar ze dan in het zand gesmoord worden
Zoet water 2% van de totale watervoorraad op aarde is zoet water, waarvan 0,01% zich in meren bevindt

ZOUT WATER

Tekst 46 Zout in de zee
Zout in oceanen zit in oceanen omdat het is opgelost uit gesteenten tijdens de vorming van de continenten

Tekst 47 Zeestromen
Zeestromen watermassa’s in beweging. Zeestromen zijn een wereldomspannende transportband voor voedsel en warmte.
Driftstromen zeestromen die in beweging zijn gezet door wind. Ze bewegen overwegend horizontaal en over het algemeen in de bovenste laag van de oceaan
Zeestromen ontstaan door bewegen naast horizontaal ook verticaal
temperatuurverschillen
El Niňo verstoring in de transportband van de oceanen. Het is een warme zeestroom die af en toe de koude Peru-zeestroom vervangt en daarmee de transportband verstoort.
Coriolis kracht ook zeestromen zijn onderworpen aan de Coriolis kracht

Tekst 48 Getijden
Hoogwater om de 12 uur en 25 minuten is er hoog water. Daartussen is het eb
Maan bereikt haar hoogste stand om de 24 uur en 50 minuten
Aantrekkingskracht de zon, aarde en de maan oefenen aantrekkingskracht op elkaar uit
- in de oceanen het water van de oceanen wordt aangetrokken, zodat er de vloed is aan de zijde waar de maan staat
- in gesteenten de gesteenten van de aarde en de maan bewegen naar elkaar toe
Vloed aan de kant van de deze wordt veroorzaakt doordat de aarde en de maan samen om een gemeenschappelijk
aarde waar de maan niet zwaartepunt draaien. Door de middelpuntvliedende kracht wordt oceaanwater naar de
staat ander kant van de aarde gedrukt
maan-dag per maan-dag is het twee keer vloed en eb
zon-dag per zon-dag is het een keer vloed en een keer eb
dood tij als er een minder diepe eb en een lagere vloed is omdat de zon haaks staat op de as aarde-maan
(Deze tekst is niet alleen vrij ingewikkeld maar ook vrij belangrijk. Lees dus tekst 48 in het boek zelf ook een keer
door, mede omdat er in het boek plaatjes bij staan, die de tekst flink wat verduidelijken.)

KLIMATEN

Tekst 49 De indeling van Köppen
Klimaat de gemiddelde toestand van het weer berekend over een langere periode (30-50 jaar)
- wordt beïnvloedt door geografische breedteligging, wind- en zeestromen, afstand tot de zee, reliëf en de hoogteligging
- de 5 aardse klimaten A. equatoriale of tropische klimaten (humide)
B. droge of aride klimaten
C. gematigde zeeklimaten of maritieme klimaten (humide)
D. continentale klimaten (humide)
E. koude of polaire klimaten (humide)
Criteria om klimaat vast de gemiddelde temperatuur in de warmste en koudste maand, de hoeveelheid neerslag
te stellen en de droogte-index
droogte-index gebaseerd op de hoeveelheid neerslag en de verdamping. De droogte index geeft de scheiding aan tussen B klimaten en vochtige of humide klimaten
- W Wüste (woestijn)
- S Steppe
humide klimaten A, C, D, en E. Het onderscheid tussen deze klimaten wordt gebaseerd op de gemiddelde temperatuur in de koudste en warmste maand van het jaar
isotherm (temperatuurlijn) lijn die alle punten van gelijke temperatuur met elkaar verbindt
A-klimaat de gemiddelde temperatuur in de koudste maand is niet lager dan 18° C
C-klimaat de gemiddelde temperatuur in de koudste maand is niet lager dan -3° C en in de warmste maand tussen de 10° C en 18° C
D-klimaat de gemiddelde temperatuur in de koudste maand is lager dan 3° C en de warmste maand hoger dan 10° C
E-klimaat de gemiddelde temperatuur in de warmste maand is niet hoger dan 10° C
A, C, D klimaten worden ook onderverdeeld aan de hand van de hoeveelheid neerslag m.b.v. een 2e letter
- w wintertrocken
- s sommertrocken
- f fehlt (in alle jaargetijden regen)
E klimaten worden ook onderverdeeld in temperatuur
- T Tundra (toendra) – gemiddelde temperaturen vd warmste maand ligt tussen 0° en 10° C
- F Frost (vorst)- gemiddelde temperatuur vd warmste maand blijft onder de 0° C
- H Hochgebirche

Tekst 50 Klimaten van A tot en met E
A klimaten Af en As. Ze komen voor in gebied van de intertropische convergentiezone. De temperatuur ligt het gehele jaar tussen de 18° en 25° C
- Af klimaat (tropisch regenwoudklimaat) als de neerslag in de droogste maand minstens 60 mm is
- As klimaat ligt naast Af klimaat. Deze gebieden hebben droge en natte perioden. (savanne en moessonklimaat)
B klimaten de woestijn(BW) en steppe(BS) klimaten. Ze staan onder invloed van het subtropische maximum op ongeveer 30° N.B. en Z.B. Ze hebben geringe neerslag die onregelmatig voorkomt
- BW klimaat valt jaarlijks gemiddeld minder dan 250 mm regen in korte, zeer hevige stortbuien. De temperatuur tussen dag en nacht wisselt sterk. ’s Nachts vriest het en overdag is het soms tussen de 40° en 50° C
- BS klimaat ligt rond woestijngebieden als een gordel waar de neerslag iets meer bedraagt. De neerslag ligt tussen de 250 en 700 mm per jaar, het merendeel valt in korte perioden
Semi-aride overgangszone tussen aride en humide streken (BS klimaat)
C klimaten Cs klimaat, Cw klimaat en Cf klimaat (Cw en Cf zijn subtropische klimaten)
- Cs klimaat gematigd klimaat met een droge zomer. De winters zijn zacht en vochtig
- Cw klimaat gematigd klimaat met droge zomers. Komt oa in China en Japan voor
- Cf klimaat gematigd neerslag klimaat. Komt voor in oa West Europa, Argentinië en VS
D klimaten (continentale klimaten of landklimaten) Df, Dw en Ds
Bergklimaat (EH) komt voor in hooggebergte
Toendraklimaat (ET) heeft een kort groeiseizoen, weinig vegetatie
Vorstklimaat (EF) heeft geen vegetatie. Het landschap is een permanente ijskap

VERANDERINGEN IN ATMOSFEER EN KLIMAAT

Tekst 51 Studie van klimaatveranderingen in het verleden
Paleoklimaten klimaten die in het verre verleden hebben geheerst
Paleoklimatologen wetenschappers die zich bezighouden met klimaatgegevens uit het verre verleden
Dendrochronologie bestudeert de jaarringen van bomen
Palynologie wetenschap die zich bezighoudt met bepaalde oude stuifmeelkorrels, waarvan klimatologische gegevens uit af te lezen zijn
Zuurstofanalyse wordt toegepast bij bestuderingen van kalkafzettingen
Zuurstof bestaat voor 0,2% uit isotoop O-18 en voor 99,8% uit isotoop O-16
Isotopen atomen met dezelfde chemische eigenschappen, maar met een verschillend atoomgewicht
Natuurlijke radioactiviteit geeft een goed inzicht in vroegere klimaten (vooral bij koolstof)

Tekst 52 Samenstelling van de atmosfeer verandert
Fotosynthese het proces waarbij groene planten in hun cellen uit licht, koolstofdioxide en water zuurstof en suikers produceren
Primaire atmosfeer de eerste aardse atmosfeer die niet op de huidige atmosfeer leek (4,5 miljard jaar geleden)
Secundaire atmosfeer de atmosfeer waarop onze huidige atmosfeer lijkt (ontstond 2 miljard jaar geleden)
Huidige atmosfeer blijft veranderen, o.a. het koolstofpercentage is in de afgelopen 100 jaar met 0,007% toegenomen door de Industriële Revolutie, toen het gebruik van fossiele brandstoffen ineens explosief steeg
Zure regen zwavel en stikstof, die in de lucht zijn gekomen door industrie, landbouw en verkeer. Ze verbinden zich dan in de atmosfeer met water tot zwavel- en salpeterzuren
Verzuring v. bodem door zure regen en stoffen als ammoniak
CKF Chlool-FluorKoolwaterstoffen, afkomstig uit spuitbussen e.d. en tasten de ozonlaag aan
Desertificatie het groter worden van woestijnen
Radioactieve fall-out grote hoeveelheden radioactief besmet stof die in de atmosfeer terechtgekomen zijn en door regen wordt neergeslagen

Tekst 53 Wordt het warmer of kouder?
IJstijden (glacialen) langdurige perioden waarin ijskappen en gletsjers aangroeien en de gemiddelde oppervlaktetemperatuur in de gematigde zone flink lager ligt dan nu
Stralingstheorie aannemelijke theorie over het ontstaan van ijstijden en interglacialen
IJstijden in:
- Pleistoceen hier kwamen grote ijstijden voor
- Holoceen ook in deze periode was het klimaat niet stabiel en kwamen ijstijden regelmatig voor
Warme perioden:
- 6.000 – 4.000 v. Chr. Het was toen ± 1 graad warmer en zeker vochtiger dan nu
- 900 – 1.300 n. Chr. Ook een warmere periode
broeikaseffect wordt veroorzaakt door stoffen als koolstofdioxide en methaan

Hoofdstuk 6: Biosfeer

ONTWIKKELING VAN DE EVOLUTIETHEORIE

Tekst 54 Evolutietheorie verdringt catastrofentheorie
Catastrofentheorie de gedachte dat de levensvormen op aarde, de soorten, in korte tijd in hun huidige vorm geschapen moesten zijn. Het uitsterven van soorten verklaarde men als het op grote schaal uitsterven als gevolg van zondvloeden of natuurrampen
Evolutietheorie gedachte dat er een langzame, geleidelijke ontwikkeling is van het leven. Deze theorie kreeg vanaf 1900 veel meer aanhangers en wordt tot vandaag de dag als de juiste ervaren

Tekst 55 Galápagos Eilanden
Vogels op deze eilanden zijn verschrikkelijk veel verschillende soorten vinken gevonden. Darwin, die de vogels ontdekte in 1835, vatte dit op als het bewijs van de evolutietheorie, want hij dacht dat de vogels ooit tot een soort hadden behoord, maar omdat ze op verschillende eilanden terecht waren gekomen, hadden ze zich allemaal naar hun eigen eiland aangepast

Tekst 56 Evolutie, selectie en extincties
Evolutie geleidelijke verandering van het leven
Wanneer is er evolutie: -Als er natuurlijke selectie plaatsvindt op grond van erfelijke eigenschappen. Dat betekent, dat de eigenschappen van een soort alleen bij de nakomelingen terug te vinden zijn, als ze de soort voordelen brengen. Een staart is bijv. bij mensen niet meer nodig en is dus ‘verwijderd’ uit ons lichaam. Bij apen is de staart nog wel nodig en daarom hebben zij nog steeds staarten
- Als een populatie gesplitst wordt. Dit was bijvoorbeeld het geval bij de vinken
extinctie uitsterven van een soort
massa-extinctie uitsterven van vele soorten tegelijk als gevolg van bijv. een natuurramp

Tekst 57 Fossielen
Paleontologie de wetenschap die de verandering van het leven op aarde bestudeert. Dit gebeurt vooral aan de hand van fossielen
Fossiel v.e. dier heeft harde delen als een schild of botten. Het dier moet tijdens de fossiellering afgesloten zijn van lucht
Fossiele gemeenschap de verzameling fossielen die in een bepaalde laag aanwezig is.
Fauna/flora provincie een groot gebied met respectievelijk planten /diersoorten die alleen daar voorkomen

ONTWIKKELING VAN HET LEVEN

Tekst 58 Het eerste leven
Bacteriën de enige vorm van leven van 3 miljard jaar geleden

Tekst 59 Verovering van het water
Paleozoïcum ontwikkeling van het leven in water. De eerste fossielen die we hebben dateren uit die tijd: organismen vormen interne en externe skeletten
Ordovicium vele in zee levende soorten sterven uit (door continentale drift)
Vanaf Siluur de aan de massa-extincties ontsnapte dieren als schelpen en koralen ontwikkelen zich

Tekst 60 Leven op het land
Vanaf Paleozoïcum de meer ingewikkelde planten komen tot ontwikkeling. De eerste dieren (insecten & schorpioenen) komen op het land. Eerst ontwikkelen de amfibieën zich, later de reptielen
In het Carboon het plantenrijk overheerst, de zeespiegel stijgt, het dierenleven ontwikkelt zich en het wordt warm op aarde
In het Perm weer een massa-extinctie, planten en diersoorten sterven uit door een wereldwijde afkoeling

Tekst 61 Tijdperk van de Dinosauriërs
Mesozoïcum tijdperk van de Dino ’s, de continenten vormen Pangea. Later valt dit weer uit elkaar en gebergtes ontstaan. De zoogdieren blijven klein, in het water vormen zich weer vissen en de eerste vogels verschijnen. Zuid en Noord Amerika scheidt van Afrika en de Atlantische Oceaan wordt gevormd
Krijt warm klimaat en de continenten verdwijnen weer voor een groot deel onder water. Weer vindt massa-extinctie plaats en de dino ’s sterven uit

Tekst 62 Het nieuwste leven
Kenozoïcum (leven we nu in) bloeiende planten komen opnieuw tot ontwikkeling, zoogdieren overheersen & ontwikkelen zich zeer divers, het polaire ijs breidt zich uit en dit veroorzaakt afkoeling van de zeeën en ijstijden, mens ontwikkelt zich uit apen
Indricho-therium de grootste zoogdieren ooit, lid v.d. neushoornfamilie

Tekst 63 Meteorieten en massa-extincties
Vele meteorieten hebben de aarde geteisterd

Tekst 64 (EXTRA) Het boek van de aarde: Grand Canyon
Grand Canyon in de Canyon zijn duidelijk lagen te zien. De complete geschiedenis van de aarde vanaf het Precambium is hieruit af te lezen
Bekijk het plaatje van pagina 428 goed voor een dwarsdoorsnee van de Grand Canyon

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

8116

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer