Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Hoofdstuk 1 & 2

Nederlands

Samenvatting

6.3 / 10
4e klas havo
  • anoniem
  • NL
  • 1434 woorden
  • 9999 keer
    93 deze maand
  • 13 januari 2004
Uittreksel Nederlands

Manipulatie technieken:

1 een vooruitwijzing inlassen: er staat iets e gebeuren, maar het verhaal gaat niet verder:er wordt iets verteld dat verderop in het verhaal gebeuren gaat;
2 Vertraging: Het verhaal is op het punt dat je antwoord krijgt op een vraag, maar er worden nu allerlei dingen verteld die het geven van het antwoord vertragen;
3 Uitstel: Je dreigt het antwoord op een vraag te krijgen, maar er wordt eerst iets anders verteld;

4 Op een andere verhaallijn overschakelen: Net als je achter het antwoord dreigt te komen, schakelt het verhaal over op een andere gebeurtenis;
5 Tijdsprong: Net als het antwoord eraan komt, volgt een regel wit of een nieuw hoofdstuk, waarna het volgende fragment een eindje verderop in de tijd begint; stukje voor stukje kom je dan te weten wat er in die tijdsprong heeft afgespeeld;


Open eind: Het verhaal roept vragen op waar je aan het eind geen antwoord op krijgt. De lezer moet dus zelf zijn antwoorden erop bedenken.

Gesloten eind: Je krijgt op het einde van het verhaal wel antwoord op vragen die de tekst oproepen.

Oordeel recensies.

Oordeel: wordt uitgeroepen over een boek, et is opgebouwd uit argumenten. Genuanceerd oordeel is het van verschillende kanten op het verhaal in gaan.

In recensies is de inhoud samenvattend, achtergrond informatie wordt vaak gegeven in een beknopte analyse en literaire opvattin : mening over literaire tekst, eigenschappen : spanning, opbouw, herkenbare figuren en liefde.

Argumenten

Soorten argumenten:

1. over de opbouw;
2. over de personages;
3. over de gebeurtenissen;
4. over de orginaliteit;
5. over de normen en waarden;
6. over het verband tussen tekst en werkelijkheid;
7. over gevoelens die de tekst oproept;
8. over de bedoelingen;
9. over de stijl en de taal.

Karakter en typen.

Karakter: Mensen waar je veel over te weten komt, verschillende eigenschappen van leert kennen en bijna uitgroeien tot een echt mens.


Type: Mensen war je weinig over te weten komt, die op de achtergrond blijven en reageren steeds hetzelfde en voorspelbaar.

Personages beschrijven.

Uiterlijk en innerlijk: je moet na de tekst te hebben bestudeerd het uiterlijk en innerlijk van die gene kunnen beschrijven.

Leefregels: De kijk op de wereld of op de werkelijkheid.

Verhaal, verhaallijn , geschiedenis en gebeurtenissen.

Geschiedenis: Een serie logisch en chronologisch met elkaar verbonden gebeurtenissen.

Fabel: Het zelfde als hierboven.

Gebeurtenis: De overgang van de ene toestand naar de andere.

Verhaallijn: Gebeurtenissen reeks die is verbonden met een of meerdere personages

Samenvatten: je vat geschiedenis samen: gebeurtenissen die personages meemaken.

kunst of manipulaties: de schrijver heeft de gebeurtenissen niet in de volgorde gezet zoals ze gebeurd zijn. Hij heeft ze naar zij hand gezet. Om het verhaal spannender te maken.

Sujet: volgorde van het verhaal. Sujet en fabel zij het zelfde als een schrijver die geen kunstgrepen toepast.

Structuur in verhalen teksten

Structuur = blauw: de manier waarop het verhaal is opgebouwd

Logisch – chronologische volgorde: de gebeurtenissen worden verteld in de volgorde waar in ze zijn gebeurd

Nietlogisch – chronologische volgorde: de gebeurtenissen worden niet in de volgorde verteld waarin ze hebben plaatsgevonden.

Motorisch moment: vaste structuuronderdelen die in vrijwel elke tekst voorkomt. Ook al is het een verschillend verhaal BV probleem.

Dieptepunt en afronding: als het probleem zich heeft aan gediend, probeert de hoofdpersoon het op te lossen.

Algemene structuur verhalende tekst:

Vaak ziet de structuur er zo uit

Beginsituatie
\|/
motorisch moment: ontstaat van het probleem
\|/
verslechtering situatie
\|/
Dieptepunt
\|/
verbetering situatie (langzaam of snel)
\|/
afronding (probleem wel/niet opgelost)

Ontknoping: literatuur teksten met een detectiveachtige opbouw hebben aan het eind vaak een onthulling.

Hechte en losse structuur

Samenhang: tussen gebeurtenissen en het verhaal bestaat een verband. Uit de ene gebeurtenis komt de andere voort.

Losse structuur: gebeurtenissen vertonen weinig verband met de problemen van de hoofdpersoon. Zijlijntjes of details die vulling aan het verhaal geven maar meer ook niet.

Hechte structuur: alles hangt samen met de gebeurtenissen, problemen van de hoofdpersoon.

Aaneengesloten: een reeks gebeurtenissen volgen elkaar aaneengesloten op en geben het verband duidelijk aan.

Fragmentarisch: een reeks gebeurtenissen die niet direct en op het eerste gezicht heel duidelijk verbonden zijn. Vaak met openplekken tussendoor en je moet zelf invullen waarom iets gebeurt enz. het is vaak moeilijk maar wel boeiend omdat je heel actief bezig bent.

Meer dan een verhaallijn

Samenhang: - In beide lijnen dezelfde hoofdpersoon met andere tegen spelers en problemen.
- verschillende hoofdpersonen.
Als er meerdere verhaal lijnen zijn is er altijd een verband tussen, zowel personages als thema.

Gelijkwaardig: verhalende teksten met meerdere verhaal lijnen dit even belangrijk zijn.

Ondergeschikt: het ene verhaallijn is minder belangrijk dan het andere

Geleding: hoofdstukken en delen

Geleding: de verdeling van de geschiedenis in delen, hoofdstukken en ‘stukken’ is geleding van een literaire tekst.

Proloog: letterlijk betekent het voorwoord maar soms is het een deel van de tekst

Structuur in gedichten

Kern: laatste zin/ regel: vaak is de laatste zin of regel de kern, de rest is het toewerk.
Laatste zin regel zijn vaak verrassend of dramatisch en zet het hele gedicht in n ander daglicht.

Bijzonder taalgebruik: gedichten zetten je vak aan het denken door op een andere, bijzonder manier naar dingen te kijken dan wij gewent zijn. Dat kijken is vaak op een bepaalde manier onder woorden brengen.

Meer dan er staat: Door beeldspraak, vergelijkingen, bijzonder taalgebruik en dubbelzinnigheden roepen gedichten veel meer op dan dat er daadwerkelijk staat.


Gesloten of hermetische poëzie: moeilijk te begrijpen gedicht.

Open poëzie: glashelder gedicht en makkelijk te begrijpen.

Strofen: geleiding in strofen is e rook, het is nooit toevallig.
Strofen zijn stukjes tekst.

Verteltijd en vertelde tijd

Vertelde tijd: de hoeveelheid tijd tussen het begin en het eind van het verhaal.

Vertel tijd: de tijd die nodig is om een verhaal te vertellen of te lezen. Omdat niet iedereen even snel leest wordt de vertel tijd uitgedrukt in bladzijden.

Verhouding tussen vertel tijd en vertelde tijd:

• De vertel tijd en vertelde tijd zijn gelijk. Komt bijna nooit voor.
• De vertel tijd is langer dan de vertelde tijd. Dik boek waarin maar een paar uur beschreven staat.
• Vertel tijd is korter dan de vertelde tijd. Komt het meest voor, vertelde tijd = een paar jaar in een paar honderd bladzijden.

Vertel tijd is korter dan de vertelde tijd ontstaat door:

• stukken tijd worden samen gevat;
• er wordt tijd over geslagen.
Deze 2 zijn kunstgrepen.

Vertel tempo: Vertel tempo wisselt, de ene keer vat de schrijven de gebeurtenissen samen, het volgende fragment verteld hij het heel uitvoerig. Deze kunst grepen worden versnelling of vertraging genoemd.

Als grote stukken samen gevat worden verteld noemen we dat panoramisch vertellen. Van een afstand toekijken en in grote lijnen vertellen wat er gebeurd.
Als gebeurtenissen nauwkeurig, gedetaileert en precies verteld worden, en het lijkt of je ze zelf meemaakt is dat scènisch vertellen.

Vooruit- en terug wijzingen en terugblikken

Vooruit wijzing: het komt geregeld voor dat er in verhalende teksten vooruit wordt gewezen naar iets wat later in het verhaal gebeurd.

Terug wijzing: er wordt terug verwezen naar iets wat eerder voorgekomen is. Het komt vaker voor dan vooruitwijzingen.

Terugblik / flashback: je springt voor een langere periode terug de tijd in. Het gewone verhaal wordt daardoor onderbroken.

Alle 3 zijn het kunst grepen.

Tijdsprong, continu en tijdsverdichting

Continu vertellen: gebeurtenissen worden zonder onderbreking achter elkaar door verteld. Het komt niet vaak voor en in romans al helemaal niet.

Tijdsprong: stukken tijd die worden overgeslagen of weggelaten. Het is niet continu verteld.

Tijdsverdichting: gebeurtenissen worden globaal, maar niet uitvoerig verteld.

Zijn allemaal kunstgrepen.

Tijdsperspectief

Visioen avec: de letterlijke betekenis is meekijken met, meeleven met de gebeurtenissen, die op dat moment gebeuren. De hoofd persoon en jij ween niet wat er gaat gebeuren.

Visioen parderrière: wordt achteraf verteld, hoofd persoon weet dus al hoe het afloopt, je leeft niet met de gebeurtenissen mee op het moment dat die spelen.

Kunstgrepen met de tijd

1. veranderen van de tijdsvolgorde;
2. verteltijd en vertelde tijd in een bepaalde verhouding plaatsen;
3. tijd samenvatten (tijdsverdichting);
4. tijdsprong;
5. tijd vertragen of versnellen (scènisch of panoramisch vertellen);
6. vooruit- en terug wijzigen;
7. terug blikken of flashbacks.

Met kunstgrepen wil de schrijver de (psychologische) spanning verhogen.

Gebeurtenissen interpreteren

Verhaal- en betekenis laag: gebeurtenissen bevinden zich aan de oppervlakte, in de verhaallaag.
Daaronder zit een betekenislaag. Die zie je niet maar je voelt wel aan dat hij er is: het verteld je eigenlijk wat er met het verhaal bedoeld wordt.
Interpreteren: het noemen van de betekenis van een verhaal doe je door alles te herleiden of samenvatten tot één gegeven. Interpreteren betekend uitleggen op verklare. Je leidt allerlei verhaal gegevens af wat het belangrijkste is.

Thema

Thematische laag: betekenislaag

Motieven

Leidmotief: het komt soms voor dat en concreet voorwerp telkens in het verhaal opduikt(spiegel of foto)


Literair- historische motieven: Motieven die in de geschiedenis van de literatuur heel vaak voorkomt.

Titel en motto

Titel en thema: die titel houd dan verband met het thema

Motto en thema: motto is een korte tekst die voorin het boek staat

Functies van ruimte beschrijving

Concretisering: in de eerste plaats geeft die beschrijving een concretisering van de verhaalwereld. De plaats van de handelingen wordt min of meer gedetaileert beschreven.

Sfeer: ruimte beschrijving kan een bepaalde dfer oproepen: eng/ spanning, griezelig, etc.

Gethematiseerde ruimte: het verband tussen de ruimte en het thema van het verhaal

Ruimte en bouw: de ruimte kan te maken hebben met de opbouw van het verhaal.

Ruimte en personages: samenhang van personages en hun karakter en de ruimte beschrijving.

Symbolische ruimte: de ruimte heft een symbolische betekenis.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

3291
 

reacties