Geschreven door: | NCB (3 vmbo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 18 januari 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.200 |
Bekeken: | 28435 keer (400 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Opdracht 11 In de chromosomen zit de informatie voor erfelijke eigenschappen.
2 Het fenotype is de eigenschappen van het uiterlijk.
3 Het genotype is alle erfelijke eigenschappen.
4 Op de afbeelding is het fenotype zichtbaar.
5 Op de afbeelding is het genotype niet zichtbaar.
6 Deze bewering is onjuist omdat de kinderen hun erfelijke eigenschappen van hun ouders krijgen en niet anders om.
Opdracht 21 Niet alle eigenschappen zijn erfelijk.
2 Ja , het uiterlijk veranderd dus het fenotype ook.
3 Hierdoor veranderd het genotype niet.
4 Ja, de kinderen erven ook eelt op de handen.
5 Nee, want dat de takken aan een kant niet goed groeien ligt aan de omgeving.
6 Het Fenotype komt stand door invloed van het genotype of het milieu.
Opdracht 3Erfelijke eigenschappen Eigenschappen die niet erfelijk zijn
Behaarde bladeren Bladeren die slap hangen
Bladeren met stekels Een litteken
Blauwe ogen Een zwaar lichaam door speciale voeding
Een wipneus Geverfde nagels
Krullend haar vanaf de geboorte Kort haar
Rode bloemen Krullend haar door permanent
Opdracht 41 Niet alle chromosomenparen bij een man bestaan uit twee gelijke chromosomen.
2 Ja, bij een vrouw zijn alle chromosomenparen uit twee gelijke chromosomen
3 Omdat dit chromosomenpaar uit de 2 geslachtschromosomen bestaat.
4 In een spiercel komen 2 geslachtschromosomen voor.
5 In een levercel van een man komen 2 geslachtchromosomen voor.
6 In de huidcel van een vrouw komen 2 geslachtschromosomen voor.
Opdracht 51 In een lichaamscel komen 46 chromosomen voor.
2 In een lichaamscel van een man komen 2 geslachtschromosomen voor.
3 Er komen 23 chromosomen in een geslachtscel voor.
4 Er komt 1 geslachtschromosoom voor in een geslachtscel.
5 Ja, er kan een X-chromosoom in een eicel voorkomen.
6 Nee, er kan geen Y-chromosoom in een eicel voorkomen.
7 Ja, er kan een X-chromosoom in een zaadcel voorkomen.
8 Ja, er kan een Y-chromosoom in een zaadcel voorkomen.
9 Deze geslachtcel moet een zaadcel zijn.
10 Deze kan een eicel of een zaadcel zijn.
Opdracht 61 Chromosomenpaar 3, omdat die verschillen van vorm
2 Lichaamscel 2 is afkomstig van een man.
3 Lichaamscel 1 is afkomstig van een vrouw.
4 Er is een eicel ontstaan bij de reductiedeling van lichaamscel 1.
5 Deze cel bevat een X-chromosoom.
6
7 Hierdoor zijn spermacellen ontstaan.
8 Deze kunnen de Y of de X-chromosoom bevatten.
9
Opdracht 71 Een bevruchte eicel bevat 46 chromosomen.
2 Een bevruchte eicel bevat 2 geslachtschromosomen.
3 In stadia 2.
4 Het geslacht ligt niet in stadium 1 vast.
5 Het geslacht ligt wel in stadium 4 vast.
6 Door de spermacel wordt het geslacht bepaald.
7 De bevruchte eicel heeft 2 geslachtschromosomen.
8 De eicel heeft een X-chromosoom.
9 De zaadcel heeft een X-chromosoom.
10 De geslachtschromosomen van dit kind zijn XY.
11 De bevruchte eicel bevatte de X-chromosoom en de Y-chromosoom.
12 De eicel bevatte de X-chromosoom.
13 De zaadcel bevatte de Y-chromosoom.
Opdracht 81 Uit 2 eicellen ontstaat een twee-eiige tweeling.
2 Uit 1 eicel ontstaat een eeneiige tweeling.
3 2 zaadcellen.
4 Uit een zaadcel.
Opdracht 91 De cellen 3,6 en 9.
2 De cellen 1,2,4,5,7 en 8.
3 De cellen 3,6,9,10 en 11.
4 De cellen 1,2,4,5,7 en 8.
5 De kinderen R en S.
6 Er zijn twee zaadcellen bij de bevruchting betrokken.
7 Geslachtchromosomen X en Y.
8 Geslachtschromosoom Y.
9 Geslachtschromosomen X en X.
10 Geslachtschromosoom X.
11 Geslachtschromosomen X en Y.
12 Geslachtschromosomen X en Y.
13 Geslachtschromosomen X en Y.
14 Geslachtchromosoom X.
15 Kind S is een jongen.
Gewone lichaamscel
XX=meisje.
46chr.>23paartjes>22+geslachtschr. Paartje
geslachtcel>spermacel=23 +Y XY=jongen.
>eicel = 23+X
Geslachtcellen
Opdracht 101 Deze tweeling is twee-eiig.
2 Jos kan een jongen zijn.
3 Deze tweeling is twee-eiig.
4 Mardjan kan een meisje zijn.
5 Deze tweeling is eeneiig.
6 Ze kunnen beide een meisje zijn.
7 Deze tweeling is eeneiig.
8 Nee Archie kan geen jongen zijn en Hans geen meisje.
· 2x het zelfde gen voor een erfelijke eigenschap= homozygoot
· 2 verschillende genen voor een erfelijke eigenschap=heterozygoot
Dominant=winnend
Recessief = verliezen
Intermediair=gelijk Opdracht 11
1 Een gen is een stukje chromosoom.
2 Ieder chromosoom bevat meerdere genen.
3 2 genen per erfelijke eigenschap.
4 1 gen voor een erfelijke eigenschap.
5 Genen komen in paren voor.
6 Deze genen zijn het zelfde.
7 Door middel van gewone celdeling.
8 Deze genen zijn gelijk.
9 Nee, dat verandert niet.
10 Bij bevruchting.
Opdracht 121 De chromosomen 1en 4 vormen een chromosomenpaar, omdat op de zelfde plaats de zelfde eigenschap hebben.
2 In cel 3, omdat er twee chromosomenparen in zitten.
3 D
4 3
5 3
Opdracht 141 Als er twee de zelfde eigenschappen zijn.
2 Als er twee verschillende eigenschappen zijn.
3 Een gen die sterker is dan de ander.
4 Een gen die slapper is dan de ander.
5 Nee, want het zijn twee verschillende dieren
Opdracht 151 Het fenotype is gave bladrand.
2 Deze plant is heterozygoot voor de bladrand.
3 Het gen voor een gave bladrand is dominant.
4 Het gen voor de ingesneden bladrand is recessief.
Opdracht 171 Een verschillend genotype.
2 Er zijn 2 verschillende genotype mogelijk.
3 Rode bloemen:
Witte bloemen:
4 Het fenotype is wit.
5 Het fenotype is zwart.
6 Het fenotype is zwart.
Opdracht 181 Er zijn steeds 42 chromosomen weggelaten
2 Marloes
3 Marloes en Rachel.
4 Erwin is homozygoot voor de oogkleur.
5 Jos: Rechtshandig
Marloes: Linkshandig
Rachel: Rechtshandig
Erwin: Rechtshandig
6 Het gen is recessief.
7 Jos: Blauw
Marloes: Bruin
Rachel: Bruin
Erwin: Bruin
8 De vader is homozygoot.
9 Nee dit kun je niet afleiden.
Opdracht 191 De recessieve gen.
2 Een persoon met dwerggroei.
3 Het genotype is: bb.
4 Het genotype is: HH.
5 Het genotype is : hh.
6 Nee.
Opdracht 201 Met P.
2 Met F1.
3 Door de kruising van de F1.
Opdracht 211 Het fenotype van de runderen van de F1 is zwart.
2 Het genotype van de runderen in de F1 is AA.
3 Onderlinge voortplanting van dieren in de F1 wordt weergegeven door F2.
4 Een koe in de F1 kan twee typen eicellen produceren:eicellen met het gen A en
eicellen met het gen a.
5 Een stier in de F1 kan twee typen zaadcellen produceren:zaadcellen met het gen A en met het gen a.
P AA aa
Gameten A a
a a
A Aa Aa
A Aa Aa
F1
F2
A a
A AA Aa
a Aa aa
AAXaa=100%Aa
AaXAa=3:1
AaXaa=1:1
Opdracht 231 AA x aa
2 De geslachtscellen van de zwarte cavia bevatten A
De geslachtcellen van de witte cavia bevatten a
3 Aa
4 P AA x aa
geslachtscellen A x a
F1 Aa
A of a x a of A
A A
A AA Aa
A Aa Aa
F2
Opdracht 241 Een zwarte vacht.
2 Een zwarte en witte vacht.
3 0%
4 100%
5 50%
6 50%
7 100%
8 0%
9 75%
10 25%
11 ja
12 30 zijn er zwart en 10 zijn er wit.
13 1:2:1
14 3:1
Opdracht 25 1 Aa x aa.
2 A of a a of a
3 Aa of aa
4 P Aa x aa
Geslachtscellen A of a
5 50%
6 Ja
7 50%
8 Ja
9 Allebei ongeveer 48 nakomelingen.
10 1:1
Opdracht 261 P Aa x Aa
geslachtscellen A of a x A of a
F1
A a
A AA Aa
A Aa aa
2 75%
3 25%
4 1500 planten met rode bloemen.
5 500 planten met witte bloemen.
6 3:1
Opdracht 271 De verhouding 1:1
2 3 verschillende genotypen.
3 Aa x Aa
4 Aa x aa
5 50%
6 50%
7 100%
8 nee te weinig nakomelingen om er een uitspraak over te doen.
Opdracht 281 1:1
2 Aa x aa
3 Nee
Opdracht 291 De verhouding 28 : 11 is ongeveer gelijk aan 3 : 1
2 Rr x Rr
3 De ruwharige gen.
4 Gladharig en ruwharig.
5 Ja.
6 aa
7 In beide de gen a.
8 aa.
9 Gladharig.
10 Nee.
Opdracht 301 De nummers 1/3/5/7.
2 De nummers 2/4.
3 Het gen voor gladharig.
4 De honden 1/6.
5 Ja.
6 aa 1/6. Aa 3/4/5. AA 2/7.
7 Aa.
8 a.
9 Aa.
10 Aa.
11 Van de honden 2/7.
Opdracht 31Opdracht 321 1:3:1
2 50%
3 0%
4 aa x Aa.
5 3:1
6 Aa x Aa
7 Stambomen 1/3.
8 25%
Opdracht 331 Nee.
2 Ja.
3 Ja.
4 Verschillende genotypen.
5 Hierbij is spraken van geslachtelijke voortplanting.
6 Door middel van mitose.
7 Bij kunstmatige selectie stellen mensen de eigenschappen samen.
8 Bij veredeling kruis je om een beter ras te krijgen.
9 1. stekken
2. knollen.
3. weefselkweek.
10 Omdat ze dan zeker de goeie eigenschappen krijgen.
11 Ja.
12 Nee, want er kunnen invloeden van buitenaf bij te pas komen en de fenotypes veranderen.
13 Nee.
14 In alle lichaamscellen zit de zelfde informatie.
15 Nee,want ze kunnen ook heterozygoot zijn en dan wordt 25% een andere kleur.
16 Ja.
Opdracht 341 Een mutatie is een verandering van het genotype.
2 In geslachtscellen.
3 Een mutant is een volledig gemuteerd persoon.
4 Mutagenen straling en mutagenen stoffen.
5 Atoombom en Tsjernobiel.
6 Als dan een cel muteert dan heeft het geen gevaar voor het nageslacht.
7 Kijken of ze blootgesteld zijn aan de sraling.
8 3 chromosomen 21.
Opdracht 351 Een gezwel ontstaat als lichaamscellen zich te snel gaan delen.
2 Kanker ontstaat doordat te dicht op elkaar zitten.
3 Bij uitzaaiing hebben de cellen zich door het lichaam verspreidt.
4 Omdat ze het niet kunnen behandelen als het is uitgezaaid.
5 Het gezwel komt op een andere plaats terug.
6 Huidkanker.
7 Longkanker.
Opdracht 36Goedaardig gezwel Kwaadaardig gezwel
1 Groeit het gezwel snel of langzaam? Langzaam Snel
2 Wordt de bouw van de weefsel verstoord? Nee Ja
3 Vindt uitzaaiing plaats? Nee Ja
Opdracht 371 Bij aangetaste sperma van de vader.
2 Werken in een nucliere opwerkingsfabriek.
3 ‘sommige…………………..opgetreden’.
4 Ja, want ze hebben het van hun vader gekregen.
Opdracht 381 Omdat borstkanker erfelijk is en zij kan het ook hebben.
2 Ze kan amputatie ondergaan of controle laten doen.
3 Bij een genetisch advies wordt onderzocht of je een bepaalde erfelijke gen hebt.
4 Als iemand in de familie een erfelijke ziekte heeft
5 Zij kunnen een mutatie hebben in de geslachtscellen.
Opdracht 391 Door echo’s door de buik te stralen zie je het kindje.
2 Bij een vlokkentest wordt een stukje weefsel van de placenta weggehaald en onderzocht.
3 Bij een vruchtwaterpunctie wordt een beetje vruchtwater weggezogen.
4 Bij de vlokkentest.
5 Met een vlokkentest.
6 Nee, omdat het de kans op een miskraam groter wordt.
7 7%
8 3%
9 Dit uitstel is niet verstandig,want hoe ouder je wordt hoe meer kans.
10 Of het baby ook besmet is.
11 Omdat het vooral bij jongens voorkomt.
12 Abortus of het kind houden
Opdracht 401 Het gebruiken van organismen om het voedsel beter te maken.
2 Wijn, brood en bier.
3 Zuurkool en yoghurt.
4 Doordat we er meer over weten.
5 Recombinant-DNA-technieken is het veranderen van DNA om een bepaalde eigenschap te krijgen.
6 Als het genotype verander is.
7 Als het genotype niet veranderd is.
8 Meer en beter voedsel.
9 Veranderen van de natuur, dieren voor d proeven nodig en het recht niet hebben om de natuur te beschadigen.
Opdracht 411 Deze bevatten veel plantaardige eiwitten net als bij vlees.
2 De planten met het genotype AA.
3 Van een voorstander.
4 Van een voorstander.
Opdracht 421 Van cel P van de superkoe.
2 Dit zijn gewone celdelingen.
3 Cel P heeft 60 chromosomen.
4 Cel R heeft 60 chromosomen.
5 Nee ,want de chromosomen worden eruit verwijderd.
6 Nee ,want het genotype is al bepaald voordat het in de draagkoe wordt geplaatst.
7 Ze hebben de zelfde chromosomen.
8 Deze kalveren hebben het zelfde geslacht.
Opdracht 431 Tot zijn fenotype.
2 Aan de hand van zijn fenotype.
3 Verdachte nr. 11
Opdracht 441 Door meer goeie keien te maken die veel melk maken.
2 Kan meer en betere melk maken.
3 Als een koe niet tegen een bepaalde ziekte kan kunnen ze er allemaal niet tegen.
4 Met deze kennis kunnen de zieke genen verwijderd worden.
5 Dat de kwaliteit goed is en dat de prijs laag is.
6 Het beroep van veehouder lijkt me niks omdat je veel geld er in moet steken om bijna niks eruit te krijgen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.