Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Heb jij 10 minuten tijd voor een vragenlijstje over instructievideo's en YouTube-docenten? Onze dank is groot!

Jong & Oud H4, H5, H6

Economie

Samenvatting

 
6.8 / 10
64 stemmen van bezoekers
4e klas havo
niveau
  • razayel
  • NL
  • 847 woorden
  • 11443 keer
    6 deze maand
  • 11 december 2010

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Hoofdstuk 4 Verzekeren

4.3 Particuliere en sociale verzekeringen

Sociale verzekering is een verzekering die door de overheid collectief verplicht is gesteld.
Sociale verzekeringen verzekeren mensen tegen inkomensverlies, hoge kosten van ziekte of kinderen.

Wat is belangrijk bij sociale verzekeringen:

• Solidariteit:
Rijke komen op voor arme, gezonde voor de zieke, de werkende voor de werkloze.

Wie meer inkomen heeft, betaalt meer premie.

• Geen risico:
Er wordt bij vaststelling van de premie niet gekeken naar individuele risico. Iedereen wordt geaccepteerd.
Sociale verzekeringen kan je onderscheiden in volks- en werknemersverzekeringen.
Particuliere verzekering is een verzekering die je op eigen initiatief kunt sluiten.
Bij particuliere verzekeringen bemoeit de overheid niet met hoogte van premies. Hoogte van premie is afhankelijk van de omstandigheden.

Kenmerken particuliere verzekering:

• Zelf kiezen of je uitkeert
• Overheid bemoeit zich niet met verzekering
• Hoogte van premie afhankelijk van risico

Kenmerken volksverzekering:

• De overheid bepaalt voorwaarden en premie inkomensafhankelijk
• Iedereen wordt geaccepteerd
• Dekking verlies van inkomen
• Iedereen dezelfde uitkering

Kenmerken werknemersverzekering:

• Alleen verplicht voor mensen in loondienst
• 70-75% van loon wordt uitgekeerd

Waarom is de ziektekostenverzekering een vreemde verzekering?
Omdat het verplicht is, maar je moet het wel zelf afsluiten.
Als alleen slechte risico’s zich verzekeren en de goede niet dan noemen we dat averechtse selectie.

Hoofdstuk 5 Het huishouden

5.2 Koophuis of huurhuis?


Vragen die je kunt stellen bij het kopen van een koophuis:

• Toekomstige waarde van het huis?
• Hoe ontwikkelt het inkomen?
• Hoe ontwikkelen zich de maandelijkse woonlasten?
• Stijgt de rente?
• Wat zijn de onderhoudskosten?

5.4 De koopkracht van het huishoudinkomen


Consumentenprijsindex: De koopkrachtveranderingen berekenen van een huishouden.

CPI geeft aam hoeveel de kosten van levensonderhoud in een jaar stijgen en is een maatstaf voor inflatie.

• CPI = wegingsfactor * prijsindex + wegingsfactor * prijsindex etc.. /100.

Wegingsfactoren geven aan welk deel van de totale uitgaven er wordt uitgegeven.

• Koopkracht huishouden bereken je zo:

Koopkracht van Raoul = Indexcijfer nominaal inkomen ( loon ) / Consumentenprijsindexcijfer * 100

Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) houdt alle gegevens bij van Nederland. Die doen ook een budgetonderzoek.

Inflatie leidt tot:

• Daling reële inkomen bij gelijkblijvend nominaal inkomen
• Verandering van de reële waarde van het geld, namelijk: daling

Daling van koopkracht noem je geldontwaarding.
Indexcijfer reële rente = indexcijfer nominale rente / prijsindexcijfer * 100.

Vragen bij Hoofdstuk 6:

1. Waarom wil de overheid dat iedereen zo lang mogelijk aan het werk blijft?
Je betaalt langer de AOW-premie en je krijgt korting op je AOW-uitkering

2. Noem 4 bronnen van inkomsten waarvan 65-plussers na hun 65-ste kunnen leven.
AOW, pensioen, zelf sparen of langer doorwerken

3. De AOW wordt gefinancierd volgens het omslagstelsel. Leg uit wat daarmee wordt bedoeld.
Mensen die nu werken betalen premies voor mensen die nu een uitkering hebben

4. Bedrijfspensioenen worden gefinancierd volgens het kapitaaldekkingsstelsel. Leg uit wat daarmee wordt bedoeld.

Iedereen spaart tijdens zijn leven voor eigen pensioen.

5. Leg uit welk systeem jouw voorkeur zou hebben ( kapitaaldekkingsstelstel of omslagstelsel ) voor het financieren van de AOW, nu we in Nederland een vergrijzende bevolking hebben.

Kapitaaldekkingsstelsel, omdat de premies bij het omslagstelsel heel erg hoog worden.

6. Leg uit of je gemakkelijk kunt veranderen van een omslagstelsel naar een kapitaaldekkingsstelsel

Nee, want dan is het niet eerlijk voor de ouderen, omdat mensen die bijna 65 werden, hadden dan maar weinig AOW opgebouwd. Maar vooral dat de 65 plussers niks gehad hadden.

7. Pensioenen kunnen vast, waardevast of welvaartsvast zijn. Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.

Vast: Altijd hetzelfde bedrag
Waardevast: Pensioen bedrag stijgt mee met CPI
Welvaartsvast: Pensioenbedrag stijgt met zelfde percentage als de gemiddelde cao-lonen

8. Voorbeeldsom: Kees, Jan en Maarten gaan met pensioen op 1 januari 2000. Zij krijgen alle drie op dat moment een pensioen vaan 40,000 bruto per jaar.

Bereken of leg uit hoe hoog hun pensioen 10 jaar later is ( op 1 januari 2010 ). Hierbij moet je ook rekening houden met het feit dat de cao-lonen in die periode stegen met 20% en dat de inflatie in die periode 12% bedroeg. Verder is het belangrijk om te weten dat Kees een vast pensioen heeft, Jan een waardevast pensioen, en Maarten een welvaartsvast pensioen. Rond de bedragen af op hele euro’s.

Bereken of leg uit met hoeveel procent de reële waarde van de pensioenen van deze heren is veranderd.

R= Reëel
N= nominaal

Kees(Vast): 40,000 RIC=NIC/CPI*100=100/112*100=89.3-100=-10.7%
Jan(waardevast):40,000 * 1,12 = 44,800 RIC= 112/112*100=100-100=0
Maarten(welvaartsvast): 40,000 * 1,2 = 48,000 RIC=120/112*100=107,1-100=+7,1%

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

8686
 

reacties

 
ik wist niet dat r ook h6 bestond.. ?
door boris (reageren) op 22 januari 2012 om 16:14
@boris Er is zelfs ook een H7... en ook nog H8 en H9
door Daan (reageren) op 22 januari 2012 om 22:10