Geschreven door: | Debby |
Datum ingestuurd: | 27 januari 2008 |
Taal: |  |
Woorden: | 10.900 |
Bekeken: | 3155 keer (17 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
1 Wat is filosofie?Filosofie: “philein” en “sofos” = liefhebben van de wijsheid. Het Nederlandse woord voor filosofie is wijsbegeerte.
Meestal wordt een filosoof gezien als iemand die de betekenis van het menselijk bestaan overdenkt. Het is dus een intellectuele activiteit. Het beschrijven van de term filosofie is op zich al een filosofisch probleem. Een filosoof overdenkt de problemen van de wereld die voor ons allen direct of indirect belang inhouden. Het is een normatieve wetenschap die zich baseert op gedachten. De filosoof evalueert door zorgvuldig kritisch onderzoek al het bestaande en de menselijke wereld in het bijzonder. Hieruit ontstaan theorieën en inzichten.
De filosoof wil een algemeen, coherent, consistent en systematisch beeld scheppen van alles wat we kennen en denken.
Filosoferen is dus niets uitsluiten en alles onderzoeken waarvan een ervaring mogelijk is. Nietzsches zegt dus dat we het gehele beeld onder ogen moeten zien en niet indelen, anders mis je de kern ervan.
Alles wordt onderworpen aan de vraag waarom.
Socrates: “Het ononderzochte leven is niet waard geleefd te worden!”
Waarom aan filosofie doen: sommige mensen zijn niet tevreden met hapklare antwoorden , ze willen nadenken tot het einde. Ze willen de waarheid en wetenschap respecteren. Ze willen de maatschappij verbeteren.
1.1 Deelgebieden van de filosofie• Ontologie: zijnsleer, verschillende soorten zijn. Bestaat iets als je eraan denkt? Het is waarneembaar.
• Metafysica: een grondslag waarvan je vertrekt, maar die je niet kan bewijzen. Is er een transcendent zijn? Het gaat over het niet waarneembare.
• Wijsgerige antropologie: de studie van de mens. Wat is de mens, de mens denkt rationeel, anders dan dieren! In wat verschilt de mens anders dan de zijden? De mens heeft een zelfbewustzijn, kan praten en communiceren en vertoont emotie.
• Cultuurfilosofie: cultuur is typisch aan de mens, de mens kan keuzes maken. Ze vragen zich af wat cultuur nu precies is en hoe het ontstaat. Wat is de verhouding tussen cultuur en natuur. Alles wat niet natuur is en wat wordt overgegeven is cultuur. Er bestaan 4 grondvormen van cultuur: kennen, handelen, kunst en religie.
• Logica: het is het tegenovergestelde van intuïtie. Logisch denken is niet nodig om te overleven. Overlevingsdrang is een reflex. Logica is de leer van de redenering. De ene gedachte wordt uit de andere afgeleid, om zo tot de juiste conclusie te komen.
• Kennistheorie: wat weten we zeker, waar moeten we niet aan twijfelen? Zoekt de waarheid en de werking van de menselijke geest. Zijn onze overtuigingen wel echt waar?
• Wijsgerige ethiek: de wetenschap van de zedelijkheid
• Sociale filosofie: de mens is een sociaal wezen, hoe moet men de maatschappij ordenen zodat mensen zich goed voelen? De samenleving bepaalt of mensen gelukkig of ongelukkig zijn!
• Wijsgerige reflectie op menselijke activiteiten: we kunnen filosoferen over alle menselijke activiteiten.
• Geschiedenis van de wijsbegeerte: geschiedenis van de filosofen die de filosofie van nu beïnvloeden.
Piramide bestaat uit 4 punten:
1. wijsbegeerte
2. wetenschap
3. kunst
4. godsdienst
Je plaatst je eigen keuze bovenaan, de rest is ondergeschikt!
Filosofie en godsdienst: stellen dezelfde vragen, maar de methode om antwoorden te vinden is anders. De filosofie heeft een kritisch rationele aanpak en de godsdienst vraagt een overgave aan de godsdienstige waarheid. De filosofie kan de waarheid van het geloof dus niet bewijzen.
Filosofie en wetenschap: filosofie blijft dezelfde vragen stellen terwijl de wetenschap steeds verder bouwt. Filosofie neemt waar door aandacht en verwondering en de wetenschap proefondervindelijk. De filosofie kijkt naar het geheel en de wetenschap naar 1 aspect.
Filosofie en kunst: kunstenaars geven een eigen beeld van de werkelijkheid, het bepaalt hoe wij naar dingen kijken. Het geeft dingen weer zonder uitleg. Je weet dadelijk of het goed of slecht is. Filosofie is niet goed of slecht.
2 MythenMythen zijn traditionele verhalen, die de wereld beschrijven. Ze verklaren waarom de wereld is zoals ze is. Mythen zijn antwoorden op moeilijke vragen over het leven die vragen naar het waarom. In de verschillende soorten mythen door verschillende culturen vertelt, komen steeds dezelfde patronen terug.
Mythologisch denken: patronen die steeds terug komen.
Alle culturen gingen hun gedrag aan de mythen koppelen, hierdoor ontstaan er rituelen. Ons gedrag wordt dus door de geschiedenis bepaald.
Mythen verschillen van de filosofie. Filosofie baseert haar uitleg op ervaring en verstand, ze zoeken de waarheid in het natuurlijke. De mythen zoeken bovennatuurlijke verklaringen voor allerlei gebeurtenissen.
3 Natuurfilosofen De eerste filosofen waren natuurfilosofen. Ze hielden zich bezig met de natuur en haar processen. Alle vroege filosofen geloofden dat er een bepaalde grondstof aan de grondslag moest liggen aan alle veranderingen. Ze willen weten uit welke oerstof de natuur bestond en wat de oorzaak was van de veranderingen in de natuur.
Ze willen weten wat er werkelijk in de natuur gebeurt, zonder terug te grijpen op mythen.
De filosofie maakte zich geleidelijk los van de religie. Ze deden een eerste stap in de wetenschappelijke manier van denken.
3.1 MiletePlaats waar 3 natuurfilosofen van kwamen. Zij geloofden in het bestaan van 1 enkele oerstof als bron van alle dingen.
3.1.1 Thales (de eerste filosoof) 6de eeuw voor Christus
Dacht water de bron was van alles. Water kan het duidelijkst faseveranderingen ondergaan. Hij zoekt de begin van alles in de natuur en niet bij de Goden.
Uitspraken:
• Alles wordt doorstroomd door water
• Alles wordt doorstroomd door goden
grens met mythologie en filosofie!
Hij wil een antwoord formuleren op een nieuwe vraag:
Hij vraagt naar de bouwstenen van dingen probleem van verandering.
In het begin van de filosofie de natuur wat is dit? ontstaan filosofie
daarna: ik?
Waarom water:
ecologisch:
• Woonde aan de kust
• Binnenland leefde van regen
• Hij zag dat er overal water was, het zit overal in (hout, mens, …)
theologie:
• Wereld: schijf op poten in water = oeroceaan
Oceaan = grens / eindpunt
• Als je sterft overschrijden van de rivier
Waarom Goden: oude mythologische denken bestonden echt voor hen!
3.1.2 Anaximander (de tweede filosoof) 6de eeuw voor Christus
Onze wereld is één van de ontelbare werelden. Ze komen voort en keren terug naar het onbegrensde.
Apeiron = het onbegrensde waar je naartoe keert als je dood bent.
Het onbegrensde is ondeelbaar en is dus het kleinste deeltje. Maar wat is het allerkleinste deeltje?
De oerstof kan niet water zijn! De oerstof is een substantie, het is iets wat niet gekend is. Alle gecreëerde dingen zijn beperkt en vergaan ooit.
3.1.3 Anaximenes (de derde filosoof) 6de eeuw voor Christus
Dacht dat lucht / damp de oerstof is van alles. Lucht is nodig om te overleven en is overal.
Lucht verschijnt op verschillende manieren.
Het is ook de basis van water (de oerstof volgens Thales), water is gecondenseerde lucht volgens Anaximenes.
Lucht is de oerstof van water vuur en aarde.
3.2 De Eleaten (uit Elea) 5de eeuw voor Christus
De 3 filosofen uit Milete geloofden dat alles bestaat uit 1 basissubstantie. Dit brengt het probleem van verandering met zich mee. Hoe kan één substantie veranderen in iets anders?
De Eleaten hielden zich bezig met deze vraag.
3.2.1 Parmenides
Alles wat bestaat, bestond al. = ontkenning van verandering.
Verandering bestaat niet. Niets kan dus nooit iets worden of omgekeerd. Alle verandering is bedrog. Beweging is schijn, want je neemt ze met je zintuigen waar.
Parmenides kiest voor verstand= belangrijkste bron van kennis over de wereld = rationalisme!
Rationalisme: filosofisch denksysteem dat zich baseert op de rede en/of dat de rede verantwoordelijk stelt voor de oorsprong van de ideeën.
3.2.2 Heraclitus
Vuur is de oerstof van het universum.
Alles verandert constant (het stroomt tussen 2 polen = tegenstellingen), dit is het belanrgijkste kenmerk van de natuur.
De wereld is gekenmerkt door tegenstellingen. Er is constant wisselwerking tussen de polen.
God is iets wat de hele wereld omvat! God = Logos = Rede. Deze universele rede stuurt de natuur, de mens. Toch volgt de mens zijn eigen rede (verachting tov de mens).
Logos is de bron van alles, hij is een eenheid in de bron van tegengestelden.
Voor Heraclitus is rationalisme onzin.
Parmenides Heraclitus
Niets kan veranderen Alles verandert
Zintuigen zijn bedrieglijk Zintuigen zijn betrouwbaar
3.3 Empedocles De gedachte van 1 oerstof moet veranderd worden.
De bron van de natuur bestaat uit 4 elementen. aarde, lucht, vuur en water!
Er zijn 2 krachten in de natuur haat en liefde.
Hij gelooft dat niets verandert (Parmenides) en dat zintuigen te vertrouwen zijn (Heraclitus):
Aarde, water, vuur en lucht zijn eeuwig en blijven onveranderd. Ze maken deel uit van samenstellingen. De 4 elementen worden verenigd in wisselende verhoudingen en worden weer uit elkaar getrokken. Deze verandering kan je waarnemen.
Deze vereniging en scheiding gebeurt door 2 krachten. Hij maakt dus een onderscheidt tussen grondstoffen en kracht (= moderne wetenschap).
Alles bestaat dus uit de 4 grondstoffen. We kunnen dingen dus waarnemen omdat de grondstof aarde in mijn oog aarde kan waarnemen en zo verder… als er 1 grondstof ontbreekt in mijn oog kan ik niet de hele natuur zien!
3.4 Anaxagoras (uit Athene)
De oerstof is een oneindig aantal deeltjes! Bestaat dus niet uit 1 basissubstantie. Wij kunnen de deeltjes niet waarnemen, ze kunnen in nog kleinere deeltjes worden opgesplitst. De kleine deeltjes zijn zaden die iets van alles in zich dragen.
Liefde zorgt voor verbinding van de elementen.
Het NOUS is de kracht die de verhoudingen bepaalt, die dingen schept. = geest of intelligentie.
Zon is geen God maar een roodgloeiende steen.
3.5 Pitagoras (sekte)Het geheim van de wereld ligt in de cijfers! Cijfers hebben betekenis, er zit harmonie in.
Er moet overal harmonie in worden gezocht. Ieder cijfer is het optellen van andere cijfers
spelen met cijfers ontstaan van wiskunde.
Zelfs de ideale mens is berekenbaar = corpo quadrato
4 Democritus = ook een natuurfilosoof! Veranderingen in de natuur zijn geen werkelijke verandering. Alles bestaat uit minuscule onzichtbare, onvergankelijke en onveranderlijke atomen. (parmenides = ontkenning van verandering)
Atoom = ondeelbaar.
Onderdelen kunnen niet oneindig opgesplitste worden.
Bouwstenen zijn onvergankelijk want niets kan uit niets ontstaan (Parmenides, Eleaten).
De atomen zijn allemaal verschillend, waardoor ze kunnen samengevoegd worden tot verschillende vormen. Verschillende groten en vormen, hard en ondoordringbaar.
De atomen zelf veranderen dus niet, maar de ordening ervan verandert verandering.
Ze worden steeds opnieuw gebruikt. = de natuur stroomt (Heraclitus)
Ongeveer gelijk aan de atoomtheorie van vandaag! Wetenschappers bevestigen dat er een ondeelbaar deeltje moet zijn.
Als je met je verstand aanvaard dat niets kan veranderen en dat niets uit niets bestaat, aanvaard je dat de natuur bestaat uit oneindig kleine blokjes die samengevoegd worden en uit elkaar gehaald.
Beweging neem je waar omdat atoomdeeltjes bewegen. Zelfs de ziel bestaat uit vuuratomen, die uit elkaar spatten als je sterft. De ziel is dus niet onsterfelijk. Ze zijn met de hersenen verbonden. Zonder hersenen, geen bewustzijn.
Democritus zijn manier van denken was materialistisch. Hij gelooft alleen in materialistische dingen en niet in krachten. Alles bestaat uit atomen en leegten.
5 Het LOTVeranderingen in de wereld worden door het lot verklaard.
5.1 Fatalisme Alles wat gebeurt is voorbeschikt, de toekomst wordt niet beïnvloed door onze handelingen.
Gevolg van geloof in het lot: menselijke vrijheid is een illusie en dus onbestaande.
Je kan zelf niks aan het lot veranderen.
De toekomst is niet per sé gebonden aan gebeurtenissen.
5.2 Determinisme (causaal determinisme)Alle gebeurtenissen zijn veroorzaakt of bepaalt door een eerdere gebeurtenis. Er ontstaat een keten waarin alle gebeurtenissen schakels zijn.
Als je inzicht krijgt in deze causale keten, kan je realiteit en toekomst verklaren.
Je kan deze keten beïnvloeden door beslissingen te nemen. De beslissing zelf is voorbeschikt.
Vele mensen denken dat ze hun lot te weten kunnen komend door een soort orakel.
5.3 Het orakel Delphi (God Apollo)Grieken dachten dat ze dit orakel konden raadplegen over hun lot. Ze moesten hun vraag indienen bij de priesters van het orakel. Het orakel gaf een vaag en dubbelzinnig antwoord dat de priesters moesten interpreteren. Zij waren diplomaten of adviseurs.
Boven het orakel stond: KEN UZELF: mensen zijn sterfelijk en niemand kan aan zijn lot ontkomen.
Mensen leefde in een onzekere wereld en wouden zekerheid krijgen.
6 Socrates (5de eeuw voor Christus)
Wordt beschouwd als stichter van de filosofie.
Hij woonde in Athene, een stad in Hellas (stadstaat). Vrije burgers waren er in de minderheid. Sofisten (advocaten) leerden burgers argumenteren tegen betaling. Zij trokken rond. Niet de waarheid is belangrijk, maar wie het pleit. Sofisten waren wijze personen die verkondigden dat de vragen van de filosofie nooit door de mensen beantwoord konden worden.
Socrates vond de mens en zijn plaats in de maatschappij belangrijker dan de natuur. Volgens Socrates was een filosoof iemand die erkent dat hij veel niet begrijpt, en daar moeite mee heeft. “ik weet dat ik niets weet”. De wijsheid van Socrates lag in het feit dat hij wist dat hij onwetend is. Hij trok zijn kennis voortdurend in twijfel.
Toch geloofde hij dat de mens de universele waarheid kan bekomen door de menselijke rede. Hij is dus een rationalist. Rationalisme: kennis komt voort uit het menselijk denken.
Hij werd geleidt door een goddelijke innerlijke stem die zei wat juist was. Het juiste inzicht leidt tot de juiste handeling. Definities van goed en kwaad liggen in het verstand en niet in de maatschappij! Socrates hielp mensen bij de geboorte van het juiste inzicht, begrip moet van binnenuit komen.
Socrates voerde een dialoog met de mensen, zodat het niet leek dat hij ze wilde onderwijzen. Hij maakte de indruk dat hij wou leren van de mensen met wie hij sprak. Hij discussieerde door vragen te stellen. Hij leerde zijn tegenstanders de zwakke punten van hun argumenten kennen. Hij toonde hun schijnweten aan. Onderzoek en weerlegging! Zo realiseren ze zich wat goed en kwaad is. Werden verplicht hun gezond verstand te gebruiken.
1. vraag
2. schijnweten (vals zelfbewustzijn)
3. onderzoek en weerlegging
4. erkenning van het niet weten (verlegenheid = aporie)
5. heropname van de vraag
6. zoeken naar weten (samen) = bereidheid tot leren
7. wijsheid = adequaat weten = dieper inzicht
Hij werd aangeklaagd voor de introductie van nieuwe Goden en goddeloosheid (hij geloofde niet in de algemeen aanvaarde Goden). Athene was een democratieën, maar Socrates was tegen de democratie. Hij had een antidemocratische invloed op aristocratische jongeren (Plato) die dachten zoals Socrates. Hij werd ter dood veroordeeld door zijn filosofische activiteiten. Hij vond de waarheid belangrijker dan het leven.
Aristocratie: regeringsvorm waarbij de heerschappij in handen is van een kleine groep, de zogenaamde aristocraten. Geregeerd door de besten.
Plato was een leerling van Socrates, hij schreef enkele dialogen met Socrates als hoofdfiguur. Nous is de kern van het denken van Socrates = ziel.
Ontstaan van de sceptici: ze geloven niet in de waarheid. Er bestaat geen, je moet er niet naar zoeken. Van iedere waarheid kan het tegendeel bewezen worden.
Probleem: je vindt niks terug van het scepticisme, niks is waar. Stellingen heffen zichzelf op.
Scepticus Gorgias:
1. er is geen waarheid
2. als er een waarheid is kan je die niet formuleren
3. indien de waarheid bedacht kan worden, kan je ze nooit communiceren
7 Plato (5de tot 4de eeuw voor Christus)
Hij kwam van een aristocratische Atheense familie. Hij discussieerde veel met Socrates, hij was zijn leerling. Ook hij was tegen de democratie.
Hij richtte een school op: de Academie. Hier wilde hij toekomstige leiders opleiden. Één van zijn leerlingen was Aristoteles.
Plato hield zich bezig met wat eeuwig en onveranderlijk is in de natuur, moraal en maatschappij. Hij probeert de werkelijkheid die eeuwig en onveranderlijk is te begrijpen. Hij hield zich ook bezig met wat stroomt.
(Socrates en de sofisten hielden zich alleen bezig met de mens en maatschappij. De sofisten dachten dat de opvatting van goed en kwaad afhankelijk waren van stadstaat tot stadstaat en van generatie tot generatie. Goed en kwaad stroomt voor de sofisten. Socrates geloofde in eeuwige en absolute regels van goed en kwaad. Door ons gezond verstand komen we tot de onveranderlijke normen. De menselijke reden is immers eeuwig en onveranderlijk. )
Volgens Plato stroomt al het tastbare in de natuur. Alles in de materiële wereld is gemaakt door een tijdloze vorm die eeuwig en onveranderlijk is. Daardoor lijken dingen hetzelfde. Deze vormen zijn ideeën. Alle paarden hebben 1 ding gemeen en dat is de gedachte paard. Die gedachte is de waarheid die uit een andere wereld komt.
= vormenleer
De werkelijkheid die wij ervaren is niet de echte wereld, er ligt een wereld achter (schaduw).
De ziel gaat na de dood naar een andere wereld en daar kennis opdoen. Daardoor weten we alles. De ziel is goed en het lichaam is slecht (kerker). Als de ziel in het lichaam komt vergeet ze alles. Als de mens dingen ziet in de natuur, is er een vage herinnering in zijn ziel. Hierdoor verlangen filosofen ernaar hun ziel te bevrijden. Niet alle mensen zijn zich hiervan bewust!
Er zit dus een werkelijkheid achter de materiële wereld. Deze werkelijkheid is de ideeënwereld. Daarin zitten de eeuwige en onveranderlijke vormen die achter de verschijnselen zitten die we tegenkomen in de natuur. De verschijnselen zijn dus schaduwen van de eeuwige vormen of ideeën.
= ideeënleer van Plato er zijn geen aangeboren ideeën!
Volgens Socrates is er een waarheid en volgens Plato is de waarheid een gedachte.
Rationalisme: de waarheid kan alleen met ons verstand waargenomen worden.
Onze zintuigen kunnen nooit werkelijke kennis hebben omdat zij dingen waarnemend ie constant in verandering zijn. Ze stromen.
Plato’s staat moest geregeerd worden door filosofen, hiervoor baseerde hij zich op het menselijk lichaam: (het lichaam wordt geleidt door het hoofd)
Een lichaam bestaat uit 3 delen, ieder deel heeft een deel van de ziel en streeft naar een deugd:
• Hoofd: rede streeft naar wijsheid
• Borst: moed streeft naar standvastigheid
• Onderlijf: begeerte moet in bedwang gehouden worden, matiging!
indien deze delen als eenheid functioneren krijgen we een deugdzaam individu.
De staat moet volgens Plato net zo opgebouwd worden. Plato’s staat bestaat uit lagen waarin iedereen zijn plaats moet kennen. Er zijn heersers, wachters en werkers. Vandaag zouden wij zo een staat als totalitair beschouwen. De schepping van een goede staat is gebaseerd op het rationalisme. Er is dus een drieledige correlatie tussen de staat, het lichaam, de ziel en de deugd.
Anamnese is het ‘zich herinneren’ van de vormen of ideeën der ideeënwereld.
8 Aristoteles 4de eeuw voor ChristusHij gaf les aan Alexander de Grote en stichtte zijn eigen school het Lyceum. Hij werd in Athene aangeklaagd voor goddeloosheid, daarom vertrok hij er.
Aristoteles was geobsedeerd door de natuur en studie ervan, hij had interesse voor de natuurprocessen. (Plato niet!). Plato geloofde in eeuwige vormen en had daardoor geen aandacht voor de veranderingen in de natuur.
Plato rede
Aristoteles zintuigen en logica
Aristoteles: alle mensen zijn sterfelijk, Socrates is een mens, dus Socrates is sterfelijk! = ontstaan van logica
Aristoteles legde de basis voor de wetenschap:
1. inductie en deductie
a. inductie: van het detail naar het grote geheel
b. van het geheel naar het detail
2. logica
3. indelen in categorieën en terminologie
Volgens Plato waren er eerst de volmaakte ideeën en daarna de schaduw van deze ideeën in de natuur. Aristoteles vond dat Plato alles verdraaide. Hij was het eens dat een paard stroomt en dat het eigenlijke idee eeuwig en onveranderlijk was. Maar Aristoteles dacht dat het idee paard kwam uit de kenmerken die alle paarden hebben.
Plato aangeleerd denken uit de ideeënwereld.
Aristoteles ervaring, de natuur is de werkelijke wereld. Alles in het bewustzijn bestaat door de zintuiglijke waarneming ervan. We hebben dus geen aangeboren ideeën maar wel het aangeboren vermogen om zintuiglijke waarnemingen in categorieën en klassen te verdelen. Alles kan ingedeeld worden in categorieën en subcategorieën.
De ziel is een weerspiegeling van de dingen die we waarnemen in de natuur.
Volgens Aristoteles bestaat alles uit 2 elementen:
• vorm = zijn eigenschappen zelfde voor ieder paard
• stof = materie waaruit het bestaat anders voor ieder paard
Iedere stof kan een bepaalde vorm aannemen, dat zijn veranderingen in de natuur.
4 manieren hoe een stof tot vorm kan komen:
1. werkoorzaak (iemand moet het doen)
2. stoffelijke oorzaak
3. vormelijke oorzaak (plan)
4. doeloorzaak (er is niet altijd een doel, toeval!)
Dieren zijn anders omdat ze een andere functie hebben teleologisch denken
Alles in de natuur heeft een doel teleologisch denken
Indeling van de natuur:
• leven (eigenschappen: eten, groeien, voortplanten)
o planten
o andere (bewegen en wereld waarnemen)
dieren
mensen (rationeel denken)
• niet leven
boven alles staat de onbewogen beweger = God. Hij geeft aanzet tot alle bewegingen in de natuur.
Ethiek: gedrag is bepaald door ethiek van het verstand. Je gedraagt je goed als je je gedraagt naar je verstand. Deugd en ervaring werken op elkaar in. Je leert dingen door ze te doen.
De commercantenethiek = de middenweg kiezen. Alleen evenwicht en matigheid brengen geluk!
Er zijn 3 goede staatsvormen volgens Aristoteles:
1. monarchie (zolng geen tirranie)
2. aristocratie (kleine groep mensen aan de macht)
3. democratie (als ze zich niet ontwikkelt tot dictatuur)
Mening over vrouwen van Aristoteles: de man is de vorm en de vrouw het stof. Daaruit ontwikkelt zich een baby. Vrouwen zijn onvolledig!
SPA = Socrates – Plato – Aristoteles = triumviraat!
Socrates en Plato= continentale denken.
Aristoteles = Angelsaksische denken
Plato: theorie en waarheid moeten beseft worden. deductief
Aristoteles: wetenschappelijk, op ervaring gebaseerd. inductief
9 Hellenisme en Rome – perspectievenNa de dood van Alexander de Groote kwam er de hellenistische periode (4de eeuw voor Christus). Er was een beschaving waarin taal en cultuur belangrijk waren.
De hellenistische cultuur bracht wetenschappelijke, filosofische en religieuze ideeën uit de hele wereld samen. Het intellectuele en commerciële centrum lag in Alexandrië.
Vanaf de 2de eeuw voor Christus kwam er het Romeinse tijdperk dat een voortzetting was van het hellenistische tijdperk.
10 Hellenistische filosofieGrenzen tussen verschillende landen en culturen vervagen.
Syncretisme: ontstaan van nieuwe religies door samensmelting van religieuze opvattingen.
De religieuze stromingen bevatten leerstellingen hoe ze verlossing konden vinden in de dood. Grenzen tussen filosofie en religie werden geleidelijk uitgewist.
Stromingen binnen het hellenisme:
• de cynici
• de stoïcijnen
• de epicuristen
• het neoplatonisme
• de mystiek
10.1 De cynici (honden) 400 v.C. oprichter Antisthenes (leerling van Socrates) school
Het geluk ligt niet in materiële dingen, zelfs niet in gezondheid. Het geluk ligt in het niet afhankelijk zijn van zulke dingen. Dit geluk ligt binnen ieders bereik en gaat niet verloren als je het eenmaal bereikt hebt. Zelf het lijden en de dood moeten je niet verontrusten!
Bekende Cynicus = Diogenes van Sinope: hoe minder je hebt hoe gelukkiger je bent. Hij leefde in een ton en had alleen een mantel, een stok en kalebas (uitgeholde vrucht).
Je moet alles loslaten, als je niks hebt kan je ook niks verliezen. Je bent niet beperkt.
10.2 De stoïcijnen (zuilengang) 300 v.C. oprichter Zeno (was een cynici) school
Stoïcisme: je omgeving is niet belangrijk, maar je eigen geestelijke verrijking. Niks uit je omgeving is van jou buiten je gedachten. = tegenhanger van het epicurisme.
Iedereen maakt deel uit van hetzelfde gezond verstand = logos = oerverstand.
Iedereen is een microkosmos die een weerspiegeling is van de macrokosmos.
Er bestaat dus een universele waarheid (natuurwet) die onveranderlijk is. = Socrates!
De stoïcijnen geloven dat er maar 1 natuur bestaat, er is geen verschil tussen individu en universum = monisme
Plato dualisme (twee werelden)
Je moet pijn verdragen en zelfs de dood mag je niet in onevenwicht brengen.
Alle natuurprocessen worden door de onveranderlijke wetten der natuur bepaald. De mens moet zijn lot aanvaarden en zich niet door zijn gevoelens laten overmannen.
Enkele bekende stoicijnen:
• Marcus Aurelius (staatslieden)
• Cicero formuleerde het humanisme: levensbeschouwing met het individu als middelpunt.
• Seneca: de mensheid is voor de mensheid heilig (ook humanisme)
10.3 De epicuristen 300 v.C. tuinfilosofie (egocentrisme)Epicurisme: genot is het belangrijkste!
Leerling van Socrates, Aristippus, vond genot het belangrijkste. Pijn moet je vermijden.
Epicurus richtte een school op, hij ontwikkelde de genotsethiek en combineerde de atoomleer van Democritus.
Carpe diem! Genot maximaliseren, pijn vermijden! Dit is de tegenhanger van het stoïcisme.
Deze tuinfilosofen zeiden leef verborgen geen publiek leven (egoïsme)
Het welbewuste eigenbelang is belangrijk alleen dingen doen waar je zelf iets aan hebt.
Zinnelijk genot moet afgewogen worden want overdaad schaad! Je moet genot kennen op lange termijn. Zelfbeheersing, matiging en kalmte zijn belangrijk om van het leven te genieten. Genot is ook kunst, vriendschap, …
Epicurus wilde mensen de angst voor de dood doen overwinnen door de zielatomen van Democritus. Je kan de dood niet beleven dus je moet er geen aandacht aan schenken.
Epicuristen willen Ataraxia bereiken = volmaakte gemoedsrust.
10.4 Neoplatonisme 3de eeuw na Christus, (inspiratie op de filosofie van Plato)Vertegenwoordiger Plotinus. Het is een verlossingsleer.
Plato geloofde in de ideeënwereld en de zintuiglijke wereld, er was dus een verschil tussen ziel en lichaam. De ziel is onsterfelijk. Plotinus had ook zo een idee!
Hij geloofde dat de wereld tussen 2 uiteinden was gespannen.
Goddelijke licht -------------------------------------------------------- duisternis
= het Ene geen licht van het Ene
Onbestaande!
Het Ene is alles, alles emaneert (vloeit voort) uit het Ene. Het Ene staat boven alles en is perfect. Het is onvatbaar. = transcedente: het overstijgende, je kan het niet waarnemen met je zintuigen!
De ziel werd volgens Plotinus verlicht door het Ene, de materie is de duisternis die geen werkelijk bestaan kent. De vormen in de natuur hebben een zacht schijnsel van het Ene. Je ziet de verbrokkelde werkelijkheid. Alles wat bestaat heeft iets van het goddelijke mysterie. In onze ziel zijn we het dichtst bij God.
Plato denkt tweeledig terwijl Plotinus gelooft in de eenheid, volledigheid (alles is God). Soms had hij het gevoel dat zijn ziel samensmolt met God. = mystieke ervaring
10.5 MystiekEen mystieke ervaring is het ondergaan van een vereniging met Goed of de kosmos. Je voelt je één met een geheel. Je bent een deel van het geheel en na de dood wordt je terug één met het geheel.
Westerse mystiek: je ontmoet een persoonlijke God
Oosterse mystiek: je wordt één met God
Eclecticisme: mix van bestaande stromingen, wat voor jou van toepassing is eruit halen.
11 Middeleeuwse filosofie 4de eeuw na ChristusZe gaan alles proberen te verklaren vanuit de kerk. De filosofie was maar op 1 vraag gericht: zijn de bijbel en de rede verenigbaar? De kerk kreeg meer macht en filosofen moesten voorzichtig zijn met deze vraag te beantwoorden.
Er waren 2 stromingen:
• Patristiek (pater = vader): filosofen geven een filosofische basis aan het Christendom. Duurde tot de 8ste eeuw n. C. Voormiddeleeuws = Oudheid
• Scholastiek (schola = school): ontstaan universiteiten, argumenteren was belangrijk! Filosofie & Christendom gingen hand in hand. Vanaf de 9de eeuw. Middeleeuws.
11.1 Patristiek Tijd van de Kerkvaders.
Er is een confrontatie tussen de geloofsleer en het hellenistisch denken.
Probleem: Christenen behoorden tot de lagere klassen, terwijl het Christendom de hogere klassen wou overtuigen. Hiervoor moesten ze concurreren met het hellenisme.
Filosofie gebruiken om de geloofsleer sterker te maken:
• Intellectueel geloofwaardig worden
• Wat is het Christelijk geloof? Gnosis: strekking van het geloof, ketters!
Besluit: de patristiek wil de geopenbaarde waarheden uitzuiveren en in overeenstemming brengen met filosofie. Filosofie is de dienstmaagd van het geloof. Filosofie wordt minderwaardig in de patristiek.
11.1.1 Augustinus (kerkvader)
• Manicheïsme: volgeling sekte (leer). Deze leer is half religieus en half filosofisch. Zij geloofden in het dualisme van goed en kwaad. (ziel en materie)
• Scepticus: hij had geen gemoedsrust en vroeg zich af waar het kwaad vandaag kwam
• Neoplatonisme: alles wat bestaat is goddelijk
• Bekeren tot het Christelijk geloof: het christendom is een goddelijk mysterie dat we alleen door geloof kunnen bevatten. Plato werd door Augustinus binnengehaald in de christelijke leer.
Het christendom is sterk beïnvloed door de platonische ideeën. De ideeën die bestonden voor God de wereld had geschapen bestonden al in de Goddelijke geest = eeuwige ideeën.
Er is een strijd tussen goed en kwaad en Augustinus gaat het christelijke denken verdedigen:
Liefde voor god = goddelijke staat.
In het einde der tijden wordt goed van kwaad gescheiden door het laatste oordeel. Na het eindpunt is er een oneindigheid van innerlijke tijd.
Het kwaad is een afwezigheid van God zegt Augustinus = Plotinus.
Schreef 2 boeken:
• De civitate dei: de stad van God
• Confessiones: mijn leven
Hij was de &1ste filossof die terugkeerde naar het IK.
Hij is een hedonist = ik ben belangrijk, zoveel mogelijk genot!
1. Hoe kom je tot de waarheid? Door jezelf te ondervragen, innerlijke ik
2. Er is een innerlijke weg die je moet bewandelen, niet de publiekelijke. Eeuwigheid is alleen te vatten in de innerlijke tijd.
Hij gelooft niet in de uiterlijke wereld, wel in de innerlijke. Het innerlijke denken laat ons toe te kunnen geloven.
Verleden ------------------------------- heden------------------------------------toekomst
Herinneren verwachtingen
11.2 Scholastiek Er was een politiek systeem van vazallen. De adel was zeer belangrijk = sterkste.
In de kerk was er het feodale systeem (rijk >< arm).
De scholastiek is een opvoedkundig denksysteem.
Ontstaan van: universiteiten, handel (handelswegen) en bedelorden.
De arabieren brengen het denken van Aristoteles terug. denken aan nu, aan het heden. Hij vroeg zich af hoe filosofie en de bijbel met elkaar verzoend konden raken.
11.2.1 Thomas van Aquino 13de eeuw
Thomas van Aquino kerstende Aristoteles.
Volgens hem moest er geen conflict zijn tussen de filosofie (rede) en het geloof (christendom). Hij geloofde dat hij het bestaan van God kon bewijzen aan de hand van Aristoteles’ filosofie. Hij ontwikkelde 5 godsbewijzen door logische redenering:
1. alles wat beweegt heeft een beweger nodig. God = onbewogen beweger!
2. elk gevolg heeft een oorzaak. God = niet zelfveroorzaakte oorzaak.
3. uit niets kan er nooit iets ontstaan. God is uit zichzelf noodzakelijk.
4. dingen kunnen meer of minder zijn, er is een maatstaf = de gedachte van volmaaktheid. God = volmaakt.
5. de natuur en maatschappij hebben een doel. Het doel moet bestuurd worden. God = de bestuurder.
Volgens Aristoteles is God alleen de schepper. Hij geloofde in de trapsgewijze opbouw van de natuur, waarvan God de hoogste vorm was. Thomas van Aquino paste dit aan aan de christelijke theologie.
Thomas van Aquino argumenteren en discussiëren.
Er waren 2 wegen naar God volgens Thomas: die van christelijk geloof en die van de zintuigen en rede.
Volgens hem is een vrouw een onvolledige man.
11.3 Universalia strijdIn de middeleeuwen was er de universalia strijd tussen professoren. Het is een strijd over de status van onze algemene begrippen.
• Namen vervaardigd door mensen zonder fundering in de werkelijkheid
• Beantwoorden aan iets in de werkelijkheid
Indien het slechts een naam is nominalisten Aristoteles
Het idee is de werkelijkheid realisten Plato
12 Renaissance – einde 14de eeuwHet denken van de middeleeuwen verandert. In de middeleeuwen dacht men dat het geloof alom tegenwoordig is en dat het leven zeer hard is. Men moet goed leven om in een beter hiernamaals terecht te komen.
Renaissance betekent wedergeboorte en beschrijft een culturele ontwikkeling. De mens wordt belangrijk in plaats van God = humanisme. Iedere mens is uniek!
Ook in de renaissance vinden ze God alomtegenwoordig = pantheïsme. Dit was in tegenspraak van de christenen die zeggen dat er een obstakel is tussen God en de geschapen wereld.
12.1 Herontdekking van de GriekenDe oude filosofische kennis komt terug. Ze gaan terug kijken naar de bron van de Ouden. Kennis verandert en krijgt een levendige vorm.
12.2 Socio culturele• Het feodale stelsel van de middeleeuwen stopt, steden werden belangrijker.
• Verval van de scholastiek
• Ontstaan van de burgerij (nieuwe klasse): financiële onafhankelijkheid
• Ontstaan van technologie
o Wie dingen maakt was rijk burgerij
o Tijd wordt belangrijk horloge
o Ruimte wordt belangrijk reizen, schepen, kompas
o Drukpers verspreiden van ideeën
• In vraag stellen van het geloof: de Kerk hebben we niet nodig, alleen de bijbel is belangrijk. De bijbel wordt vertaald protestantisme. de protestanten gaven de macht terug aan de mensen. Je kan zelf de bijbel lezen. Geld geven aan de kerk is verspilling. De christenen kwamen hiertegen in opstand.
12.3 Vrijmaking van het kapitaal
• Oprichten van NV’s.
• Gestalt: samenbrengen van geld. Beeld dat meer is dan de som van de delen.
• WTK-stelsel: wetenschap, technologie en kunst werken steeds meer op elkaar in en doen de motor sneller draaien.
• Wetenschap krijgt meer basisinzichten in de natuur.
o Technologische vondsten kapitaal
12.4 Galileo Galilei = Italiaanse monnik en wetenschapper• Had handelscontacten met Vlaanderen en stond sterk in de politiek.
• Hij doet iets nieuws met een verrekijker (commercieel & militair vlak) planeten, sterren,.. = telescoop astrologie
• Ontdekking: zon staat in het midden van het universum + omwenteling. krijgt huisarrest!
• Ontstaan van moderne wetenschappelijke methode door 2 dingen te combineren:
• Universele taal zoeken: wiskunde
• Technologie: tijd meten
“meet wat meetbaar is en maak meetbaar wat niet meetbaar is”
je mag niet blind vertrouwen op oude waarnemingen. Elk onderzoek moet gebaseerd zijn op waarnemingen en experimenten!
12.5 Nicolo Machiavelli (de zwarte kant van de renaissance) – 15de & 16de eeuw
Schreef: “IL PRINCIPE” = de eerste, de top, de heerser.
Hierin verwijst hij naar de politiek van de macht (geweld) die zonder enige scrupule haar doel wil bereiken. = het doel heiligt de middelen.
Opsomming van strategieën om politieke macht te verwerven & behouden (vorst).
Een vorst moet doorzettingsvermogen hebben en wil tot macht.
De staat moet overleven en de vorst heeft hierover de absolute macht.
realistisch!
Cynisme = de schijn hoog houden is een voordeel! Je zegt iets maar meent het niet.
De mens moet zijn eigen idee en vrijheid volgen doel = persoonlijke vrijheid.
Dit is de strijd van de renaissance!
Vrijheid = vrij zijn om te kiezen. Dit leidt tot verantwoordelijkheid. Vrijheid op zich bestaat niet. Je moet kiezen voor iets.
12.6 Michel de Montaigne 16de eeuwStudie en schrijven waren voor hem belangrijk. Bij zijn schrijven gebruikt hij een nieuwe manier. Hij vertrekt vanuit het IK. Één van zijn werken: ESSAIS over verschillende onderwerpen.
Scepsis: hij kan moeilijk beslissen wat waar is. Kan ons verstand de waarheid vatten? Waar kan ik de waarheid vinden?
• Traditie
• Zintuigen misleiden!
• Verstand
Hij trekt die scepsis door: beschrijvende ethiek gekoppeld aan cultureel relativisme. Aanvaarden van de verbrokkelde werkelijkheid.
Tao = dat is de weg. Iedere ervaring is anders, je kan het niet vatten.
Filosoof van de pluraliteit veel oplossingen zijn mogelijk.
Zijn leven is een mengeling van het epicurisme en stoïcisme.
Conservatief scepticisme: je moet je aanpassen want je weet niet wat beter is. Tradities die goed lopen moet je behouden. Wie ben ik om iets te veranderen?
13 De nieuwe tijdDe nieuwe tijd bestaat uit 3 tijdperken:
1. tijdperk van de grote filosofische systemen
2. tijdperk van de verlichting
3. tijdperk van de kritiek van Kant
Tijdens de nieuwe tijd komt het WTK bestel op ritme.
= gestalt = de som van de delen is minder dan het geheel.
Het kapitalisme begint te functioneren en gaat alles beheersen. Er zijn oorlogen om grondstoffen (economische macht). Sociale politieke structuur was nog niet klaar, ieder voor zich!
De Franse koning snapte zijn volk niet, hierdoor wou de burgerij in opstand komen. De koning onderdrukte dit. Door een misverstand ontstaat de Franse Revolutie! Dit veranderde het land: verdwijnen van adel en geestelijkheid.
Barok is een reactie van het Christendom op het Protestantisme. De protestanten stonden voor zuinigheid terwijl de barok stond voor kapitalisme. Alleen de rijken konden in de hemel komen! De barok is dan ook een overdreven stijl.
Calvanisme = zuinig zijn met je middelen.
14 DescartesRené Descartes trok rond als soldaat. Hij was veel ziek en leverde dan ook zijn beste denkwerk in bed. Hij was een officier die altijd zijn eigen bed meenam.
Hij was een rationeel denker = rationalisme. = doordacht, logisch en systematisch opgebouwd
Op een dag kreeg hij een ingeving dat hij een helder en exact systeem van kennis zou kunnen opbouwen dat alle gebieden van het menselijk weten kon omvatten. Dit was de rest van zijn leven zijn project.
Hij was een wiskundig filosoof die heldere en klare ideeën wou. Hij wil van alles bewijzen en zekerheid. Om zekerheid te krijgen over ons bestaan moeten we beginnen met aan alles te twijfelen.
Wat kunnen we zeker weten?:
1. zeker zijn van zintuiglijke waarnemingen? NEEN onzekerheid = grond van twijfel
2. kunnen we iets herinneren wat waar is? NEEN illusie is mogelijk
3. wat met evidente kennis (wiskunde)? Kwade god die ruimte, tijd kan manipuleren. Je weet niet zeker of alles echt is. We zien de werkelijkheid mss verkeerd.
Conclusie: je kan van niks meer zeker zijn. Je na sais rien. Ik denk dus ik ben = cogito ergo sum. De enige zekerheid is dat ik er ben. Zelfbewustzijn. Ik-bewustzijn.
Opbouwen van een nieuw denken, vanuit het ik. Alles wordt opgebouwd vanuit het verstand (ik) = rationalisme.
Ik kan me inbeelden dat god er is = idee God;
Het is een gedachte (ontologisch bewijs). Het idee God kan je niet zelf bedenken, want God is alles wat ik niet ben. Ik kan de oneindigheid niet bedenken, want ik ben eindig. God zorgt voor het idee God, dus hij bestaat. Het idee is perfect, dus God is perfect. God liegt niet, want hij is perfect. Zo bouwt hij de wereld weer op, God is de garantie voor de waarheid.
Er zijn 2 soorten ideeën:
1. de aangeboren ideeën: ze zijn waar
2. ideeën van buiten af:
a. primaire eigenschappen: vanuit de natuur van iets. Ze zijn waar want ze liggen vast (gewicht, …)
b. secundaire eigenschappen: variëren van persoon tot persoon en van moment tot moment.
Dit leidt tot een rare gedachte van de mens, de mens is een verstand. Alles opbouwen vanuit je verstand = rationalisme. Rationalisme wil in feite zeggen dat de rede de enige weg is naar kennis. (= Socrates, Plato, Augustinus)
Er zijn 2 werkelijkheden = DUALISATIE:
1. de uitgebreide ruimtelijke werkelijkheid (het lichamelijke) = Res Extensa
2. de geest / bewustzijn = Res Cogitans
Deze 2 werkelijkheden werken samen, de mens zit in beide werelden (lichaam en geest). Het centrum ligt in de ziel. God is hierbij het verbindingselement (occasionaltisten).
15 John Locke 17de eeuwHij is een empirist (>< Descartes een rationalist): hij neemt aan dat zintuiglijke gegevens verkregen en externe en interne ervaring, de oorsprong zijn van alle kennis. Enkel de op ervaring gebaseerde kennis wordt als waar aangenomen.
Binnen het empirisme wordt de mens geboren als een ongeschreven blad. Het verstand zorgt voor de bewerking, combinatie en vergelijking van zintuiglijke gegevens.
Begrippen en wetmatigheden worden afgeleid van bijzondere ervaringsgegevens (= inductief)
Je kan dingen ook ervaren door er iets van te lezen.
Descartes spreekt over aangeboren ideeën. Volgens Locke zijn deze er niet.
Locke:
• Kenvermogen brengt uit zichzelf geen kennis voort
• Vertrek vanuit het rationalisme en dualisme zoals Descartes
• Denken is gebaseerd op het empirisch denken
Alle ervaring die we hebben komt voort uit 2 bronnen:
1. sensatie: uiterlijke zintuiglijke waarneming (primaire Descartes)
2. reflectie: innerlijke zelfwaarneming (secundaire Descartes)
De primaire kwaliteiten zijn die die een voorwerp bezit, zij bepalen die secundaire kwaliteiten die wij erin zien. Primaire kenmerken liggen in een ding vervat en secundaire kwaliteiten zijn afhankelijk persoon tot persoon.
Hieruit komen 2 ideeën voort:
1. enkelvoudige ideeën:
a. die door 1 zintuig worden waargenomen
b. die door meerdere zintuigen bevat worden
c. die puur uit de reflectie komen = innerlijk bewustzijnsproces
d. die reflectie en sensatie betrokken zijn (tijd)
de geest houdt zich passief tov deze enkelvoudige ideeën. De geest heeft ook een actieve werkzaamheid, ze maakt 3 soorten complexe ideeën.
2. complexe ideeën:
a. substanties: voor zichzelf bestaande dingen ofwel specie. Je kan ze herkennen. VB mens, plant, …
b. modi = toestanden: complexe ideeën die niet voor zichzelf bestaan, maar zich voordoen bij een substantie. VB dag tov het complexe begrip tijd
c. relaties: verhoudingen tssn substanties (ideeën zoals oorzaak en gevolg)
hetgeen ik ervaar van de buitenwereld, kan ik dat meer vertrouwen als mijn denken? je moet een relatie leggen tussen uw denken en de buitenwereld.
Je neemt alleen enkelvoudige indrukken waar waarvan je na verloop van tijd een complex idee maakt. Een complex idee bevat dus meerdere enkelvoudige indrukken.
Let op met complexe ideeën:
• ze zijn geen directe afbeelding van de buitenwereld
• het bepalen van het criterium of ze waar zijn, is dat ze geen interne tegenspraak vertonen
• de geest verwerkt gegevens tot complexe ideeën
Locke probeert net als Descartes het bewustzijn te ontleden.
Belangrijkste werk: Essay Concerning Human Understanding: handelt over 2 vragen: waar komen onze ideeën vandaan en kunnen we vertouwen op wat onze zintuigen ons vertellen?
Lockes politiek:
• wou intellectuele vrijheid en tolerantie
• gelijkheid man en vrouw
• wou scheiding der machten
16 Berkley 17de – 18de eeuwHij formuleerde een idealistische filosofie.
Idealisme: de leer volgens dewelke enkel ideeën, voorstellingen of bewustzijnsinhouden reëel zijn. Dit is een kritische reflex op de leer van Locke. Volgens Berkley bestaat de buitenwereld niet (idealisme) Locke geloofde wel in de buitenwereld.
Berkley bewijst het idealisme door de kennisleer van Locke. Hij ontkent 2 onderscheidingen die Locke maakte:
1. onderscheiding tussen externe en interne ervaring / waarneming: ze zijn nauw verbonden, er is geen onderscheid voor Berkley. Er is alleen een interne ervaring. Alles vertrekt vanuit het ik. (= Descartes). De subjectiviteit neemt toe. (Descartes kent wel 2 werelden)
2. Onderscheid tussen primaire en secundaire eigenschappen: psychologisch onderzoek zegt dat er alleen secundaire eigenschappen zijn. Primaire eigenschappen vloeien uit secundaire eigenschappen voort. Vb een bepaald aantal stoelen neem je waar door weerkaatsing van het licht. Het heeft een kleur. Het heeft dus altijd iets secundairs.
Conclusie: alle zogezegd externe dingen bestaan slechts in onze voorstelling. Alleen de dingen die we zien bestaan. Maar we nemen geen materie of stof waar. We zien dingen niet als tastbare objecten.
Uitspraak: “esse est percipi aut percipere”: het zijn is waargenomen worden. = het zijn van de objecten is waargenomen worden en het zijn van de subjecten is waarnemen. Er zijn dus 2 realiteiten:
• Waarneming
• Waarnemende geesten
Er is geen objectieve werkelijkheid meer. Kan je het onderscheid maken tussen werkelijkheid, herinnering en inbeelding?
Berkley: waarheden (ware voorstellingen) dringen zich aan u op. Het is een inzicht dat je overkomt. Dit komt door God. God openbaart zich aan de mens door natuur, … De externe wereld is een soort taal dat je moet interpreteren. De ideeën die de concrete wereld vormen komen uit een andere geest. Alles is God.
Hij was ook een empirist zoals Locke die dacht dat alle kennis van de wereld door zintuiglijke ervaring wordt verkregen. Al onze ideeën hebben een oorzaak die buiten ons bewustzijn liggen. De oorzaak is niet van materiele maar van spirituele aard.
17 Hume 18de eeuwVolgens Hume zijn indrukken (gevoelens) sterker dan ideeën. Ideeën zijn minder levendig dan indrukken.
Volgens Hume zijn er 2 soorten waarnemingen:
1. zintuiglijke waarnemingen indrukken
2. zelfwaarnemingen (passie en emotie) ideeën = herinnering aan de indrukken
enkelvoudige ideeën (kopie van een indruk)
samengestelde ideeën (verbeelding)
Enkelvoudige ideeën: ze zijn ondeelbaar. Er is een overeenkomst met enkelvoudige indrukken.
Complexe ideeën: komen niet altijd overeen met complexe indrukken. Complexe ideeën zijn wel deelbaar. Je kan ze herleiden tot enkelvoudige ideeën en zo tot enkelvoudige indrukken.
Complexe ideeën zijn ook dikwijls niet waar. Het zijn de bouwstenen van onze kennis.
2 vermogens die zorgen voor kennis: ontstaan van kennis.
• verbeelding werkt op 3 manieren
• herinnering
Gevaarlijk: kan een vertekent beeld geven.
Verbeelding werkt op 3 manieren: 3 associatieve wetten:
1. gelijkaardigheid of verwantschap: de verbeelding, indrukken en ideeën verbindt die op elkaar gelijken. (Mensen die op elkaar lijken)
2. nabijheid in tijd en ruimte: dingen die elkaar opvolgen in de tijd of die zich bevinden in elkaars nabijheid worden met elkaar verbonden (goochelaar).
3. oorzaak en gevolg relatie: sommige indrukken of ideeën als oorzaak van anderen met elkaar geassocieerd worden = causaliteit. De verbeelding doet dit denken
(2 snookerballen). Dit kan leiden tot de macht der gewoonte. Je kan het je alleen inbeelden indien je het al hebt meegemaakt.
doen 7 relaties ontstaan = eindverantwoordelijkheid voor het tot stand komen van kennis. De 3 wetten zitten in de 7 relaties 7 manieren van denken (categorieën van Kant)
1. gelijkaardigheid
2. identiteit (2+3=5)
3. relatie van tijd en ruimte
4. proporties in kwantiteit
5. graad van kwaliteit
6. relatie van tegenstellingen
7. causaliteitsrelatie
De relaties zijn verschillend van aard volgens Hume:
1,4,5 en 6 doen de eigenlijke wetten ontstaan.
2, 3 en 7 geven aanleiding tot waarschijnlijke kennis.
De 1ste groep: relaties worden bepaald door voorstellingen die met elkaar worden vergeleken. Als de voorstelling het zelfde blijft is ook de relatie constant (driehoek). Voorstellingen die tot juiste voorstellingen leiden. Je kan het denken, je kan bewerking doen.
De 2de groep: baseren zich op feiten, afhankelijk van de ervaring van het ding. Ervaringen zijn niet altijd waar. De relaties zijn afhankelijk van de ervaring. Ze zijn slechts waar in zoverre dat de ervaring waar is.
Hij schreef verschillende boeken:
• A treatise on Human Nature (verhandeling over de menselijke natuur)
• Enquiries Concerning Human Understanding (het menselijk inzicht: onderzoek naar het denken van de mens.)
Empiristen: op de ervaring gebaseerde kennis. Het empirisme van Locke werd bij Hume een kennistheoretisch scepticisme. Hij wilde alle gedachten en begrippen opruimen die waren blijven hangen sinds het rationalisme. Hij wou terug de spontane beleving van de wereld.
Hume geloofde dat het idee van God een samengesteld idee was (door de geest). Als we het idee hebben dat God oneindig wijs, intelligent en goed is wil dit zeggen dat we een samengesteld idee hebben van iets oneindig wijs, goed en intelligent. Wij hebben dit gekend anders zouden we dat idee nooit hebben.
Volgens Hume kan religieus geloof niet door rede bewezen worden. Hij is een agnosticus: iemand die niet gelooft dat het bestaan van God bewezen kan worden maar ook niet weerlegd kan worden.
Het idee ik is een samengesteld idee. Ik is veranderlijk. De waarneming van het ik is een constante keten van enkelvoudige indrukken.
Volgens Hume heeft alles een oorzaak. Maar er is daarom niet altijd een causaal verband.
Volgens Hume maak je onderscheid tussen goed en kwaad door je gevoel (niet door rede zoals Socrates en Locke dachten).
18 De verlichting Er zijn 3 Frans verlichte personen:
Kant = de door de mens zelf aangebrachte ketenen moeten losgemaakt worden. De mens legt zichzelf ketenen op die hij verbreekt.
De verlichting gaat verder op de nieuwe wereld die ontstaan is. De mens komt los van onderdrukking van staat en religie. Men legt de nadruk op het verstand. = rationeel denken.
Men gaat zoeken naar een nieuwe staatsstructuur. Men gaat een nieuw soort denken ontwikkelen om een nieuwe staatsstructuur te zoeken.
De mensen gaan alles terug opbouwen na het losmaken van de keten waarin ze zaten. Gelijke rechten voor alle mensen en onderwijs ontstaan.
Godsdienst heeft een andere plaats gekregen. God is alleen de schepper en daar blijft het bij.
Men geloofde in vooruitgang. De mens die zijn eigen lot verbetert.
18.1 RousseauDe mens in zijn natuurlijke staat is de meest nobele mens. Laat de mens in zijn originele staat, dus best niet in de stad leven. Terug naar de natuur! De mens wordt bedorven door de beschaving.
18.2 VoltaireDe mens kan alleen maar beter worden door onderwijs, cultuur, … door zichzelf te verbeteren.
18.3 De SadeDe mens is slecht. Accepteer dit en laat u gaan!
19 Immanuel Kant- 18de eeuw – 19de eeuwHij leefde een heel regelmatig leven toen hij te horen kreeg dat hij nog maar 3 jaar te leven had. Hij begin pas te publiceren vanaf 60 jaar. Zijn 2 belangrijkste werken werden heel beroemd. Hij verzoent het rationalisme met het empirisme.
19.1 Ethiek van KantDoor na te denken vind ik hoe de mens moet handelen. = rationalisme. Zelf meester zijn van je eigen gedrag is de praktische reden.
Waar kan ik zeker van zijn dat altijd goed is?
Humor kan slecht zijn
Liefde kan slecht zijn
Goede wil is een startpunt!
Plichtsethiek van Kant
Categorische imperatief: leidraad tot zedelijk bewustzijn. Welk gedrag is goed en wat is slecht… . De mens niet als middel maar als doel gebruiken en gedrag dat een algemene wet kan zijn. De categorische imperatief is het onvoorwaardelijk gebod je plicht te doen. De categorische imperatief schrijft geen bepaalde doelen en handelingen voor, maar gebiedt, dat je de principes die je in je handelen volgt toetst op de vraag of ze als een algemene wet gedacht kunnen worden. De mens kan en moet handelen volgens algemene wetten die hun oorsprong vinden in zijn eigen rede.
Categorisch: overal en altijd geldend
Imperatief: het is een gebod
Om te bepalen of een handeling moreel goed is moet je dus volgens Kant je afvragen of je zou willen dat jouw manier van handelen een algemene wet wordt. Als dat zo is dan ben je verplicht daar naar te handelen. = plichtsethiek! De mens is bij deze handeling niet het middel maar het doel. Alleen als je iets uit plichtsgevoel doet is het zedelijk!
19.2 Kennisleer van Kant
Hij combineert 2 soorten:
rationalisme (je maakt je eigen wereld) = Descartes, Spinoza
Empirisme (alles komt binnen je hebt een lege ziel) = Locke, Berkley, Hume
Uitgangspunt: hoe zijn synthetische oordelen a priori mogelijk?
• A priori: elementen uit het verstand die niet afkomstig zijn uit de ervaring, ze zitten er al in
• A postiori: elementen in de kennis afkomstig uit de ervaring
• Synthetisch oordeel: het gezegde gaat iets toevoegen aan het onderwerp.
VB: de kaders van de ramen zijn blauw, kan je niet afleiden uit het voorwerp
• Analytisch oordeel: het gezegde ligt al in het onderwerp
VB een driehoek heeft drie zijden
er zijn synthetische oordelen die al a priori zijn: VB wiskunde. (empiristen nemen dit aan)
Hoe is dit mogelijk? Er zit in ons denken een mechanisme dat ons toelaat synthetische oordelen te vinden die a priori zijn: verstand zorgt ervoor dat de gegevens die binnenkomen ook verwerkt worden. Uw denkmethode gaat uw ervaring in een bepaalde vorm gieten. De technieken die hiervoor gebruikt worden noemt hij categorieën. Dit denken bepaalt onze zienswijze.
Er zijn 2 elementen die aan onze menselijke kennis bijdragen dat zijn de zintuiglijke waarnemingen en het verstand. Onze menselijke kennis wordt geboren uit onze denktechnieken, hoe we alles verwerken, plaatsen en ervaren. Het denken van de mens is beperkt want we kunnen enkel denken binnen tijd en ruimte. We zullen de werkelijkheid nooit volledig kennen = das ding an sich. Deze dingen die we niet kunnen vatten liggen dus buiten de categorieën. Alles wat we zien wordt opgevat als iets dat verschijnt in tijd en ruimte. Dat zijn onze 2 aanschouwingsvormen volgens Kant. Ze gaan in onze eigen geest aan iedere ervaring vooraf.
Welke categorieën zijn er:
• Kwantiteit
• Kwaliteit
• Oorzakelijkheid
we denken zoals we denken omdat we deze categorieën hebben. Onze zintuiglijke ervaringen worden ingedeeld in categorieën door het menselijk verstand.
Uitspraak: 2 dingen vervullen mijn gemoed met steeds nieuwe en toenemende verwondering en eerbied, hoe vaker en meer mijn gedachten zich ermee bezig houden: de sterrenhemel boven mij en de zedelijke wet in mij.
Dus: al onze kennis van de wereld komt uit gewaarwording voort, maar in ons verstand zitten ook belangrijke factoren die vastleggen hoe we de wereld om ons heen zien. VB het opzetten van een rode bril. Alles ziet er rood uit voor jou maar het is niet rood. Alles blijft hetzelfde maar is rood. De bril bepaald dus hoe je de werkelijkheid ziet. Je kan dus alleen weten hoe de wereld voor jou is, niet hoe de wereld op zich is. (= das ding an sich de dingen op zich). Kant maakt dus een scheiding tussen das ding an sich en de dingen zoals ze aan ons verschijnen.
Volgens Kant kwam de wet van oorzaak en gevolg uit ons verstand. Het menselijk verstand vat alles wat er gebeurt op als een kwestie van oorzaak en gevolg.
Noch de rede noch de ervaring is een basis om het bestaan van God te bewijzen. De godsbewijzen van de rationalisten (god bestaat omdat we denken dat er een oppermachtig wezen moet zijn) en van anderen zoals Aristoteles (god bestaat omdat alles een eerste oorzaak moet hebben) worden overboord gegooid. Toch is het belangrijk te veronderstellen dat God bestaat en dit voor de zedelijkheid. Hij was dus voorstander van het geloof.
20 Hegel 18de – 19de eeuwDe 19de eeuw is de eeuw van het Duits idealisme. Er bestonden 3 grote denkers:
• Fichte
• Hegel (denkt vanuit de sleutelfiguur Kant)
• Shelling
Ze denken speculatief: ze vertrekken niet uit zekerheid en komen niet aan in zekerheid = gokken.
Fichte, Hegel en Shelling vroegen zich af hoe je het absolute kan bereiken = zoektocht naar het Absolute (Das ding an sich). Er ontsnapt je iets wat je niet kan bereiken = Kant.
Shelling vormt de overgang naar de romantiek: het absolute kan niet worden gekend maar wel worden beleefd. Je kan het ervaren door een gevoelsmatige intuïtie.
Romantiek is een zoektocht naar het diepere wat je niet kan kennen maar wel kan voelen.
Hegel: Absolute begrijpen en verklaren als het eindpunt van ontwikkeling van de wereldgeest in een dialectisch, historisch proces.
De geest is de totale som van de menselijke kennis.
Hij wil het absolute begrijpen = idealisme, zoeken naar de werkelijkheid.
20.1 Dialectisch procesEr is vooruitgang in de ontwikkeling van de geschiedenis. Deze vooruitgang is een dialectisch proces. Via de stappen van het dialectisch proces komt het eindpunt. De geest gaat zichzelf volledig begrijpen.
Dialectisch = dialectiek = argumenteren rond een thema (discussiëren). Dialectisch: wat je kan denken komt overeen met de werkelijkheid. Denken en zijn komen overeen (idealistisch).
Methode kent 3 stadia:
1. these
2. antithese
3. synthese
verhouding tussen de 3 stappen: AUFHEBEN: verdwijnen, bewaren en optillen. Deze 3 betekenissen van AUFHEBEN komen voor in iedere stap.
Zonder these is er geen antithese, dit komt overeen met de realiteit! De synthese van 1 beweging is de these van een andere beweging. De methode kan leiden tot verschillende oplossingen, dingen dringen zich op. Door het toepassen van de methode komen we tot een hogere waarheid.
De geschiedenis is een lange gedachteketen. Gedachten worden voortdurend tegenegsproken door andere gedachten. Er is spanning tussen deze tegengestelde denkwijzen. Deze spanning wordt opgeheven door het voordtellen van een derde gedachte, die het beste van beide gedachten in zich opneemt. Dat is het dialectisch proces.
VB:
These = meer flitspalen
Synthese = meer boetes
Antithese = veiligheid
De antithese heft de these op!
20.2 Eenheid van zijn en denken• Onderscheid: vorm en inhoud
o Vorm: regels, logica
o Inhoud: andere wetenschap. Waarover…
• Waarheid: overeenstemming tussen denken en objecten waarover men denkt
• Hegel: onderscheid tussen vorm en inhoud bestaat niet. Er bestaat geen splitsing tussen het kennende subject (vorm) en het gekende object (inhoud). Als je iets ziet zie je het zoals het is.
Besluit: zijn en kennen (denken) kunnen niet van elkaar onderscheiden worden. Denken is een openbaring van het zijn. Het object laat zichzelf kennen.
Hoe mijn verstand is zo is de wereld? Alles wat je kan denken is waar. Je ziet wel enkel de partiele waarheid. het is een schakel in een proces. Op het eindpunt komt alles samen absolute waarheid.
20.3 WereldgeestDe wereldgeest is de som van de menselijke uitingen. Alleen de mens heeft een geest.
Er is een voortgang van de wereldgeest door de eeuwen heen. Hiermee bedoeld hij:
• Menselijk leven
• Menselijk denken
• Menselijke cultuur
Volgens Hegel bestaan er geen eeuwige waarheden zoals Kant beweerde, hij gelooft dat de basis van het menselijk kenvermogen veranderd van de ene generatie op de andere. De waarheid is subjectief.
Rede en waarheid zijn dynamisch. Daarom kan je een gedachte niet loskoppelen van zijn historische context. De wereldgeest ontwikkeld zich en gaat vooruit. Het ontwikkelt zich naar een steeds groter wordende zelfkennis.
Hegel had meer interesse in de wereldgeest dan in het individu. E geschiedenis is een proces waarin de wereldgeest zich geleidelijk volledig bewust wordt van zichzelf. Dan worden absolute waarheden onthuld.
21 Darwin 19de eeuwAls ik wil weten hoe oud de wereld is moet ik kijken naar het aantal verschillende diersoorten.
Survival of the fittest: diersoorten passen zich aan om te overleven.
Darwin constateerde dat de veranderingen in de natuur toevallig gebeurden, sommige veranderingen komen goed uit in de biotoop. Dus diversiteit ontstaat door toevalligheden.
Er kunnen kleine onderlinge verschillen bestaan tussen individuen van één soort in hetzelfde gebied. De evolutie is te verklaren aan de hand van de natuurlijke selectie in de strijd om het bestaan. Diegene die zich aan de omgeving aanpassen overleven en zullen het ras voortzetten. Hoe feller de strijd om te overleven, hoe sneller de evolutie van nieuwe soorten. Er is dus een voortdurende selectie waarin alleen de best aangepasten overleven.
Dit geeft een ander mensbeeld:
• De mens is een uitkomst van the struggle of the fittest. Niet een product van God zoals ze voorheen dachten. Wij stammen af van mensapen.
• De evolutie is niet gedaan, de mens is niet op zijn eindpunt; toevalligheid dus geen unieke plaats voor de mens.
De visie van Darwin wordt ook op economisch gebied toegepast. = sociaal darwinisme.
Neodarwinisme = survival of the fittest (= Hitler). De zwakken moeten er eerst uit. Mutaties kunnen tot veranderingen leiden die goed uitkomen in de biotoop van het individu.
Darwin maakte een bootreis waarin hij veel nieuwe dieren kon bestuderen en verzamelen. Door deze waarnemingen:
• Evolutietheorie
• Idee van natuurlijke selectie
Hij publiceerde: het ontstaan der soorten en de afstamming van de mens. Hij zette zijn theorie over de natuurlijke selectie uiteen en trok de geloofwaardigheid van het bijbelse scheppingsverhaal in twijfel.
Darwin was de eerste die een aannemelijke verklaring gaf over het verloop van de evolutie, daarom was hij een bedreiging voor de bijbelse leer dat planten en diersoorten onveranderlijk zijn. Lamarck had al eerder over de evolutie nagedacht.
Kleine geleidelijke veranderingen kunne resulteren in dramatische veranderingen als ze maar genoeg tijd krijgen.
Darwin classificeerde soorten in een systeem waaruit bleek dat soorten verwant zijn.
22 Kierkegaard 19de eeuwGaat terug naar de existentiële filosofie vertrekken vanuit het IK. Alleen de waarheden die van belang zijn voor het individu zijn belangrijk. Niet het onderzoek naar de algemene aard van het bestaan is belangrijker het individuele bestaan wel!
Het précaire bestaan staat centraal.
Hij is de tegenhanger van Hegel. Kierkegaard: ik ben een persoon die worstelt met het leven en daar moet de filosofie zich mee bezig houden. Hegel wil het algemene bestaan waarnemen. Volgens Kierkegaard ervaar je je eigen bestaan door keuzes te maken.
Het geloof en de kennis zijn volgens Kierkegaard als water en vuur.
Zijn leven bestaat uit 3 niveaus: hij breekt met het klassieke geloof en de schijnheilige kerk.
1. esthetische fase: het directe genot en de onmiddellijke vervulling van je behoeften zijn belangrijk. De mens leeft in de onmiddellijkheid, je leeft nu! = zintuiglijke wereld! Aan deze fase komt een einde door vertwijfeling.
2. ethische fase: je kiest voor jezelf, wat is belangrijk in mijn leven? Je wil niet afhankelijk zijn van roem en geld. Ze proberen een goed leven te leiden, een leven te leiden volgens de zedenwet. Keuze tussen goed en kwaad. Je bent onafhankelijk en maakt je eigen keuzes. Ten dienste staan van anderen. Aan deze fase komt een einde doordat je er niet altijd in slaagt goed te doen; idee van de zonde ik ben te zwak.
3. religieuze fase: geloof in een hoger wezen, alleen hij kan ons redden. Geloven in God is makkelijker des te extremer het idee. Grote afwijkingen accepteren we (geesten, spoken, …) kleinere afwijken accepteren we niet. Geloof kan maar bestaan omdat het tegenstrijdig is. God is de enige weg naar verlossing.
Existentialistische filosofie:
• nadruk op de existentie: typische bestaanswijzen van de mens. De mens is bij de geboorte geen essentie, maar een onbepaald wezen dat zichzelf ervaart als geworpen in de wereld en dat aan zijn bestaan in de wereld zelf een betekenis wil geven = toevalligheid.
• Veel existentiële filosofen ervaren zichzelf als absurd. Het leven heeft geen zin = zinloos.
• De mens kan geen verklaring geven aan zijn bestaan en de absurditeit voelt hij het meest in de sleur van iedere dag, maar ook ik bewustzijn van je eigen vergankelijkheid.
• Door het besef van de dood lijken al onze inspanningen nutteloos.
PESSIMISME
• Ondanks de absurditeit van het leven dient men bewust en actief te leven dat is het enige wat je hebt. De mens is verantwoordelijk voor zichzelf. Je bent niet alleen op de wereld, maar met anderen. De mens moet zichzelf verwerkelijken, waarmaken in een gegeven situatie. Je moet van je leven je eigen project maken.
• Je moet je eigen keuzes maken. Ook Sartre is een existentialist. Als je meegaat bij de massa maak je geen keuzes.
NIET RADICAAL NIHILISTISCH
Volgens Kierkegaard is de waarheid subjectief persoonlijk. Fundamentele vragen zoals het bestaan van God kunnen alleen benaderd worden door het geloof. Dingen die we door ons verstand of kennis weten zijn onbelangrijk. Geloof is de belangrijkste factor voor religieuze vragen. Je moet het bestaan van god niet proberen te bewijzen, het is alleen belangrijk dat het geloof waar is voor jou.
Post-modernisme:
Op negatieve wijze het afwijzen van het eenheidsdenken. Op positieve wijze de optie voor pluraliteit. Dit is een gemeenschappelijke noemer voor de denkers van die tijd.
Filosofen geloven in de filosofie van het citaat. Ze gaan een oude stijl/gedachte citeren.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.