Geschreven door: | Sleffie |
Datum ingestuurd: | 22 december 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 5.500 |
Bekeken: | 12014 keer (81 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Waarom heb ik gekozen voor de hoofdvraag:
“Wat zijn de belangrijkste gevolgen die de Verlichting ten gevolge heeft gehad?”
Omdat de Verlichting een nogal ruim concept is, kan je er moeilijk mee uit de voeten om een concreet stukje echt vast te pakken. Vandaar dat het beter te doen is om je te richten op een specifiek gedeelte.
Toch is het met deze hoofdvraag niet makkelijk afgedaan, en is er nog genoeg uit te vinden qua deelvragen, bij het beantwoorden van de hoofdvraag zal ik namelijk gebruik maken van de volgende deelvragen:
“Hoe werd ‘Verlicht’ gedacht?”
“Wat dachten de Verlichten over de samenleving.”
“Wat dachten de Verlichten over het staatsbestuur.”
“Wat dachten de Verlichten over de opvoeding.”
“Wat dachten de Verlichten over de godsdienst.”
Inleiding op het onderwerp
In 1784, toen de Ideeën der Verlichting alom erkenning hadden gevonden, zette de Duitse wijsgeer Immanuel Kant in een artikel aan het eenvoudige lezerspubliek de betekenis uiteen van het woord waaraan zijn tijd haar naam ontleende. ‘Verlichting’, begon Kant, ‘doelt op de mens die zich bewust wordt van zijn onvolwassenheid’. Deze onvolwassenheid of onrijpheid, vervolgde hij, werd niet veroorzaakt door ‘een gebrek aan verstand, maar door het ontbreken van de wil en de moed om dit verstand te gebruiken zonder de leiding van iemand anders. Sapere aude! Durf te weten! Heb de moed om uw verstand op eigen gezag te gebruiken!”
In deze uitspraak van Kant zijn de diepste overtuigingen en de meest begeerde doelstellingen samengevat van de radicale geleerden en intellectuelen uit de achttiende eeuw. In de volgende deelvragen zal ik dan ook verder ingaan op de daadwerkelijke doelstellingen en opvattingen van deze radicale geleerden en intellectuelen
Hoe werd ‘Verlicht’ gedacht?
De methode waarmee men alle problemen verstandelijk benadert en wil oplossen noemt men Rationalisme. In de tijd van de Verlichting gebeurde dit voor het eerst op grote schaal.
Vanwege indrukwekkende resultaten die het verstand had bereikt, brachten de onderzoekers de volgende conclusies:
- voor het kritisch verstand kan niets verborgen blijven
- het verstand kan op alle terreinen van het menselijk leven de juiste uitspraken te doen.
Maar, níets was voor het verstand verborgen zolang het maar vrij was in het denken. Dus niet belemmerd was in wat voor opzicht dan ook.
Te lang hadden de mensen in ‘de duisternissen van onverstand en bijgeloof’ verbleven, maar nu was die tijd voorbij! De Verlichting was aangebroken, het licht van de rede begon te schijnen.
Hiervoor, ten tijde van de Renaissance, was er ook al grote belangstelling ontstaan voor wat er gebeurde in de omringende natuur. Men ging experimenteren op planten, dieren, Astronomie, mineralen, enzovoorts.
Vanwege deze interesse in de wereld om zich heen, is er later ook de interesse in het eigen verstand gekomen.
Verspreiding van de Verlichte denkwijzen:
Zoals in de “Inleiding op het onderwerp” een klein beetje naar voren kwam, de verlichte denkwijzen werden hoofdzakelijk verspreid door artikelen en boeken die gepubliceerd werden.
Over het algemeen waren deze artikelen en boeken niet goed leesbaar voor de ‘gewone mens’. Men moest op hetzelfde niveau zitten om iets te kunnen begrijpen van de geschreven teksten. Later werden de ideeën ook opgeschreven in een taal die begrijpelijk was voor de meeste mensen.
Sommige mensen vonden door de artikelen de filosofen meer lijken op populariserende journalisten, in plaats van creatieve denkers. Dit was ten dele juist: popularisering was er. Toch verspreidde de Verlichting zich in een rap tempo, dit is goed duidelijk te maken met de verschijning van de ‘Encyclopédie’ vanaf 1751. De belangstelling van de Verlichting had zich verbreed.
De encyclopedie wekte woede bij de gevestigde orde, omdat er op onverwachte plekken kritiek op kerk en staat (minder) geleverd werd. In 1759 werd uitgave verboden, en de vervolgdelen werden clandestien uitgegeven. In 1765 was de encyclopedie voltooid. De encyclopedie was een groots monument van de Verlichting, en weerspiegelde het karakter hiervan: de taal van de uiteenzetting, niet die van debat werd gebruikt. De toon van zekerheid die werd gebruikt bij technologische en wetenschappelijke onderwerpen, werd ook gebruikt bij filosofische, godsdienstige en politieke onderwerpen. Een van de doelen was kennis over te dragen op de leek.
Zo werden twee betekenissen van Verlichting uitgedragen: het geloof dat zekere kennis mogelijk was en het verspreiden van kennis. In de encyclopedie werd de grondslag gelegd voor de gammawetenschappen: sociologie, economie en pedagogie. In Nederland werd eerst de Dictionnaire historique et critique geschreven, daarna het Algemeen huishoudelijk-, natuur- zedekundig- en konstwoordenboek. Over alle onderwerpen stond er wel iets in. Voor iedereen moest het boeiend zijn.
Bronnen:
“Wereld in Wording” – Blz 114-118
Wat dachten de Verlichten over de samenleving?
De mensen moesten verlicht en bevrijd worden. Het uitgangspunt was dat alle mensen vrij en met gelijke rechten geboren worden en vrij moeten blijven. Alleen de wet mag die vrijheid beperken. Want het is hun eigen wet, uitgevaardigd om het algemeen welzijn te beschermen. Onnatuurlijk en daarom tegen al het algemeen welzijn is het, wetten te maken die de werkzaamheden in landbouw, industrie en handel belemmeren.
De Schotse professor Adam Smith was tegen maatregelen van de overheid als het ging om de beoefening van de landbouw, de handel en de nijverheid. Hij schreef een boek over ‘The Wealth of Nations’.
Zijn mening was: als een tak van een bedrijf steun krijgt van de overheid of als een tak van een bedrijf extra belast wordt zijn de nadelen groter dan de voordelen. Wanneer de overheid de bedrijven vrij laat, gaat vanzelf het heldere eenvoudige systeem van de natuurlijke vrijheid werken. Ieder mens heeft volkomen vrijheid om zijn eigenbelang op zijn eigen manier te behartigen, hij mag concurreren met anderen als hij de wetten maar niet overtreedt. De overheid hoeft dan niet ondankbare taak te vervullen in het bedrijfsleven leiding te geven. Dit zou leiden tot talloze teleurstellingen en gaat boven haar krachten. Als een systeem van de natuurlijke vrijheid werkt, hoeft het hoofd van de staat slechts drie plichten te vervullen. Die plichten zijn wel belangrijk, maar eenvoudig en overzichtelijk.
- Hij moet de maatschappij beschermen tegen aanvallen van buiten.
- Hij moet ieder lid van de maatschappij zoveel mogelijk beschermen tegen wetsovertredingen van de andere leden door eerlijke rechtspraak.
- Hij moet in het algemeen belang werken laten uitvoeren die particulieren niet ondernemen omdat de uitgaven groter zijn dan de inkomsten.
Op een dag las Jean-Jacques Rousseau in een tijdschrift een prijsvraag: “Heeft de vooruitgang van kunsten en wetenschappen er toe bijgedragen de moraal te zuiveren?”
Onmiddellijk kreeg Rousseau allerhande ideeën, voor hem stond het vast dat ‘de mens van nature goed is, en dat al het kwaad een gevolg is van de civilisatie’. Het enorme opzien, dat het antwoord van Rousseau baarde, zijn eerste ‘Discours’, zag hij als bewijs dat hij nu op het goede pad was.
Hij veranderde resoluut zijn levensstijl, in plaats van luxe hulde hij zichzelf in vereenvoudigde kleding, hij dreef zijn oproerigheid zo ver dat hij revolutionaire ideeën ging verkondigen. Maar ten tijde van zijn eerste succes kreeg hij last van blaasontsteking. Hij had niet lang meer te leven, en daarom wilde hij al zijn ideeën spuien in de tijd die hij nog had.
Volgens Rousseau ligt de kiem van het kwaad in het begrip ‘eigendom’. In zijn tweede ‘discours’ vertelde hij wat de oorzaak was van de wijze waarop ongelijkheid tussen de mensen was ontstaan. ‘De eerste man, die een stukje land omheinde, kwam op het idee te zeggen: dit is van mij. Hij bemerkte dat de mensen dom genoeg waren dat te slikken en zo werd hij de eigenlijke grondlegger van de burgerlijke maatschappij.’ Die man was de oorsprong van oorlogen, misdaden en ellende. Zolang de mensen in hutten woonden, gekleed gingen in dierenhuiden en voor hun eigen onderhoud zorgden, waren ze vrij, gelukkig en gezond. Zogenaamde ‘Natuurmensen’.
Daniël Defoe, de schrijver van het erg bekende “Robinson Crusoë” wees in dat boek op de gelijkheid van de mensen volgens de menselijke natuur. Robinson heeft zijn ‘onbeschaafde’ knecht Vrijdag een tijdje bekeken en zegt dan over hem dat God hen dezelfde Rede heeft gegeven als aan ons, dezelfde gevoelens van vriendelijkheid en plicht. Ook zij zijn kwaad over onrecht en dankbaar voor goedheid. Zij zijn oprecht, trouw en hebben dezelfde mogelijkheid om goed te doen en goed te ontvangen. En ze zijn bereid om er het juiste gebruik van te maken.
Maar deze ideale toestand werd te niet gedaan, toen de landbouw en de bosbouw werden ingevoerd, die behoefte schiepen aan arbeidskracht. Zodra het koren en het ijzer hun intree deden in de ontwikkeling van de mensheid was er een einde gekomen aan de gelijkheid, die heerste in de natuurlijke toestand – er ontstonden verschillen tussen arm en rijk, tussen meester en slaaf. En met de grondvesting der samenleving ontstonden veroveringsoorlogen; zelfs de beschaafdste mensen zien het nu als hun plicht hun naaste te doden, aldus Rousseau.
‘Om gehoor te winnen, moet men zich optreden bij zijn principes aanpassen.’ De jonge Rousseau met zijn lange baard, rustieke kleding en eenvoudige manieren baarde opzien, verblufte en boeide. In het buitenland leek zijn programma lange tijd een soort zelfinkeer van de Verlichting. Maar in Frankrijk zag men spoedig in wat voor consequenties zijn leer had. De filosofen kwamen tegen hem in het geweer, verwierpen zijn stellingen en spaarden hem hun spot niet. Omdat Rousseau een nogal kwetsbaar zenuwgestel had waren ironie en spot zijn grootste vijanden. Vooral Voltaire kon het niet nalaten Rousseau op vele punten aan te vallen.
Sinds lang had Rousseau gewerkt aan een analyse van de voorwaarden voor een ideale samenleving. Toen hij in 1762 zijn werk ‘Contrat social’ publiceerde trok het in de eerste plaats weinig belangstelling. Maar het had een domino-effect, dat de gemoederen liet ontvlammen. Rousseau had zich verdiept in de natuurrechtelijke beschouwingen. Hij had nagedacht over Grotius, Pufendorf, Spinoza en vooral over Locke en Montesquieu.
De theorie van Montesquieu, dat het milieu het volkskarakter schept en daardoor ook de maatschappelijke vormen vastlegt, vond Rousseau maar niets. Zijn natuurmens was overal hetzelfde, of dat nu onder de zon was bij de evenaar, of in het hoge noorden. De vrije wil van de mens heeft de samenleving tot stand gebracht en de wetten geven uitdrukking aan deze vrijheid. In de ideale samenleving, die Rousseau construeert, moet de wil van het volk bij iedere gelegenheid tot uitdrukking komen door stemming. Deze ‘algemene wil’ heeft een absolutie geldigheid, want de wil van het volk moet goed en zuiver zijn. Wie het maatschappelijke contact schendt is een vijand van de staat en moet ter dood veroordeeld worden – of hij nu regent is of gewoon burger. Om deze algemene wil tot uitdrukking te laten komen moest de staat niet te groot zijn. Slechts in een kleine samenleving kan het hele volk bijeenkomen op het ‘forum’.
Hoewel Rousseau zelf een vredelievende man was, hebben de latere revolutieleiders vaak zijn woorden aangehaald in hun redevoeringen, waarmee ze de volksmassa’s aanvuurden tot razernij en daden van terreur. Gevaarlijk in Rousseau’s prediking was zijn eis van absolutie burgertrouw en absolutie sociale discipline. Dit was een leer die in haar uiterste consequentie onverdraagzaam was, die een bloedige tirannie kon oproepen. Niet zonder reden is het ‘‘Contrat social’ de Koran van de revolutie’ genoemd.
Na veel over de opvoeding geschreven te hebben (hier kom ik later nog op terug), uit Frankrijk gejaagd te zijn, en later teruggekeerd te zijn naar Parijs schreef Rousseau zijn ‘confessions’ (bekentenissen). Hij stierf aan een beroerte, en het boek is pas na zijn dood uitgekomen.
Het boek ‘Bekentenissen’ gaf over het algemeen de indruk van een tedere en sentimentele natuur, die een diep medelijden met de mensen koestert, in het bijzonder met zichzelf, maar die niet nalaat zijn eigen oprechtheid te bewonderen, wanneer hij een dwaling of een daad ‘van een duivelse schaamteloosheid’ heeft bekend. De niet bepaald bescheiden samenvatting van deze zelfbespiegeling luidt als volgt: ‘Ik geloof niet, dat er in de hele wereld één mens is, die minder kwaad heeft gedaan dan ik.’
Onderzoek wees uit dat Rousseau’s ‘Confessions’ wemelde van verkeerde of door de fantasie beheerste inlichtingen over de levensloop van Rousseau. Het is het werk van een dwaas, maar tevens dat van een genie. ‘Confessions’ is het modernste en in literair en psychologisch opzicht het merkwaardigste werk van Rousseau.
Bronnen:
“Wereld in Wording” – Blz 114-118
“De verlichte Eeuw” - Blz 53 – 60
“Wereld Geschiedenis” – Blz 277 - 281
Wat dachten de Verlichten over het staatsbestuur?
“De mens wordt vrij geboren, en overal ligt hij in ketenen.”
De Verlichters in 18e eeuw hadden erg kritiek op de ongelijkheid in de wereld, mensen hadden toen niets te zeggen en de vorsten bepaalden alles. Rousseau vond dat de mensen het zo moesten regelen dat men tot een behoort, maar toch alleen zichzelf gehoorzaamt, dat men vrij blijft. Frederik de Grote vond dat koningen en vorsten zich moesten gedragen als onderdanen en niet de baas spelen. Iedereen moest gelijk behandeld worden en de macht moet eerlijk verdeeld worden. Diderot was vooral tegen slavernij, hij zei dat mensen geen hadelswaar zijn en dus ook niet gekocht of verkocht kunnen worden.
Niet langer moesten de burgers accepteren dat zij onderdanen waren. Vroeger hadden zij een leider aangesteld om de volksbelangen te behartigen. Het volk was en bleef de opdrachtgever, bij die de hoogste macht bleef berusten (oftewel, volkssoevereiniteit). Een vorst die in zijn taak tekort schiet zou door het volk afgezet moeten kunnen worden. Dit was niet het geval, het Volk kon de spreekwoordelijke boom in als zij het niet eens waren met de absolute vorsten. Deze nieuwe ideeën werden revolutionair genoemd omdat ze een een grote ommekeer zouden betekenen in de bestaande opvattingen over het ontstaan van het staatsgezag. Ook werden ze liberaal genoemd omdat ze vrijheid opeisten voor het volk. (liberté is natuurlijk vrijheid)
Montesquieu vergeleek de verschillende regeringsstelsels, hij schreef onder andere het volgende over het Engelse:
”Omdat in een vrije staat ieder verstandig mens zichzelf zou moeten regeren, volgt hieruit dat het hele volk de wetgevende macht moet hebben. Maar dat kan natuurlijk niet. Daarom moeten de vertegenwoordigers doen wat het volk zelf niet doen kan. Alle burgers moeten in de kiesdistricten het recht hebben te stemmen op een vertegenwoordiger; behalve degenen die zo weinig ontwikkeld zijn dat men niet kan aannemen dat zij zich daarover een mening gevormd hebben.”
“In iedere staat zijn er mensen die door afkomst, rijkdom en positie boven de anderen uitsteken. Maar als die op één lijn met het gewone volk gesteld zouden worden, en maar één stem zouden uitbrengen, dan zou de vrijheid van alleen voor hen onderdrukking betekenen. Zij zouden geen vinger meer uitsteken om zo’n vrijheid te verdedigen, omdat de meeste besluiten tegen hen gekeerd zouden zijn. Zij moeten dus een genootschap vormen dat het rechte heeft de voorstellen van het volk af te remmen, zoals het volk het recht heeft hun eigen voorstellen af te remmen.”
“Van Montesquieu is de gedachte afkomstig van de ‘trias politica’, de verdeling van de staatsmacht in de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Deze verdeling zien we bijvoorbeeld terug in de Verenigde Staten.
Montesquieu zei verder dat de regeringsvorm mede wordt bepaald door de geografische omstandigheden. Het klimaat beïnvloedt diepgaand het menselijk gedrag en daarom ook de opbouw van de maatschappij.
Hij had de opera bezocht in zowel Engeland als Italië, hetzelfde stuk in beide landen, maar er was een wereld van verschil. Het regenachtige Engeland maakte het stuk koel, terwijl de Italianen levendig en opgewonden waren. Ook zei hij dat het weer in Engeland aan zette tot zelfmoord (hij had het weer in Nederland zeker nog nooit ervaren), en dat het zonnige klimaat van het Middellandse-Zee gebied de mensen sensueel maakt. Het strenge noordelijke klimaat, zoals in Rusland, maakt de mensen ongevoelig voor pijn. Hij liep hiermee nogal voor op de moderne sociologie. (hoewel dit niet zo relevant lijkt, wou ik het toch even melden, mede met oog op mijn vervolg studie van Maatschappelijk Werk en Dienstverlening)
Uiteindelijk zou het regeringsbeeld van de ‘trias politica’ dus het regeringsstelsel worden wat het beste zou werken. Helaas bleek dat in Engeland nog niet zo goed te werken, om te kunnen regeren was de koning financieel afhankelijk van het Parlement. Alleen het Parlement had namelijk het recht om belastingen te heffen. Maar het begon wel te veranderen omdat het “House of Commons” zijn invloed uitbreidde, en het onderwerpen aan parlementaire goedkeuring.
In het begin van de jaren ’60 (18e eeuw) werd het ene land na het andere door politieke onrust getroffen. In kleine staten zoals Genève en in grote zoals Engeland werd de bestaande orde door radicale politici en radicale bewegingen betwist. Hun eisen waren in wezen overal hetzelfde: het recht om aan de politiek deel te nemen, het stemrecht, het recht op vrije meningsuiting. En ook al werden in de autoritaire staten van centraal en oost Europa, zoals Pruisen, Rusland en het Habsburgse Oostenrijk dergelijke geluiden niet gehoord, toch voltrokken zich hier ook veranderingen. Nieuwe ideeën werden door de censuur gesmoord, maar vaak werden zij op uiterst behoedzame wijze van bovenaf ingevoerd.
In Pruisen werden onder Frederik de Grote de straffen voor bepaalde misdaden verzacht. Althans dat dacht Frederik. Kindermoord werd nu gestraft met onthoofding in plaats van verdrinking in een leren zak. De filosofen werden uitgenodigd aan zijn hof en hij verkondigde religieuze verdraagzaamheid. In Rusland stelde keizerin Katharina, die zichzelf ook als verlicht beschouwde, een commissie in om de Russische wetgeving te bestuderen en te moderniseren. De commissie hield ontelbare vruchteloze besprekingen, waarbij zij zich aan de instructies van Katharina moest houden, die zij op haar beurt had ontleend aan ‘L’esprit des Lois’ (De geest der wetten) van Montesquieu. Het was mede de schuld van Katharina dat de commissie geen succes had, want zij weigerde zich aan de vrijere ideeën te onderwerpen.
Ondertussen werd in Oostenrijk het staatsbestel door Maria Theresia gemoderniseerd, Zij verbeterde het lot van de boeren door de slavernij gedeeltelijk af te schaffen. Haar motieven waren echter niet altijd zuiver: zij wilde haar macht consolideren. Zij werd opgevolgd door haar zoon Jozef, die een reeks van verreikende verlichte ideeën in de praktijk bracht. Hij maakte een einde aan de lijfeigenschap en hij schafte enkele straffen tegen de protestanten en de joden in het rooms-katholieke Oostenrijk af. De censuur werd minder streng.
Maar Europa besefte niet dat het op een omwenteling aanstuurde. Men meende juist dat de nieuwe hervormingen de oorzaken van een revolutie geheel hadden weggenomen. Totdat in 1775 de Amerikaanse revolutie uitbrak. De Amerikanen hadden zich nu van het juk van een reusachtige buitenlandse macht bevrijdt, de kolonisten hadden het bewijs geleverd dat de verlichte ideeën hun sporen nalieten.
Het was vooral opmerkelijk dat de verlichte ideeën in Amerika wel overwonnen, maar in Europa leken te stranden. Er waren dan wel enkele veranderingen maar de politieke en wettelijke hervormingen van de Verlichters was weinig van terecht gekomen. Er waren weinig werkelijke bewerkstellingen.
Op 4 juli 1789 bestormde een woedende Parijse menigte de Bastille, de Franse revolutie. De Kroon verloor haar greep op het volk en vanaf dat moment moest men met het Franse volk als politieke factor rekening houden. In augustus van dat jaar werden de meeste Franse aristocratische traditionele feodale voorrechten opgeheven. In een krachtige ‘Verklaring van de Rechten van de mens en de Burger’ gaven zij hun verlangens te kennen en lieten geen twijfel bestaan aan hun bedoelingen.
In de Verklaring zijn de meeste eisen van de Verlichting belichaamd: de natuurlijke rechten van de mens, -vrijheid, eigendom, veiligheid en het recht op verzet tegen onderdrukking -, waren heilig en onvervreemdbaar. De mens kreeg verder het recht om zijn mening vrij te uiten. Willekeur bij arrestatie werd verboden en de rechten van de beschuldigde werden beschermd. Frankrijk was niet het particuliere eigendom van de koning, maar een soevereine staat, die aan het gehele volk toebehoorde.
Evenals de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, die 13 jaar eerder werd afgekondigd, zijn in de Verklaring de idealen van de Verlichting en de politieke praktijk verenigd.
Bronnen:
“Wereld in Wording” – Blz 114-118
“De verlichte Eeuw” – Blz. 165-167
Wat dachten de Verlichten over de opvoeding?
Omstreeks de 18e eeuw konden alleen rijke kinderen naar school, omdat zij alleen belangrijk waren en onderwijs erg duur was. Aan kinderen werd ook weinig aandacht besteed ouders bemoeide zich weinig met de opvoeding van hun kind. Dat vonden de Verlichters niet zo goed en kwamen op voor de kinderen. Zij vonden dat ook armere mensen recht hadden op onderwijs. Iedereen moest dezelfde kansen krijgen.
Men vond dat de kinderen spelenderwijs het verstand moesten ontwikkelen, en normen en waarden moesten aanleren. Zij zouden zelf inzien hoe ze ‘deugdzaam’ moesten zijn.
De lessenaar was een spreekwoordelijke rots in de branding voor de leraar, daaromheen was er veel rumoer en beweeglijkheid. Leerlingen van alle leeftijden zaten bij elkaar zonder onderscheid in klassen. De meester nam ze iedere om de beurt bij zich om te overhoren en te straffen. Behalve dat hij de kinderen leerde lezen, schrijven en rekenen, moest hij ervoor zorgen dat de jeugd ‘van jongs aan in de vreese Gods en de beginselen van de ware Christelijcke Religie werde opgevoet’
Het enige toezicht wat er was waren de kerkraden die er in hoofdzaak op letten of de godsdienstkennis op peil was, het overige was voor hen niet zo van belang, zolang de bevolking maar trouw bleef aan de kerk, en God vreesde en liefhad.
De leraren hadden overigens wel een ‘akte van toelating’ nodig. Hieruit bleek dat zij alle gedrukte boeken en geschreven brieven vlot kon lezen, met een goede hand kon schrijven, de psalmen kon zingen en behoorlijk kon rekenen. De vele werkzaamheden die een schoolmeester had blijkt uit het gedicht op de volgende bladzijde. Ondanks al deze vereisten, en het veelzijdige beroep dat leraar was, werden leraren maar bijzonder slecht betaald.
Gedicht over de taken van de schoolmeester:
Ten eerstal zal hy luyen, de Kerck sluyten en ontsluyten,
’t Kerckhof en Kerck reyn houden binnen en buyten,
De Psalmen sal hy voor en nae de Predicatie singen,
’t Water tot den Doop sal hy aenbringen,
Die Prophecyen sal hy stichtelycken lesen,
De Predicanten en Kercken-raedt gehoorsaem wezen,
Hy sal tot den Nachtmael aenschaffen Broodt en Wijn,
Mits tafelen, bancken, croesen, ’t geen dat noodigh mocht zijn,
En wanneer de Predicanten ter Kercken falen,
Soo sal hy uitgaen om die te halen.
Der armen Borse sal hy wel bewaren,
Brengense voort als men aelmissen sal vergaren,
Schryven ’t gene dat de Diaconen willen hebben geteekent,
Secretelyck houden, watterighedaen wort en gerekent.
’t Uurwerck sal hy tellen ende opwinden,
Bancken uyt den wegh brengen, de Ledders opbinden,
’t GHeboeft sal hy ter Kercken uyt jaghen,
Oock bestellen dat de Honden worden geslaghen,
’t Boeck bewaren, daer men de doopelingen in schrijven,
Vermanen ’t volc dat sy over de Kerck niet lopen rijven,
Die Duyven end’oock die schadelycke Kat-Uylen
Sal hy vangen omdat sy de kerck maken vuylen.
Maar in dit alles kwam verandering in. De kritische geesten begonnen vraagtekens te zetten achter de wijze waarop vooral het lager onderwijs was geregeld.
Geïnspireerd door de Verlichting stelden ze dat het verstand - de rede of ratio - het belangrijkste bezit van de mens is en hem onderscheidt van de rest van de natuur.
De rede is een bron van kennis; wie haar op de juiste wijze gebruikt kan goed en kwaad van elkaar onderscheiden en bijgevolg zelf beslissen wat hij moet doen of laten en wat van hem wordt verwacht.
Daar was, anders gezegd, geen pastoor, dominee of Bijbel voor nodig. Helaas was bij velen het verstand verduisterd en onderontwikkeld waardoor zij, in plaats van na te denken, klakkeloos opvolgen wat anderen hen vertelden.
Goed onderwijs kon daar echter verandering in brengen. Het zou het verstand activeren en van domme, volgzame en bijgelovige mensen ontwikkelde, zelfstandige en rationeel denkende burgers maken.
Een aantal verlichte filosofen zette zijn gedachten over een nieuw onderwijssysteem op papier. Onder hen de Engelsman John Locke en de Fransen Voltaire en Jean-Jacques Rousseau.
Hun geschriften werden al snel in het Nederlands vertaald en stimuleerden velen het bestaande onderwijssysteem grondig te hervormen.
Rousseau over de opvoeding
“Alles is goed zoals het uit de handen van de Schepper komt, maar alles wordt bedorven in de handen der mensen’. Daarom moet men bij iedere opvoeding deze verderfelijke invloed van de omgeving zien te beperken. Dan pas kan de natuur het hare doen om een gaaf en waarachtig mens tot ontwikkeling te laten komen. ‘De opvoeding begint bij de geboorte van de mens. Al voordat hij kan spreken of verstaan heeft de ervaring hem al heel wat geleerd.’
Wanneer een kind ondervindt dat het door schreeuwen niets bereikt, houdt het er wel mee op. ‘De eerste tranen van een kind zijn smeekbeden: als men niet oppast, worden het weldra bevelen, en dan worden de kinderen lastig en tiranniek.’
Bij de opvoeding moet de leraar niet proberen tijd te winnen, maar tijd te verliezen. Zodra Rousseau zegt: “Laat de jeugd in het kind tot algehele rijping komen! De vrijheid van de jeugd is niet nutteloos. Die krijgt men met rente terug.” begrijpt men beter wat er wordt bedoelt.
Rousseau was niet de eerste met de gedachte dat het kind zichzelf op moest voeden, Montaigne en Locke hadden die al eerder uitgesproken, maar niemand met zoveel overtuiging als Rousseau, en niemand had zoals hij gestreden voor de natuurlijke rechten van het kind. Het verschil tussen de opvoedingsprincipes van Locke en Rousseau was het grote belang, dat Locke hechtte aan het opwekken van de eerzucht van de leerling. Rousseau verwerpt dit opvoedingsmiddel volkomen. Ook het uitdelen van straf en beloningen keurt hij af. Wanneer Locke de opvoeder aanraadt een beroep te doen op het verstand van de jongen, beschouwt Rousseau dit als een omgekeerde volgorde. ‘Op die wijze begint men de opvoeding bij het einde!’
Bronnen:
“Wereld in Wording” – Blz 114-118
“Wereld geschiedenis” – Blz 283
Wat dachten de Verlichten over de godsdienst?
In het in deze tijd zeer katholieke Europa waren er veel felle reacties op het Verslichte denken en de Verlichtingsfilosofen. Er werd door de filosofen onder andere getwijfeld aan de samenstelling van het heelal, de traditionele onderstellingen omtrent het gezag van de koning, en zelfs aan het bestaan van god. Dit was een zware belediging voor vele katholieken en tegelijkertijd een gevaar voor de machthebbers die steunden op de katholieke kerk. Toch hadden de Verlichtingsfilosofen veel aanhangers onder de bevolking die grotendeels werden onderdrukt in hun handelingen en gedachten door de kerk en het geloof. Uitspraken van de Duitse filosoof Immanuel Kant als "durf je eigen verstand te gebruiken" en "heb moed op je eigen intelligentie te vertrouwen" waren typerende uitspraken om de gedachten van het volk los te koppelen van het geloof .
In de 18e eeuw had godsdienst ook invloed op verscheidene dingen, zoals op de rechtspraak. Mensen werden beschuldigd omdat zij een ander geloof hadden of omdat ze een andere kijk op een geloof hadden. In die tijd hadden mensen alleen begrip voor hun eigen geloof, waardoor sommige mensen eraan gingen twijfelen of er eigenlijk wel een God bestond. De mensen reisden over de gehele aarde en ontdekten volkeren van een andere, vaak zeer hoge beschaving. Het christendom had er altijd aanspraak op gemaakt het enige ware geloof te verkondingen. Dit werd nu steeds meer in twijfel getrokken. Waarom zou er ook niet ets waars schuilen in de andere godsdiensten?
Gevangen in de nieuwe geest van het rationalisme begonnen priesters en predikanten hun eigen kerk en die van hun rivalen met een kritische objectiviteit en vaak met een bitter scepticisme te beschouwen. Men bestreed elkaar en men toonde de onjuistheid aan van elkaars godsdienstige praktijken.
De gelovige christenen, die deze moordende strijd gadesloegen, werden steeds meer door twijfel bevangen. Hun geloofszekerheid werd ondermijnd en zij boden nog maar een zwak verzet tegen de krachten van het ongeloof.
De verlichting verzette zich sterk tegen al het bovennatuurlijke; alle godsdienst, zedeleer, staatkunde werd getoetst aan de eisen der rede, aan rationalistische opvattingen, aan verlichte denkbeelden.
De Vrijzinnigen vonden dat Rede en geloof niet met elkaar in tegenspraak waren. Integendeel: De rede bracht de mens tot het geloof en het geloof bekrachtigde de rede. Ze waren aanhangers van een meer verstandelijke benadering van het heilge Schrift. Hij veroordeelde openlijk de zogenaamde religieuze geestdrift, waarmee hij doelde op de emotionele vervoering, die werd opgewest door rondreizende geloofsopwekkers. Ze legden vooral de nadruk op de ethische doelstellingen van de godsdienst: de mens moest van gedrag veranderen. Hij moest edelmoeidg, humaan en verdraagzaam zijn en zich hiervan niet door kwezelarij en fanatisme laten afbrengen. De Vrijzinnigen vonden zichzelf goede christenen, maar het geloof kwam op de tweede plaats. In de eerste plaats moesten de mensen van goede wille waren, en hun goede bedoelingen in de praktijk brachten.
Graag wouden de Rationalisten dat de gelovigen net zo ‘vrij’ waren als zijzelf waren. (of althans, zij zichzelf vonden).
Het enige wat de gelovigen nog maar hoefden te doen waren de grondwaarheden aannemen die bij alle godsdiensten gelijk zijn. Namelijk dat er een verheven Schepper is van het heelal, en de mensen moeten de deugden ontwikkelen die hij in hen gelegd heeft. Alles wat de godsdiensten apart hebben is volgens de Verlichting uitvinding van mensen, en dus niet belangrijk. Daarom moeten de gelovigen daarover geen ruzie maken, maar verdraagzaam zijn.
John Locke zette zijn vrijzinnige ideeën uiteen in zijn boek “Reasonableness of Christianity” (Redelijkheid van het christendom). Hierin drong hij aan op de grotere verdraagzaamheid jegens godsdienstige minderheden. Hij maande tot bescheidenheid tegenover de mysterieën van de natuur en betoogde dat de openbaring een verlengstuk van de rede was. Wonderen, zei hij, waren natuurlijke gebeurtenissen, die bovennatuurlijk leken omdat zij boven het menselijke bevattingsvermogen uitgingen. Hij twijfelde niet aan de juistheid van het christendom, maar hij was er voorstander van om de christelijke leer terug te brengen tot één leerstelling: ‘Jezus Christus is de Messias’.
Alles wat de Christenen verder nog als waarheid kregen voorgeschoteld was een fictie, een bedenksel van bijgelovige of op macht beluste priesters. Hier vanuit was het een kleine stap naar het Deisme. Volgens de dëisten lag het enige bewijs van God in zijn waarneembare daden. De ideeën van Locke vonden echter ook weerklank bij de orthodoxe christenen. Zijn verstandelijke godsdienstleer drong geleidelijk in de gehele Engelse Kerk door.
Het kritische deïsme beperkte zich tot het bestrijden en het ondermijnen van het gebruikelijke christendom. Het ontleende zijn wapens aan de eigentijdse kennis van de Bijbel en vond verder steun in de sceptische houding waarmee men sinds de Renaissance de bovennatuurlijke verschijnselen was gaan bezien. John Toland betoogde dat God de mens een geloof had meegegeven, dat hem waardig was, een verstandelijk geloof, omdat de mens verstandig was. Alle mysteries van het christendom zijn er later door priesters aan toegevoegd, die hoopten zo een grotere macht te krijgen.
Zijn volgelingen trokken dit verder door. Anthony Collins nodigde in zijn Discourse of the grounds and reasons of the Christian religion (Verhandeling over de grondslagen en de oorzaken van het christelijke geloof) de mensen uit de Bijbel eens te lezen zoals zij elk ander belangrijk boek lazen. In tegenstelling tot wat de theologen altijd hadden beweerd, meende Anthony Collins dat de voorspellingen uit het Oude Testament nooit waren uitgekomen. Volgens hem berustten de verklaringen van de theologen op woordverdraaiingen en allegorieën over geheimzinnige en duistere gebeurtenissen. Kortom, verklaringen waarmee je alle kanten op kon.
Thomas Woolstons lasterlijke Six discourses on het MIracles of our Savior (Zes verhandelingen over de wonderen van onze Heiland), dat tussen 1727 en 1729 verscheen sprak gelijke taal, maar hij was nog radikaler. Woolston noemde het centrale wonder van het christelijke geloof, (dat is dus de wederopstanding van Jezus), “Het meest beruchte en monsterachtige bedrog dat ooit de mensheid is voorgeschoteld”. Hij voegde er aan toe dat alle wonderen door de Duivel waren ingegeven en daarom nauwelijks als het bewijs van de goddelijkheid van de Wonderdoener konden gelden.
Alleen met de volle inzet van zijn verstandelijke vermogens kon, volgens de deïsten, de mens achter de Goddelijke Waarheid komen. Dit betekende niet dat het verstand alles zou kunnen doorgronden: mysteries zouden er voor de mens altijd blijven bestaan. Maar alle andere methoden om achter de Goddelijke Waarheid te komen, zoals de goddelijke ingeving, het kerkelijk gezag of de leerstellingen van de Bijbel en de Kerkvaders, dreven de mens juist van die Waarheid af. Ondanks de vele verschillen waren alle deïsten het op dit punt met elkaar eens: Alleen de rede verschaft ons inzicht in Zijn Werk.
Het is daarom wel begrijpelijk dat het deïsme zoveel aanhangers vond, maar toch gaf het genoeg voer voor radicale opvattingen. Filosofisch gezien was het deïsme een wankel mengsel van geloof en ongeloof. Het ontkende dat er in het universum bovennatuurlijke krachten werkten, maar het geloofde wel in het bovennatuurlijke bestaan van God, terwijl beide opvattingen op de rede waren gebaseerd.
Langzamerhand begonnen sommigen wijsgeren zich af te vragen of God überhaupt wel bestond. Zij konden het zelfs zonder de God der deïsten stellen. De intellectuelen gooiden aan het einde van de achttiende eeuw het christendom helemaal overboor en stelden een verbeterde menselijke maatschappij op aarde in de plaats van het Koninkrijk der Hemelen.
Bronnen:
“Wereld in Wording” – Blz 114-118
“De verlichte Eeuw” – Blz. 32-35
Conclusies
Uit de deelvragen is gebleken dat er vele veranderingen zijn gekomen dankzij de Verlichting.
Een klein handjevol zou zijn:
- Meer begrip voor elkaars Godsdiensten
- Leerplicht. (dat als een recht kan worden gezien, omdat het eerst niet toegankelijk was voor kinderen van ‘lagere stand’)
- Stemrecht
- Vrijheid van meningsuiting.
- De maatschappij opener, vrijer en pluralistisch werd. Voortaan kon men zich zonder levensgevaar buiten het nauwe pad van de kerkelijke of burgerlijke orthodoxie wagen.
- De Encyclopedie zoals we hem nu kennen.
Geraadpleegde Literatuur
Grimberg, Carl Encyclopedie van de wereldgeschiedenis: deel 4: 17e en 1e helft 18e eeuw; Sesam/Uitgeverij Bosch & Keuning
Novem Wereld in Wording, 2 havo-vwo (schoolboek)
Peter Gay De Verlichte Eeuw, Het Parool-Amsterdam,
Sesam Wereld Geschiedenis (zesde deel, verlicht Europa tussen oost en west) Bosh & Keuningen N.V. Baarn
Gaarder, Jostein De wereld van Sofie, Houtekiet/Fontein
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.