Geschreven door: | Sara (3 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 10 mei 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 500 |
Bekeken: | 299019 keer (2081 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Overzicht Duitse Grammatica.1. De naamvallen.Het bepaald lidwoord.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.
1. Der Lehrer. Die Antwort. Das Buch. Die Jahre.
2. Des Lehres. Der Antwort. Des Buches. Der Jahre.
3. Dem Lehrer. Der Antwort. Dem Buch. Den Jahren.
4. Den Lehrer. Die Antwort. Das Buch. Die Jahre.
Tot de der-Gruppe behoren de volgende woorden: dies- (deze), jen- (gene) jed- (iedere), manch- (sommige), solch- (zulke), welch- (welke), all- (alle).
Het onbepaald lidwoord.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.
1. Ein Brief.Eine Karte.Ein Haus.Keine Freunde.
2. Eines Briefes. Einer Karte. Eines Hauses. Keiner Freunde.
3. Einem Brief. Einer Karte. Einem Haus. Keinen Freunden.
4. Einen Brief. Eine Karte. Ein Haus. Keine Jahre.
Tot de ein-Gruppe behoren de volgende woorden: kein- (geen), mein- (mijn) dein- (jouw), sein- (zijn), ihr- (haar/hun), unser- (onze), euer- (jullie), Ihr- (uw).
Gebruik van de naamvallen.
1e naamval: onderwerp, naamwoordelijk deel van het naamwoordelijk gezegde.
2e naamval: van de, van het, van een, van mijn, van ons, enz.
3e naamval: meewerkend voorwerp(in het NL er ‘aan’ of ‘voor’ voorzetten), voorzetsels: mit enz.
4e naamval: lijdend voorwerp, voorzetsels: durch enz. Tijdsbepaling zonder voorzetsel.
Voorzetsels waarna de 3e naamval komt.
Mit- met.
Nach- naar, na.
Bei- bij.
Seit- sinds.
Von- van.
Zu- naar.
Aus- uit.
Außer- behalve.
Entgegen- tegen.
Gegenüber- tegenover.
Nach: bij aardrijkskundige namen als het er 'naar toe' betekent.
Zu: naar personen, gebouwen, enz.
Voorzetsels waarna de 4e naamval komt.
Durch- door.
Für- voor.
Ohne- zonder.
Um- om
Bis- tot.
Gegen- tegen.
Entlang- langs.
Voorzetsels waarna de 3e of 4e naamval komt.
An- aan.
Auf- op.
Hinter- achter.
Neben- naast.
In- in.
Über- over/boven.
Unter- onder.
Vor- voor (plaats/tijd)
Zwischen- tussen.
Deze voorzetsels krijgen de 3e naamval als je kunt vragen: wo? (waar) of wann? (wanneer).
Deze voorzetsels krijgen de 4e naamval als je kunt vragen: wohin? (waarheen).
Wanneer je bovenstaande vragen niet kunt stellen dan hebben:
- auf en über en erinnern an, glauben an, denken an de 4e naamval.
- De rest heeft dan 3e naamval.
Het persoonlijk voornaamwoord.
Opmerking: het heeft geen 2e naamval.
1. ich. du er sie es wir ihr sie Sie.
2. x x x x x x x x x
3. mir dir ihm ihr ihm uns euch ihnen Ihnen.
4. mich dich ihn sie es uns euch sie Sie.
Het bijvoegelijk naamwoord.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.
1. Der junge Mann. Die junge Frau. Das kleine Kind. Die jungen Männer.
2. Des jungen Mannes. Der jungen Frau. Des kleinen Kindes. Der jungen Männer.
3. Dem jungen Mann. Der jungen Frau. Dem kleinen Kind. Den jungen Männern.
4. Den jungen Mann. Die junge Frau. Das kleine Kind. Die jungen Männer.
Alle woorden uit de der-Gruppe krijgen bovenstaande uitgangen.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig. Meervoud.
1. Ein junger Mann. Eine junge Frau. Ein kleines Kind. Keine jungen Männer.
2. Eines jungen Mannes. Einer jungen Frau. Eines kleinen Kindes. Keiner jungen Männer.
3. Einem jungen Mann. Einer jungen Frau. Einem kleinen Kind. Keinen jungen Männern.
4. Einen jungen Mann. Eine junge Frau. Ein kleines Kind. Keine jungen Männer.
Alle woorden uit de ein-Gruppe krijgen bovenstaande uitgangen.
Ontleden.
Stap 1. Kijk of er een voorzetsel in de zin staat.
Stap 2. Zo niet, dan zin ontleden:
Pv --> gez.
Ond.
L.v.w.
Mee.v.w.
Stap 3. Bepaal geslacht.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.