Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Scholieren.com zoekt: scholieren met fotografietalent  en schrijftalent en 'n afgestudeerde (volwassen) webdeveloper

Stem wijzigen? Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Mijn zuster de negerin

bovenbouw havo/vwo

1 uit 5

7.3 / 10
140 stemmen van bezoekers
6e klas vwo
niveau
  • Marleen
  • NL
  • 4978 woorden
  • 52588 keer
    104 deze maand
  • 23 maart 2004

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Het voorwerk

Primaire gegevens:
Cola Debrot is de auteur van ‘Mijn zuster de negerin’. Hij heeft het boek in 1935 geschreven. Het boek heeft 62 bladzijdes en het is niet onderverdeeld in hoofdstukken. Ik heb de 8e druk gebruikt van uitgeverij ‘de Bezige Bij’. Ik heb het boek in 40 minuten gelezen.

Verantwoording van de keuze:
Ik heb het boek gekozen, omdat een vriendin van mij het ook gelezen had en zij zei dat het boek wel leuk was. Ze vertelde dat het over iemand op Curaçao ging en toen was mijn belangstelling gewekt. Dat komt, omdat mijn vader daar een tijdje heeft gewoond met zijn ouders en ik krijg dus regelmatig iets over die tijd te horen. Daarom leek het me interessant om dit boek te lezen om te zien of ik dingen herken, die ik van mijn vader en grootouders gehoord heb.


Verwachtingen vooraf:
Op de kaft staat een plaatje van een zwarte mevrouw, zonder gezicht, die kijkt naar een huis in de verte. Het is vrij abstract getekend en ik vind het niet echt mooi. Op de achterkant staat alleen een foto van de auteur. Die foto verbaasde me, omdat ik dacht dat de auteur vrouwelijk was, terwijl het toch een man blijkt te zijn.
Aan de titel te zien, gaat het boek over iemand die een donkere zuster heeft.
Op de eerste bladzijde wordt verteld dat Frits Ruprecht op Curaçao aankomt. De omgeving wordt duidelijk beschreven en het wordt duidelijk waarom hij naar het eiland gekomen is. Hij is er geboren en nu zijn ouders overleden zijn, keert hij weer terug. Hij wil leven bij een negerin, die hij ‘mijn zuster de negerin’ zal noemen. Het boek zal daarom gaan over de zoektocht naar ‘zijn’ negerin.

Eerste reactie achteraf:
Ik vond dat er in het boek weinig gebeurde. Het was enigszins saai, maar het bleef wel interessant door de beschrijvingen van de ruimte.

Het verhaal was niet echt geloofwaardig. Het was wel erg toevallig dat Maria écht de zuster van Frits was.

De auteur en zijn wereldbeeld:
Cola Debrot heeft niet zoveel werken gepubliceerd. Ik weet niet of er thema’s zijn die in zijn boeken steeds terugkomen.
Dit boek gaat in ieder geval over de verschillen tussen mensen met verschillende rassen. De blanken staan tegenover de negers. Het verschil tussen arm en rijk hangt hiermee samen. De blanken waren rijk en dus belangrijk, terwijl de negers arm en onbelangrijk waren.
Cola Debrot maakt met zijn boek die kloof nog eens duidelijk en wijst er ook op dat het anders kan. De hoofdpersoon Frits is daar het bewijs van. Hij is blank, maar wel heel erg op negers gesteld. Zo erg, dat hij zelfs een negerzus wil.

Korte samenvatting van de inhoud

Hoofdpersoon:
Frits Ruprecht is de hoofdpersoon. Zijn belangrijkste tegenspelers zijn Maria, Wantsjo en districtmeester Karel. Ook zijn notaris en dokter worden genoemd en zijn voormalige koetsier, maar zij spelen geen belangrijke rol in het verhaal.

Opsomming van de gebeurtenissen:
Na veertien jaar keert Frits weer terug naar het eiland waar hij geboren is. Na zijn moeder is nu ook zijn vader overleden, zodat al hun bezit bij Frits terechtkomt. Hij wordt verwelkomd door de notaris en de dokter. Hij krijgt alle sleutels en gaat naar het koetshuis om de oude Ford op te halen. Hij wil het huis niet binnengaan, omdat hij het gevoel had dat zijn ouders er nog lagen. Hij besluit om dan maar naar de plantage te gaan. Hij gaat eerst langs bij zijn oude vriend Karel, nu de districtmeester. Hij voelt zich echter niet op zijn gemak door Karels doen en laten en gaat daarom snel weer weg. Als hij ’s avonds bij de plantage aankomt, herkent Wantsjo, de oude rentmeester hem in eerste instantie niet. Dat stoort hem.
In het huis ‘Miraflores’ denkt hij terug aan het verleden; hoe het huis was, hoe zijn ouders waren en hoe zijn jeugd is geweest. Daarbij moet hij denken aan het negerinnetje Maria. Zij wilde altijd de spelletjes doen die hij bedacht had, terwijl ze die van Karel maar stom vond. Maria was de dochter van de rentmeester, maar met behulp van Frits’ vader wordt ze lerares. Dan bedenkt Frits dat Maria wel eens zijn zus zou kunnen zijn, omdat blanken hun buitenechtelijke kinderen vaak wel een goede opvoeding gaven. Als Frits rondloopt door het huis, merkt hij dat er een vrouw aanwezig is. Hij denkt dat het Maria is, maar hij kan het niet geloven. Na enig wikken en wegen gaat hij na haar toe. Als ze dan zegt dat ze hem herinnert, weet hij zeker dat het echt Maria is. Hij omhelst haar en wil haar, maar dan wordt er aan de voordeur gerammeld. Frits pakt een jachtgeweer en gaat kijken. Hij vindt Wantsjo die hem zegt dat Maria inderdaad zijn zuster is. Hij keert terug naar Maria en wiegt haar in zijn armen, net zoals zijn moeder vroeger deed.

Opvallende passages:
Er was een passage die ik onbegrijpelijk vond. Deze staat op bladzijde 26-27:
“Het was onzinnig te veronderstellen dat Karel hem wilde beledigen. Niettemin stond Frits op, de stoel achter zich schuivend. Rechtop stond hij voor Karel die bewegingloos bleef zitten, voor Karel, die eens zijn vriend was geweest, maar die zich nu op onbegrijpelijk dubbelzinnige wijze gedroeg. Misschien maakten de afschuwelijkheden van het leven tenslotte iedereen zo half en half ontoerekenbaar; weifelend stak Ruprecht de hand uit alsof hij voor het laatst een vroegere vriend begroette.”
Ik snap niet wat de belediging is, maar volgens mij heeft het ermee te maken dat Karel naar eigen zeggen Othello aan het lezen was. Ik begrijp niet wat die belediging inhoudt en ook niet waarom Frits geen vriend meer wil zijn met Karel.


Op bladzijde 61-62 staat een belangrijke passage waarin Wantsjo begint met praten en Frits hem antwoordt:
“Ik wil niets, mijnheer Frits...’
‘Dat kennen we, dat niets willen. (..) Maar morgen. Vannacht niet. En nu naar bed, Wantsjo. Ik wil geen rammelen meer horen. Slaap wel.’
Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer:
‘Maria is de dochter van uw vader!!”
Deze passage is erg belangrijk voor Frits. Hieruit blijkt dat hij ‘zijn zuster de negerin’ gevonden heeft. Die zuster is niet zomaar een vrouw, nee, het is zelfs zijn echte, bloedverwante zuster. Frits’ missie is dus voltooid.

De verdieping

Perspectief:
Er is sprake van een personale verteller en de gebeurtenissen worden achteraf verteld. Het is zo dat de tekst op Frits gericht is, want je kan zijn gedachten lezen en weet alleen wat hij weet. Op een aantal plaatsen in het boek kom je ook iets te weten wat Frits niet weet. Bijvoorbeeld een opmerking van de kapitein van de boot waarmee Frits naar Curaçao kwam en een gesprek tussen Karel en een agent. Deze twee gesprekken gaan wel allebei over Frits, maar hij heeft ze zelf niet gehoord.

Personen:
De hoofdpersoon is Frits Ruprecht. Hij vindt zijn naam wonderbaarlijk, want voor een ander betekent het alleen maar: zijn twee voornamen. Hij is op 4 mei 1902 geboren, net als de auteur. Hij is een gezonde man en volgens de notaris zegt ‘In Parijs ziet men vaak van die types als jij.’ Wat hij ermee bedoelt, wordt niet uitgelegd. Volgens Karel ziet hij eruit als een schim. Hij is blank, maar spreekt wel het negertaaltje, het negerpatois.
Omdat zijn vader overleden is, wordt hij nu een huisjesmelker.
Zijn ouders hadden vroeger een koetsier, Pedritoe, en die was ook vriend van Frits. De oude rentmeester Wantsjo heeft een kleindochter, Maria. Als Wantsjo denkt dat Frits iets met Maria wil gaan doen, waarschuwt hij hen dat ze broer en zus zijn.
Over de karaktereigenschappen van Frits wordt weinig verteld. Wel kan je merken dat hij heel erg met het verleden bezig is. Ook probeert hij te breken met het verschil tussen de blanken en zwarten.
Frits heeft niet echt een conflict met zichzelf, maar wel met Karel. Ik begrijp nog steeds niet goed waar dat conflict nou over ging, maar het is in ieder geval niet opgelost in het boek.
Ik vind niet echt dat Frits een ontwikkeling doormaakt. Hij krijgt er alleen familie bij, maar hij wordt niet ineens een ander mens of iets dergelijks.

Tijd:
Het verhaal speelt zich af in de jaren ’30 van de vorige eeuw. Frits is namelijk in 1902 geboren, hij was 16 toen hij wegging en 14 jaar later is hij weer teruggekomen.
Het verhaal speelt zich af in één dag. De gebeurtenissen op de dag waarover verteld wordt, worden wel in chronologische volgorde verteld, maar daar tussendoor zitten steeds flashbacks en die zijn niet chronologisch. De ene keer heeft hij het over zijn vroege jeugd en de andere keer over zijn tijd in Europa. Die gebeurtenissen in het verleden lopen door elkaar. Hij denkt eraan door een bepaald voorwerp of een bepaalde blik en vertelt dan over vroeger.
De tijd wordt symbolisch gebruikt. Frits komt op het eiland aan in de middag. Dat is halverwege de dag en dat vertoont gelijkenis met zijn leeftijd. Zijn jeugd heeft hij al gehad en hij is nu in de bloei van zijn leven. Hij is ook bijna op de helft van zijn leven.
Als hij bij de plantage aankomt, is het al avond. Misschien is dat ook symbolisch voor het onheil dat hem te wachten zou staan. Hij weet nog niet dat Maria zijn zuster is, maar hij zal later van plan zijn om met haar te vrijen. Gelukkig kan Wantsjo er echter voor zorgen dat het onheil niet plaatsvindt.

Ruimte:
Het verhaal speelt zich af op een Nederlands-Westindisch eiland, dat nergens bij naam genoemd wordt. Het is echter vrij zeker dat het Curaçao is, vanwege de beschrijving van de haven. Het eerste gedeelte speelt zich af op een boot voor de kust, daarna in het koetshuis, het huis van Karel en het huis op de plantage Miraflores.

Over de boot wordt op pagina 5 gezegd:
“wendde zich juist een steamer in de haven; kleine sloepen trokken aan kabels. (..) de hoge romp der mailboot, vlakbij een van de stralen die met ritmische onderbreking uit het naburige spuigat spoot.”
En op pagina 11 staat:
“waar men de achtersteven van de stoomboot, als een enorme reclameplaat zag draaien, met er op geschreven de naam en de plaats van herkomst.”

Op bladzijde 19 staat:
‘Dit koetshuis was vreselijk vervallen, zijn vader moest het jarenlang hebben verwaarloosd; van buiten was al duidelijk te zien dat de planken, die nooit waren geverfd, geheel vermolmden.”
In het koetshuis stond de oude Ford. Ook rustte er een plank op twee steenblokken, waar hun oude koetsier Pedritoe had geslapen.
“Er lagen speelkaarten besmoezeld op de grond, rode ruiten en zwarte schoppen, herinnerend, als de fiches van de notaris, aan de opwinding van allang vergeten spelen. Ook hing er, aan een balk van de zoldering, een halster uit de tijd van de rijtuigen.”
Het koetshuis was dus niet alleen een plaats voor de voertuigen, maar er werd ook in geleefd en gespeeld.

Het huis van Karel is het enige herenhuis van het dorp. Voor de deur stond een agent en over de binnenkant wordt iets verteld op bladzijde 22:
“zijn stappen klonken hol door de leegte van de kamers die, wat in de tropen meer voorkomt, eerder gestoffeerd dan wel gemeubeld waren. (..) Tenslotte kwam Frits door de achterdeur op een klein erf, waarvan het grootste deel werd ingenomen door een bleekveld. (..) De man, die hij Karel noemde, zat in een houten tuinhuis, een kleine barak, waarvan een zijde zonder wand was.”

De plantage had een houten hek met een hangslot eraan. Waar ze zich bevond, staat op pagina 13:
“De plantage van de Ruprechts lag in het westelijk deel. Het oostelijk deel kende hij alleen omdat hij er als kind vaak had moeten logeren.”

Over de plantage wordt op pagina 31 ook nog gezegd:
“Dichter bij de ingang stonde de gevels van de bijgebouwen, als grote witte plakkaten waarvan de vergankelijke woorden door stromen regen waren weggewassen. In de verte zag hij, op de top van de heuvel, het landhuis schemeren op het wijde, stenen terras.”

Het landhuis is ook speciaal. Frits denkt op dezelfde bladzijde:
“Op deze afstand deed het door zijn witheid en door de vorm van zijn dak denken aan een overgrote tent, hier achtergelaten door mensen die inderhaast waren vertrokken. Met zijn wanden van wit linnen zou het kunnen deinen bij zwaar weer als de vlerken van een grote vleugel.”

Op bladzijde 36 en 37 wordt verteld over het interieur van het huis. Zo wordt er verteld:
“Zij [twee binnenmuren] deelden de ruimte in een smal voorhuis, een smal achterhuis en een breder middenstuk. Dit middenstuk was op zijn beurt ook weer in drieën verdeeld: het slaapvertrek van zijn ouders, links; de kamer, waar hij zelf vroeger sliep, rechts; en in het midden de woonzaal.

Er is ook gesuggereerde ruimte, namelijk Europa. Twee passages, respectievelijk op bladzijde 5 en 24:
“Het is ook wonderbaarlijk dat ik hier op dit eiland, waar ik geboren ben, terugkom omdat mijn vader mijn moeder volgde, nu ook dood is, en misschien ook omdat ik genoeg heb van Europa waar men veel te weinig negers ziet.”
“Ik heb alle tijd om mij alles te herinneren, ik heb niet door alle steden van Europa geslenterd.”

De ruimte zal ook wel symbolisch gebruikt zijn, maar ik weet zeker op welke manier.
Het koetshuis is verwaarloosd en vervallen. Dat staat misschien voor het verleden dat achter Frits ligt. Daarom gaat hij met de Ford weg van het koetshuis naar de plantage.
Daar groeien natuurlijk planten en worden jonge plantjes geplant. Dat staat misschien symbool voor het groeien van Frits’ familie en ook voor het nieuwe begin, zijn nieuwe leven met zijn zus.
Het huis op de plantage is wit. De kleur wit is het symbool van een hoop concrete en abstracte dingen, waaronder vreugde, zuiverheid en hoop. Zowel de eerste als de laatste kunnen passen in het verhaal. Het huis geeft vreugde en hoop omdat daar Frits’ zuster op hem wacht.

Motieven:
* Blank/zwart. Frits wil bij een negerin leven, omdat hij bleke gezichten haat en omdat negers veel vriendelijker zijn. De blanken hebben de leiding over de negers. Als Frits in het huis op de plantage komt, ruikt hij ‘de geur van kleurlingen, waar hij vaak heimwee naar had’. In het boek gaat het ook over mensen die allebei zijn. Zo zijn er verschillende mulatten, half blanke half zwarte mensen en ook Maria is beide. Ze is erg zwart, maar haar gezicht en haar bewegingen zijn die van een blanke. Frits is zelf ook blank en zwart. Zijn uiterlijk is blank, maar vanbinnen voelt hij zich erg met de negers verbonden.
* Familie. Zowel Frits’ vader als zijn moeder zijn overleden. Hierdoor heeft hij geen familie meer. Daarom gaat hij op zoek naar een zuster. Die vindt hij uiteindelijk. Door het boek heen worden steeds familiebanden genoemd. Zo komen we over de notaris te weten dat hij een vrouw en een dochter heeft; dat Frits vroeger met zijn nichtje speelde; dat Maria de kleindochter is van Wantsjo en dat Maria de dochter is van Frits’ vader, dus zijn zus.
* Gillen/ schreeuwen. Frits wordt door de kapitein met een luide stem geroepen; negerinnen stelden schreeuwend vragen; Karel schreeuwt naar zijn negerin om iets te vragen; de lijnen van het landschap waren krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond; als Frits de slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan, durft hij niet en gilt het uit; ook Wantsjo doet dat, als Frits hem niet laat vertellen dat Maria zijn zus is.

Grondmotief of thema:
Het grondmotief van dit boek is gelijkheid.
Blanke mensen zijn gelijk aan negroïde mensen. Het zijn allemaal mensen, alleen met een ander uiterlijk. Daarom kan het dat een blanke man familie is van een neger en omgekeerd. Ook kan het zijn dat iemand zich neger voelt, terwijl hij blanke is. Het gaat meer om het gedrag en de cultuur dan om iemands uiterlijk.
Het boek is dus modern, omdat het de bedoeling is dat wij ook vinden dat ieder mens hetzelfde is. Helaas gebeurt dat nog steeds niet, dus misschien kunnen we een voorbeeld nemen aan Frits.

Spanning:
De verteller vertelt niet alles, maar hij houdt geen cruciale gegevens achter. Er treedt wisseling op in het tempo van vertellen. Sommige dingen worden heel uitgebreid beschreven, maar andere dingen juist niet. De aankomst op het eiland en de aankomst op Miraflores wordt heel uitgebreid verteld, met veel oog voor detail, maar over het ritje met de Ford van het koetshuis naar de plantage wordt bijna niets verteld. Hij is heel snel aangekomen, terwijl het toch een stuk uit elkaar lag.

Er zijn geen vooruit- of terugverwijzingen in de tekst.
De conflicten lopen meestal wel goed af, behalve het conflict met Karel. Frits loopt ineens weg, zonder met Karel te praten over wat hij nou precies bedoelde. Hij legt het ook niet bij, maar hij beschouwt de vriendschap als verbroken.

Perspectief:
De gebeurtenissen worden door één iemand verteld, die met de handeling meedoet. Hij weet niet alles en interpreteert dingen verkeerd, dus het is geen betrouwbaar perspectief. Via het perspectief kom je dingen te weten die Frits denkt en doet en wat de andere personages doen, maar niet wat zij denken. De informatie blijft dus maar beperkt. Het is geen auctoriaal perspectief, omdat je nu tot het einde moet doorlezen om te weten of hij zijn zuster vindt. Een alwetende verteller gebruikt vooruitwijzingen, dus je weet waarschijnlijk al eerder de afloop, althans de afloop blijkt vaak uit de woorden van de verteller. Als het ik-perspectief was geweest, had je waarschijnlijk nog minder geweten over de andere personen. Ook kon de schrijver dan moeilijker ruimte beschrijven, want het gaat bij het ik-perspectief meer over de gedachten en gevoelens van één persoon. De schrijver kon dan ook moeilijker vertellen wat Karel tegen de agent zei, toen Frits al weg was.

Titelverklaring:
De titel ‘Mijn zuster de negerin’ slaat op de zoektocht van Frits naar een negerin bij wie hij wil wonen. Eigenlijk zoekt hij gewoon iemand die geen familierelatie met hem heeft, maar gewoon negerin is en met hem wil leven. Uiteindelijk besluit hij dan om bij zijn huisbewaarster te blijven, waarvan hij denkt dat het Maria is. Als dat zo is, is hij daar blij mee. Het blijkt zelfs zo te zijn dat Maria ook werkelijk zijn zuster is.

Structuur:
Het begin van het verhaal is in medias res en het verhaal heeft een open eind.
Er zijn geen vooruitwijzingen in de tekst. Wel een heleboel flashbacks over de tijd dat Frits nog jong was. Die flashbacks laten wat meer zien over Frits’ jeugd en ook wat voor gevoelens hij bij bepaalde objecten heeft. Deze gevoelens zijn ontstaan in zijn jeugd, maar hij kan zich ook nu nog veel herinneren.
Er zijn spiegelingen in het verhaal, vooral tussen blank en zwart. De belangrijkste spiegeling is dat Frits blank is, maar zich meer zwart gedraagt en Maria is zwart, maar ze gedraagt zich meer als een blanke qua motoriek. Hier zit natuurlijk ook een tegenstelling in.

Genre:
Het is een fictioneel boek en het wordt ingedeeld bij het hoofdgenre epiek. Het boek is een novelle.


Relatie tussen tekst en auteur

Cola Debrot
Eigenlijk Nicolaas, Nederlands prozaschrijver en dichter (Bonaire 4.5.1902-Amsterdam 2.12.1981). Studeerde in Nederland en was als arts werkzaam te Amsterdam. In 1948 keerde hij voor een aantal jaren terug naar zijn geboorteland. Hij was directeur van het kabinet van de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen te Den Haag en werd daarna gouverneur van de Antillen. Debrot debuteerde met een lange novelle in het maandblad Forum (1934-1935): Mijn zuster de negerin (1935). Hij beschrijft hierin de terugkeer naar zijn geboorte-eiland, na een langdurig verblijf in Europa, van Frits Ruprecht. Diens gevoel van broederlijke verbondenheid met het volk waaruit hij stamt is zo groot, dat hij een negerin wil trouwen. Wanneer hij denkt dat verlangen te kunnen verwezenlijken in een jeugdvriendinnetje, blijkt zij inderdaad zijn zuster, dochter van zijn vader. Debrot heeft behalve enkele bundels gedichten nog een tweetal novellen gepubliceerd. Met Dagboekbladen uit Genève (1963 en 1977) heeft hij dit genre tot literatuur van hoog niveau ontwikkeld. In 1982 werd de novelle De vervolgden uitgegeven. Het verhaal speelt op de Benedenwindse Eilanden tijdens de Spaanse verovering in de eerste helft van de 16de eeuw. Het laat in een historische context de problemen van een gemengde bevolking zien.
Werken: De verloving (‘41); Bekentenis in Toledo (‘45); Navrante zomer (‘46); Bid voor Camille Willocq (‘46); Bewolkt bestaan (‘48); De afwezigen (‘52); Tussen de grijze lijnen (‘77).

De Nederlandse schrijver Cola Debrot (1902-1981) werd geboren op Bonaire, waar zijn vader een plantage bezat. In 1904 verhuisde het gezin naar Curaçao. Op zijn veertiende kwam Debrot naar Nederland. Na het eindexamen gymnasium studeerde hij in Utrecht.
Cola Debrot reisde veel en woonde in verschillende landen. In Parijs leerde hij de Amerikaanse danseres Estelle Reed kennen. Na het huwelijk woonde het echtpaar tot 1935 afwisselend in Amerika en Europa. Na zijn artsexamen vestigde Debrot zich als huisarts in Amsterdam. Na de oorlog vestigde hij zich op Curaçao als huisarts. Hij hield zich in Willemstad ook bezig met cultureel werk en politiek. Hij werd in 1951 in Den Haag Algemeen Vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillen. Daarna bekleedde hij andere belangrijke functies. Hij was onder meer vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties. Debrot debuteerde in 1935 met de novelle "Mijn zuster de negerin". Het verhaal, waarin de tegenstelling tussen blank en zwart centraal staat, werd in 1980 verfilmd. Het oeuvre van Cola Debrot is niet erg omvangrijk. Naast gedichten en verhalen schreef Debrot romans, essays en toneelteksten. Andere belangrijke werken van Cola Debrot zijn: "Navrante zomer" (‘46), "Bewolkt bestaan" (‘48), "De afwezigen" (‘52) en "Tussen de grijze lijnen" (‘77).


Frits is net als Cola Debrot op 4 mei 1902 geboren. Allebei hun vaders bezaten een plantage en allebei zijn ze in hun puberteit naar Nederland vertrokken. Ze hebben beide in Curaçao gewoond. Ook Debrot is weer teruggekeerd naar het eiland, zij het dat hij op latere leeftijd is teruggekeerd dan Frits en dat hij er niet voorgoed is gebleven. Ik denk dat Frits wel zou zijn gebleven, omdat hij Europa maar niets vond. Bij Debrot is dat waarschijnlijk niet zo geweest.
Over Frits’ beroep wordt niet verteld, maar ik denk wel dat hij een goede opleiding heeft gehad, omdat zijn vader best rijk was.
Ook zijn ze beiden in Parijs geweest en hebben ze veel gereisd.

Relatie tussen tekst en context
De periode waarin het boek geschreven is, ligt in het interbellum, de tijd tussen de twee wereldoorlogen. In de literatuur wordt vaak teruggekeken op de Eerste Wereldoorlog. In het boek wordt daar totaal niet over gesproken. Er wordt niet eens iets gesuggereerd over een oorlog.
Er wordt ook niets gezegd over het feit dat Hitler aan de macht is gekomen en dat hij voor elkaar heeft gekregen dat de Anschluss een feit is, terwijl dat toch wel belangrijke politieke effecten heeft gehad. Er wordt ook al niets gezegd over de crisis begin jaren ’30. Het ging met heel de wereld slecht, maar blijkbaar had dat geen invloed op Frits. Hij is rijk en heeft het er niet over dat alles zo duur is of dat er zoveel armoede heerst onder de gehele bevolking. Hij laat alleen merken dat de negers niet zo rijk zijn, maar over echte armoede heeft hij het niet.
In de schilderkunst en de literatuur verandert er veel. Er ontstaan een nieuwe visie op de kunst, die getypeerd wordt met het woord ‘modern’. Er ontstaan allerlei nieuwe stromingen in de kunst, zoals dadaïsme, surrealisme en expressionisme. De laatste stroming was een reactie op het naturalisme en het impressionisme. In het expressionisme ging het erom het eigen innerlijk uit te drukken. Duitse expressionisten gingen op zoek naar een nieuwe mens, die afkeer had van het burgerlijke, met zijn heilige huisjes en vaste gewoonten. De mens moest intens leven.
Gevoelens moesten heftig zijn en zo direct mogelijk uitgedrukt, vaak in korte zinnen zonder duidelijke samenhang. Gedichten maakten een verbrokkelde indruk, met woorden als pistoolschoten en een ritme dat snelheid suggereerde. De beeldspraak werd vaak ontleend aan het leven in de grote stad, waarbij het opgeroepen beeld belangrijker was dan een logisch geheel. Het werd dus heel anders geschreven dan in de periode voor deze tijd.
In het boek zijn de gevoelens wel heftig en ze worden veel gebruikt. De zinnen zijn niet echt kort, maar soms ontbreekt de samenhang wel een beetje. Ook worden er af en toe vergelijkingen gemaakt die wel erg vergezocht zijn. Sommige woorden klinken wel enigszins als pistoolschoten, maar het ritme suggereert toch niet echt snelheid. Door de uitgebreide beschrijvingen en de vele details, is het ritme eigenlijk best langzaam. Deze bovenstaande kenmerken zijn van het expressionisme. Zoals te zien is, is dit werk geen expressionistisch werk.

F. De verwerking

Ik ben er weer, eindelijk en ik ga niet meer weg. Waarom niet, vraag je misschien. Zo geweldig is dit eiland niet, je kan beter in Holland wonen, denk jij. Maar Europa was vreselijk; al die bleke gezichten met hun visachtige kilheid, hun gebrek aan broederlijke en zusterlijke sympathie. Daarom ben ik op zoek naar die ene, die het tegenovergestelde is: zacht, lief en met trouwe hondenogen en vooral met die kleur, waar ik zou van houd en tegelijkertijd jaloers op ben. Als ik haar vind, zal ik haar begroeten als mijn bloedverwante. Daarom zal ik haar mijn zuster noemen, mijn zuster de negerin. Als ze dat niet wil, wat haast onmogelijk is, omdat ze zo lief is en zo niet-Europees, dan zal ik haar omkopen als zij degene is die ik zoek. Mijn geld is toch in overvloed en daar ben ik blij mee, alhoewel het ten koste is gegaan van mijn ouders. Maar ja, aan gene zijde heb je er toch niets meer aan.

Dan wordt mijn aandacht getrokken door een motorboot. Er zitten twee mannen in. Een stuurman en iemand in een grijze shantung. De laatste is klein en dik; hij lijkt een ingesnoerd Michelin-mannetje. Met een strooien hoedje op zit hij in de boot. De stuurman stuurt naar deze boot en maakt hem behendig vast. Michelin stapt over op mijn boot. Wat zou hij komen doen? Zou hij banden verkopen of zeggen dat we niet aan land mogen? Wat zou ik dan doen? Ik heb al die tijd gewacht op dit moment en dan gaat het niet door. Zal ik van boord springen en naar de kust zwemmen? Dat moet ik toch nog kunnen halen, hoewel ik al zolang niet meer gezwommen heb. Dat komt door die vissen. Steeds als ik in het zwembad was, zag ik ze zwemmen, belletjes en blubs kwamen uit hun monden. Ze schrokken me af en dan ging ik weg. Ook de geur van het zeewater miste ik. De zilte, zoute geur die over het strand lag als een deken. Bij die geur komen allerlei herinneringen weer boven.
Dan worden mijn gedachten hevig verstoord. De kapitein roept me met een stem als een misthoorn. Voor ik het in de gaten heb, staan twee mannen voor mijn neus, ook Michelin.

Deze passage staat meteen aan het begin van het boek, namelijk op pagina 5 en 6.
Het veranderen van het perspectief is aan de ene kant een verbetering, maar ook een verslechtering. De ruimte komt veel minder aan bod, want een persoon vertelt lang niet alles wat hij ziet. De gevoelens en gedachten van die persoon komen echter meer aan bod. Je maakt als het ware een reis in het hoofd van die persoon, terwijl je bij het personale perspectief toch op een afstandje meekijkt. Ik heb ook de tijd veranderd, waardoor de lezer nog meer bij het verhaal betrokken wordt, volgens mij tenminste.

Eindoordeel

Het onderwerp
Ik vond het wel interessant om te lezen over de ruimte, maar ik vond het niet echt geloofwaardig, dat meteen de eerste persoon die hij werkelijk ontmoet ‘zijn negerin’ blijkt te zijn en daarna blijkt ook nog eens dat het werkelijk zijn zuster is.
De zoektocht naar een zuster is op zich wel een herkenbaar onderwerp, maar de zoektocht naar een iemand om die dan zuster te noemen, is juist niet herkenbaar.
Ik zou het boek nog langer hebben gemaakt en Frits niet meteen Maria laten ontmoeten.
Ik ken geen andere boeken of films die over dit onderwerp gaan, maar een bekend televisieprogramma over dit onderwerp is natuurlijk ‘Spoorloos’.

De gebeurtenissen
De gevoelens en gedachten van de hoofdpersoon waren het belangrijkste in dit boek. Er gebeurde vrij weinig, terwijl alle gedachten nogal uitvoerig werden beschreven.
Ik vond dat er eigenlijk te weinig gebeurtenissen plaatsvonden en degenen die plaatsvonden, waren niet echt opwindend. Ze waren wel geloofwaardig.
Er vonden geen schokkende gebeurtenissen plaats en de afloop was wel goed.

De personen
Frits kwam redelijk levensecht over, alleen dacht hij wel erg veel aan vroeger. Ik kon me niet echt inleven in Frits en ik herkende ook geen eigenschappen van Frits in mijzelf. Hij heeft mijn gedrag niet beïnvloed.
Ik denk niet dat ik Frits anders zou laten handelen als ik de auteur was geweest. Misschien had ik Frits niet meteen de eerste nacht al naar de plantage laten gaan, maar hem bij de notaris laten slapen of in een hotel. Dan had hij ook Maria niet zo snel ontmoet.

De opbouw
Het verhaal was makkelijk te lezen en er waren geen passages die ik overgeslagen heb, omdat ze zo saai waren.
Ik vond de afloop wel goed, alleen een beetje te vroeg. Ik had graag nog meer willen horen over Frits leven en over de omgeving van Curaçao.

Het taalgebruik
Het taalgebruik was niet moeilijk en alles werd realistisch weergegeven. Daardoor en door de uitgebreide omschrijvingen van de ruimte, kon ik me goed inleven in het verhaal.
Er kwamen niet zoveel dialogen in voor, maar diegenen waren wel duidelijk weergegeven.
Ik kan niet echt één fragment noemen wat ik graag zou willen onthouden, maar ik vond het wel heel mooi hoe sommige dingen werden weergegeven. Een voorbeeld hiervan op pagina 29:
“Achter hem leek de Ford opgetild in de ruimte door de vage kleuren van de naderende avond.”
Het wordt heel romantisch weergegeven, met veel gevoelens erin opgesloten.

Lijst van geraadpleegde bronnen

Debrot, C.; Mijn zuster de negerin; Amsterdam 1985.

Daarbij heb ik geraadpleegd:
*Coenen, L.; Kox T.; Noot B.; Literatuur zonder grenzen, Literatuur voor de tweede fase, 1e druk, Amsterdam 1998, bladzijdes 23 t/m 47

De volgende websites:
*www.dbnl.org
*www.schrijversnet.nl
*www.absofacts.com/literatuur/data/debrotcola.shtml

Boekverslagen van de volgende websites:
*www.boekverslag.nl
*www.collegenet.nl
*www.studentsonly.nl

Hoge waardering

Marloes Rijsmus 7.5
Marleen 6e klas vwo7.3
Sara 5e klas vwo7.3
Daphne 5e klas vwo7.0
Gideon 5.2
Meer verslagen ›

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

1513
 

reacties

 
Er staat in de boekverslag, ik denk bij de samenvatting of ergens in het midden dat Maria de dochter van de rentmeester was, terwijl dat niet waar is. Er staat duidelijk in het boek dat Maria de dochter is van de DOCHTER van de rentmeester. Dat was het. Bedankt.
door Rakhi (reageren) op 8 november 2006 om 16:11
Bij de passage die je niet heb begrepen, gaat het om dat Karel doet alsof hij Othello leest. Hij kiest het boek Othello, omdat het een Europees boek is. Hij doet dat, omdat hij jaloers is dat Frits in Europa heeft geleefd. En Frits vind dat beledigend.
door Astrid (reageren) op 16 juni 2013 om 20:04