Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Franse Werkwoorden

Frans

Samenvatting

Werkwoorden

7.1 / 10
3e klas vmbo/havo
  • MaaikeJ
  • NL
  • 2354 woorden
  • 104129 keer
    36 deze maand
  • 17 juni 2007
Regelmatig: 2 Se tromper = zich vergissen. 3 Rendre = teruggeven. 4 Mettre = zetten, leggen, aandoen. 5 Attendre = wachten. 6 Jouer = spelen. Onregelmatig: 7 Être = zijn. 8 Avoir = hebben. 9 Pouvoir = kunnen, mogen. 10 Ecrire = schrijven. 11 Dire = zeggen. 12 Boire = drinken. 13 Aller = gaan. 14 Voir = zien. 15 Faire = maken. 16 prendre = nemen. 17 Connaître = kennen. 18 Venir = komen. 19 Lire = lezen. 1 Se tromper = zich vergissen. (regelmatig; wederkerend.) Présent: Je me trompe = ik vergis me Tu te trompes = jij vergist je Il se trompe = hij vergist zich Nous nous trompons = wij vergissen ons Vous vous trompez = jullie vergissen jullie Ils se trompent = zij vergissen zich Passé composé : Je me suis trompé(e) = ik heb me vergist Tu t’es trompé(e) = jij hebt je vergist Il s’est trompé = hij heeft zich vergist Nous nous sommes trompé(e)s = wij hebben ons vergist Vous vous êtes trompé(e)s = jullie hebben je vergist Ils se sont trompés = zij hebben zich vergist Imparfait: Je me trompais = ik vergiste mij Tu te trompais = jij vergiste je Il se trompait = hij vergiste zich Nous nous trompions = wij vergisten ons Vous vous trompez = jullie vergisten jullie Ils se trompaient = zij vergisten zich Impératif: Ne te trompe pas! = Vergis je niet! Ne nous trompons pas! = Laten wij ons niet vergissen! Ne vous trompez pas! = vergis je niet! (mv) Futur: Je me tromperai = ik zal me vergissen Tu te tromperas = jij zal je vergissen Il se trompera = hij zal zich vergissen Nous nous tromperons = wij zullen ons vergissen Vous vous tromperez = jullie zullen je vergissen Ils se tromperont = zij zullen zich vergissen Conditionnel: Je me tromperais = ik zou me vergissen Tu te tromperais = jij zou je vergissen Il se tromperait = hij zou zich vergissen Nous nous tromperions = wij zouden ons vergissen Vous vous tromperiez = jullie zouden je vergissen Ils se tromperaient = zij zouden zich vergissen 2 Rendre = teruggeven. (regelmatig) Présent: Je rends = ik geef terug Tu rends = jij geeft terug Il rend = hij geeft terug Nous rendons = wij geven terug Vous rendez = jullie geven terug Ils rendent = zij geven terug Passé composé: J’ai rendu = ik heb teruggegeven Tu as rendu = jij hebt teruggegeven Il a rendu = hij heeft teruggegeven Nous avons rendu = wij hebben teruggegeven Vous avez rendu = jullie hebben teruggegeven Ils ont rendu = zij hebben teruggegeven Imparfait: Je rendais = Ik gaf terug Tu rendais = jij gaf terug Il rendait = hij gaf terug Nous rendions = wij gaven terug Vous rendiez = jullie gaven terug Ils rendaient = zij gaven terug Impératif: Rends! = Geef terug! Rendons! = Laten wij teruggeven! Rendez ! = Geef terug! (meervoud) Futur: Je rendrai = Ik zal teruggeven Tu rendras = Jij zal teruggeven Il rendra = Hij zal teruggeven Nous rendrons = Wij zullen teruggeven Vous rendrez = jullie zullen teruggeven Ils rendront = Zij zullen teruggeven Conditionnel: Je rendrais = Ik zou teruggeven Tu rendrais = Jij zou teruggeven Il rendrait = Hij zou teruggeven Nous rendrions = Wij zouden teruggeven Vous rendriez = Jullie zouden teruggeven Ils rendraient = Zij zouden teruggeven 3 Mettre = zetten, leggen, aandoen. (regelmatig) Présent: Je mets = ik zet, leg, doe aan. Tu mets = jij zet, legt, doet aan. Il met = hij zet, legt, doet aan. Nous mettons = wij zetten, leggen, doen aan. Vous mettez = jullie zetten, leggen, doen aan. Ils mettent = zij zetten, leggen, doe aan. Passé composé: J’ai mis = ik heb gezet, gelegd, aangedaan. Tu as mis = jij hebt gezet, gelegd, aangedaan. Il a mis = hij heeft gezet, gelegd, aangedaan. Nous avons mis = wij hebben gezet, gelegd, aangedaan. Vous avez mis = jullie hebben gezet, gelegd, aangedaan. Ils ont mis = zij hebben gezet, gelegd, aangedaan. Imparfait: Je mettais = ik zette, legde, deed aan. Tu mettais = jij zette, legde, deed aan. Il mettait = hij zette, legde, deed aan. Nous mettions = wij zetten, legden, deden aan. Vous mettiez = jullie zetten, legden, deden aan. Ils mettaient = zij zetten, legden, deden aan. Impératif: Mets! = Zet! Leg! Doe aan! Mettons! = Laten wij zetten/leggen/aandoen! Mettez! = Zet! leg! Doe aan! (tegen mv.) Futur: Je mettrai = Ik zal zetten, leggen, aandoen. Tu mettras = jij zal zetten, leggen, aandoen. Il mettra = hij zal zetten, leggen, aandoen. Nous mettrons = wij zullen zetten, leggen, aandoen. Vous mettrez = jullie zullen zetten, leggen, aandoen. Ils mettront = zij zullen zetten, leggen, aandoen. Conditionnel: Je mettrais = ik zou zetten, leggen, aandoen. Tu mettrais = jij zou zetten, leggen, aandoen. Il mettrait = hij zou zetten, leggen, aandoen. Nous mettrions = wij zouden zetten, leggen, aandoen. Vous mettriez = jullie zouden zetten, leggen, aandoen. Ils mettraient = zij zouden zetten, leggen, aandoen. 4 Attendre = wachten. (regelmatig) Présent: J’attends = Ik wacht Tu attends = jij wacht Il attend = hij wacht Nous attendons = wij wachten Vous attendez = jullie wachten Ils attendent = zij wachten Passé composé: J’ai attendu = ik heb gewacht Tu as attendu = jij hebt gewacht Il a attendu = hij heeft gewacht Nous avons attendu = wij hebben gewacht Vous avez attendu = jullie hebben gewacht Ils ont attendu = zij hebben gewacht Imparfait: J’attendais = ik wachtte Tu attendais = jij wachtte Il attendait = hij wachtte Nous attendions = wij wachtten Vous attendiez = jullie wachtten Ils attendaient = zij wachtten Impératif: Attends! = Wacht ! Attendons! = laten wij wachten ! Attendez! = Wacht ! (meervoud) Futur: J’attendrai = ik zal wachten Tu attendras = jij zal wachten Il attendra = hij zal wachten Nous attendrons = wij zullen wachten Vous attendrez = jullie zullen wachten Ils attendront = zij zullen wachten Conditionnel: J’attendrais = ik zou wachten Tu attendrais = jij zou wachten Il attendrait = hij zou wachten Nous attendrions = wij zouden wachten Vous attendriez = jullie zouden wachten Ils attendraient = zij zouden wachten 5 Jouer = spelen. (regelmatig) Présent: Je joue = ik speel Tu joues = jij speelt Il joue = hij speelt Nous jouons = wij spelen Vous jouez = jullie spelen Ils jouent = zij spelen Passé composé: J’ai joué = ik heb gespeeld Tu as joué = jij hebt gespeeld Il a joué = hij heeft gespeeld Nous avons joué = wij hebben gespeeld Vous avez joué = jullie hebben gespeeld Ils ont joué = zij hebben gespeeld Imparfait: Je jouais = ik speelde Tu jouais = jij speelde Il jouait = hij speelde Nous jouions = wij speelden Vous jouiez = jullie speelden Ils jouaient = zij speelden Impératif: Joue! = Speel ! Jouons! = Laten wij spelen ! Jouez ! = Speel ! (meervoud) Futur: Je jouerai = ik zal spelen Tu joueras = jij zult spelen Il jouera = hij zal spelen Nous jouerons = wij zullen spelen Vous jouerez = jullie zullen spelen Ils joueront = zij zullen spelen Conditionnel: Je jouerais = ik zou spelen Tu jouerais = jij zou spelen Il jouerait = hij zou spelen Nous jouerions = wij zouden spelen Vous joueriez = jullie zouden spelen Ils joueraient = zij zouden spelen 6 Être = zijn. (onregelmatig) Présent: je suis = ik ben tu es = jij bent il est = hij is nous sommes = wij zijn vous êtes = jullie zijn ils sont = zij zijn Passé composé: J’ai été = ik ben geweest tu es été = jij bent geweest il a été = hij is geweest nous avons été = wij zijn geweest vous avez été = jullie zijn geweest ils ont été = zij zijn geweest Imparfait: J’étais = ik was Tu étais = jij was Il était = hij was Nous étions = wij waren Vous étiez = jullie waren Ils étaient = zij waren Impératif: Sois! = Wees! Soyons! = laten wij zijn! Soyez! = Wees! (tegen mv.) Futur: Je serai = ik zal zijn Tu seras = jij zult zijn Il sera = hij zal zijn Nous serons = wij zullen zijn Vous serez = jullie zullen zijn Ils seront = zij zullen zijn Conditionnel: Je serais = ik zou zijn Tu serais = jij zou zijn Il serait = hij zou zijn Nous serions = wij zouden zijn Vous seriez = jullie zouden zijn Ils seraient = zij zouden zijn 7 Avoir = hebben. (onregelmatig) Présent: J’ai = ik heb Tu as = jij hebt Il a = hij heeft Nous avons = wij hebben Vous avez = jullie hebben Ils ont = zij hebben Passé composé: J’ai eu = ik heb gehad Tu as eu = jij hebt gehad Il a eu = hij heeft gehad Nous avons eu = wij hebben gehad Vous avez eu = jullie hebben gehad Ils ont eu = zij hebben gehad Imparfait: J’avais = ik had Tu avais = jij had Il avait = hij had Nous avions = wij hadden Vous aviez = jullie hadden Ils avaient = zij hadden Impératif: Aie! = Heb! Ayons! = Laten wij hebben! Ayez! = Heb! (tegen mv.) Futur: J’aurai = ik zal hebben Tu auras = jij zult hebben Il aura = hij zal hebben Nous aurons = wij zullen hebben Vous aurez = jullie zullen hebben Ils auront = zij zullen hebben Conditionnel: J’aurais = ik zou hebben Tu aurais = jij zou hebben Il aurait = hij zou hebben Nous aurions = wij zouden hebben Vous auriez = jullie zouden hebben Ils auraient = zij zouden hebben 8 Pouvoir = kunnen, mogen. Présent: Je peux = ik kan, mag Tu peux = jij kunt, mag Il peut = hij kan, mag Nous pouvons = wij kunnen, mogen Vous pouvez = jullie kunnen, mogen Ils peuvent = zij kunnen, mogen Passé composé: J’ai pu = ik heb gekund, gemogen Tu as pu = jij hebt gekund, gemogen Il a pu = hij heeft gekund, gemogen Nous avons pu = wij hebben gekund, gemogen Vous avez pu = jullie hebben gekund, gemogen Ils ont pu = zij hebben gekund, gemogen Imparfait: Je pouvais = ik kon, mocht Tu pouvais = jij kon, mocht Il pouvait = hij kon, mocht Nous pouvions = wij konden, mochten Vous pouviez = jullie konden, mochten Ils pouvaient = zij konden, mochten Impératif: Peux ! = Kan/mag ! Pouvons ! = Laten wij kunnen/mogen ! Pouvez ! = Kan/Mag ! (tegen mv.) Futur: Je pourrai = ik zal mogen, kunnen. Tu pourras = jij zal mogen, kunnen. Il pourra = hij zal mogen, kunnen. Nous pourrons = wij zullen mogen, kunnen Vous pourrez = jullie zullen mogen, kunnen Ils pourrent = zij zullen mogen, kunnen. Conditionnel: Je pourrais = ik zou mogen, kunnen. Tu pourrais = jij zou mogen, kunnen. Il pourrait = hij zou mogen, kunnen. Nous pourrions = wij zouden mogen, kunnen. Vous pourriez = jullie zouden mogen, kunnen. Ils pourraient = zij zouden mogen, kunnen. 9 Ecrire = schrijven. (onregelmatig) Présent: J’écris = ik schrijf Tu écris = jij schrijft Il écrit = hij schrijft Nous écrivons = wij schrijven Vous écrivez = jullie schrijven Ils écrivent = zij schrijven Passé composé: J’ai écrit = ik heb geschreven Tu as écrit = jij hebt geschreven Il a écrit = hij heeft geschreven Nous avons écrit = wij hebben geschreven Vous avez écrit = jullie hebben geschreven Ils ont écrit = zij hebben geschreven Imparfait: J’écrivais = ik schreef Tu écrivais = jij schreef Il écrivait = hij schreef Nous écrivions = wij schreven Vous écriviez = jullie schreven Ils écrivaient = zij schreven Impératif: Écris! = Schrijf! Écrivons! = Laten wij schrijven! Écrivez! = Schrijf! (tegen mv.) Futur: J’écrirai = ik zal schrijven Tu écriras = jij zult schrijven Il écrira = hij zal schrijven Nous écrirons = wij zullen schrijven Vous écrirez = jullie zullen schrijven Ils écriront = zij zullen schrijven Conditionnel: J’écrirais = ik zou schrijven Tu écrirais = jij zou schrijven Il écrirait = hij zou schrijven Nous écririons = wij zouden schrijven Vous écririez = jullie zouden schrijven Ils écriraient = zij zouden schrijven 10 Dire = zeggen. (onregelmatig) Présent: Je dis = ik zeg Tu dis = jij zegt Il dit = hij zegt Nous disons = wij zeggen Vous dites = jullie zeggen Ils disent = zij zeggen Passé composé: J’ai dit = ik heb gezegd Tu as dit = jij hebt gezegd Il a dit = hij heeft gezegd Nous avons dit = wij hebben gezegd Vous avez dit = jullie hebben gezegd Ils ont dit = zij hebben gezegd Imparfait: Je disais = ik zei Tu disais = jij zei Il disait = hij zei Nous disions = wij zeiden Vous disiez = jullie zeiden Ils disaient = zij zeiden Impératif: Dis! = Zeg! Disons! = Laten wij zeggen! Dites! = zeg! (tegen mv.) Futur: Je dirai = ik zal zeggen Tu diras = jij zult zeggen Il dira = hij zal zeggen Nous dirons = wij zullen zeggen Vous direz = jullie zullen zeggen Ils diront = zij zullen zeggen Conditionnel: Je dirais = ik zou zeggen Tu dirais = jij zou zeggen Il dirait = hij zou zeggen Nous dirions = wij zouden zeggen Vous diriez = jullie zouden zeggen Ils diraient = zij zouden zeggen 11 Boire = drinken. (onregelmatig) Présent: Je bois = ik drink Tu bois = jij drinkt Il boit = hij drinkt Nous buvons = wij drinken Vous buvez = jullie drinken Ils boivent = zij drinken Passé composé: J’ai bu = ik heb gedronken Tu as bu = jij hebt gedronken Il a bu = hij heeft gedronken Nous avons bu = wij hebben gedronken Vous avez bu = jullie hebben gedronken Ils ont bu = zij hebben gedronken Imparfait: Je buvais = ik dronk Tu buvais = jij dronk Il buvait = hij dronk Nous buvions = wij dronken Vous buviez = jullie dronken Ils buvaient = zij dronken Impératif: Bois! = Drink! Buvons! = Laten wij drinken! Buvez! = Drink! (tegen mv.) Futur: Je boirai = ik zal drinken Tu boiras = jij zal drinken Il boira = hij zal drinken Nous boirons = wij zullen drinken Vous boirez = jullie zullen drinken Ils boiront = zij zullen drinken Conditionnel: Je boirais = ik zou drinken Tu boirais = jij zou drinken Il boirait = hij zou drinken Nous boirions = wij zouden drinken Vous boiriez = jullie zouden drinken Ils boiraient = zij zouden drinken 12 Aller = gaan. (onregelmatig) Présent: Je vais = ik ga Tu vas = jij gaat Il va = hij gaat Nous allons = wij gaan Vous allez = jullie gaan Ils vont = zij gaan Passé composé: Je suis allé(e) = ik ben gegaan Tu es allé(e) = jij bent gegaan Il est allé = hij is gegaan Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan Vous êtes allé(e)s = jullie zijn gegaan Ils sont allés = zij zijn gegaan Imparfait: J’allais = ik ging Tu allais = jij ging Il allait = hij ging Nous allions = wij gingen Vous alliez = jullie gingen Ils allaient = zij gingen Impératif: Va! = Ga! Allons! = Laten wij gaan! Allez! = Ga! (tegen mv.) Futur: J’irai = ik zal gaan Tu iras = jij zal gaan Il ira = hij zal gaan Nous irons = wij zullen gaan Vous irez = jullie zullen gaan Ils iront = zij zullen gaan Conditionnel: J’irais = ik zou gaan Tu irais = jij zou gaan Il irait = hij zou gaan Nous irions = wij zouden gaan Vous iriez = jullie zouden gaan Ils iraient = zij zouden gaan 13 Voir = zien. Présent: Je vois = ik zie Tu vois = jij ziet Il voit = hij ziet Nous voyons = wij zien Vous voyez = jullie zien Ils voient = zij zien Passé composé: J’ai vu = ik heb gezien Tu as vu = jij hebt gezien Il a vu = hij heeft gezien Nous avons vu = wij hebben gezien Vous avez vu = jullie hebben gezien Ils ont vu = zij hebben gezien Imparfait: Je voyais = ik zag Tu voyais = jij zag Il voyait = hij zag Nous voyions = wij zagen Vous voyiez = jullie zagen Ils voyaient = zij zagen Impératif: Vois ! = Zie ! Voyons ! = Laten wij zien ! Voyez ! = Zie ! (tegen mv.) Futur: Je verrai = ik zal zien Tu verras = jij zult zien Il verra = hij zal zien Nous verrons = wij zullen zien Vous verrez = jullie zullen zien Ils verrent = zij zullen zien 14 Faire = maken. (onregelmatig) Présent: Je fais = ik maak Tu fais = jij maakt Il fait = hij maakt Nous faisons = wij maken Vous faites = jullie maken Ils font = zij maken Passé composé: J’ai fait = ik heb gemaakt Tu as fait = jij hebt gemaakt Il a fait = hij heeft gemaakt Nous avons fait = wij hebben gemaakt Vous avez fait = jullie hebben gemaakt Ils ont fait = zij hebben gemaakt Imparfait: Je faisais = ik maakte Tu faisais = jij maakte Il faisait = hij maakte Nous faisions = wij maakten Vous faisiez = jullie maakten Ils faisaient = zij maakten Impératif: Fais! = maak! Faisons! = Laten wij maken! Faites! = maak! (tegen mv.) Futur: Je ferai = ik zal maken Tu feras = jij zult maken Il fera = hij zal maken Nous ferons = wij zullen maken Vous ferez = jullie zullen maken Ils feront = zij zullen maken Conditionnel: Je ferais = ik zou maken Tu ferais = jij zou maken Il ferait = hij zou maken Nous faisions = wij zouden maken Vous faisiez = jullie zouden maken Ils feraient = zij zouden maken 15 Prendre = nemen. Présent: Je prends = ik neem Tu prends = jij neemt Il prend = hij neemt Nous prenons = wij nemen Vous prenez = jullie nemen Ils prennent = zij nemen Passé composé: J’ai pris = ik heb genomen Tu as pris = jij hebt genomen Il a pris = hij heeft genomen Nous avons pris = wij hebben genomen Vous avez pris = jullie hebben genomen Ils ont pris = zij hebben genomen Imparfait: Je prenais = ik nam Tu prenais = jij nam Il prenait = hij nam Nous prenions = wij namen Vous preniez = jullie namen Ils prenaient = zij namen Impératif: Prends ! = neem ! Prenons ! = Laten wij nemen ! Prenez ! = neem ! (tegen mv.) Futur: Je prendrai = ik zal nemen Tu prendras = jij zult nemen Il prendra = hij zal nemen Nous prendrons = wij zullen nemen Vous prendrez = jullie zullen nemen Ils prendrent = zij zullen nemen Conditionnel: Je prendrais = ik zou nemen Tu prendrais = jij zou nemen Il prendrait = hij zou nemen Nous prendrions = wij zouden nemen Vous prendriez = jullie zouden nemen Ils prendaient = zij zouden nemen 16 Connaître = kennen. (onregelmatig) Présent: Je connais = ik ken Tu connais = jij kent Il connaît = hij kent Nous connaissons = wij kennen Vous connaissez = jullie kennen Ils connaissent = zij kennen Passé composé: J’ai connu = ik heb gekend Tu as connu = jij hebt gekend Il a connu = hij heeft gekend Nous avons connu = wij hebben gekend Vous avez connu = jullie hebben gekend Ils ont connu = zij hebben gekend Imparfait: Je connaissais = ik kende Tu connaissais = jij kende Il connaissait = hij kende Nous connaissions = wij kenden Vous connaissiez = jullie kenden Ils connaissaient = zij kenden Impératif: Connais! = Ken! Connaissons! = Laten wij kennen! Connaissez! = Ken! (tegen mv.) Futur: Je connaîtrai = ik zal kennen Tu connaîtras = jij zult kennen Il connaîtra = hij zal kennen Nous connaîtrons = wij zullen kennen Vous connaîtrez = jullie zullen kennen Ils connaîtront = zij zullen kennen Conditionnel: Je connaîtrais = ik zou kennen Tu connaîtrais = jij zou kennen Il connaîtrait = hij zou kennen Nous connaîtrions = wij zouden kennen Vous connaîtriez = jullie zouden kennen Ils connaîtraient = zij zouden kennen 17 Venir = komen. Présent: Je viens = ik kom Tu viens = jij komt Il vient = hij komt Nous venons = wij komen Vous venez = jullie komen Ils vennent = zij komen Passé composé: Je suis venu(e) = ik ben gekomen Tu es venu(e) = jij bent gekomen Il est venu = hij is gekomen Nous sommes venu(e)s = wij zijn gekomen Vous êtes venu(e)(s) = jullie zijn gekomen Ils sont venus = zij zijn gekomen Imparfait: Je venais = ik kwam Tu venais = jij kwam Il venait = hij kwam Nous venions = wij kwamen Vous veniez = jullie kwamen Ils venaient = zij kwamen Impératif: Viens! = kom! Venons! = laten wij komen! Venez! = kom! (tegen mv.) Futur: Je viendrai = ik zal komen Tu viendras = jij zult komen Il viendra = hij zal komen Nous viendrons = wij zullen komen Vous viendrez = jullie zullen komen Ils viendrent = zij zullen komen Conditionnel: Je viendrais = ik zou komen Tu viendrais = jij zou komen Il viendrait = hij zou komen Nous viendrions = wij zouden komen Vous viendriez = jullie zouden komen Ils viendraient = zij zouden komen 18 Lire = lezen. (onregelmatig) Présent: Je lis = ik lees Tu lis = jij leest Il lit = hij leest Nous lisons = wij lezen Vous lisez = jullie lezen Ils lisent = zij lezen Passé composé: J’ai lu = ik heb gelezen Tu as lu = jij hebt gelezen Il a lu = hij heeft gelezen Nous avons lu = wij hebben gelezen Vous avez lu = jullie hebben gelezen Ils ont lu = zij hebben gelezen Imparfait: Je lisais = ik las Tu lisais = jij las Il lisait = hij las Nous lisions = wij lazen Vous lisiez = jullie lazen Ils lisaient = zij lazen Impératif: Lis! = Lees! Lisons! = Laten wij lezen! Lisez! = Lees! (tegen mv.) Futur: Je lirai = ik zal lezen Tu liras = jij zult lezen Il lira = hij zal lezen Nous lirons = wij zullen lezen Vous lirez = jullie zullen lezen Ils liront = zij zullen lezen Conditionnel: Je lirais = ik zou lezen Tu lirais = jij zou lezen Il lirait = hij zou lezen Nous lirions = wij zouden lezen Vous liriez = jullie zouden lezen Ils liraient = zij zouden lezen

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

7990
 

reacties

 
Betreft : Franse Werkwoorden 17 Venir = komen. Présent: Ils vennent = zij komen MOET zijn : ils viennent Met vriendelijke groeten Eddy Engels
door Eddy Engels (reageren) op 6 maart 2008 om 21:48
Super handig! Ik ben je echt heel erg dankbaar !
door Tessa (reageren) op 9 februari 2009 om 16:32
Faire = Doen / Maken
door Jonathan (reageren) op 29 augustus 2013 om 13:07