Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Franse Werkwoorden

Frans

Samenvatting

Werkwoorden

 
7.1 / 10
688 stemmen van bezoekers
3e klas vmbo/havo
niveau
  • MaaikeJ
  • NL
  • 2354 woorden
  • 99546 keer
    28 deze maand
  • 17 juni 2007

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Regelmatig:
2 Se tromper = zich vergissen.
3 Rendre = teruggeven.
4 Mettre = zetten, leggen, aandoen.
5 Attendre = wachten.
6 Jouer = spelen.

Onregelmatig:

7 Être = zijn.
8 Avoir = hebben.
9 Pouvoir = kunnen, mogen.
10 Ecrire = schrijven.
11 Dire = zeggen.
12 Boire = drinken.
13 Aller = gaan.
14 Voir = zien.
15 Faire = maken.
16 prendre = nemen.
17 Connaître = kennen.
18 Venir = komen.
19 Lire = lezen.

1
Se tromper
= zich vergissen. (regelmatig; wederkerend.)

Présent:
Je me trompe = ik vergis me
Tu te trompes = jij vergist je
Il se trompe = hij vergist zich
Nous nous trompons = wij vergissen ons
Vous vous trompez = jullie vergissen jullie
Ils se trompent = zij vergissen zich

Passé composé :
Je me suis trompé(e) = ik heb me vergist
Tu t’es trompé(e) = jij hebt je vergist
Il s’est trompé = hij heeft zich vergist
Nous nous sommes trompé(e)s = wij hebben ons vergist
Vous vous êtes trompé(e)s = jullie hebben je vergist
Ils se sont trompés = zij hebben zich vergist

Imparfait:
Je me trompais = ik vergiste mij
Tu te trompais = jij vergiste je
Il se trompait = hij vergiste zich
Nous nous trompions = wij vergisten ons
Vous vous trompez = jullie vergisten jullie
Ils se trompaient = zij vergisten zich

Impératif:
Ne te trompe pas! = Vergis je niet!
Ne nous trompons pas! = Laten wij ons niet vergissen!
Ne vous trompez pas! = vergis je niet! (mv)

Futur:
Je me tromperai = ik zal me vergissen
Tu te tromperas = jij zal je vergissen
Il se trompera = hij zal zich vergissen
Nous nous tromperons = wij zullen ons vergissen
Vous vous tromperez = jullie zullen je vergissen
Ils se tromperont = zij zullen zich vergissen

Conditionnel:
Je me tromperais = ik zou me vergissen
Tu te tromperais = jij zou je vergissen
Il se tromperait = hij zou zich vergissen
Nous nous tromperions = wij zouden ons vergissen
Vous vous tromperiez = jullie zouden je vergissen
Ils se tromperaient = zij zouden zich vergissen

2
Rendre
= teruggeven. (regelmatig)

Présent:
Je rends = ik geef terug
Tu rends = jij geeft terug
Il rend = hij geeft terug
Nous rendons = wij geven terug
Vous rendez = jullie geven terug
Ils rendent = zij geven terug

Passé composé:
J’ai rendu = ik heb teruggegeven
Tu as rendu = jij hebt teruggegeven
Il a rendu = hij heeft teruggegeven
Nous avons rendu = wij hebben teruggegeven
Vous avez rendu = jullie hebben teruggegeven
Ils ont rendu = zij hebben teruggegeven

Imparfait:
Je rendais = Ik gaf terug
Tu rendais = jij gaf terug
Il rendait = hij gaf terug
Nous rendions = wij gaven terug
Vous rendiez = jullie gaven terug
Ils rendaient = zij gaven terug

Impératif:
Rends! = Geef terug!
Rendons! = Laten wij teruggeven!
Rendez ! = Geef terug! (meervoud)

Futur:
Je rendrai = Ik zal teruggeven
Tu rendras = Jij zal teruggeven
Il rendra = Hij zal teruggeven
Nous rendrons = Wij zullen teruggeven
Vous rendrez = jullie zullen teruggeven
Ils rendront = Zij zullen teruggeven

Conditionnel:
Je rendrais = Ik zou teruggeven
Tu rendrais = Jij zou teruggeven
Il rendrait = Hij zou teruggeven
Nous rendrions = Wij zouden teruggeven
Vous rendriez = Jullie zouden teruggeven
Ils rendraient = Zij zouden teruggeven

3
Mettre
= zetten, leggen, aandoen. (regelmatig)

Présent:
Je mets = ik zet, leg, doe aan.
Tu mets = jij zet, legt, doet aan.
Il met = hij zet, legt, doet aan.
Nous mettons = wij zetten, leggen, doen aan.
Vous mettez = jullie zetten, leggen, doen aan.
Ils mettent = zij zetten, leggen, doe aan.

Passé composé:
J’ai mis = ik heb gezet, gelegd, aangedaan.
Tu as mis = jij hebt gezet, gelegd, aangedaan.
Il a mis = hij heeft gezet, gelegd, aangedaan.
Nous avons mis = wij hebben gezet, gelegd, aangedaan.
Vous avez mis = jullie hebben gezet, gelegd, aangedaan.
Ils ont mis = zij hebben gezet, gelegd, aangedaan.

Imparfait:
Je mettais = ik zette, legde, deed aan.
Tu mettais = jij zette, legde, deed aan.
Il mettait = hij zette, legde, deed aan.
Nous mettions = wij zetten, legden, deden aan.
Vous mettiez = jullie zetten, legden, deden aan.
Ils mettaient = zij zetten, legden, deden aan.

Impératif:
Mets! = Zet! Leg! Doe aan!
Mettons! = Laten wij zetten/leggen/aandoen!
Mettez! = Zet! leg! Doe aan! (tegen mv.)

Futur:
Je mettrai = Ik zal zetten, leggen, aandoen.
Tu mettras = jij zal zetten, leggen, aandoen.
Il mettra = hij zal zetten, leggen, aandoen.
Nous mettrons = wij zullen zetten, leggen, aandoen.
Vous mettrez = jullie zullen zetten, leggen, aandoen.
Ils mettront = zij zullen zetten, leggen, aandoen.

Conditionnel:
Je mettrais = ik zou zetten, leggen, aandoen.
Tu mettrais = jij zou zetten, leggen, aandoen.
Il mettrait = hij zou zetten, leggen, aandoen.
Nous mettrions = wij zouden zetten, leggen, aandoen.
Vous mettriez = jullie zouden zetten, leggen, aandoen.
Ils mettraient = zij zouden zetten, leggen, aandoen.

4
Attendre
= wachten. (regelmatig)

Présent:
J’attends = Ik wacht
Tu attends = jij wacht
Il attend = hij wacht
Nous attendons = wij wachten
Vous attendez = jullie wachten
Ils attendent = zij wachten

Passé composé:
J’ai attendu = ik heb gewacht
Tu as attendu = jij hebt gewacht
Il a attendu = hij heeft gewacht
Nous avons attendu = wij hebben gewacht
Vous avez attendu = jullie hebben gewacht
Ils ont attendu = zij hebben gewacht

Imparfait:
J’attendais = ik wachtte
Tu attendais = jij wachtte
Il attendait = hij wachtte
Nous attendions = wij wachtten
Vous attendiez = jullie wachtten
Ils attendaient = zij wachtten

Impératif:
Attends! = Wacht !
Attendons! = laten wij wachten !
Attendez! = Wacht ! (meervoud)

Futur:
J’attendrai = ik zal wachten
Tu attendras = jij zal wachten
Il attendra = hij zal wachten
Nous attendrons = wij zullen wachten
Vous attendrez = jullie zullen wachten
Ils attendront = zij zullen wachten

Conditionnel:
J’attendrais = ik zou wachten
Tu attendrais = jij zou wachten
Il attendrait = hij zou wachten
Nous attendrions = wij zouden wachten
Vous attendriez = jullie zouden wachten
Ils attendraient = zij zouden wachten

5
Jouer
= spelen. (regelmatig)

Présent:
Je joue = ik speel
Tu joues = jij speelt
Il joue = hij speelt
Nous jouons = wij spelen
Vous jouez = jullie spelen
Ils jouent = zij spelen

Passé composé:
J’ai joué = ik heb gespeeld
Tu as joué = jij hebt gespeeld
Il a joué = hij heeft gespeeld
Nous avons joué = wij hebben gespeeld
Vous avez joué = jullie hebben gespeeld
Ils ont joué = zij hebben gespeeld

Imparfait:
Je jouais = ik speelde
Tu jouais = jij speelde
Il jouait = hij speelde
Nous jouions = wij speelden
Vous jouiez = jullie speelden
Ils jouaient = zij speelden

Impératif:
Joue! = Speel !
Jouons! = Laten wij spelen !
Jouez ! = Speel ! (meervoud)

Futur:
Je jouerai = ik zal spelen
Tu joueras = jij zult spelen
Il jouera = hij zal spelen
Nous jouerons = wij zullen spelen
Vous jouerez = jullie zullen spelen
Ils joueront = zij zullen spelen

Conditionnel:
Je jouerais = ik zou spelen
Tu jouerais = jij zou spelen
Il jouerait = hij zou spelen
Nous jouerions = wij zouden spelen
Vous joueriez = jullie zouden spelen
Ils joueraient = zij zouden spelen

6
Être
= zijn. (onregelmatig)

Présent:
je suis = ik ben
tu es = jij bent
il est = hij is
nous sommes = wij zijn
vous êtes = jullie zijn
ils sont = zij zijn

Passé composé:
J’ai été = ik ben geweest
tu es été = jij bent geweest
il a été = hij is geweest
nous avons été = wij zijn geweest
vous avez été = jullie zijn geweest
ils ont été = zij zijn geweest

Imparfait:
J’étais = ik was
Tu étais = jij was
Il était = hij was
Nous étions = wij waren
Vous étiez = jullie waren
Ils étaient = zij waren

Impératif:
Sois! = Wees!
Soyons! = laten wij zijn!
Soyez! = Wees! (tegen mv.)

Futur:
Je serai = ik zal zijn
Tu seras = jij zult zijn
Il sera = hij zal zijn
Nous serons = wij zullen zijn
Vous serez = jullie zullen zijn
Ils seront = zij zullen zijn

Conditionnel:
Je serais = ik zou zijn
Tu serais = jij zou zijn
Il serait = hij zou zijn
Nous serions = wij zouden zijn
Vous seriez = jullie zouden zijn
Ils seraient = zij zouden zijn

7
Avoir
= hebben. (onregelmatig)

Présent:
J’ai = ik heb
Tu as = jij hebt
Il a = hij heeft
Nous avons = wij hebben
Vous avez = jullie hebben
Ils ont = zij hebben

Passé composé:
J’ai eu = ik heb gehad
Tu as eu = jij hebt gehad
Il a eu = hij heeft gehad
Nous avons eu = wij hebben gehad
Vous avez eu = jullie hebben gehad
Ils ont eu = zij hebben gehad

Imparfait:
J’avais = ik had
Tu avais = jij had
Il avait = hij had
Nous avions = wij hadden
Vous aviez = jullie hadden
Ils avaient = zij hadden

Impératif:
Aie! = Heb!
Ayons! = Laten wij hebben!
Ayez! = Heb! (tegen mv.)

Futur:
J’aurai = ik zal hebben
Tu auras = jij zult hebben
Il aura = hij zal hebben
Nous aurons = wij zullen hebben
Vous aurez = jullie zullen hebben
Ils auront = zij zullen hebben

Conditionnel:
J’aurais = ik zou hebben
Tu aurais = jij zou hebben
Il aurait = hij zou hebben
Nous aurions = wij zouden hebben
Vous auriez = jullie zouden hebben
Ils auraient = zij zouden hebben

8
Pouvoir
= kunnen, mogen.

Présent:
Je peux = ik kan, mag
Tu peux = jij kunt, mag
Il peut = hij kan, mag
Nous pouvons = wij kunnen, mogen
Vous pouvez = jullie kunnen, mogen
Ils peuvent = zij kunnen, mogen

Passé composé:
J’ai pu = ik heb gekund, gemogen
Tu as pu = jij hebt gekund, gemogen
Il a pu = hij heeft gekund, gemogen
Nous avons pu = wij hebben gekund, gemogen
Vous avez pu = jullie hebben gekund, gemogen
Ils ont pu = zij hebben gekund, gemogen

Imparfait:
Je pouvais = ik kon, mocht
Tu pouvais = jij kon, mocht
Il pouvait = hij kon, mocht
Nous pouvions = wij konden, mochten
Vous pouviez = jullie konden, mochten
Ils pouvaient = zij konden, mochten

Impératif:
Peux ! = Kan/mag !
Pouvons ! = Laten wij kunnen/mogen !
Pouvez ! = Kan/Mag ! (tegen mv.)

Futur:
Je pourrai = ik zal mogen, kunnen.
Tu pourras = jij zal mogen, kunnen.
Il pourra = hij zal mogen, kunnen.
Nous pourrons = wij zullen mogen, kunnen
Vous pourrez = jullie zullen mogen, kunnen
Ils pourrent = zij zullen mogen, kunnen.

Conditionnel:
Je pourrais = ik zou mogen, kunnen.
Tu pourrais = jij zou mogen, kunnen.
Il pourrait = hij zou mogen, kunnen.
Nous pourrions = wij zouden mogen, kunnen.
Vous pourriez = jullie zouden mogen, kunnen.
Ils pourraient = zij zouden mogen, kunnen.

9
Ecrire
= schrijven. (onregelmatig)

Présent:
J’écris = ik schrijf
Tu écris = jij schrijft
Il écrit = hij schrijft
Nous écrivons = wij schrijven
Vous écrivez = jullie schrijven
Ils écrivent = zij schrijven

Passé composé:
J’ai écrit = ik heb geschreven
Tu as écrit = jij hebt geschreven
Il a écrit = hij heeft geschreven
Nous avons écrit = wij hebben geschreven
Vous avez écrit = jullie hebben geschreven
Ils ont écrit = zij hebben geschreven

Imparfait:
J’écrivais = ik schreef
Tu écrivais = jij schreef
Il écrivait = hij schreef
Nous écrivions = wij schreven
Vous écriviez = jullie schreven
Ils écrivaient = zij schreven

Impératif:
Écris! = Schrijf!
Écrivons! = Laten wij schrijven!
Écrivez! = Schrijf! (tegen mv.)

Futur:
J’écrirai = ik zal schrijven
Tu écriras = jij zult schrijven
Il écrira = hij zal schrijven
Nous écrirons = wij zullen schrijven
Vous écrirez = jullie zullen schrijven
Ils écriront = zij zullen schrijven

Conditionnel:
J’écrirais = ik zou schrijven
Tu écrirais = jij zou schrijven
Il écrirait = hij zou schrijven
Nous écririons = wij zouden schrijven
Vous écririez = jullie zouden schrijven
Ils écriraient = zij zouden schrijven

10
Dire
= zeggen. (onregelmatig)

Présent:
Je dis = ik zeg
Tu dis = jij zegt
Il dit = hij zegt
Nous disons = wij zeggen
Vous dites = jullie zeggen
Ils disent = zij zeggen

Passé composé:
J’ai dit = ik heb gezegd
Tu as dit = jij hebt gezegd
Il a dit = hij heeft gezegd
Nous avons dit = wij hebben gezegd
Vous avez dit = jullie hebben gezegd
Ils ont dit = zij hebben gezegd

Imparfait:
Je disais = ik zei
Tu disais = jij zei
Il disait = hij zei
Nous disions = wij zeiden
Vous disiez = jullie zeiden
Ils disaient = zij zeiden

Impératif:
Dis! = Zeg!
Disons! = Laten wij zeggen!
Dites! = zeg! (tegen mv.)

Futur:
Je dirai = ik zal zeggen
Tu diras = jij zult zeggen
Il dira = hij zal zeggen
Nous dirons = wij zullen zeggen
Vous direz = jullie zullen zeggen
Ils diront = zij zullen zeggen

Conditionnel:
Je dirais = ik zou zeggen
Tu dirais = jij zou zeggen
Il dirait = hij zou zeggen
Nous dirions = wij zouden zeggen
Vous diriez = jullie zouden zeggen
Ils diraient = zij zouden zeggen

11
Boire
= drinken. (onregelmatig)

Présent:
Je bois = ik drink
Tu bois = jij drinkt
Il boit = hij drinkt
Nous buvons = wij drinken
Vous buvez = jullie drinken
Ils boivent = zij drinken

Passé composé:
J’ai bu = ik heb gedronken
Tu as bu = jij hebt gedronken
Il a bu = hij heeft gedronken
Nous avons bu = wij hebben gedronken
Vous avez bu = jullie hebben gedronken
Ils ont bu = zij hebben gedronken

Imparfait:
Je buvais = ik dronk
Tu buvais = jij dronk
Il buvait = hij dronk
Nous buvions = wij dronken
Vous buviez = jullie dronken
Ils buvaient = zij dronken

Impératif:
Bois! = Drink!
Buvons! = Laten wij drinken!
Buvez! = Drink! (tegen mv.)

Futur:
Je boirai = ik zal drinken
Tu boiras = jij zal drinken
Il boira = hij zal drinken
Nous boirons = wij zullen drinken
Vous boirez = jullie zullen drinken
Ils boiront = zij zullen drinken

Conditionnel:
Je boirais = ik zou drinken
Tu boirais = jij zou drinken
Il boirait = hij zou drinken
Nous boirions = wij zouden drinken
Vous boiriez = jullie zouden drinken
Ils boiraient = zij zouden drinken

12
Aller
= gaan. (onregelmatig)

Présent:
Je vais = ik ga
Tu vas = jij gaat
Il va = hij gaat
Nous allons = wij gaan
Vous allez = jullie gaan
Ils vont = zij gaan

Passé composé:
Je suis allé(e) = ik ben gegaan
Tu es allé(e) = jij bent gegaan
Il est allé = hij is gegaan
Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan
Vous êtes allé(e)s = jullie zijn gegaan
Ils sont allés = zij zijn gegaan

Imparfait:
J’allais = ik ging
Tu allais = jij ging
Il allait = hij ging
Nous allions = wij gingen
Vous alliez = jullie gingen
Ils allaient = zij gingen

Impératif:
Va! = Ga!
Allons! = Laten wij gaan!
Allez! = Ga! (tegen mv.)

Futur:
J’irai = ik zal gaan
Tu iras = jij zal gaan
Il ira = hij zal gaan
Nous irons = wij zullen gaan
Vous irez = jullie zullen gaan
Ils iront = zij zullen gaan

Conditionnel:
J’irais = ik zou gaan
Tu irais = jij zou gaan
Il irait = hij zou gaan
Nous irions = wij zouden gaan
Vous iriez = jullie zouden gaan
Ils iraient = zij zouden gaan

13
Voir
= zien.

Présent:
Je vois = ik zie
Tu vois = jij ziet
Il voit = hij ziet
Nous voyons = wij zien
Vous voyez = jullie zien
Ils voient = zij zien

Passé composé:
J’ai vu = ik heb gezien
Tu as vu = jij hebt gezien
Il a vu = hij heeft gezien
Nous avons vu = wij hebben gezien
Vous avez vu = jullie hebben gezien
Ils ont vu = zij hebben gezien

Imparfait:
Je voyais = ik zag
Tu voyais = jij zag
Il voyait = hij zag
Nous voyions = wij zagen
Vous voyiez = jullie zagen
Ils voyaient = zij zagen

Impératif:
Vois ! = Zie !
Voyons ! = Laten wij zien !
Voyez ! = Zie ! (tegen mv.)

Futur:
Je verrai = ik zal zien
Tu verras = jij zult zien
Il verra = hij zal zien
Nous verrons = wij zullen zien
Vous verrez = jullie zullen zien
Ils verrent = zij zullen zien

14
Faire
= maken. (onregelmatig)

Présent:
Je fais = ik maak
Tu fais = jij maakt
Il fait = hij maakt
Nous faisons = wij maken
Vous faites = jullie maken
Ils font = zij maken

Passé composé:
J’ai fait = ik heb gemaakt
Tu as fait = jij hebt gemaakt
Il a fait = hij heeft gemaakt
Nous avons fait = wij hebben gemaakt
Vous avez fait = jullie hebben gemaakt
Ils ont fait = zij hebben gemaakt

Imparfait:
Je faisais = ik maakte
Tu faisais = jij maakte
Il faisait = hij maakte
Nous faisions = wij maakten
Vous faisiez = jullie maakten
Ils faisaient = zij maakten

Impératif:
Fais! = maak!
Faisons! = Laten wij maken!
Faites! = maak! (tegen mv.)

Futur:
Je ferai = ik zal maken
Tu feras = jij zult maken
Il fera = hij zal maken
Nous ferons = wij zullen maken
Vous ferez = jullie zullen maken
Ils feront = zij zullen maken

Conditionnel:
Je ferais = ik zou maken
Tu ferais = jij zou maken
Il ferait = hij zou maken
Nous faisions = wij zouden maken
Vous faisiez = jullie zouden maken
Ils feraient = zij zouden maken

15
Prendre
= nemen.

Présent:
Je prends = ik neem
Tu prends = jij neemt
Il prend = hij neemt
Nous prenons = wij nemen
Vous prenez = jullie nemen
Ils prennent = zij nemen

Passé composé:
J’ai pris = ik heb genomen
Tu as pris = jij hebt genomen
Il a pris = hij heeft genomen
Nous avons pris = wij hebben genomen
Vous avez pris = jullie hebben genomen
Ils ont pris = zij hebben genomen

Imparfait:
Je prenais = ik nam
Tu prenais = jij nam
Il prenait = hij nam
Nous prenions = wij namen
Vous preniez = jullie namen
Ils prenaient = zij namen

Impératif:
Prends ! = neem !
Prenons ! = Laten wij nemen !
Prenez ! = neem ! (tegen mv.)

Futur:
Je prendrai = ik zal nemen
Tu prendras = jij zult nemen
Il prendra = hij zal nemen
Nous prendrons = wij zullen nemen
Vous prendrez = jullie zullen nemen
Ils prendrent = zij zullen nemen

Conditionnel:
Je prendrais = ik zou nemen
Tu prendrais = jij zou nemen
Il prendrait = hij zou nemen
Nous prendrions = wij zouden nemen
Vous prendriez = jullie zouden nemen
Ils prendaient = zij zouden nemen

16
Connaître
= kennen. (onregelmatig)

Présent:
Je connais = ik ken
Tu connais = jij kent
Il connaît = hij kent
Nous connaissons = wij kennen
Vous connaissez = jullie kennen
Ils connaissent = zij kennen

Passé composé:
J’ai connu = ik heb gekend
Tu as connu = jij hebt gekend
Il a connu = hij heeft gekend
Nous avons connu = wij hebben gekend
Vous avez connu = jullie hebben gekend
Ils ont connu = zij hebben gekend

Imparfait:
Je connaissais = ik kende
Tu connaissais = jij kende
Il connaissait = hij kende
Nous connaissions = wij kenden
Vous connaissiez = jullie kenden
Ils connaissaient = zij kenden

Impératif:
Connais! = Ken!
Connaissons! = Laten wij kennen!
Connaissez! = Ken! (tegen mv.)

Futur:
Je connaîtrai = ik zal kennen
Tu connaîtras = jij zult kennen
Il connaîtra = hij zal kennen
Nous connaîtrons = wij zullen kennen
Vous connaîtrez = jullie zullen kennen
Ils connaîtront = zij zullen kennen

Conditionnel:
Je connaîtrais = ik zou kennen
Tu connaîtrais = jij zou kennen
Il connaîtrait = hij zou kennen
Nous connaîtrions = wij zouden kennen
Vous connaîtriez = jullie zouden kennen
Ils connaîtraient = zij zouden kennen

17
Venir
= komen.

Présent:
Je viens = ik kom
Tu viens = jij komt
Il vient = hij komt
Nous venons = wij komen
Vous venez = jullie komen
Ils vennent = zij komen

Passé composé:
Je suis venu(e) = ik ben gekomen
Tu es venu(e) = jij bent gekomen
Il est venu = hij is gekomen
Nous sommes venu(e)s = wij zijn gekomen
Vous êtes venu(e)(s) = jullie zijn gekomen
Ils sont venus = zij zijn gekomen

Imparfait:
Je venais = ik kwam
Tu venais = jij kwam
Il venait = hij kwam
Nous venions = wij kwamen
Vous veniez = jullie kwamen
Ils venaient = zij kwamen

Impératif:
Viens! = kom!
Venons! = laten wij komen!
Venez! = kom! (tegen mv.)

Futur:
Je viendrai = ik zal komen
Tu viendras = jij zult komen
Il viendra = hij zal komen
Nous viendrons = wij zullen komen
Vous viendrez = jullie zullen komen
Ils viendrent = zij zullen komen

Conditionnel:
Je viendrais = ik zou komen
Tu viendrais = jij zou komen
Il viendrait = hij zou komen
Nous viendrions = wij zouden komen
Vous viendriez = jullie zouden komen
Ils viendraient = zij zouden komen

18
Lire
= lezen. (onregelmatig)

Présent:
Je lis = ik lees
Tu lis = jij leest
Il lit = hij leest
Nous lisons = wij lezen
Vous lisez = jullie lezen
Ils lisent = zij lezen

Passé composé:
J’ai lu = ik heb gelezen
Tu as lu = jij hebt gelezen
Il a lu = hij heeft gelezen
Nous avons lu = wij hebben gelezen
Vous avez lu = jullie hebben gelezen
Ils ont lu = zij hebben gelezen

Imparfait:
Je lisais = ik las
Tu lisais = jij las
Il lisait = hij las
Nous lisions = wij lazen
Vous lisiez = jullie lazen
Ils lisaient = zij lazen

Impératif:
Lis! = Lees!
Lisons! = Laten wij lezen!
Lisez! = Lees! (tegen mv.)

Futur:
Je lirai = ik zal lezen
Tu liras = jij zult lezen
Il lira = hij zal lezen
Nous lirons = wij zullen lezen
Vous lirez = jullie zullen lezen
Ils liront = zij zullen lezen

Conditionnel:
Je lirais = ik zou lezen
Tu lirais = jij zou lezen
Il lirait = hij zou lezen
Nous lirions = wij zouden lezen
Vous liriez = jullie zouden lezen
Ils liraient = zij zouden lezen

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

4476
 

reacties

 
Betreft : Franse Werkwoorden 17 Venir = komen. Présent: Ils vennent = zij komen MOET zijn : ils viennent Met vriendelijke groeten Eddy Engels
door Eddy Engels (reageren) op 6 maart 2008 om 21:48
Super handig! Ik ben je echt heel erg dankbaar !
door Tessa (reageren) op 9 februari 2009 om 16:32
Faire = Doen / Maken
door Jonathan (reageren) op 29 augustus 2013 om 13:07