Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Heb jij 10 minuten tijd voor een vragenlijstje over instructievideo's en YouTube-docenten? Onze dank is groot!

Aardrijkskunde Samenvatting Hoofdstuk 2 Endogene en Exogene processen §2 t/m §12

Aardrijkskunde

Samenvatting

BuiteNLand

 
6.7 / 10
5 stemmen van bezoekers
5e klas havo
niveau
  • fanzethoi
  • NL
  • 1428 woorden
  • 432 keer
    5 deze maand
  • 6 december 2012

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Aardrijkskunde Samenvatting Hoofdstuk 2 Endogene en Exogene processen §2 t/m §12

§2: De opbouw van de aarde

Kern: 3700 km dik, binnenste deel vast, buitenste deel vloeibaar -> aardmagnetisme

Aardmantel: 2900 km dik

  • Binnenmantel: vast gesteente
  • Buitenmantel: zeer traag vloeibaar gesteente -> convectie stroming =asthenosfeer

Aardkorst: vast materiaal: relief, bodem, gesteente(continentaal en oceanisch) =Lithosfeer (bestaat uit stukken aardkorst(aardplaten, aardkorsten, aardschollen))

 

Hydrosfeer=al het water op aarde inclusief waterdamp, sneeuw en ijs

Atmosfeer=de lucht;gassen rondom de aarde

 

Oceaanbodem=5-10 kilometer dik (basalt) (vrij zwaar gesteente)

  • Basalt heeft groter soortelijk gewicht dan graniet en is dus zwaarder

Continent=40-80 kilometer dik (graniet) (licht gesteente)

 

Reliëf meten=>vroeger geluidsgolven naar oceaanbodem sturen, nu d.m.v. satellieten

Trog=sleuf

Rug=’gebergte’

Basisbewegingen van de platen => actualiteitsprincipe                              

 

§3: Platentektoniek en aardbevingen

Beweging aardplaten:

  • Convergente beweging
    • Twee platen botsen
    • Subductie=wegduiken van de oceaanbodem in de mantel(oceaanbodem recyclen)

v  Oceanische plaat duikt onder continentale plaat

v  Ook bij botsing van twee oceanische platen (oudste duikt eronder) -> eilandenboog (Aleoeten, Alaska)

  • Ontstaan van: diepzeetrog, aardbevingen, explosief vulkanisme en gebergtevorming
  • Vb. Japan of Santorini
  • 2 continentale platen botsen -> vorming plooiingsgebergte(Himalaya), aardbevingen
  • Divergente beweging
    • Twee platen bewegen uit elkaar
    • Breukvorming + rustig vulkanisme
    • Bij breuken -> vorming nieuwe oceaanbodem
    • Vb. Mid. Oceanische Rug(IJsland)
  • Transforme beweging
    • Twee platen bewegen langs elkaar
    • Ontstaan van: aardbevingen
    • Vb. San Andreasbreuk bij LA, het breukengebied in Turkije

 

Theorie platentektoniek:

Convectiestroming -> heet magma komt tegen aardkorst aan -> magma stroomt zijdelings weg, neemt stukken aardkorst mee -> sommige plekken breekt aardkorst -> magma stroomt als lava naar buiten -> divergente breuken -> breuk wordt gevuld met lava -> stolt als basalt -> nieuwe oceaanbodem (Mid. Oceanische Ruggen)

 

Aardbevingen -> convergente en transforme plaatbewegingen

Epicentrum=plaats boven haard

Aardbeving op oceaanbodem -> ontstaan vloedgolven/tsunami’s

 

§4: Vulkanisme

4 typen vulkanen van belang:

  • v  I: vulkanisme bij divergentie -> spleetvulkaan
  • v  IIa:vulkanisme bij convergentie -> stratovulkaan
  • v  IIb:vulkanisme bij convergentie -> caldera
  • v  III: hotspots -> schildvulkaan

 

 

Vulkanisme bij divergentie;spleetvulkaan:

  • Divergentie -> ruimte tussen twee platen
  •                         Ruimte = spleet = spleetvulkaan
  • Magma ondervindt weinig weerstand -> rustige uitbarsting
  • Meestal onderwater (Mid. Oceanische Rug)
  • Alleen in IJsland aan de oppervlakte
  • Effusief eruptietype (soort uitbarsting rustig)

 

Vulkanisme bij convergentie; stratovulkaan:

  • Subductie: deel plaat schuift weer mantel in en smelt
  • Magma wordt gemengd met zeewater -> samenstelling magma verandert
  • Magma wil omhoog door hoge temperatuur en hoge druk
  • Magma is dik en stroperig -> druk moet hoog zijn om bij magma te komen
  • Komen gassen vrij
  • Hoe meer gassen des te explosiever de uitbarsting
  • Explosief eruptietype

Stratovulkaan(samengestelde vulkaan)(kegel)=opgebouwd uit lagen as en gestolde lava (explosief)

 

Lahar=vulkanische modderstroom bestaande uit een mengsel van water, as en modder.

Pyroclastische stroom(gloedwolk)= grote wolk van magma en as die boven de vulkaan uitrijst en die dan uit elkaar stort, en zo dus dingen verwoest

 

Vulkanisme bij convergentie; caldera:

  • Stratovulkaan met kegel die is ingestort

 

Vulkanisme bij hotspots; schildvulkaan:

  • Magma vrij dun en heet, vloeit ‘makkelijk’ uit
  • Uitbarsting zonder ‘’ontploffing’’
  • Op plekken waar aardkorst dun is
  • Onder water of op land
  • Door regelmatige rustige uitbarsting

ontstaat vulkaan uit verschillende lagen

  • Vb. bij Hawaï en IJsland
  • Effusief eruptietype

Schildvulkaan=heel vlak soort vulkaan(effusief)

 

Vulkanische bommen=grote brokken lava

Uitbarsting -> slingert puimsteen, fijne asdeeltjes, kleine steentjes en vulkanische bommen uit vulkaan

 

‘Slapende’ vulkaan(meestal stratovulkaan)=laatste lava is gestold en sluit kraterpijp af

Hotspot=vulkanen die niet bij randen van aardkorstplaten liggen maar waar -> bellen van heet mantelgesteente stijgen omhoog, aardkorst wordt zwak en breekt, waardoor lava naar buiten kan stromen

Geiser=verschijnsel waarbij in vulkanisch gebied heet grondwater omhoog spuit

§6: Gesloopt gesteente

2 typen verwering:

  • Mechanische(=fysische) verwering
  • Chemische verwering

 

Mechanische(fysische) verwering:

v  Afbraak van gesteente door temperatuurverschillen (overdag: warm, nacht:koud)

  • Overheerst in de woestijn

v  Afbraak van gesteente door vorstwerking (bevriezen-dooien-bevriezen) (vorstverwering)

  • Overheerst in polaire zone en in gebergten

v  Afbraak van gesteente door de kracht van plantenwortels (biologisch-fysische werking)

 

Chemische verwering:

v  Door invloed van bijvoorbeeld:

  • Zuren in regen (->oplossen van gesteenten)
  • Zuren die door wortels worden afgescheiden

v  Het is een chemisch proces

v  Het chemisch proces gaat sneller bij hoge temperatuur en aanwezigheid van water(hoge vochtigheid)

  • Tropische landschapzone

v  Invloeden van zuren in het water -> kalk uit kalksteen lost op in water en slaat neer als druipsteen(korstverschijnsel)

 

§7: Verweringsmateriaal in beweging

Erosie:

  • Uitschurende werking van met puin beladen water, wind en ijs. Hoe meer puin, des te groter de eroderende kracht.
  • IJserosie:

Morene=materiaal dat door schuivend landijs is meegevoerd en is afgezet (sedimentatie)(meestal op bodem van U-vormig dal)

 

Soorten aardverschuivingen:

  • Vallend gesteente: losse stenen of rotsen loodrecht naar beneden
  • Bergstorting: grote rotsmassa glijdt over helling naar beneden
  • Puinlawine: losse stenen van verschillende grootte rollen en glijden naar beneden
  • Modderstromen: verweringslaag van zand of klei raakt verzadigd met water en vloeit naar beneden

 

Puinhelling=ophoping van stenen die door aardverschuiving naar beneden zijn gevallen

 

Bovenloop -> rivier stroomt snel

In rivier zand en grind gaan schuren over de dalbodem -> slijt langzaam uit -> afbrokkelen wanden -> ontstaat V-vormig dal =riviererosie

IJstong of gletsjer neemt grote keien mee -> schuurt rotswanden van dal af -> ontstaat U-vormig dal bij gletsjertong

Puinwaaier=ophoping van zand,klei en grind op plaatsen waar de stroomsnelheid van de rivier plotseling afneemt 

§8: De opbouw van het laagland

Sedimentatie=afzetting van materiaal (zand,klei) door water, wind of ijs.

  • Afzetting door afnemen stroomsnelheid of windluwte door heuvels

 

Sedimentlaag (sedimentgesteente):

  • Vlak afgezet (vb. zeeklei West-Nederland)
  • Gelaagd afgezet (vb. scheiding klei-zand)
  • Bij hoge temperatuur en druk verhitten sedimenten (vb. zand/kalksteen)

 

Van bergen naar zee. In de benedenloop stroomt de rivier door overstromingsvlakte.

  • Het overstromingswater stroomt traag of staat stil waardoor al het vervoerde materiaal sedimenteerd
  • Sedimentatie in de overstromingsvlakte leidt tot dikke pakketten sedimentlagen
  • Zodra rivier in zee stroomt laat deze al het sediment vallen -> bouwt zich geleidelijk nieuw land op in zee, een delta.

 

Generalisaties/regels:

  1. Door verwering en erosie worden gesteenten afgebroken
  2. Interactie tussen verwering en erosie -> omvang van verweringslaag/sedimentlaag
  3. Verschillen n stroomsnelheid en de aard van transportmechanisme -> aard van sediment
  4. Aard klimaat -> overheersende type verwering
  5. Verwering + erosie veranderen het aardoppervlak: afbraak in hoog gelegen gebied +opbouw (sedimentatie) in laag gelegen gebied.

 

Afbraak=verwering + erosie

Opbouw=sedimentatie

 

Zijrivier= rivier die uitmond in hoofdrivier

Zijtak=rivierlopen die ontstaan als een rivier zich in de benedenloop splitst

Delta=nieuw land dat ontstaat op plek waar de rivier in zee uitmondt en daar sediment zich ophoopt

  • Gebeurt niet waar de stroming langs de kust groot is

Duinen=zandophopingen die ontstaan door sedimentatie door wind

Zeebodem=sediment, Oceaanbodem=basalt

 

§10: De vorming van gebergten

  1. Plooiingsgebergte (Himalaya)
  • Ontstaat door hoge druk
  1. Gebergten bij subductie (Andes,de  Alpen)
  2. Breukgebergte: horst en slenk (Rift Vallei)(divergente beweging)

-        Horst: hoger gebied van een breuk (in NL, Peelrandbreuk)

-        Slenk: lager gebied tussen 2 horsten (meren)

 

§11: Afbraak van gesteente

Endogene processen=processen van binnenuit de aarde d.m.v. energie

  • Aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, platentektoniek

Exogene processen=processen van buitenaf zoals temperatuurverschillen, neerslag, wind door zonne-energie(de zon)

  • Zorgt voor verwering, erosie, sedimentatie

 

Hydrologische kringloop(waterkringloop)=door warmte verdampt water uit oceanen -> stijgt op -> wordt in wolken verplaatst -> komt dan weer als neerslag naar beneden -> stroomt via rivieren of grondwater weer terug in zee -> herhaling enz. blijft maar door gaan

Hydrologische kringloop: endogene processen

  • Rivieren krijgen water
  • Transport materiaal -> schuring rotsen
  • Erosie, sedimentatie

 

Oude gebergten => exogene processen overheersen

Reliëf=hoogteverschillen in een landschap

Aarde is 4600 miljoen jaar oud

 

Bovengrondse afstroming=via open water

Ondergrondse afstroming=via grondwater

 

Lange(ook ijs en sneeuw) en korte waterkringloop:

  1. Evaporatie=verdamping uit open water of de bodem
  2. Transpiratie=verdamping via vegetatie(begroeiing)

1 + 2 =evapotranspiratie

 

§12: De gesteentekringloop

Drie groepen gesteenten:

  1. Stollingsgesteenten:
  • Afkoelen en stollen van magma
    • Dieptegesteente: stolt onder aardkorst,

verliest warmte langzaam -> kristallen

 

v  Magma -> graniet

  • Vulkanische gesteenten: stromen uit over aardoppervlak en koelen snel af -> touwlava

v  Lava -> basalt, touwlava, puimsteen

  1. Sedimentgesteente:
  • Verweringsmateriaal en resten van planten of dieren hopen zich op, raken bedekt, zakken weg en worden samengeperst
    • Vaak laagjes in gesteente en soms fossielen

v  Zand -> zandsteen

v  Klei -> schalie

v  Plantenresten > veen ->bruinkool

v  Koraal, schelpen -> kalksteen

  1. Metamorfe gesteente:
  • Stollingsgesteente of metamorfe zakken diep weg in aardkorst, komen onder hoge druk/hoge temperatuur te staan -> gesteente wordt omgevormd

v  Kalksteen -> marmer

v  Schalie -> leisteen

v  Bruinkool-> steenkool

v  Zandsteen -> kwartsiet

 

2 soorten gesteente kringloop:

  1. Van gebergte tot sediment tot gebergte:
  • Hoog in bergen exogene processen -> losse stukjes steen ->vervoer door water, wind en ijs naar zee -> sediment laag wordt dikker  -> wordt groot gewicht -> onderste korrels worden samengeperst tot sedimentgesteente -> botsing platen -> sedimentgesteente plooit -> gebergte -> proces opnieuw enz.
  1. Van magma tot basalt tot magma:
  • Bij midoceanische ruggen ontstaat nieuwe oceaanbodem (stollingsgesteente basalt) -> subductie: basalt duikt de mantel in -> groot deel van basalt kan weer opnieuw meedoen met convectie -> proces opnieuw enz.

 


 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

5648
 

reacties