Geschreven door: | arnhemmannetje (4 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 1 december 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 850 |
Bekeken: | 15452 keer (41 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Proza = regellengte afhankelijk van de lengte van de papierbreedte
Poλzie = regellengte afhankelijk van de keuze van de schrijver.
Fictionele teksten = verzonnen teksten ( onwaar )
Zakelijke teksten = waargebeurde teksten ( waar )
Epiek = verhalende literatuur ( tekst met verhaal )
Lyriek = tekst waar gevoelens worden uitgedrukt, niet hij vond het mooi
Dramatiek = toneeltekst, alleen de spreekzinnen: kijkt heel verbaasd
Didactiek = zakelijke tekst met boodschap
Episch-didactisch = 2 dingen naast elkaar: verhaal & idee erachter.
Sprookje = kort verhaal dat gebouwd is op de tegenstellingen: goed & kwaad, arm/rijk & groot & klein, begint vaak met: er was eens
.
Sage = meestal langer verhaal over belangrijke personen en indrukkwekkende gebeurtenissen.
Mythe = verhaal over bovennatuurlijke gebeurtenissen en persone n(goden)
Legende = kort christelijk verhaal van god tot mens, bijv.: de wandelende jood
Ballade = gedicht dat gezongen kan worden met eenvoudig verhaal.
Epos/heldendicht = lang dichtwerk met grote avonturen van een held.
Fabel = kort verhaal (proza/poλzie) waarin een levensles (moraal) wordt gegeven.
Biografie = levensbeschrijving van iemand anders
Autobiografie = levensbeschrijving van jezelf
Recensie = beschouwing/bespreking van een werk (boek, tekst, etc.) in een krant of tijdschrift.
Essay = persoonlijke bespreking over een letterkundig onderwerp.
Memoires = verhaal over herinneringen over iets of iemand
Leerdicht = lange middeleeuwse dichtelijke didactische teksten.
Satire = verhaal waarin bestaande zaken op humoristische wijze worden bespot en aangevallen.
Elegie/klaagzang = een gedicht waarin gevoelens van verdriet en wanhaap worden verbeeld.
Ode/lofdicht = een gedicht waarin gevoelens van bewondering voor iets of iemand worden uitgedrukt.
Tragedie/treurspel = ernstig toneelstuk
Komedie/blijspel = vrolijk toneelstuk
Klucht = kort toneelstuk met weinig verfijnde humor.
Tragikomedie = toneelstuk dat afwisselend ernstig en vrolijk is.
Melodrama = romantisch-sentimenteel toneelstuk vool sensationele theathereffecten.
Enscenering/ Mise-en-scene = het bepalen van het decor, belichting,etc.
Ab ovo = normaal chronologische volgorde (vanaf begin)
In medias res = in het midden van het verhaal beginnen
Post rem = in het einde beginnen en dan in een flash back.
Fabel = verhaal in zijn logische en chronologische samenhang.
Sujet = de manier waarop de fabel in de tekst wordt weergegeven.
Narratologie = in welke lengte wordt wat vertelt?
Opbouw v.e. boek = voorwerk, eigenlijke tekst, nawerk.
Titel = kop op voorkant
Ondertitel = niet altijd aanwezig, 2e kop
Motto = stukje tekst overgenomen uit een ander boek
Proloog = een inleidinkje
Epiloog = slotwoord
Handeling(plot, intrige) = de gebeurtenissen in het verhaal.
Thema = samenvatting van de handeling
Onderwerp = nog kortere samenvatting, bijv drugsverslaafden
Oorlogsroman = verhaal over oorlog ( boekje )
Liefdesroman = verhaal over liefde ( boekje )
Misdaadroman = verhaal over misdaad ( boekje )
Spionageroman = verhaal over spionage ( boekje )
Hoofdhandeling = het verhaal op zich, bijv. de ontmaskering van de dief
Bijhandeling = in het verhaal komen ook liefdesscθnes voor.
Dubbelroman = roman met 2 themas ( hoofd/bijhandelingen )
Ingelast verhaal = als het 2e thema kort is.
Kader/raamvertelling=als de roman dient om verhalen bij elkaar te houden.
Gesloten einde = als je zonder vragen zit, bijv. als de dief ontmaskerd wordt.
Open einde = er blijven vragen hangen, bijv. de dief wordt niet ontmaskerd.
Motieven = een stuk ( of heel ) verhaal dat overgenomen is.
Interne motieven = als ze slechts in 1 boek vσσrkomen. ( herhalende stukken tekst )
Externe motieven = als ze ook buiten het verhaal optreden. ( meerdere verhalen )
Stof = als het hele verhaal steeds terugkomt
Toespeling/allusie = het niet helemaal gebruiken van stof/toespeling, maar ernaar toe verwijzen.
Hoofdfiguren =
Bijfiguren =
Achtergrondfiguren = figuren die in de realiteit ook vσσrkomen
Held= is hoofdpersoon als hij wordt bepaald door de gebeurtenissen.
Antiheld = als de hoofdpersoon wordt bepaald door omgeving.
Type = personage waarvan ofwel slechts 1 karaktertrek is gegeven.
Karakter = het innerlijk van de figuren.
Vlak karakter = personage waarvan we weinig weten. ( bijfiguur meestal )
Rond karakter = personage waarvan we alles weten ( ALLES )
Psychologische roman = verhaal waar personage zo diep mogelijk wordt beschreven
Sociale roman = beschrijving van maatschappelijk bepaalde groep personen
Ontwikkelingsroman = verhaal waarin de geestelijk rijping van een personage centraal staat.
Historische roman = voor 1900
Toekomstroman = na nu
Zedenroman = roman waarin de zeden en gewoonten van een bepaalde tijd primair staat.
Historische tijd = tijd voor 1900
Ruimte = hoe de plaats er uit ziet
Plaats = stad / provincie / land?
Streekroman/western = romans gebaseerd op ruimte en plaats
Tijdsduur = lengte van verhaal, jaar/ uur ??
Tijdsvolgorde = begin tot eind, eind & flashbacks ?
Perspectief/point of view = punt waar je de gebeurtenis vanuit ziet.
Auctoriaal perspectief = vanuit de ogen van de schrijver
Personaal perspectief = vanuit de ogen van de personage
Alwetende verteller = iemand die alles ziet en hoort.
Innerlijke monoloog/Stream of conciousness = directe weergave van een denkproces. ( bijv. maar toen schoot haar te binnen dat
)
Versnelling = sneller vertellen dan dat het is
Vertraging = langzamer vertellen dan dat het is
Flashback = terugblik
Vooruitwijzing = verwijzing naar de toekomst
Anachronie = flashback/forwards, iets wat niet bij de tijd past.
Interne en externe vooruitwijzing
Interne en externe flashbacks
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.