Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.
Moeite met het kiezen van je PWS-onderwerp? Logisch. Klik hier om een goed onderwerp te kiezen. 

Franse Revolutie Begrippenlijst

Geschiedenis

Begrippenlijst

Sprekend verleden

Franse Revolutie

7.2 / 10
3e klas havo/vwo
  • deemz96
  • Nederlands
  • 1439 woorden
  • 1367 keer
    13 deze maand
  • 15 februari 2011

Begrippenlijst

1. Absolutisme: Dit is een machtsvorm. Het betekend dat de koning de absolute macht heeft. De koning was door god aangewezen om te regeren. Zoals bijvoorbeeld eeuwen lang in Frankrijk is geweest, bij bijvoorbeeld de bekende koning Lodewijk XIV. Het eindigde bij Lodewijk XVI, tijdens de Franse Revolutie.



2. Ancien Régime: Ancien is Frans voor ancient, oud. Regime is Frans voor een manier van regeren, zoals regering. Dus Ancien Regime betekend letterlijk de Oude manier van regeren. Gekenmerkt door de privileges van de hogere mensen en de burgers die deze luxe niet hadden. (zie: Absolutisme)



3. Bastille: Een gevangenis die midden Parijs stond. Het werd gezien als een symbool van onderdrukking en werd bestormd op 1789, 14 juli. Het had een vreselijke reputatie. Zo werd er gesproken over vochtige, koude kerkers waarin mensen werden opgesloten, deze kerkers waren echter al tijden lang uit gebruik. Het verdiende de vreselijke reputatie niet meer.



4. Bourgeoisie: Dit was de bovenste laag van de derde stand. Ze hadden het geld, ze hadden meer loon, ze hadden de kennis maar niet de titel. Omdat ze nog bij de derde stand hoorden moesten ze wel belasting betalen, veel belasting omdat ze veel loon hadden. Ze hadden posities als dokter en handelaar. De bourgeoisie waren degenen die werken van filosofen lazen en zagen dat andere manieren van bestuur veel eerlijker zouden zijn.



5. De verklaring van de rechten van de mens en burger: In deze verklaring stond welke rechten de mens en burger had. Om dat te bedenken hoef je geen genie te zijn. Het is ingesteld na Le Grande Peur (Zie: begrip Le grande Peur). Bijvoorbeeld had iedere burger het recht te stemmen en dat iedereen met gelijke rechten geboren werd.



6. Eed van de kaatsbaan: Dit was een eed die de derde stand aflegde nadat ze met de Nationale Vergadering uit de vergaderzaal waren gestuurd. Ze vergaderden daarna verder op de kaatsbaan. (Zie: begrip kaatsbaan) Ze legden een eed af om niet te stoppen met waar ze mee bezig waren tot ze het bereikt hadden. Waar ze mee bezig waren was in opstand komen tot ze meer rechten hadden.



7. Eerste, tweede en derde stand: Mensen hadden voor de Franse Revolutie een standenbestaan. Mensen denken hier vaak aan bij de middeleeuwen maar het is dus veel langer doorgegaan. Dit was bijvoorbeeld zo in Frankrijk. Het standenleven was oneerlijk. Als je in de derde (laagste) stand geboren werd kon je niet naar een andere stand. De derde stand was vooral boeren en andere lage mensen. De tweede waren de geestelijken en de eerste was de adel. De adel had het geld. De derde stand had bijna geen rechten. In de Franse Revolutie waren mensen dit zat en ze kwamen in opstand ertegen.



8. Guillotine: De guillotine of valbijl is een instrument waarmee onthoofding werd uitgevoerd. Via deze manier was misslaan niet mogelijk en dood van de veroordeelde zeker. Het werd vooral in de Franse revolutie gebruikt maar ook hiervoor werden al soortgelijke dingen gebruikt. Het is vernoemd naar Joseph Guillotin (1738-1814). Joseph was tegen de doodstraf en hoopte de guillotine als tussenstap te gebruiken op weg naar afschaffing van de doodstraf. Lodewijk XVI was geïnteresseerd in het apparaat maar liet het nog verbeteren. Hij liet een aangepaste versie maken. Uiteindelijk in Lodewijk XVI onder zijn verbeterde guillotine gestorven.



9. Hongersnood: Als er niks te eten is. Een belangrijke reden van de Franse Revolutie omdat de jaren voor 1789 hongersnood was omdat de oogst mislukte. De derde stand zag (Zie: begrip eerste, tweede en derde stand) dat zij geen eten hadden en de adel wel. De prijs van het eten steeg en steeg en de derde stand kon het niet meer betalen.

10. Le Grand Peur: de grote angst. De derde stand was erg ontevreden vanwege privileges, belasting en het belangrijkste: eten. Er was al twee jaar geen goede oogst meer geweest en zo zag de derde stand dat de adel wel eten had en zij honger hadden. Er ontstond onrust. Deze periode staat in het teken van het hele volk dat in opstand komt tegen de adel. Het duurt vanaf 1787 tot ongeveer 1793. Het was een bloederige periode met veel moorden.



11. Nationale vergadering: De vertegenwoordigers van de derde stand (zie: staten-generaal) besloten zelf een vergadering te houden, dit is net voor de Franse Revolutie. Ze benoemden zich tot Nationale Vergadering. Hiermee bedoelden ze dat deze vergadering het hele Franse volk vertegenwoordigde. Ze vonden dat de koning minder macht kreeg en de burgers meer rechten. De derde stand kreeg snel al steun van de lagere geestelijken en zelfs enkele edelen. Lodewijk XVI werd boos en verbood ze verder te vergaderen. Ze weigerden. De koning gaf toe maar luisterde nog steeds niet naar ze. De koning liet zelfs hoge geestelijken en adelen deelnemen aan de vergadering. Het leek een gewonnen strijd voor de derde stand. De situatie was veranderd van de adel tegen de koning om de macht naar de derde stand tegen de koning en de adel.



12. Pacht: de derde stand moest niet alleen op het land werken voor de adel maar ook nog huur betalen voor hun land. Als dan de oogst slecht was konden de armen soms amper iets eten omdat dan de graanprijzen heel hoog waren en ze moesten nog de huur betalen. Pacht is een ander woord voor huur.



13. Privilege: Een voorrecht. Bijvoorbeeld de Franse adel en geestelijkheid hadden privileges, de burgers niet. Zo hoefde de adel en geestelijkheid geen belasting te betalen. Mensen met een titel hadden voor de Franse Revolutie veel privileges. Bijvoorbeeld ook hoge posities in het leger of bestuur



14. Radicalen: Dit was een groep mensen in de Nationale Vergadering die heel extreem voor de revolutie waren. Ze wilden alles tegelijk en snel. Zo wilden ze de koning onthoofden en democratie. Robbespierre was hun leider. Hij was degene die het Terreur startte (zie: begrip Terreur). Hierin onthoofde hij de reactionairen onder de guillotine. Zelf is hij hier ook onder gestorven.



15. Reactionairen: Dit was een groep mensen in de Nationale Vergadering die het rustiger aan wilden doen. Ze vonden dat alles al snel genoeg ging en ze moesten rustig aan iedereen meer laten wennen aan het revolutionaire leven. Ze zijn in de Terreur terechtgesteld door Robbespierre en zijn radicalen.



16. Revolutie: Een revolutie is een periode waarin veel veranderd in een korte tijd. Het kan hierbij om sociale verandering of politieke veranderingen gaan. Ook, zoals het geval bij de Industriële revolutie, kan het zijn dat het langer duurt maar een erg grote impact heeft.



17. Robespierre: Maximilien Robespierre was de leider van de radicalen (Zie: begrip radicalen). Hij was erg voor de Terreur (Zie: begrip Terreur). Deze Terreur ontstond tijdens een strijd de radicalen en de reactionairen. Robespierre liet alle reactionairen onthoofden. Iedereen die iets tegen de radicalen had was volgens hem een tegenstander van de revolutie en werd onthoofd. Uiteindelijk is hij, heel toepasselijk, zelf ook onder de guillotine gestorven.



19. Soevereiniteit: Nadat het absolutisme tijdens de revolutie ten einde liep, kwam er soevereiniteit. Soevereiniteit is onafhankelijk gezag. Een soeverein was vroeger bijvoorbeeld keizer. Zoals Napoleon na de Franse Revolutie.



20. Staten-Generaal: De Staten-Generaal was een soort vergadering waarbij de drie standen zijn vertegenwoordigd. De Staten-Generaal is bij elkaar gekomen in 1789. De laatste keer hiervoor in 1614. Het bestond uit 300 geestelijken, 300 adelen en 600 mensen uit de burgerij. Lodewijk XVI besloot ten einde raad net voor de Franse Revolutie een te organiseren, voor het eerst in 175 jaar. Op 5 mei 1789. Ze bespraken belastingvoorstellen. De adel wilde natuurlijk niet dat ze meer moesten betalen. Op het einde mocht men stemmen. Per stand was er 1 stem.



21. Terreur: Dit is een periode in de Franse Revolutie. Men vond dat alle tegenstanders van de Revolutie moesten worden terechtgesteld. Wie het niet met ze eens was, was een tegenstander. De beschuldigden kregen amper kans zich te verdedigen, meestal werd het gewoon de doodstraf. Een van de eerste slachtoffers was Marie Antoinette. Zij was slechts het begin, in totaal werden in de Terreur 13.216 mensen onthoofd met de guillotine. Plus nog ongeveer 22.000 mensen die zonder enige vorm van rechtspraak terecht waren gesteld.



http://nl.wikipedia.org/wiki/Guillotine

Uitleg Leraar

Sprekend verleden HAVO/VWO 2

http://www.bibliotheekdenhaag.nl/despin/lessen/Franse_revolutie/Default.htm

Spekend verleden VMBO-T

http://www.scholieren.com/werkstukken/38941

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

9282

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer