Geschreven door: | amoa (6 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 8 juni 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.750 |
Bekeken: | 9577 keer (38 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
George Berkeley
(Ier, bisschop)
Dacht dat de toenmalige filosofie en wetenschap een bedreiging vormden voor het christendom, dat God de natuur had geschapen en in stand hield. Hij wilde de basis van het christelijk geloof voor de mens redden. Wat is de mens?
Meest consequente empirist; alles in de wereld (het enige wat bestaat) is precies zoals wij het waarnemen. Wij nemen geen concrete dingen waar, we nemen geen stof of materie waar. Dat wat wij waarnemen een eigen substantie heeft, concreet is, kunnen we niet onderbouwen met een op ervaring gebaseerde ervaring.
Je neemt iets hards waar als je op de tafel slaat, de échte stof nam je niet waar; het kan net zo goed een droom zijn die je meemaakt.
Je kunt een mens via hypnose dingen laten voelen, zoals koude, terwijl hij dit niet echt meemaakt.
Berk.: als je op de tafel slaat, voel je niet de tafel, maar een wil of geest. Al onze ideeën hebben een oorzaak die buiten ons bewustzijn ligt, deze oorzaak is niet van stoffelijk, maar van geestelijke aard.
Berk.: je eigen ziel kan de oorzaak zijn van je eigen voorstellingen (in dromen), maar alleen een andere wil of geest kan de oorzaak zijn van de ideeën (h.b.o. Plato’s de die onze materiele vormen.
Alles wat er bestaat, wordt veroorzaakt door de geest die alles veroorzaakt en waardoor alle dingen bestaan. Deze geest is God. Alles wat we zien en voelen is een effect van de kracht van God.
God is intiem in ons bewustzijn aanwezig en roept daarin alle veelvouden van ideeën en gewaarwordingen op, waaraan wij voortdurend worden blootgesteld.
Berkeley trekt de stoffelijke werkelijkheid in twijfel en ook of tijd en ruimte een absoluut/ zelfstanding bestaan hebben. Misschien bestaat onze beleving van tijd en ruimte ook alleen maar in ons bewustzijn, misschien gaat bv. voor God de tijd veel sneller.
bv. voor Sofie is Hildes vader God. Hilde is een engel= degene tot wie de geest zich richt.
Wij kunnen de stof waaruit onze werkelijkheid is gemaakt niet waarnemen. Het enige dat we weten is dat we van geestelijke aard zijn.
David Hume
De belangrijkste empirische filosoof.
Geen enkele filosofie kan ons terugvoeren achter de dagelijkse ervaringen, of ons andere gedragsregels geven dan de regels die wij verkrijgen door na te denken over het dagelijkse leven.
Complex begrip is bv. engel; een mannelijke gedaante met vleugels. Je ziet namelijk mannen en ook vleugels. Deze twee ervaringen die in werkelijkheid niet bij elkaar horen, combineer je. Het is dus een valse voorstelling die weggegooid moet worden.
De mens kent 2 verschillende soorten voorstellingen; indrukken en ideeën.
1 Indrukken= de onmiddellijke gewaarwording van de stoffelijke wereld.
Bv, je brandt je aan een kachel.
2 Ideeën= de herinnering aan zo’n indruk.
Bv. je denkt aan het moment dat je je brandde.
De indruk is sterker en levendiger dan het idee; de indruk is het origineel en het idee is een kopie.
Indrukken en ideeën kunnen zowel enkelvoudig als samengesteld/ complex zijn.
Wij kunnen ideeën samenstellen die in de werkelijkheid enkelvoudig zijn, dit zijn valse ideeën. (zoals engelen, Pegasus). Het bewustzijn heeft verschillende enkelvoudige indrukken verkeerd samengesteld.
Methode van Hume: iedere voorstelling onderzoeken om te zien of die is samengesteld op een manier die we niet in de werkelijkheid tegenkomen. Als eerste zoek je uit uit welke enkelvoudige ideeën een samengesteld begrip bestaat, dan kijk je of deze ook in de werkelijkheid bestaan.
Bv. de ‘hemel’ is een complex begrip. Het bestaat uit enkelvoudige ideeën zoals poort, paart, vleugels.
Dit zijn bestaande enkelvoudige ideeën/ indrukken. De samenstelling hiervan in onwerkelijk.
Hume: al het materiaal waaruit wij droombeelden samenstellen, is ons bewustzijn ooit als enkelvoudige indruk binnengekomen.
God= oneindig intelligent, wijs en goed wezen. (samengesteld idee van God)/ strenge, rechtvaardig man.
Hume wil alle gedachten en voorstellingen aanpakken die niet tot overeenkomstige indrukken kunnen worden herleid. Hij wil dus weten of de samengestelde begrippen die we gebruiken, kloppen.
(bv, ik, persoonlijkheidskern. Is mijn voorstelling van ‘ik’ enkelvoudig of samengesteld? Complex. Heb ik een overeenkomstige complexe indruk van mijn eigen ‘ik’? Mijn humeur, opvattingen e.d. veranderen. Mijn voorstelling van ‘ik’ is dus niet onveranderlijk, het is in werkelijkheid een keten van enkelvoudige indrukken die ik niet op hetzelfde moment heb opgedaan. Het is een verzameling van verschillende gewaarwordingen die elkaar snel opvolgen en zich in een voortdurend veranderende stroom bevinden.)
Hume: het bewustzijn is een theater waarin de verschillende opvattingen om de beurt opkomen.
Hume: achter de opvattingen en gemoedsstemmingen die komen en gaan, hebben wij geen achterliggende persoonlijkheid. In wezen bestaat er geen verband tussen deze opvattingen en stemmingen. De werkelijkheid, de ‘ik’ is een som van deze opvattingen en stemmingen; som van deze momenten.
Overeenkomst Hume met Boeddha: de mens heeft geen onveranderlijke persoonskern. (B) ‘Van niets kan ik zeggen dat dit van mij is of dat ik dat ben, dus bestaat er geen Ik. Alles wat samengesteld is, is vergankelijk’. (H) God bestaat niet; je kunt zijn bestaan niet rationeel bewijzen. Het is gebaseerd op geloof.
Over.: de mens heeft geen onsterfelijke ziel.
Hume gelooft pas iets als hij het zelf meegemaakt heeft, hij is objectief. Hij keurt inductie af, want je kunt niet alles meegemaakt hebben.
Een volwassene is een slaaf van de gewenning, een kind niet. Het kind heeft de minste vooroordelen.
Wet van gewenning > wet van oorzaak en gevolg. H: er bestaan onveranderlijke natuurwetten, maar omdat wij deze niet kunnen ervaren, kunnen we te snel conclusies te trekken. (dit veroorzaakt bijgeloof, bv. zwarte kat)
Verzet tegen rationalistisch denken: ook al komt de donder na de flits, de flits is niet perse de oorzaak van de donder.
(Ration.>natuurrecht, bij Socrates, Locke)
Hume: wat we zeggen en doen, wordt niet door ons verstand bepaald, maar door onze passie en gevoel.
Bv. als je iemand helpt, zet je gevoel je hiertoe aan, niet je verstand.
Beschrijvende zin: jij houdt van het leven.
Voorschrijvende/ normatieve zin: daarom mag ik jou niet doodmaken.
Rationeel gezien is dit onzin.
Een bes. zin met ‘zijn’ mag niet voorafgaan op een voors. zin met ‘moeten’.
Met ons verstand kunnen we dus niet bewijzen hoe we moeten handelen. Het gaat om je gevoel!
(bv. de nazi’s handelden slecht naar hun gevoel, terwijl rationeel hun handelen –misschien- slim was.
Hume heeft erop gewezen dat de conclusies die we uit onze waarnemingen kunnen trekken, zijn beperkt. Ook kunnen we nooit bewijzen wat goed of fout is > gevoel.
Immanuel Kant
Christen.
Vakfilosoof= expert in de geschiedenis van de filosofie (én zelf filosoof)
(Rationalist= bron van alle kennis is de menselijke rede.
Empirist= bron van alle kennis zijn onze zintuiglijke waarnemingen.)
Kant: het is rationeel gezien even mogelijk als onmogelijk dat God bestaat.
Kant was half rationalist en half empirist.
Half empirist: onze kennis van de wereld stamt van onze waarnemingen.
Half rationalist: ook in de menselijke rede liggen belangrijke voorwaarden besloten voor de wijze waarop we de wereld om ons heen opvatten.
Bv. zet bril met rode glazen op. Wat je ziet, behoort tot de werkelijkheid, maar ook weer niet; niet alles is rood.
Kant: onze rede is zo ingericht dat al onze ervaringen op een bepaalde manier worden gekenmerkt, alsof we door zo’n bril kijken.
Alles wat we zien, vatten we op als processen van tijd en ruimte= aanschouwingsvormen v/d mens, deze komen vóór iedere ervaring, want wij kunnen deze ‘bril’ niet afzetten; het is aangeboren.
Kant: tijd en ruimte behoren tot de menselijke constitutie, het zijn eigenschappen van onze rede en niet van de wereld. Het menselijk bewustzijn is dus een actief vormende instantie dat ‘de wereld’kleurt.
(bv. giet water in glas. Glas is aanschouwingsvorm waarnaar het water zich voegt.)
Ons bewustzijn richt zich naar de dingen, de dingen richten zich ook naar ons bewustzijn.
Verschil Berk.met Hume: de wet van oorzaak en gevolg (Hume zei dat deze niet door mensen kan worden ervaren; alleen door gewenning zien wij een oorzakelijk verband) is een deel van de menselijke rede. De wet van oorzaak en gevolg geldt altijd, omdat de menselijke rede alles wat er gebeurt als een verhouding tussen oorzaak en gevolg opvat. Deze wet ligt in onszelf besloten.
Overeenkomst B met Hume: we kunnen niet weten hoe de wereld ‘op zich’ is. We kunnen alleen weten hoe de wereld ‘voor mij’ is.
Das Ding an sich. Dit weten we nooit helemaal zeker. We weten alleen maar hoe de dingen zich aan ons voor doen. Das Ding für mich.
Als denkende wezens maken we deel uit van Das Ding an sich.
Kant dacht dat hij de absolute geldigheid van de natuurwetten kon aantonen door te laten zien dat we het in feite hebben over wetten voor de menselijke kennis.
Iemands denkvermogen is pas volledig ontwikkeld nadat die persoon voldoende ervaringsmateriaal verzameld heeft > empirisch.
Dus: er zijn 2 omstandigheden die de manier waarop we de wereld opvatten beïnvloeden.
1 De uitwendige omstandigheden die waarnemen= materiaal v/d kennis.
2 De inwendige omstandigheid van de mens; de aanschouwingsvormen= vorm v/d kennis.
Het menselijk denkvermogen wordt beperkt door onze ‘bril’.
De mens kan nooit met zekerheid vragen als ‘bestaat God’ beantwoorden. Bij zulke vragen overschrijdt de rede de grenzen van wat wij mensen kunnen weten. D.w.niet.z. dat Kant zulke vraagstellingen afwijst. Wij kennen de drang zulke vragen te stellen. Ook kunnen we onszelf nooit helemaal begrijpen.
Vraag je ‘hoe groot is het heelal’ dan vraag je iets waar je zelf een piepklein deel van uitmaakt, dit geheel kun je dus nooit kennen. Zulke vragen kun je namelijk niet toetsen aan ervaringsmateriaal.
Bij dergelijke vragen zijn er altijd 2 tegengestelde standpunten, die rationeel even mogelijk als onmogelijk zijn.
De rede en de ervaring leveren allebei onvoldoende bewijs dat God bestaat. Daar waar rede en ervaring te kort schieten, wordt dit opgevuld door – religieus- geloof.
Voor de menselijke moraal is het bijna noodzakelijk om er vanuit te gaan dat de mens een onsterfelijke ziel heeft, dat God bestaat en dat de mens een vrije wil heeft. (= praktische postulaten).
Overeenkomst Kant met ration.: het verschil tussen goed en fout is reëel. Iedereen weet wat goed en fout is, omdat we dit geleerd hebben en omdat dit in onze rede ligt besloten.
Praktische rede= een denkvermogen dat een mens op elk moment zegt wat op ethisch goed en fout is.
(alle eigenschappen van de rede zijn aangeboren). Je hebt toegang tot de zedelijke wet, dit is een categorisch imperatief; een in alle situaties geldend gebod: doe wat het beste is voor de mensheid.
Plichtsethiek= deontologische ethiek= je doet iets, omdat je voel dat het je plicht is om de zedelijke wet te volgen, je handelt dan in vrijheid.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.