Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Hoofdstuk 5 en 6

Nederlands

Samenvatting

Op nieuw niveau

 
5.8 / 10
23 stemmen van bezoekers
4e klas vwo
niveau
  • Tess
  • NL
  • 1059 woorden
  • 5727 keer
    115 deze maand
  • 7 juni 2010

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Samenvatting op nieuw niveau informatieboek tweede fase vwo

Deze samenvatting werkt alleen als je de hoofdstukken zelf al een keer hebt gelezen, dit is slechts een opsomming van de hoofdpunten.

Hoofdstuk 5: tekststructuren
Tussen alinea’s bestaat een logisch verband, deze kan op vier verschillende manieren worden aangegeven:
- Herhaling van woorden of woordgroepen
- Aankondigende zinnen
- Signaalwoorden
- Overgangszinnen

Een tekst bestaat uit drie delen, inleiding, middenstuk en slot.
Een signaalwoord maakt duidelijk wat de functie van de alinea’s ten opzichte van elkaar is.
In het algemeen kan je de volgende soorten verbanden onderscheiden:
- Voorwaardelijk verband (als, mits, indien, op voorwaarde dat…)
- Vergelijkend verband (zoals, evenals, hetzelfde, soorgelijk…)
- Doel – middel (om, opdat, daartoe, met het oog op…)
- Redengevend verband (omdat, want, daarom, immers, vanwege…)
- Opsommend verband (en, ook, verder, bovendien, vervolgens…)
- Oorzakelijk verband (daardoor, vanwege, zodat…)
- Tegenstellend verband (maar, echter, hoewel, toch…)
- Uitleggend verband (dat wil zeggen, bijvoorbeeld, zo…)
- Concluderend verband (dus, derhalve, hieruit volgt…)
- Samenvattend verband (kortom, al met al, samenvattend…)
Er zijn een paar overkoepelende termen.
Het argumenterend verband is een term voor oorzakelijk, redengevend en het concluderend verband. Je vindt dit verband altijd in rederneringen.

Het verklarend verband is een term voor oorzakelijk en redengevend.
Let op het verschil tussen oorzaak en reden, wanneer iets het gevolg is van wat buiten de menselijke vrije wil ligt, spreken we van oorzaak, wanneer iets het gevolg is van een in alle vrijheid genomen menselijk besluit spreken we van oorzaak.

Elke alinea is gebouwd rond een kernzin. Samenhang in een tekst onstaat door een bepaalde structuur of opbouw.

Je kan spreken van structuurmodellen.
- Voordelen-en-nadelen-structuur Uiteenzetting, beschouwing of betoog
- Vroeger-en-nu-structuur Uiteenzetting, beschouwing of betoog
- Vroeger-nu-toekomst-structuur Uiteenzetting, beschouwing of betoog
- Verschijnsel-en-verklaringstructuur Uiteenzetting, beschouwing of betoog
- Verschijnsel-en-bespreking-structuur Uiteenzetting of beschouwing
- Probleem-en-oplossing-structuur Uiteenzetting, beschouwing of betoog
- Bewering-en-argument-structuur Betoog

Een tekstgedeelte heeft altijd een bepaalde functie binnen de tekst. Zie blz. 105 van informatieboek, ik denk niet dat je ze uit je hoofd moet weten, maar lees ze even door.

Hoofdstuk 6: argumenteren
Standpunten, stellingen, beweringen en opvatting zijn termen waarmee een mening kan worden aangeduid.
In veel zaken neem je een standpunt in. Dat is ook een mening, maar iets nadrukkelijker.

Argumenten gebruik je om een mening te onderbouwen.
Een keten van argumenten noem je een redenering.
Argumenten kan je onderverdelen in objectieven en subjectieve argumenten.
Feiten zijn controleerbaar, ze zijn objectief. We noemen dit argumenten op basis van feiten. Sommige objectieve argumenten worden ook wel een bewijs genoemd.
Subjectieve argumenten kunnen niet nauwkeurig worden onderzocht. We noemen die argumenten op basis van geloof of op basis van intuïtie.

Je kunt verschillende tekstelementen gebruiken als argument
- Feit
- Voorbeeld
- Vergelijking
- Beroep op autoriteit ( = iemand erbij halen die er verstand van heeft)
- Emperisch argument ( = een ervaringsfeit)
- Emotioneel argument ( = zeer persoonlijk)
- Moreel argument ( = ontleend aan overtuiging, idealen of levensbeschouwing)

Op basis van de soorten argumenten kan je de volgende redeneringen onderscheiden:
- redenering op basis van feiten feiten
- redenering op basis van geloof morele argumenten
- redenering op basis van intuitie emotionele argumenten
- redenering op basis van gezag beroep op autoriteit
- redenering op basis van vergelijking voorbeeld, emperisch argument
- redenering op basis van gevolgen voorbeeld, emperisch argument, feiten
- redenering op basis van nut voorbeeld, emperisch argument, feiten
- redenering op basis van voorbeelden voorbeelden
- redenering op basis van kenmerken feiten
- de voordeel-nadeel-redenering feiten, emperische argumenten, morele
argumenten, emotionele argumenten
- de oorzaak-gevolg-redenering feiten, emperisch argument
- de verschijnsel-reden-redenering vooral feiten
- de als-dan-redenering voorbeeld, feiten

Bij argumenteren gaat het altijd om redeneringen.
Zuiver redeneren wil zeggen dat de redenering klopt, het is gebaseerd op de principes van de logica.
Het schema voor een logische redenering gaat als volgt: bewering/stelling, waarneming, conclusie.

Er kunnen ook onzuivere redeneringen zijn:
foutieve conclusie. De stelling is niet exclusief genoeg, er kan dus geen juiste gevolgtrekking komen (bijv. wie pijn heeft huils, vissen huilen niet, vissen hebben nooit pijn)


een redenering kan op twee manieren worden opgebouwd:
- Want-type: je kan het signaalwoord want plaatsen. Geeft redengevend of oorzakelijk verband aan.
- Dus-type: je kan het signaalwoord dus plaatsen.Geeft een concluderend verband aan.
Stelling – want – argumenten – dus – conclusie (mengvorm)

Is er spraken van maar een argument, dan spreek je van een enkelvoudige argumentatie.
Anders spreek je van meervoudige argumentatie.
Bij meervoudige argumentatie kunnen redeneringen erg ingewikkeld worden. Zijn de argumenten gelijkwaardig, dan zijn dat nevengeschikte argumenten. Deze argumenten kan je onderling van plaats verwisselen. Is een argument een ondersteuning bij een eerder genoemd argument, dan is dat een ondergeschikt argument of een subargument. Plaatswisseling is niet mogelijk.
Subargumenten kunnen onderling gelijkwaardig zijn en dus nevengeschikt. Nevengeschikte argumenten zijn onderling bijna altijd verbonden door een opsommend verband.

Een schrijver kan manipuleren. Bij het beoordelen van een redenering moet je eerst kijken of de redenering zuiver is, en dan kijken of de redenering volledig is. Zijn alle argumenten genoemd?. Daarnaast moet je de argumenten beoordelen. Maak hierbij onderscheidt tussen zwakke argumenten, foute argumenten en foute redeneringen.

Elke foute redenering en elk gebruik van een fout argument noemt met een drogreden.
Zwakker argumenten zijn argumenten zijn makkelijk te weerleggen.

De gebruiker van een drogreden weet meestal zelf dat zijn argument niet juist is, hij gebruikt het om de lezer te manipuleren:
- persoonlijke aanval (de ander wordt minder geloofwaardig door kritiek)
- meelopersmotief (beroep doen op een algemene mening)
- generalisering (overhaaste conclusie getrokken die voor alles geldt)
- dreigement (macht gebruiken om je zin door te zetten)
- ontduiking van bewijslast (zaak overbluffen, ‘waarom niet?’)
- cirkelredenering (argument dat gebruikt wordt, is onderdeel van bewering)
- vertekenen van het standpunt (stromanredenering, overdrijven van de bewering)
- onjuiste oorzaak-gevolgrelatie (klopt gewoon niet)
- beroep op verkeerde autoriteit (mensen die er geen verstand van hebben)
- valse vergelijking (dingen die gewoon niet met elkaar te vergelijken zijn)
- hellend vlak (als we hier beginnen, dan moet straks ook…)
- vals dilemma (gedaan alsof er maar twee oplossingen zijn, zwart-wit denken)

Er kan ook op andere manieren worden gemanipuleerd, denk aan non-verbaal gedrag, intimideren, misleidende herhaling, tot fouten verleiden.





 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

6618
 

reacties