Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Turnen

LO

Werkstuk

Turnen

 
  • anoniem
  • NL
  • 4783 woorden
  • 28390 keer
    98 deze maand
  • 13 januari 2004

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

2 GESCHIEDENIS VAN TURNEN

Herber winter, Alfred Schwarzzma en Kronrad Frey behoorde in de jaren voor de oorlog tot de beste turners van Duitsand. Ze deden wedstrijden met o.a Finland, Zwitserland enTsjechien.
Eerst waren er alleen landelijke wedstrijden met mannen. Maar de DDR begon ook vrouwen te trainen voor wedstrijden. Mannen waren met wedstrijdturnen 20 jaar eerder begonnen dan vrouwen. Dit heeft een verre ontwikkeling gemaakt. De landen Sovjet-unie, Roemenie, hongarije, VS en China hebben hiervoor gezorgd. Vroeger was turnen eenvoudiger dan nu. De oefeningen worden steeds moeilijker en sneller opeenvolgend gecombineerd. Wat vroeger een moeilijke combinatie wasis bv: overslag, radslag en een arabier. Nu is het arabier flick-flack en salto achteruit.


3 BENODIGHEDEN

Als ze beginnen met turnen dragen ze meestal een eenvoudig T-shirt en short. Later kopen ze een pakje van de vereniging. Een pakje moet elastisch zijn zodat men zich naar alle kanten kunt bewegen. Een pakje hoort strak te zitten, omdat het van stretch stof is gemaakt. Ook hoort het nauwsluitend te zijn.
De jongens hebben een turnhemd zonder mouwen aan, ook van stretchstof gemaakt. Meestal dragen ze er een lange trainingsbroek onder, de enige uitzondering is als ze oefeningen op de grond moeten doen of als ze paardspringen. Dan dragen ze een kort short.
Ook heb je warming-up kleding nodig. Door de warming-up oefeningen komen je spieren en gewrichten losser. Hierdoor verdwijnt de stijfheid en heb je minder kans op sportblessures. Voor de warming-up moeten ze hun voeten, vingers, heupen, armen, benen enz. losmaken. Dit is dus heel belangrijk voor het voorkomen van sportblessures. Om warm te blijven dragen ze een trainingspak.
Als ze bijvoorbeeld de brug of de ringen gebruiken hebben ze leertjes nodig. Dit zijn handbeschermers en het voorkomt blaren. De leertjes moeten goed passen, het loopt vanaf de middelvinger en ringvinger naar de pols. Jongens hebben ook handbeschermers, hun hebben nog een extra metalen stootrand bij de handpalm. Dit is voor de betere grip op de liggers. Ook zijn er bandages, dat zijn beschermers voor de enkelgewrichten.

Sommige turners hebben turnschoentjes maar de meeste turners vinden het prettiger om op blote voeten te turnen. Zelf vind ik het ook prettiger om op blote voeten te turnen, helaas mag dat met wedstrijden niet. Voor vloeroefeningen heb je dunne linnen of leren schoentjes nodig, de zool moet slipvast zijn en je moet erop kunnen draaien. Bij het paardspringen gebruiken ze meestal bandages. Magnesium is ook handig, het is witte poeder voor je handen en voeten. De handen worden dan niet glad wegens transpiratie en de voeten glijden dan niet over de mat of van de balk.

Omdat ik bij Propatria turn heb ik een blauw pakje met een rood en witte schuine streep. Ik heb ook leertjes en turnschoentjes van leer die ik alleen met wedstrijden draag. Elke keer dat ik een wedstrijd heb krijgen we een ander pakje. We moeten ongescheurde witte/zwarte schone schoentjes dragen en haarwokkels die bij het pakje horen. We moeten er altijd allemaal hetzelfde uitzien, dat is soms zo vervelend!

4 VEILIGHEIDSREGELS

Natuurlijk kan je iets niet doen met risico's. Dat betekent dat je met turnen veilig moet trainen. Hulpverlening is een veilgheidsregel. De techniek van hulpverlening is bijna altijd hetzelfde. Wanneer je een bijvoorbeeld flick flack springt zet je een hand boven het stuitje en de ander aan de achterkant van je dij. Zo is dat ook met een salto. Veiligheidsregels zijn nu minder belangrijk dan vroeger. Dat komt omdat turners een hogere prestatie willen bereiken. Dan denken ze niet meer aan veiligheid en springen ze maar raak. Twee grepen volgen:
Klemgreep: De helper pakt de duimen van de turner zo vast dat de duimen naar elkaar toewijzen. Deze greep is bedoeld voor steunoefeningen en afsprongen na een steunfase.
Achtergreep: De hand boven het stuitje en de andere hand boven het been. Als er één helper is dan klem je je hele arm om de heup en de andere hand bij het been. Deze greep wordt gebruikt bij achteruit sprongen op de mat, op de balk en in de trampoline. Er zijn ook turners waarbij je beter niet kan helpen.dit is omdat het kan afleiden of de turner niet de juiste bewegingen kan maken, waardoor je een klap in je gezicht kan krijgen of een voet in je buik.
Voor deze helper geldt: de helper staat eerst één meter van de turner af. Wanneer de turner de oefening doet, moet de helper zijn lichaam onder het van de turner brengen en met gestrekte armen zoveel mogelijk zijn handen op het lichaamszwaartepunt plaatsen. Dat is de rug. Anders kan ook bijvoorbeeld zo dichtbij de plek staan waar de oefening wordt gedaan en stevig in je schoenen blijven staan.
Bij veiligheid hoort ook kleding. Het is veilig als je strakke kleding draagt. Dan blijf je nergens aan haken. De toestellen op de juiste stand stellen is ook heel belangrijk. Dan hoeft een klein kind niet is mis te pakken omdat het te ver is en een lang kind zijn hoofd of iets anders ergens tegen aan te stoten. Voldoende matten horen ook bij veiligheid. Matten zijn er om op te vangen als je valt en dat kan niet als er te weinig zijn. Er moet ook orde zijn in de zaal, uiterste concentratie als je iets gevaarlijks gaat doen en stilte. Er mogen ook geen dingen zijn in de zaal dat je afleid.

5 DE TURNZAAL

In het verleden hebben vele turnverenigingen bewezen dat de ruimte voor het toestelturnen erg belangrijk is. Ze hebben ruimte nodig voor bijvoorbeeld toestellen, ‘vrij -oefenen’, voor wedstrijden enz. De ruimte voor de wedstrijdtoestellen hoort in de sportzaal te zijn. Het moet minstens 14 meter breed zijn, 26 meter lang en 5 meter hoog. Alles bij elkaar hoort ongeveer 16 bij 32 meter te zijn. Dan bedoel ik ook dat de vloeroppervlak voor het oefenen van het turnen erbij zit. Het is logisch dat de zaal licht moet hebben, genoeg ventilatie en dat er een goeie temperatuur heerst. Ook moet er gelet worden op gevaarlijke punten als scherpe hoeken en dingen die in de weg staan. Deze eisen staan in de bouwvoorschriften.
In een turnzaal ligt er meestal PVC-bedekking op de vloer, dit is goed voor de vering. Het nadeel is dat PVC-bedekking en vloerverwarming niet samen gaan, daarom zijn de vloeren van de turn/gymzalen altijd zo koud. De plafondverwarminginstallatie zorgt voor de temperatuur, ook zorgt het er een beetje voor dat de vloer niet zo koud is.

Op de tekening hieronder zie je een turnzaal die meestal zo ingericht is. Alleen de belangrijke vaststaande dingen zijn aangegeven. De makkelijk verplaatsbare toestellen zijn niet aangegeven, omdat die niet perse in een hok hoeven. Ze kunnen ook op een open plek gezet worden. De klim- toestellen en wandrekken staan er niet op omdat die normaal gesproken toch aan de muren worden vastgemaakt.
Hier zie je wat de plaats van het nummer in houd:

1= De verankeringsplaats voor het spanrek.
2= Vrije- oefeningsvloer (volgens de eisen van de bouwvoorschriften moet het 12 keer 12 meter zijn).
3= Ringstellage voor stilhangende ringen.
4= Spanbrug met ongelijke liggers.
5= Sprongbaan met een aanlooplengte van 25 meter.
6= Plaats voor rekstokinstallaties, voor 3 rekstokken.
7= Ringstellen met verstelbare touwen.
8= Ophangingspunt aan het plafond voor ringen.
9= Ophangingspunt van touwen en ringen voor het klimmen en zwaaien.

6 SPANNEN

Als je een turner bent moet je weten wat spannen en ontspannen is. Spannen is het aanspannen van spieren waardoor de beweging van een of meerdere gewrichten geblokkeerd wordt. Door goed te spannen kun je een gewricht in een houding vastzetten.Benen strekken is voor veel turners best moeilijk. Dat komt doordat je je knieschijf moet optrekken en tegelijkertijd naar beneden duwen. Als je goed je benen spant komen je hielen los van de grond. Als je je knie-enkelgewricht wil spannen moet je ook je benen spannen. Hetzelfde geldt voor je tenen strekken, dan moet je ook een beetje je benen spannen. Span je je benen noem je dat beenspanning.
Heupspanning is het vastzetten van je bekken, dit heeft ook weer te maken met je beenspanning. Je moet de rug kunnen afvlakken. Dit gebeurt door de bekken achterover te kantelen, de bilspieren aan te spannen en de buik in te trekken.
Schouderspanning is het vastzetten van de schoudergordel in een houding. Een armen-romp spannen heeft te maken met je schouderspanning.
Het is een lange weg om aan vormspanning te voltooien. Je moet bijna alle lichaamsdelen hol, bol en recht kunnen maken zodat je hele lichaam 1 rechte lijn wordt. Je moet leren blokkeren en je moet been-, heup-, schoudervormspanning kunnen aannemen. Als je aan deze dingen voltooit kun je de vormspanning aannemen. Je lichaam krijgt een bepaalde vorm, daarom heet het vormspanning.

7 GREPEN

Een groot deel van het toestelturnen bestaat uit handcontact van de turner en het toestel, dus door grepen. Ik ga nu wat schrijven over hoe je verschillende grepen kunt aannemen. Links zie je een aantal van die grepen.

Bovengreep
Bij het vastpakken van het toestel in de bovengreep is de handrug parallel aan de rugzijde.

Ondergreep
Als je je laat hangen loopt de rug van de hand gelijk met de voorzijde van de romp.

Ellegreep
Bij het vastpakken in de hoogte zijn de handpalmen en ellebogen gelijk aan de rugzijde. De pinken wijzen naar elkaar toe. Aan de brug is de draaiing van de arm in ellegreep ongeveer 90 graden. In dat geval zijn de handruggen naar elkaar toegekeerd.

Spaakgreep
Als je het toestel vastpakt wijst de handrug naar buiten en is het gelijk aan de zijkant van het lichaam.

Van deze vier grepen kun je ook combinaties maken:

Kruisgreep
Een variatie van de bovengreep, de ene arm kruist de ander.

Combinatiegreep
De handen nemen allebei een andere greep aan, later komen er combinaties van boven-ondergreep en elle-boven en ondergreep.

Sluitgreep
Ook een variant van de bovengreep, de handen zijn naar elkaar geschoven. De greep is gesloten.

Balgreep
Dit is een soort van de spaakgreep. De bal van de hand heeft net onder het polsgewricht contact met het toestel.

8 GEZONDHEID

Bij het turnen heb je twee invloeden op de gezondheid, dit gebeurt het meest bij toestel-turnen.

De eerste is het afscheuren van de achillespees, dit is een dikke hielpees. Het voorkomen van deze blessure, die je heel snel kan oplopen is heel moeilijk.
Het voorkomen van het afscheuren van de achillespees:
• de afsprongtechniek bij de salto´s rugwaarts
• de grotere veerkracht van de vloer.

Vroeger werden de vloeroefeningen op een harde ondergrond geturnd. De afzet voor de rugwaartse sprongen werd gedaan met een sterke buiging van de spronggewrichten. Pas later toen er verende bodems kwamen veranderde de afsprongtechniek. Uit onderzoek bleek dat er maar zelden nog iemands achillespees scheurt door de terugstoot van een verende bodem. Dus door de verende bodems komt de achillespees-blessures niet meer zo veel voor.

De tweede is het beschadigen van de wervelkolom.
• Het komt voor dat ze zijwaarts de wervelkolom verbuigen
• Soms valt de wervel helmaal uit een, dan komt er een opening tussen de bovenste en onderste gewrichtsuitsteksels.
• Of er komt een wervelverschuiving.

Deze blessures kun je niet voorkomen, het gebeurt altijd op verschillende manieren.
Daarom hebben de doktoren een paar eisen gesteld:
• Voordat er sportzalen voor turnen worden gebruikt moeten ze grondig onderzocht worden en gekeurd.
• De warming-up moet gedaan worden.
• De training moet zorgen dat er geen overbelasting komt.

9 VERSCHILLENDE SOORTEN TURNEN

Er zijn verschillende soorten turnen zoals: toestelturnen, acrogym, rhönradturnen (spreek uit: reunrad), demogym enz. Zelf doe ik ook aan toestelturnen. Acrogym en rhönraden heb ik ook wel
eens gedaan. Ik ga nu een beetje vertellen over deze soorten turnen.

Toestelturnen
Het woord zegt het al, turnen op toestellen.
Als je over hindernissen springt, kunstjes doet op een schommel, of als je opzwaait op een tak dan ben je al bezig met toestelturnen. Het zijn simpele vormen van bewegen die kinderen dagelijks doen en toch is het toestelturnen. Maar als men echt wil toestelturnen hebben ze een turnzaal met turntoestellen en matten nodig.
Toestelturnen kun je in vier toestelbanen verdelen. Een toestelbaan is een baan waar je achter mekaar kunstjes kan doen. Er zijn diverse soorten zoals:
• de gewone toestelbaan
• de toestelbaan gebouwd naar bewegingsverwantschap
• de hindernisbaan
• het toestelcircuit.

Ik zal nu uitleggen wat voor banen dit zijn en waarvoor ze dienen.

1 De gewone toestelbaan
1.1 De toestelbaan die bestaat uit dezelfde toestellen waarop verschillende basisvormen van turnen worden beoefend.

1.2 De toestelbaan die bestaat uit verschillende toestellen waarop verschillende basisvormen van turnen worden beoefend. Deze toestelbaan is goed voor een goed uithoudingsvermogen, het goed kunnen en doorkrijgen van de basisvormen (inslijpen), ook is het goed voor het krachtuithoudingsvermogen.

2 De toestelbaan gebouwd naar bewegingsverwantschap
Dit is een baan die gebouwd is naar 1 bewegingsfamilie.
Deze toestelbaan kun je ook weer in twee soorten verdelen:
2.2 De toestelbaan die bestaat uit dezelfde toestellen waarop dezelfde basisvormen worden beoefend.
2.3 De toestelbaan die bestaat uit verschillende toestellen waarop dezelfde basisvormen worden beoefend.
Deze toestelbaan is goed voor dezelfde dingen als bij de gewone toestelbaan, alleen bij
deze toestelbaan krijgen ze het inslijpen van de basisvormen beter door.

3 De hindernisbaan
Dit is eigenlijk voor kinderen, het wordt gezien als een speeltje. Dit is misschien voor u wel handig om te weten want u geeft tenslotte kinderen les. Misschien is het wel leuk om het een keertje uit te proberen.
De turners moeten zelf weten hoe ze het toestel passeren.
Je kan de hindernisbaan leuker maken door:
• de moeilijkheid van de hindernissen op te voeren bv. door de toestellen hoger of schuiner te zetten.
• door de baan langer te maken (extra toestelstations tussenvoegen).
• groepsopdrachten geven bv. iemand vervoeren of materiaal vervoeren.
• apekooi is er natuurlijk ook, een hindernisbaan met tikkers.

Hindernisbanen horen vooral in de fase van 3-9 jaar regelmatig op het programma te staan. De kinderen leren de toestellen dan beter kennen en is er minder kans op blessures. Ook op oudere leeftijd komen hindernisbanen voor bv. om een makkelijk voorbeeld te noemen bij de politie.

4 Het toestelcircuit
Dit is eigenlijk een konditiebaan, het gaat hier om tellen en meten. De beweging die je moet maken op het toestel duurt maar een paar seconde. Er horen 8 tot 12 stations in zo´n rondgang te zitten.
Je kan dit ook in twee hoofdtype verdelen:
a Het (toestel)duurcircuit
b Het (toestel)krachtcircuit
a Het duurcircuit:
Dit is echt voor je uithoudingsvermogen, dus om je benen, buik, rug, armen en hoofdspieren te trainen. Hierbij mag je maximaal 3 minuten pauze hebben tijdens het oefenen, de beweging mag niet meer dan 30 keer herhaalt worden en de zwarte van de oefeningen mag maximum 50% zijn.
b Het krachtcircuit:

Dit is ook voor het uithoudingsvermogen maar vooral voor de kracht. Per oefening krijg je 30 seconde, ze moeten zoveel mogelijk herhalen als ze kunnen. Tussen de stations in zit 60 seconde. Soms gaan ze de hele rondgang 2 keer langs en als ze er echt gewend aan zijn geraakt dan gaan ze de oude wel eens 3 keer langs.

Acrogym
Een ander woord voor acrogym is sportieve acrobatiek. Acrogym was vroeger het volksvermaak
van de mensen uit China, van de Grieken en van de Romeinen. Dit weten we omdat er vazen met acrobatische afbeeldingen zijn teruggevonden. Die kwamen onder andere uit China en Griekenland. Maar de Noordafrikaanse turners waren vroeger bijna niet te verslaan, ze deden de meeste oefeningen op de lange mat en op de tumblingbaan. Toen de mensen uit China aan het einde van de 18e eeuw circussen gaven in Europa werd het hier ook populair.

Later gingen de mensen de acrobatische vormen ook in andere soorten sport gebruiken, bv. bij gymnastiek. In Nederland bestaat acrogym ook niet zo lang. Toen het woord "acrogym" nog niet bestond is er een heel beroemd boek over geschreven, het boek heet "grondgymnastiek en lange mat springen". De schrijver is Brandweggelaar- Van der Meyden, dankzij dit boek is acrogym ook populairder geworden. In dit boek heeft hij het het meest over partneroefeningen, ik weet dat omdat ik het zelf ook heb gelezen. Hiernaast ziet u een paar belangrijke partneroefeningen oftewel schouderstanden. In dans, ballet en schaatsen worden ook acrobatische bewegingsvormen gebruikt. Maar dit is niet het zelfde want waar ik het hiervoor over had was sportieve acrobatiek. Rusland,
Polen en Bulgarije winnen de nationale wedstrijden het meest tegenwoordig.
Acrogym kun je in twee soorten verdelen: partneroefeningen, groepsoefeningen.
partneroefeningen: Het maakt niet uit of het een meisjes, jongens of gemengd paar is. Op een vloer van 12*12 meter moeten de partners samenwerken op muziek.
Bij een wedstrijd mag een oefening maar 2 minuten en 30 seconden duren. Je kunt bij partneroefeningen twee vormen van oefeningen doen: balansoefeningen en tempo-oefeningen.
balansoefeningen: Bij wedstrijden moet je naast dans en houdingen ook 5 balansonderdelen doen. Dit zijn bewegingen waarbij beide partners elkaar in evenwicht houden. Het is meestal zo dat er een partner is die zwaar en sterk is, die ligt dan onder. En die ander is een lichte bovenste partner, deze persoon moet zich goed in balans kunnen houden. Bij wedsrijden is het niet zo dat je alleen met je 1partner in de zaal staat maar een hele groep staat in de zaal. Ze doen alles op muziek en allemaal hetzelfde.
tempo-oefeningen: Dit zijn eigenlijk snellere bewegingsvormen. Een moeilijk woord hiervoor is dynamische partneroefeningen, hierbij werpt de ene partner de andere op. Bv. als men 3 salto´s in de lucht doet. Bij circussen doen ze heel veel van die tempo-oefeningen.
Er is ook nog een derde oefening, de kombinatie-oefening. Dit is gewoon balans en tmpo-oefeningen door elkaar.
groepsoefeningen: Hierbij zijn er dames in 3-tallen en heren in 4-tallen. Ook bij groepsoefeningen zijn er weer 3 oefeningen balans-, tempo- en kombinatie-oefeningen. Omdat men met meer mensen werkt, kan men in de balansoefening meer; bv. een piramide maken. Voor wat betreft de tempo-oefening kan men meer werpen en vangen. Wie licht, klein en sterk is en wie gevoel voor balans heeft kan toppartner worden. De onderste mensen moeten langer, zwaarder en sterker zijn.
Bij acrogym is het vooral belangrijk dat je je concentreert en dat je het dan ook uitsraalt.(uit eigen ervaaring). De turners kiezen/maken ook weleens hun eigen oefeningen die hun zelf mooi vinden, soms doen wij dat ook maar dan doen we het op muziek.
Bij acrogym heb je ook materiaal nodig zoals: acropaaltjes, saltogordels, grondbruggen, krachtmaterialen enz. Ik zal nu in het kort uitleggen wat dit zijn.
Acropaaltjes: Dit materiaal word het meest gebruikt bij acrogym. Ze moeten hun handen op de paaltjes zetten en zich zelf omhoog hijsen, de meest gebruikte paaltjes zijn die met een schuinaflopende, platte kop (3a). Je hebt deze in allerlei soorten en afmetingen. Ook worden er veel gebruikt met een ronde kop (3b), met deze paaltjes kun je de handstand op het hoofd oefenen.
Meerdere paaltjes op verschillende hoogten zijn ook wel eens handig voor het trainen van de balans (3c), hiervoor worden deze paaltjes ook bij toestelturnen ook gebruikt.
Saltogordels: Dit is een beveiliging voor de balans en tempo-onderdelen. Het is een soort gordel wat je om je middel moet vastmaken. De gordel word aan het plafond met katrollen vastgemaakt, men mag zich bij de sprong niet aan het touw vasthouden. Als je valt moet je je aan dat touw vastklemmen en word je direct opgehezen. Zo weert de gordel de val af.

Een paar verplichte dingen over de gordel:
• De katrollen in het plafond moeten ver van elkaar afstaan, minstens 5 meter.
• Het touw moet handvriendelijk zijn. (het mag je handen dus niet schuren)
• De gordels moeten goed en uitgetest zijn, ze mogen niet te zwaar of te breed zijn.
• De katrollen mogen niet te dicht bij de muur staan.
• Het veiligste is als er aan elke kant een dubbele katrol zit, zodat de touwen direkt naar beneden lopen.
• De katrollen moeten kunnen ronddraaien, zodat het touw niet vast kan draaien (dat is slecht voor het touw).
Grondbruggen: Hier is heel korte uitleg over, het is gewoon een lage evenwichtsbalk. De knijpkracht van de vingers kunnen hiermee goed getraind worden.
Krachtmaterialen: Het woord zegt het al materiaal waar je je krachten kan beoefenen. Bv. de kogel, dit is een ronde kogel met een handvat. Daar kan je bv. de handstand op doen en je steeds laten zakken en weer opduwen. Nog een hele populaire is het trekapparatuur, dit kun je heel snel maken:

Een bank moet tegen een wandrek gezet worden, dan is er een karretje en een oude binnenfietsband nog nodig. De binnenfietsband word vastgemaakt aan het wandrek en aan de kar. Het is de bedoeling dat je je zelf optrekt naar het wandrek.

Rhönraden
Rhönraden is moeilijker dan men denkt. Als je rad wil gaan draaien moet je daar kracht voor hebben, je moet de vormspanning aan kunnen nemen en je moet er lenig voor zijn. Bij rhönradturnen moet je je heel goed kunnen concentreren want het rad kan zo omkukelen. Je kan met hele groepen rhönraden maar ook in je eentje, je kan ermee rollen, springen, spiralen alles is mogelijk.
Het rhönrad bestaat uit twee hoepels, ze zijn met kunststof bekleed en ze zijn van staal. De twee hoepels zijn aan elkaar vastgemaakt met zes dwarsstangen. Aan twee dwarsstangen zitten handgrepen en aan twee andere dwarsstangen zitten voetplankjes. Bovenaan de hoepels zitten nog twee handgrepen, die worden parallelgrepen genoemd. Op de voetplankjes zitten ook twee leren riempjes waarmee de raddraaier zich vastklemt.
Bij het rhönradturnen moet men lage (tennis)schoenendragen met een anti-slipzool. De veters zijn van boven naar beneden geregen, dus de strik zit op de tenen. Dat is omdat anders de riemen drukken op de veterstrik, waardoor men pijn in de voeten krijgt(beklemde voetzenuw). Dan met de voeten recht naar voren instappen, zover mogelijk naar voren. En daarna de voeten naar buiten draaien en de tenen naar beneden duwen.
Het is heel belangrijk dat de grootte van het rhönrad goed is afgestemd op de lengte van de raddraaier. Een rhönrad moet 35 -40 cm groter zijn dan de raddraaier. Zoals ik al zei is het belangrijk dat je de vormspanning kan aannemen, dat je lenig bent en dat je veel kracht moet hebben. Maar het is ook heel belangrijk dat je een korrekte lichaamshouding hebt, dus dan bedoel ik dat de knieën gestrekt moeten kunnen worden, de billen aangeknepen moeten zijn, dat het bekken achterover gekanteld moet worden en dat het hoofd en de romp rechtop moeten staan. Zoals u ziet is vormspanning voor alle soorten turnen erg nodig.
Rhönradturnen heeft 3 hoofdgebieden:
• rollen
• spiralen
• springen.

Rollen
Wanneer de raddraaier zijn lichaamszwaartepunt vanuit stand in het rad naar voren of naar achteren verplaatst, draait het rhönrad op beide hoepels voor- of achterwaarts.

De riemen aan de voetplankjes worden niet altijd gebruikt, dus er zijn rollen met riemen en zonder. Ik zal een paar belangrijke rollen met en zonder riemen opnoemen:
Met riemen: de parallelrol, de rol in ligsteun en de rol in schroefstand.
Zonder riemen (losse rollen): de aperol, ligrol en de hurkrol.

Rollen met riemen
parallelrol: De handen worden in de ondergreep aan de handgrepen vastgehouden. De voeten moeten in de riemen, de riemen worden helemaal geduwd naar de benen (de wreef). Daarna word het lichaams zwaartepunt naar voren gebracht, en rolt het rad. dit is de makkelijkste rol.
hierbij is armwissel heel belangrijk, dit betekent buigen van de gestrekte arm en strekken van de gebogen arm. Dit hoort vloeiend te gaan. De armwissel begiint wanneer de 1e dwarsgreep de grond raakt en eindigt wanneer de laatste dwarsgreep de grond verlaat. Stoppen of afremmen gebeurt door de voorste hand los te laten en met de voeten de schommeling op te vangen/tegen te houden.
rol in ligsteun: Hierbij is het lichaam voor een kwart gedraaid in de rolrichting. Bij deze rol is er maar een greep nodig, men kijkt dan tegen de handen op. Deze greep word ook in de ondergreep vastgehouden. Niet alle twee de voeten hoeven in de riemen, de voorste mag er wel uit.
Om vooruit te komen word het gewicht op de voorste of achterste been gelegd en word de buik naar voren gebracht. Voor een goede houding voor deze rol moeten de armen gestrekt zijn, het hoofd rechtop, het hele lichaam gespannen en je kijkt over je handen heen.

Schroefrol
De voeten staan hier hetzelfde als bij de ligsteun. De raddraaier pakt met de rechterhand in de ondergreep de onderste greep vast. Als de raddraaier zijn rechterhand naar voren duwd gaat het rad draaien. Bij de schroefstand is de armwissel ook nodig. 1 arm buigen, de ander strekken en in het midden weer wisselen. Er kan ook gevariërd worden:
• handen aan de parallelgrepen
• een voet uit de riem op de dwarsstang
• twee voeten op 1 plankje
• 1 hand los
• met 2 turners tegelijk in 1 rhönrad werken.


Losse rollen
Aperol: Bij de aperol zijn de voeten van binnenuit door de parallelgrepen gestoken. De raddraaier zit gehurkt en heeft voor en achter de dwarsgrepen vast. Door aan de voorste en achterste dwarsgrepen te trekken en door de knieën te buigen en te strekken gaat de radraaier over de kop. Bij deze rol is het vaak zo dat er iemand naast loopt zodat hij niet alsmaar over de kop gaat, ook is die persoon nodig om te helpen afremmen.


Ligrol: Deze rol is moeilijker en gevaarlijker. Bij deze rol ligt de raddraaier op de voetplankjes en houd ze vast op heuphoogte. De schouders moeten tegen de dwarsstang aan blijven leunen. Door de heupen en benen op en neer te bewegen gaat het rad voor en achterover over de kop.

Hurkrol: Om in de goeie stand te komen staat de raddraier eerst op de voetplankjes en heeft hij de parallelgrepen vast. Daarna springt hij gehurkt op de dwarsgreep. Door de knieën zo hoog mogelijk naar boven te brengen gaat het rad rollen. Als de eerste dwarsgreep de grond raakt, hurkt hij door van de eerste naar de tweede dwarsgreep. Dit gebeurt tijdens dat het rhönrad omhoog gaat. Als de raddraaier voor over gaat hangen en zijn knieën strekt komt hij makkelijker boven.

Spiralen
Het rollen op 1 hoepel, waarbij het rhönrad in een circel door de zaal rolt. Er kunnen grote of kleine rondjes gemaakt worden. Het kan linksom, rechtsom voor en achterover en het kan zelfs met losse handen.

Spiralen heeft twee soorten spiralen:
• de grote spiraal
• de kleine spiraal

De grote spiraal
Bij de grote spiraal staat de raddraaier rechtop met de tenen op de voorste hoepel. Hij houd zich vast aan de dwarsgrepen en laat zich een beetje naar voen hangen. Nu staan de schouders onder de voorste hoepel. De riemen worden wat naar voren geplaatst zodat de tenen dus op de voorste hoepel staan, hierdoor kan hij beter sturen. Door afwisselend met de armen te trekken en te duwen gaat het rad op 1 hoepel rondjes draaien.
Een grote spiraal maken: vaart maken net als bij het rollen, maar in plaats van zijwaarts weg te rollen moet er een soort korte "wipbeweging" met het lichaam naar achteren gemaakt wordenen gelijk daarna een wipbewging naar voren. Nu draait het rad op 1 hoepel.

De kleine spiraal
Bij de kleine spiraal is het lichaam bol, de steun met de handen is op het voorste deel van de dwarsgrepen. De voeten staan op de voorste hoepel tegen de plankjes. Ook nu door afwisselend te trekken en te duwen met de armen gaat het rad draaien op 1 hoepel. Het hele lichaam moet gespannen zijn, nu draait het rad de hele tijd op dezelfde plaats. Bij het stoppen is er hulp nodig. De raddraaier moet doorhangen en de buik op de grond duwen. Als de raddraaier loslaat is er kans dat het rad over zijn handen heen rolt. Men kan zelf ook stoppen, maar dat is moeilijker. Met 1 voet uitstappen en voor het rad neerzetten, dan het rad op de grond zetten en helemaal uitstappen.

De verschillen tussen de grote en kleine spiraal zijn de houding van het lichaam en de greep. Bij de grote spiraal hang je recht naar voor en bij de kleine spiraal ben je bol. Bij de grote wijst de greep naar binnen en bij de kleine wijst hij een beetje naar buiten.

Springen
Dit kun je ook weer verdelen:
• Springen op/over het rhönrad.
• Springen vanuit het rhönrad

Springen op/over het rhönrad:
Bij het op of overspringen rolt de raddraaier het rhönrad rechtuit van zich weg, loopt er snel achteraan en springt er van achteren op. De raddraaier pakt tegelijkertijd de parallelgreep vast.
Als de raddraaier op het rad wil springen moet hij eerst nog een extra duw geven en met de draai meegaan. Als hij op het hoogste punt van het rad staat, kan hij een sprong er vanaf doen. Dit kan heel gevaarlijk zijn, daarom werken ze vooral voor beginners met landingsmatten en hulpverleners.
In het begin is het moeilijk om de raddraaier omhoog te trekken als de sprong niet krachtig genoeg is. Een aantal basissprongen zijn:
opspreiden, ophurken en opbücken.
Een aantal afsprongen zijn:
streksprong, draaisprong, spreidhoeksprong, hoeksprong en schouderoverslag. Deze makkelijke sprongen kent u denk ik wel.

Springen vanuit het rhönrad:
Dit kun je weer in twee soorten sprongen verdelen:
• de sprongen vanuit stilstaand rhönrad.
• de sprongen vanuit bewegend rhönrad.

De sprongen vanuit stilstaand rhönrad
Het rad word vastgehouden door een hulpverlener of vastgelegd tegen een landingsmat. Je houd je gewoon vast aan 1 van de grepen en doet de sprong. Het is eigenlijk net een rekstok.

De sprongen vanuit bewegend rhönrad
Bij deze sprongen hoeft de raddraaier niet zoveel kracht te zetten, door het rollende rad is er al genoeg vaart. Bij moeilijke sprongen moet men met een landingsmat achter het rad aanlopen om op het juiste moment de mat neer te leggen. De timing is vooral moeilijk in te schatten. Het hangt ook duidelijk van de sprong af wanneer je moet afzetten.

SLOT

Ik heb veel van dit werkstuk geleerd. Ik wist niet dat er zoveel soorten turnen waren en ik heb het met plezier gemaakt.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

Reactie (quote)
Jouw naam*
E-mail (niet publiek)*
Geheime code*
9821
 

reacties

 
 
ik kom julie op 5 dec. cadautje brengen
door sinterklaas (reageren) op 8 maart 2011 om 17:41
 
wow wat een goed werkstuk ik ga een account maken en dan geef ik je een tien! door dit werkstuk heb ik een 10 voor mijn spreekbeurt!
door koen (reageren) op 8 mei 2013 om 11:35

Bekijk nu onze
Zeker Weten Goed
pagina

Al onze beste boekverslagen op een rijtje

Naar de pagina