Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Franse Werkwoorden

Frans

Samenvatting

Werkwoorden

7.1 / 10
3e klas vmbo/havo
  • MaaikeJ
  • Nederlands
  • 2354 woorden
  • 116945 keer
    912 deze maand
  • 17 juni 2007
Regelmatig:
2 Se tromper = zich vergissen.
3 Rendre = teruggeven.
4 Mettre = zetten, leggen, aandoen.
5 Attendre = wachten.
6 Jouer = spelen.

Onregelmatig:
7 Être = zijn.
8 Avoir = hebben.
9 Pouvoir = kunnen, mogen.
10 Ecrire = schrijven.
11 Dire = zeggen.
12 Boire = drinken.
13 Aller = gaan.
14 Voir = zien.
15 Faire = maken.
16 prendre = nemen.
17 Connaître = kennen.
18 Venir = komen.
19 Lire = lezen.

1
Se tromper
= zich vergissen. (regelmatig; wederkerend.)

Présent:
Je me trompe = ik vergis me
Tu te trompes = jij vergist je
Il se trompe = hij vergist zich
Nous nous trompons = wij vergissen ons
Vous vous trompez = jullie vergissen jullie
Ils se trompent = zij vergissen zich

Passé composé :
Je me suis trompé(e) = ik heb me vergist
Tu t’es trompé(e) = jij hebt je vergist
Il s’est trompé = hij heeft zich vergist
Nous nous sommes trompé(e)s = wij hebben ons vergist
Vous vous êtes trompé(e)s = jullie hebben je vergist
Ils se sont trompés = zij hebben zich vergist

Imparfait:
Je me trompais = ik vergiste mij
Tu te trompais = jij vergiste je
Il se trompait = hij vergiste zich
Nous nous trompions = wij vergisten ons
Vous vous trompez = jullie vergisten jullie
Ils se trompaient = zij vergisten zich

Impératif:
Ne te trompe pas! = Vergis je niet!
Ne nous trompons pas! = Laten wij ons niet vergissen!
Ne vous trompez pas! = vergis je niet! (mv)

Futur:
Je me tromperai = ik zal me vergissen
Tu te tromperas = jij zal je vergissen
Il se trompera = hij zal zich vergissen
Nous nous tromperons = wij zullen ons vergissen
Vous vous tromperez = jullie zullen je vergissen
Ils se tromperont = zij zullen zich vergissen

Conditionnel:
Je me tromperais = ik zou me vergissen
Tu te tromperais = jij zou je vergissen
Il se tromperait = hij zou zich vergissen
Nous nous tromperions = wij zouden ons vergissen
Vous vous tromperiez = jullie zouden je vergissen
Ils se tromperaient = zij zouden zich vergissen

2
Rendre
= teruggeven. (regelmatig)

Présent:
Je rends = ik geef terug
Tu rends = jij geeft terug
Il rend = hij geeft terug
Nous rendons = wij geven terug
Vous rendez = jullie geven terug
Ils rendent = zij geven terug

Passé composé:
J’ai rendu = ik heb teruggegeven
Tu as rendu = jij hebt teruggegeven
Il a rendu = hij heeft teruggegeven
Nous avons rendu = wij hebben teruggegeven
Vous avez rendu = jullie hebben teruggegeven
Ils ont rendu = zij hebben teruggegeven

Imparfait:
Je rendais = Ik gaf terug
Tu rendais = jij gaf terug
Il rendait = hij gaf terug
Nous rendions = wij gaven terug
Vous rendiez = jullie gaven terug
Ils rendaient = zij gaven terug

Impératif:
Rends! = Geef terug!
Rendons! = Laten wij teruggeven!
Rendez ! = Geef terug! (meervoud)

Futur:
Je rendrai = Ik zal teruggeven
Tu rendras = Jij zal teruggeven
Il rendra = Hij zal teruggeven
Nous rendrons = Wij zullen teruggeven
Vous rendrez = jullie zullen teruggeven
Ils rendront = Zij zullen teruggeven

Conditionnel:
Je rendrais = Ik zou teruggeven
Tu rendrais = Jij zou teruggeven
Il rendrait = Hij zou teruggeven
Nous rendrions = Wij zouden teruggeven
Vous rendriez = Jullie zouden teruggeven
Ils rendraient = Zij zouden teruggeven

3
Mettre
= zetten, leggen, aandoen. (regelmatig)

Présent:
Je mets = ik zet, leg, doe aan.
Tu mets = jij zet, legt, doet aan.
Il met = hij zet, legt, doet aan.
Nous mettons = wij zetten, leggen, doen aan.
Vous mettez = jullie zetten, leggen, doen aan.
Ils mettent = zij zetten, leggen, doe aan.

Passé composé:
J’ai mis = ik heb gezet, gelegd, aangedaan.
Tu as mis = jij hebt gezet, gelegd, aangedaan.
Il a mis = hij heeft gezet, gelegd, aangedaan.
Nous avons mis = wij hebben gezet, gelegd, aangedaan.
Vous avez mis = jullie hebben gezet, gelegd, aangedaan.
Ils ont mis = zij hebben gezet, gelegd, aangedaan.

Imparfait:
Je mettais = ik zette, legde, deed aan.
Tu mettais = jij zette, legde, deed aan.
Il mettait = hij zette, legde, deed aan.
Nous mettions = wij zetten, legden, deden aan.
Vous mettiez = jullie zetten, legden, deden aan.
Ils mettaient = zij zetten, legden, deden aan.

Impératif:
Mets! = Zet! Leg! Doe aan!
Mettons! = Laten wij zetten/leggen/aandoen!
Mettez! = Zet! leg! Doe aan! (tegen mv.)

Futur:
Je mettrai = Ik zal zetten, leggen, aandoen.
Tu mettras = jij zal zetten, leggen, aandoen.
Il mettra = hij zal zetten, leggen, aandoen.
Nous mettrons = wij zullen zetten, leggen, aandoen.
Vous mettrez = jullie zullen zetten, leggen, aandoen.
Ils mettront = zij zullen zetten, leggen, aandoen.

Conditionnel:
Je mettrais = ik zou zetten, leggen, aandoen.
Tu mettrais = jij zou zetten, leggen, aandoen.
Il mettrait = hij zou zetten, leggen, aandoen.
Nous mettrions = wij zouden zetten, leggen, aandoen.
Vous mettriez = jullie zouden zetten, leggen, aandoen.
Ils mettraient = zij zouden zetten, leggen, aandoen.

4
Attendre
= wachten. (regelmatig)

Présent:
J’attends = Ik wacht
Tu attends = jij wacht
Il attend = hij wacht
Nous attendons = wij wachten
Vous attendez = jullie wachten
Ils attendent = zij wachten

Passé composé:
J’ai attendu = ik heb gewacht
Tu as attendu = jij hebt gewacht
Il a attendu = hij heeft gewacht
Nous avons attendu = wij hebben gewacht
Vous avez attendu = jullie hebben gewacht
Ils ont attendu = zij hebben gewacht

Imparfait:
J’attendais = ik wachtte
Tu attendais = jij wachtte
Il attendait = hij wachtte
Nous attendions = wij wachtten
Vous attendiez = jullie wachtten
Ils attendaient = zij wachtten

Impératif:
Attends! = Wacht !
Attendons! = laten wij wachten !
Attendez! = Wacht ! (meervoud)

Futur:
J’attendrai = ik zal wachten
Tu attendras = jij zal wachten
Il attendra = hij zal wachten
Nous attendrons = wij zullen wachten
Vous attendrez = jullie zullen wachten
Ils attendront = zij zullen wachten

Conditionnel:
J’attendrais = ik zou wachten
Tu attendrais = jij zou wachten
Il attendrait = hij zou wachten
Nous attendrions = wij zouden wachten
Vous attendriez = jullie zouden wachten
Ils attendraient = zij zouden wachten

5
Jouer
= spelen. (regelmatig)

Présent:
Je joue = ik speel
Tu joues = jij speelt
Il joue = hij speelt
Nous jouons = wij spelen
Vous jouez = jullie spelen
Ils jouent = zij spelen

Passé composé:
J’ai joué = ik heb gespeeld
Tu as joué = jij hebt gespeeld
Il a joué = hij heeft gespeeld
Nous avons joué = wij hebben gespeeld
Vous avez joué = jullie hebben gespeeld
Ils ont joué = zij hebben gespeeld

Imparfait:
Je jouais = ik speelde
Tu jouais = jij speelde
Il jouait = hij speelde
Nous jouions = wij speelden
Vous jouiez = jullie speelden
Ils jouaient = zij speelden

Impératif:
Joue! = Speel !
Jouons! = Laten wij spelen !
Jouez ! = Speel ! (meervoud)

Futur:
Je jouerai = ik zal spelen
Tu joueras = jij zult spelen
Il jouera = hij zal spelen
Nous jouerons = wij zullen spelen
Vous jouerez = jullie zullen spelen
Ils joueront = zij zullen spelen

Conditionnel:
Je jouerais = ik zou spelen
Tu jouerais = jij zou spelen
Il jouerait = hij zou spelen
Nous jouerions = wij zouden spelen
Vous joueriez = jullie zouden spelen
Ils joueraient = zij zouden spelen

6
Être
= zijn. (onregelmatig)

Présent:
je suis = ik ben
tu es = jij bent
il est = hij is
nous sommes = wij zijn
vous êtes = jullie zijn
ils sont = zij zijn

Passé composé:
J’ai été = ik ben geweest
tu es été = jij bent geweest
il a été = hij is geweest
nous avons été = wij zijn geweest
vous avez été = jullie zijn geweest
ils ont été = zij zijn geweest

Imparfait:
J’étais = ik was
Tu étais = jij was
Il était = hij was
Nous étions = wij waren
Vous étiez = jullie waren
Ils étaient = zij waren

Impératif:
Sois! = Wees!
Soyons! = laten wij zijn!
Soyez! = Wees! (tegen mv.)

Futur:
Je serai = ik zal zijn
Tu seras = jij zult zijn
Il sera = hij zal zijn
Nous serons = wij zullen zijn
Vous serez = jullie zullen zijn
Ils seront = zij zullen zijn

Conditionnel:
Je serais = ik zou zijn
Tu serais = jij zou zijn
Il serait = hij zou zijn
Nous serions = wij zouden zijn
Vous seriez = jullie zouden zijn
Ils seraient = zij zouden zijn

7
Avoir
= hebben. (onregelmatig)

Présent:
J’ai = ik heb
Tu as = jij hebt
Il a = hij heeft
Nous avons = wij hebben
Vous avez = jullie hebben
Ils ont = zij hebben

Passé composé:
J’ai eu = ik heb gehad
Tu as eu = jij hebt gehad
Il a eu = hij heeft gehad
Nous avons eu = wij hebben gehad
Vous avez eu = jullie hebben gehad
Ils ont eu = zij hebben gehad

Imparfait:
J’avais = ik had
Tu avais = jij had
Il avait = hij had
Nous avions = wij hadden
Vous aviez = jullie hadden
Ils avaient = zij hadden

Impératif:
Aie! = Heb!
Ayons! = Laten wij hebben!
Ayez! = Heb! (tegen mv.)

Futur:
J’aurai = ik zal hebben
Tu auras = jij zult hebben
Il aura = hij zal hebben
Nous aurons = wij zullen hebben
Vous aurez = jullie zullen hebben
Ils auront = zij zullen hebben

Conditionnel:
J’aurais = ik zou hebben
Tu aurais = jij zou hebben
Il aurait = hij zou hebben
Nous aurions = wij zouden hebben
Vous auriez = jullie zouden hebben
Ils auraient = zij zouden hebben

8
Pouvoir
= kunnen, mogen.

Présent:
Je peux = ik kan, mag
Tu peux = jij kunt, mag
Il peut = hij kan, mag
Nous pouvons = wij kunnen, mogen
Vous pouvez = jullie kunnen, mogen
Ils peuvent = zij kunnen, mogen

Passé composé:
J’ai pu = ik heb gekund, gemogen
Tu as pu = jij hebt gekund, gemogen
Il a pu = hij heeft gekund, gemogen
Nous avons pu = wij hebben gekund, gemogen
Vous avez pu = jullie hebben gekund, gemogen
Ils ont pu = zij hebben gekund, gemogen

Imparfait:
Je pouvais = ik kon, mocht
Tu pouvais = jij kon, mocht
Il pouvait = hij kon, mocht
Nous pouvions = wij konden, mochten
Vous pouviez = jullie konden, mochten
Ils pouvaient = zij konden, mochten

Impératif:
Peux ! = Kan/mag !
Pouvons ! = Laten wij kunnen/mogen !
Pouvez ! = Kan/Mag ! (tegen mv.)

Futur:
Je pourrai = ik zal mogen, kunnen.
Tu pourras = jij zal mogen, kunnen.
Il pourra = hij zal mogen, kunnen.
Nous pourrons = wij zullen mogen, kunnen
Vous pourrez = jullie zullen mogen, kunnen
Ils pourrent = zij zullen mogen, kunnen.

Conditionnel:
Je pourrais = ik zou mogen, kunnen.
Tu pourrais = jij zou mogen, kunnen.
Il pourrait = hij zou mogen, kunnen.
Nous pourrions = wij zouden mogen, kunnen.
Vous pourriez = jullie zouden mogen, kunnen.
Ils pourraient = zij zouden mogen, kunnen.

9
Ecrire
= schrijven. (onregelmatig)

Présent:
J’écris = ik schrijf
Tu écris = jij schrijft
Il écrit = hij schrijft
Nous écrivons = wij schrijven
Vous écrivez = jullie schrijven
Ils écrivent = zij schrijven

Passé composé:
J’ai écrit = ik heb geschreven
Tu as écrit = jij hebt geschreven
Il a écrit = hij heeft geschreven
Nous avons écrit = wij hebben geschreven
Vous avez écrit = jullie hebben geschreven
Ils ont écrit = zij hebben geschreven

Imparfait:
J’écrivais = ik schreef
Tu écrivais = jij schreef
Il écrivait = hij schreef
Nous écrivions = wij schreven
Vous écriviez = jullie schreven
Ils écrivaient = zij schreven

Impératif:
Écris! = Schrijf!
Écrivons! = Laten wij schrijven!
Écrivez! = Schrijf! (tegen mv.)

Futur:
J’écrirai = ik zal schrijven
Tu écriras = jij zult schrijven
Il écrira = hij zal schrijven
Nous écrirons = wij zullen schrijven
Vous écrirez = jullie zullen schrijven
Ils écriront = zij zullen schrijven

Conditionnel:
J’écrirais = ik zou schrijven
Tu écrirais = jij zou schrijven
Il écrirait = hij zou schrijven
Nous écririons = wij zouden schrijven
Vous écririez = jullie zouden schrijven
Ils écriraient = zij zouden schrijven

10
Dire
= zeggen. (onregelmatig)

Présent:
Je dis = ik zeg
Tu dis = jij zegt
Il dit = hij zegt
Nous disons = wij zeggen
Vous dites = jullie zeggen
Ils disent = zij zeggen

Passé composé:
J’ai dit = ik heb gezegd
Tu as dit = jij hebt gezegd
Il a dit = hij heeft gezegd
Nous avons dit = wij hebben gezegd
Vous avez dit = jullie hebben gezegd
Ils ont dit = zij hebben gezegd

Imparfait:
Je disais = ik zei
Tu disais = jij zei
Il disait = hij zei
Nous disions = wij zeiden
Vous disiez = jullie zeiden
Ils disaient = zij zeiden

Impératif:
Dis! = Zeg!
Disons! = Laten wij zeggen!
Dites! = zeg! (tegen mv.)

Futur:
Je dirai = ik zal zeggen
Tu diras = jij zult zeggen
Il dira = hij zal zeggen
Nous dirons = wij zullen zeggen
Vous direz = jullie zullen zeggen
Ils diront = zij zullen zeggen

Conditionnel:
Je dirais = ik zou zeggen
Tu dirais = jij zou zeggen
Il dirait = hij zou zeggen
Nous dirions = wij zouden zeggen
Vous diriez = jullie zouden zeggen
Ils diraient = zij zouden zeggen

11
Boire
= drinken. (onregelmatig)

Présent:
Je bois = ik drink
Tu bois = jij drinkt
Il boit = hij drinkt
Nous buvons = wij drinken
Vous buvez = jullie drinken
Ils boivent = zij drinken

Passé composé:
J’ai bu = ik heb gedronken
Tu as bu = jij hebt gedronken
Il a bu = hij heeft gedronken
Nous avons bu = wij hebben gedronken
Vous avez bu = jullie hebben gedronken
Ils ont bu = zij hebben gedronken

Imparfait:
Je buvais = ik dronk
Tu buvais = jij dronk
Il buvait = hij dronk
Nous buvions = wij dronken
Vous buviez = jullie dronken
Ils buvaient = zij dronken

Impératif:
Bois! = Drink!
Buvons! = Laten wij drinken!
Buvez! = Drink! (tegen mv.)

Futur:
Je boirai = ik zal drinken
Tu boiras = jij zal drinken
Il boira = hij zal drinken
Nous boirons = wij zullen drinken
Vous boirez = jullie zullen drinken
Ils boiront = zij zullen drinken

Conditionnel:
Je boirais = ik zou drinken
Tu boirais = jij zou drinken
Il boirait = hij zou drinken
Nous boirions = wij zouden drinken
Vous boiriez = jullie zouden drinken
Ils boiraient = zij zouden drinken

12
Aller
= gaan. (onregelmatig)

Présent:
Je vais = ik ga
Tu vas = jij gaat
Il va = hij gaat
Nous allons = wij gaan
Vous allez = jullie gaan
Ils vont = zij gaan

Passé composé:
Je suis allé(e) = ik ben gegaan
Tu es allé(e) = jij bent gegaan
Il est allé = hij is gegaan
Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan
Vous êtes allé(e)s = jullie zijn gegaan
Ils sont allés = zij zijn gegaan

Imparfait:
J’allais = ik ging
Tu allais = jij ging
Il allait = hij ging
Nous allions = wij gingen
Vous alliez = jullie gingen
Ils allaient = zij gingen

Impératif:
Va! = Ga!
Allons! = Laten wij gaan!
Allez! = Ga! (tegen mv.)

Futur:
J’irai = ik zal gaan
Tu iras = jij zal gaan
Il ira = hij zal gaan
Nous irons = wij zullen gaan
Vous irez = jullie zullen gaan
Ils iront = zij zullen gaan

Conditionnel:
J’irais = ik zou gaan
Tu irais = jij zou gaan
Il irait = hij zou gaan
Nous irions = wij zouden gaan
Vous iriez = jullie zouden gaan
Ils iraient = zij zouden gaan

13
Voir
= zien.

Présent:
Je vois = ik zie
Tu vois = jij ziet
Il voit = hij ziet
Nous voyons = wij zien
Vous voyez = jullie zien
Ils voient = zij zien

Passé composé:
J’ai vu = ik heb gezien
Tu as vu = jij hebt gezien
Il a vu = hij heeft gezien
Nous avons vu = wij hebben gezien
Vous avez vu = jullie hebben gezien
Ils ont vu = zij hebben gezien

Imparfait:
Je voyais = ik zag
Tu voyais = jij zag
Il voyait = hij zag
Nous voyions = wij zagen
Vous voyiez = jullie zagen
Ils voyaient = zij zagen

Impératif:
Vois ! = Zie !
Voyons ! = Laten wij zien !
Voyez ! = Zie ! (tegen mv.)

Futur:
Je verrai = ik zal zien
Tu verras = jij zult zien
Il verra = hij zal zien
Nous verrons = wij zullen zien
Vous verrez = jullie zullen zien
Ils verrent = zij zullen zien

14
Faire
= maken. (onregelmatig)

Présent:
Je fais = ik maak
Tu fais = jij maakt
Il fait = hij maakt
Nous faisons = wij maken
Vous faites = jullie maken
Ils font = zij maken

Passé composé:
J’ai fait = ik heb gemaakt
Tu as fait = jij hebt gemaakt
Il a fait = hij heeft gemaakt
Nous avons fait = wij hebben gemaakt
Vous avez fait = jullie hebben gemaakt
Ils ont fait = zij hebben gemaakt

Imparfait:
Je faisais = ik maakte
Tu faisais = jij maakte
Il faisait = hij maakte
Nous faisions = wij maakten
Vous faisiez = jullie maakten
Ils faisaient = zij maakten

Impératif:
Fais! = maak!
Faisons! = Laten wij maken!
Faites! = maak! (tegen mv.)

Futur:
Je ferai = ik zal maken
Tu feras = jij zult maken
Il fera = hij zal maken
Nous ferons = wij zullen maken
Vous ferez = jullie zullen maken
Ils feront = zij zullen maken

Conditionnel:
Je ferais = ik zou maken
Tu ferais = jij zou maken
Il ferait = hij zou maken
Nous faisions = wij zouden maken
Vous faisiez = jullie zouden maken
Ils feraient = zij zouden maken

15
Prendre
= nemen.

Présent:
Je prends = ik neem
Tu prends = jij neemt
Il prend = hij neemt
Nous prenons = wij nemen
Vous prenez = jullie nemen
Ils prennent = zij nemen

Passé composé:
J’ai pris = ik heb genomen
Tu as pris = jij hebt genomen
Il a pris = hij heeft genomen
Nous avons pris = wij hebben genomen
Vous avez pris = jullie hebben genomen
Ils ont pris = zij hebben genomen

Imparfait:
Je prenais = ik nam
Tu prenais = jij nam
Il prenait = hij nam
Nous prenions = wij namen
Vous preniez = jullie namen
Ils prenaient = zij namen

Impératif:
Prends ! = neem !
Prenons ! = Laten wij nemen !
Prenez ! = neem ! (tegen mv.)

Futur:
Je prendrai = ik zal nemen
Tu prendras = jij zult nemen
Il prendra = hij zal nemen
Nous prendrons = wij zullen nemen
Vous prendrez = jullie zullen nemen
Ils prendrent = zij zullen nemen

Conditionnel:
Je prendrais = ik zou nemen
Tu prendrais = jij zou nemen
Il prendrait = hij zou nemen
Nous prendrions = wij zouden nemen
Vous prendriez = jullie zouden nemen
Ils prendaient = zij zouden nemen

16
Connaître
= kennen. (onregelmatig)

Présent:
Je connais = ik ken
Tu connais = jij kent
Il connaît = hij kent
Nous connaissons = wij kennen
Vous connaissez = jullie kennen
Ils connaissent = zij kennen

Passé composé:
J’ai connu = ik heb gekend
Tu as connu = jij hebt gekend
Il a connu = hij heeft gekend
Nous avons connu = wij hebben gekend
Vous avez connu = jullie hebben gekend
Ils ont connu = zij hebben gekend

Imparfait:
Je connaissais = ik kende
Tu connaissais = jij kende
Il connaissait = hij kende
Nous connaissions = wij kenden
Vous connaissiez = jullie kenden
Ils connaissaient = zij kenden

Impératif:
Connais! = Ken!
Connaissons! = Laten wij kennen!
Connaissez! = Ken! (tegen mv.)

Futur:
Je connaîtrai = ik zal kennen
Tu connaîtras = jij zult kennen
Il connaîtra = hij zal kennen
Nous connaîtrons = wij zullen kennen
Vous connaîtrez = jullie zullen kennen
Ils connaîtront = zij zullen kennen

Conditionnel:
Je connaîtrais = ik zou kennen
Tu connaîtrais = jij zou kennen
Il connaîtrait = hij zou kennen
Nous connaîtrions = wij zouden kennen
Vous connaîtriez = jullie zouden kennen
Ils connaîtraient = zij zouden kennen

17
Venir
= komen.

Présent:
Je viens = ik kom
Tu viens = jij komt
Il vient = hij komt
Nous venons = wij komen
Vous venez = jullie komen
Ils vennent = zij komen

Passé composé:
Je suis venu(e) = ik ben gekomen
Tu es venu(e) = jij bent gekomen
Il est venu = hij is gekomen
Nous sommes venu(e)s = wij zijn gekomen
Vous êtes venu(e)(s) = jullie zijn gekomen
Ils sont venus = zij zijn gekomen

Imparfait:
Je venais = ik kwam
Tu venais = jij kwam
Il venait = hij kwam
Nous venions = wij kwamen
Vous veniez = jullie kwamen
Ils venaient = zij kwamen

Impératif:
Viens! = kom!
Venons! = laten wij komen!
Venez! = kom! (tegen mv.)

Futur:
Je viendrai = ik zal komen
Tu viendras = jij zult komen
Il viendra = hij zal komen
Nous viendrons = wij zullen komen
Vous viendrez = jullie zullen komen
Ils viendrent = zij zullen komen

Conditionnel:
Je viendrais = ik zou komen
Tu viendrais = jij zou komen
Il viendrait = hij zou komen
Nous viendrions = wij zouden komen
Vous viendriez = jullie zouden komen
Ils viendraient = zij zouden komen

18
Lire
= lezen. (onregelmatig)

Présent:
Je lis = ik lees
Tu lis = jij leest
Il lit = hij leest
Nous lisons = wij lezen
Vous lisez = jullie lezen
Ils lisent = zij lezen

Passé composé:
J’ai lu = ik heb gelezen
Tu as lu = jij hebt gelezen
Il a lu = hij heeft gelezen
Nous avons lu = wij hebben gelezen
Vous avez lu = jullie hebben gelezen
Ils ont lu = zij hebben gelezen

Imparfait:
Je lisais = ik las
Tu lisais = jij las
Il lisait = hij las
Nous lisions = wij lazen
Vous lisiez = jullie lazen
Ils lisaient = zij lazen

Impératif:
Lis! = Lees!
Lisons! = Laten wij lezen!
Lisez! = Lees! (tegen mv.)

Futur:
Je lirai = ik zal lezen
Tu liras = jij zult lezen
Il lira = hij zal lezen
Nous lirons = wij zullen lezen
Vous lirez = jullie zullen lezen
Ils liront = zij zullen lezen

Conditionnel:
Je lirais = ik zou lezen
Tu lirais = jij zou lezen
Il lirait = hij zou lezen
Nous lirions = wij zouden lezen
Vous liriez = jullie zouden lezen
Ils liraient = zij zouden lezen

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

3911

reacties

Betreft : Franse Werkwoorden 17 Venir = komen. Présent: Ils vennent = zij komen MOET zijn : ils viennent Met vriendelijke groeten Eddy Engels
door Eddy Engels (reageren) op 6 maart 2008 om 21:48
Super handig! Ik ben je echt heel erg dankbaar !
door Tessa (reageren) op 9 februari 2009 om 16:32
Faire = Doen / Maken
door Jonathan (reageren) op 29 augustus 2013 om 13:07

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten
in september en oktober: jongerenkrant 7Days 3 weken gratis thuisbezorgd

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Weet jij al wat je gaat studeren?