
CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
ff n studiebreak
Het mooiste crimiboek van 'onze' agent Don Heins? Die over de ontvoering van Alfred Heineken. Type in-één-ruk-uit.
geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
Samenvatting van het boek
In het begin maken we kennis met Lapo Mosca, een broeder in de Apostelkerk.
Op weg naar zijn kerk ziet hij een lijk in het water liggen en gaat, tegen beter weten in, ernaartoe om te zien of hij het slachtoffer herkent. Daarna gaat hij naar het kluisvrouwtje en verteld wat hij gezien heeft.
Als hij terugkomt van de vroegmis, zijn ze bezig met het lijk te bergen. Lapo denkt dat hij een betere speurneus is dan de rechters omdat hij connecties heeft met de onderwereld. Dit zou hij niet willen en ze zouden hem toch niet vertrouwen omdat hij te vaak voor de zondaars kiest. Lapo’s gardiaan zegt hem dat hij zondaars moet bekeren want zondaars ontmaskeren is voor de wereldlingen. Voor deze ene keer dat Lapo wil doen wat hem opgedragen wordt, komt er iets tussen. Hij wordt geroepen door ene Joosken. Deze vreest dat hij mogelijk van moord beticht zou worden omdat hij een boontje voor haar had. Hij vertelt zijn verhaal aan de Minderbroeder. Hij zag Nennetta, zo noemt hij haar, dood liggen op haar lakens vol bloed en liep weg… Daarom stuurt Lapo hem onmiddellijk naar de Minderbroeders van Sienna.
Lapo is al uit enkele kloosters moeten vertrekken vroeger maar hij kent nog vele inwoners van de plaatsen waar hij geweest is. Zo ook kent hij Lucia, zij bemoedert de meisjes van het Vrouwenhuis. Hij was er enkele keren geweest om bijvoorbeeld brieven voor te lezen aan zij die dit niet konden, zodoende had hij Nennetta ook enkele keren gezien. Lucia verteld dat Nennetta alleen op geld uit is. De dag ervoor had ze drie vaste klanten (vrienden van elkaar)gehad. Normaalgezien neemt ze op die dag geen andere klanten maar omdat het drietal vroeger moest vertrekken, had ze ook nog een man met een masker gehad. Deze moest en zou haar hebben. Hij was er nochtans nog nooit geweest volgens de meisjes. Er was ook nog een gastarbeider geweest die op haar wachtte. Hij was haar laatste klant.
Lapo gaat naar haar kamer en snuffelt een beetje rond. Als hij terug beneden is, krijgt hij te horen dat ze gisteravond laat nog is weggeroepen voor een huisbezoek. Lapo verlaat het Vrouwenhuis en denkt dan weer aan de moord. Toen hij het lijk in het water zag, maakte hij er een liedje over in z’n hoofd, nu hij weer een paar dingen meer weet, vult hij het aan. Misschien had Nennetta teveel gehoord van een Gemeenteraadslid? Het bleef alleen maar bij speculaties.
Als de broeder zijn tocht naar Sienna verder zet hoort hij het gesprek van Joosken’s collega’s. Als Joosken met zijn makkers gesproken zou hebben over zijn bezoek aan Nennetta staat of valt zijn veiligheid. Lapo verzint een smoesje (zoals hij altijd doet) om iets te weten te komen over Joosken. Deze blijkt van de hele nacht niet thuisgekomen te zijn.
Dan gaat hij naar de arme buurt om Otto uit te vragen over de Compagnie. Lapo denkt dat de Compagnie misschien wel iets met de moord te maken heeft.
Hij zet zijn tocht naar Sienna weer verder maar stopt nog eventjes in Marignolle. Hij zet zich bij twee oudere mannen en komt hier en daar weer iets te weten.
Daarna gaat hij naar Figlipetrie, op zoek naar de drie vrienden/klanten van Nennetta. Dat drietal verteld dat ze al bevriend waren met het meisje voor ze “een meisje van plezier” werd (hoer zoals in de tekst staat). Ze zeggen dat ze haar hebben laten afzien in het Vrouwenhuis om het haar betaald te zetten voor wat ze hun vroeger heeft aangedaan. Ze beweren dat Sismonda, dat is haar echte naam, het zelfs lekker vond (want Lapo dacht op dat moment dat ze daardoor misschien zelfmoord had gepleegd). Nadat de jongens hun verhaal gedaan hadden, vertelt Lapo hun dat hun vriendin dood is. Dan zet hij zijn trektocht naar Sienna weer verder.
Als hij daar aankomt, vergelijkt hij de Dominicanen met de Franciscanen. Hij vindt dat die eersten veel “dikke nekkeriger” zijn. Die ochtend gaat hij naar de Dominicuskerk met een paar kooplieden. Hij werd er onmiddellijk naar de prior geleid door een novice.
Normaalgezien moet hij zijn hoofd helder houden om zijn opgelegde taak te vervullen maar de zaak Sismonda blijft in zijn hoofd spoken.
De prior legt Lapo iets uit over een testament, daar zijn wat problemen mee. Hij moet bewijzen dat persoon x wel de rechtmatige erfgenaam is. De prior denkt dat Lapo al heel wat ervaring heeft met dit soort zaken maar hij twijfelt aan het goede verstand van de broeder. Daarop wordt de paap naar Assissi gestuurd, dwars door de frontlinie. Wanneer er protest komt van Lapo omdat dit veel te gevaarlijk is, wimpelt de prior dit af met een eenvoudig: “ Voor religieuzen zijn er geen fronten.” en “ Waar oorlog is kan een broeder veel goed doen. Dan krijgt Lapo het omvangrijke testament te lezen en begrijpt weldra het ongenoegen van de Dominicanen. Ze kregen immers een deel van de erfenis via Donatus, de Dominicanen zelf werden er niet en vernoemd. Dat was niet zeer hoffelijk van de notaris.
Dan begint de prior weer met een hele uitleg en toen ging er plotseling iets scheef in Lapo Mosca. Hij kon geen bewondering meer opbrengen voor de Dominicanen, integendeel; hij moest er van walgen.
De prior wijst Lapo Mosca door naar broeder Donatus (om hun relikwie te kunnen bezichtigen) maar deze was bezig alles klaar te zetten voor de laatste mis. Lapo vindt het niet erg om z’n ontmoeting met HET BEEN VAN BARTOLO uit te stellen.
Als de mis bezig is, moeit hij zich met een familiekwestie van één van de Dominicanen. Deze probeert zich eruit te praten. Hij wil Jezus zien zoals hij echt was niet hoe hij overal wordt afgebeeld. Hierop stelt de paap hem dan de vraag: “ Als je dat zo belangrijk vindt, waarom lijken je Magdalena en je Maria als twee druppels water op Sismonda?” Toen de schilder dat hoorde veranderde zijn gezicht onmiddellijk. Hij begint allerlei vragen te stellen om te zien of Lapo er meer vanaf weet. Lapo vraagt ook een paar dingen aan hem. Blijkt dat de schilder zijn hart verloor aan het meisje in hun jeugdige tijd. Ze is vroeger ontvoerd en doorverkocht geweest door soldaten. Ze kon zich daar niet zomaar loswrikken uit dat hele gedoe (Vrouwenhuis, spionage,..) omdat de Compagnie er voor iets tussen zit. Ze werkte als spionne, geen beroep zonder gevaar. Da arme schilder beseft niet dat ze dood is en Lapo kan zijn doodsbericht niet kwijt.
Vroeger dacht Lapo dat de stad Sienna niet deugde maar nu moet hij zijn mening hier en daar grondig herzien. Het gaat er heel wat beter aan toe dan vroeger. Je zou haast niet zeggen dat het stadje in oorlog ligt, alles gaat precies z’n gewone gang. Hij slaat er eerst een praatje met een kroegbaas vooraleer hij weer naar zijn klooster vertrekt. Een oude broeder wacht hem daar op. Deze is verzot op dieren en hun trekjes. Daarom heeft Lapo Joosken naar deze man gestuurd. De broeder herkende onmiddellijk een wezel in hem en heeft Joosken dan verzorgd en gekalmeerd. Ze praatten over alles en nog wat en dan snijden ze het onderwerp Pandolfo aan. Ze zeggen dat hij niets goeds met zich meebrengt. Na het gesprek gaat Lapo weer naar Joosken. De paap verteld hem dat hij buiten schot staat zolang de waardin van het Vrouwenhuis volhoudt dat de moord buitenshuis is gepleegd. Mosca wil hem meenemen naar de Dominicuskerk maar daar wil de gastarbeider niet meer naartoe. Hij had daar namelijk een schilderij gezien dat op Nennetta trok. Hij dacht wat na over de schilder ervan en ton hield hij de mogelijkheid voor zich dat die schilder wel eens iemand van de Compagnie zou kunnen zijn.
Lapo vraagt hem wat hij te maken heeft met de boeven van Landau. Joosken verteld hem een verhaal dat zo voor de hand liggend is dat hij et zelf had kunnen bedenken. Eén ding is de paap echter duidelijk geworden: Sismonda is het slachtoffer geworden van de geheime dienst.
Lapo vraagt Joosken Of hij ooit de namen te horen kreeg van de officieren waarvoor hij werkte. Burkhardt. Zo luidt de naam van zijn baas. Als die naam valt beseft Lapo dat Joosken niet veilig is voor de politie, noch voor de moordenaar die nog vrij rondloopt.
Heel de stad verdenkt Jachopo maar ze hebben het bij het verkeerde eind. Ze verdenken hem omdat hij een tijd geleden ergens ingeluisd is. Geen goede basis dus.
Lapo’s hersens zijn onrustig. Hij denkt aan teveel tegelijkertijd en lost dan ook nog eens de zaak van Alda Ferdi en haar zoogzoon op. Die zelfde middag komt Filippo de’ Figlipetrie aan. Hij was uit Londen vertrokken zodra hij de brief van de schilder had ontvangen. Hij vraagt aan Lapo om het hele verhaal uit de doeken te doen. Mosca doet dat dan ook. Na afloopt beticht Filippo (de broer van Sismonda) de Guelfen van de moord. Zij hebben vroeger zijn familie ten schande gebracht en hen uit de stad verdreven. Hij zegt ook dat hij Sismonda slechts één dag alleen heeft gelaten met de meid, de dag dat ze meegesleurd is door soldaten te paard. Filippo legt iedereen (van het verdachtenlijstje van Lapo) in verband met de moord op zijn zus.
Omdat de Dominicanen nogal op hun tenen getrapt zijn door het hele testamentgedoe (Lapo heeft een paar zaakjes aan het licht laten komen), besluiten ze om hem het been van Bartolo niet mee te geven. Daardoor faalt hij in zijn opdracht die hij in het begin gekregen had. Ze geven als reden dat hij zijn andere taak onjuist heeft uitgevoerd maar wij weten wel beter.
Daarna gaat Lapo op zoek naar een boerderijtje buiten de stad. Wanneer hij daar aankomt, ziet hij dat het afgebrand is. Hij besluit van naar het volgende boerderijtje te trekken. Onderweg wordt hij overvallen door rovers.
Juni.
De Compagnie is in beweging geraakt; ze zijn ingehuurd door de Siennezen om Perugië aan te vallen uit wraak voor de vroegere vernederingen die zij ondergaan zijn. Een doortocht door Florence is onvermijdelijk maar de onderhandelaars van de stad proberen de moordende meute langs de uiterste grenzen te laten voorbij trekken.
Tijdens de feesten in Florence wordt er niet aan de oorlog gedacht, er wordt wel een spion verhoord. De nieuwsgierige Lapo staat al vroeg tussen de toeschouwers.
De moord op Nennetta is nog steeds niet opgelost. De zaak wordt geseponeerd. Ze wordt pas terug geopend als er voldoende nieuwe bewijzen worden aangebracht.
Terug naar de spion. Zijn arrestatie komt voort uit de tortuur waaraan Nennetta onderworpen was. Hij bekent dat hij haar vermoord heeft. Niemand gelooft hem.
Na afloop van dit schouwspel gaat Lapo naar een trouwfeest en komt er Barna, de schilder, tegen. Deze zegt dat de paap moet oppassen voor Pandolfo, want die is uit op wraak.
Lapo trekt verder naar Imola en probeert zo goed en zo kwaad als het kan om de Compagnie heen te lopen want Pandolfo heeft zich bij hun gevoegd. In het gesprek van Barna en Lapo wordt er gezegd dat Joosken vermoord is toen hij zich eventjes buiten de kerk waagde. Waarschijnlijk is dit de gemaskerde zijn werk omdat Joosken teveel over hem wist. Hierdoor verzwakte Filippo’s theorie over de Guelfen Filippo wil Burkhardt (die ook in de Compagnie zit) doden. Iedereen raadt het hem af want die man wordt omringd door een hele resem lijfwachten. Ondanks de goede bedoelingen van de anderen vertrekt hij toch.
Een heel erg lange tijd gaat voorbij. Filippo komt aan in een dorpje. Als Lapo Mosca er niet was geweest, zou hij doodgestoken zijn door een aantal boeren die hem aanzien als voorgarde van de Compagnie.
Net zoals Filippo willen de boeren Burkhardt doden (eigenlijk de hele Compagnie). Ze hebben zelfs al een plan gesmeed om die in de val te lokken. De reisweg van de Compagnie leidt door een smalle opening tussen rotswanden. De boeren hebben heel wat stenen en rotsblokken verzameld vanboven op die rotsen. Wanneer de Compagnie dan door de opening gaat worden ze bekogeld en geplet door stenen en allerlei.
Zo gezegd zo gedaan. De strijd is hevig. Velen sneuvelen, anderen raken gewond. Graaf Landau is één van die gewonden. Hij mag niet doodgaan want hij is nog een kostbare informatiebron. Deze kijkt heel verbaasd wanneer Lapo hem de redenen zegt waarom Filippo dit gedaan heeft. Landau zegt dat zijn broer Nennetta nooit gezien heeft. Lapo vraagt hem dan waarom zijn broer haar dan heeft laten vermoorden. Dan heldert de graaf nog t’één en t’ander op: zijn broer was stapel van Sismonda en was gek van verdriet toen ze stierf. Hierdoor krijg Lapo een andere kijk op de zaak; misschien ha Filippo zijn eigen zus dan geschaakt?!
De Minderbroeder gaat met Filippo praten. Ze praten over armoede en rijkdom en God die bepaalde wegen voor de mensen schiep. Filippo zegt dat hij normaal niet in armoede moest leven, dat had God zo voor hem beslist; het is door de maatschappij dat dit anders gelopen is. Daarop haalt hij zijn mantel boven..echt Mechels laken. Dan weet Lapo zeker wat hij een uurtje geleden vermoedde: Het is namelijk dezelfde mantel als die dat de gemaskerde droeg in het Vrouwenhuis….. Filippo valt door de mand.
Ook de zaak met het been van Bartolo loopt goed af.
Nederlands: leeslijst boek 2
*~Helene Nolthenius – Geen been om op te staan~*
Boekbespreking
Biografie van de schrijfster:
1) Nolthenius, Hélène Francisca(ook bekend onder de naam Hélène Wagenaar-Nolthenius), schrijfster en musicologe (Amsterdam 9-4- 1920- Amsterdam 22-4- 2000).Dochter van Hugo Balder Siego Nolthenius, musicus en classicus, en Nelli Helena Anna Eichhorn. Gehuwd op 9-7-1947 met William Johannes Albertus Wagenaar (geb. 1917), omroepbestuurder. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.
Hélène Nolthenius werd grootgebracht met muziek - piano en zang - en met verhalen uit de Griekse mythologie. Haar vader was cellist in het Concertgebouworkest Religie speelde thuis geen rol, al las de moeder haar enige kind wel eens voor uit de kinderbijbel. Hélènes ontvankelijkheid voor religiositeit werd gevoed door onder meer de lezing, op dertienjarige leeftijd, van De Heilige Franciscus van Assisi, een vertaling van de romantische biografie van de katholiek geworden Deen Johannes Jørgensen uit 1907.
In 1927 verhuisde het gezin naar Bloemendaal, nadat vader Nolthenius wegens podiumangst het cellistenbestaan had verruild voor een betrekking als leraar klassieke talen aan het Kennemer Lyceum in Overveen. Op deze school bezocht Hélène de afdeling gymnasium. In 1938, het jaar van haar eindexamen, reisde zij voor het eerst naar Italië. In de buurt van Florence volgde zij een cursus Italiaans. In Assisi kwam Franciscus voor haar tot leven, temeer daar zij de hier woonachtige Jørgensen opzocht. Terug in Nederland sloot Nolthenius zich aan bij het communisme, dat zij - blijkens uitspraken hierover in een interview met Huub Oosterhuis - als het enige mogelijke antwoord op de radicale eisen van het christendom beschouwde. Zij stortte zich op de muziek van M. Moessorgski en begon Russisch te leren. Het Hitler-Stalin-pact van augustus 1939 deed haar het lidmaatschap van de Communistische Partij Nederland opzeggen.
Als tiener wilde Nolthenius klassiek zangeres worden, een ambitie die in verschillende van haar verhalen terugkeert. Zij koos uiteindelijk voor de wetenschappelijke benadering van haar liefde, en op 23 november 1940 begon zij aan de studie muziekwetenschap aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Daarmee zette zij een familietraditie voort. Zowel grootvader als vader waren classicus en musicus.
Een jaar later, in november 1941, liet Nolthenius zich rooms-katholiek dopen in Haarlem. De wijze waarop zij hier achteraf - in het al eerder genoemde interview door Huub Oosterhuis - over sprak, is kenmerkend voor de blijvende intensiteit en het nogal letterlijke karakter van haar geloof. 'Vlak voordat ik gedoopt werd, had ik in een flits: 'ik móét nu geloven dat er een God is, anders valt de hele zaak in elkaar en heeft het leven geen zin meer' (p. 13).
Nolthenius' studietijd viel samen met de bezettingsjaren, en zoals bij zovelen van haar generatie was die periode van grote invloed op de rest van haar leven. Zoals zij in een interview in 1999 verklaarde, had zij voor haar leven genoeg werkelijkheid gezien en werd ze gevoed in haar escapisme richting muziek, geschiedenis en religie. Haar ouders verborgen in hun huis in Bloemendaal joodse onderduikers, die door verraad alsnog in het vernietigingskamp Auschwitz belandden. Aanvankelijk werd Nolthenius opgepakt, maar de Duitsers lieten haar gaan toen haar vader zich meldde. Hij werd vervolgens naar het concentratiekamp Dachau gedeporteerd, waarvan hij in 1945 terugkeerde.
Op 12 oktober 1945 deed Nolthenius doctoraalexamen. Zij begon met het schrijven van muziekrecensies voor het rooms-katholieke dagblad De Maasbode. Op aanbeveling van haar leermeester, de Utrechtse hoogleraar A.A. Smijers, werd zij op 1 april 1946 hoofd van de muziekafdeling van de Katholieke Radio Omroep (KRO). Het was een drukke baan, want meer dan eenderde van de zendtijd werd gevuld met klassieke muziek. Al op 1 maart 1947 nam zij ontslag, omdat het werk fysiek te zwaar voor haar was. Bovendien wilde zij zich aan haar promotieonderzoek wijden. Enkele maanden later trad zij in het huwelijk met Willy Wagenaar, directiemedewerker van de KRO. Tussen 1948 en 1952 zouden hieruit drie kinderen worden geboren.
Op 23 april 1948 promoveerde Nolthenius bij Smijers op De oudste melodiek van Italië. Een studie over de muziek van het Dugento. Zij onderzocht hierin de invloed van de franciscaanse beweging op de Italiaanse muziek. De gepopulariseerde versie van deze dissertatie werd Nolthenius' eerste grote publiekssucces. Duecento. Zwerftocht door Italië's late middeleeuwenverscheen in 1951 als pocket bij uitgeverij Het Spectrum. Hoewel het boek vele herdrukken zou beleven en in het Engels en het Duits werd vertaald, distantieerde zij er zich later zelf van. Zij vond het achteraf 'romantisch' en 'onwetenschappelijk' (Oosterhuis, 16).
De combinatie van wetenschapster en schrijfster was kenmerkend voor Nolthenius' auteurschap. In 1953 debuteerde zij met de novellebundel Addio, Grimaldi!De titelnovelle behelst de kroniek van een klein stadje aan de Italiaanse Rivièra, waarin Nolthenius soepel en zwierig, met lichtmelancholieke ondertoon, kleine en grote gebeurtenissen aaneenrijgt, zodat een beeld ontstaat van een hechte samenleving door de eeuwen heen. Met Renaissance in mei. Florentijns leven rond Francesco Landini († 1397)uit 1956 zou Nolthenius hele generaties Italiëgangers vormen. Met grote precisie beschrijft zij hierin de geschiedenis van Florence in de 14de eeuw. Daarbij besteedt zij niet alleen aandacht aan de wijze waarop de politieke elite de macht verwierf en uitoefende, maar ook aan haar dagelijkse levensomstandigheden.
In 1958 werd Nolthenius buitengewoon hoogleraar muziekgeschiedenis van de Oudheid en de Middeleeuwen aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Was haar aandacht tot dan toe vooral uitgegaan naar de 13de- en 14de-eeuwse Italiaanse muziek, haar hoogleraarschap bracht haar in aanraking met nieuwe onderwerpen, zoals het liturgisch drama, waaraan zij verschillende deelstudies zou wijden. Als onderwerp voor haar oratie koos Nolthenius Nederlands muziekleven in de Middeleeuwen. De vroege Nederlandse muziekgeschiedenis werd een van haar nieuwe interesses. Samen met Eliseus Bruning en Marie Veldhuyzen bezorgde zij in 1963 een uitputtende editie van twee laat-15de- eeuwse handschriften, Het geestelijk lied van Noord-Nederland in de vijftiende eeuw, een publicatie die nog steeds wordt geraadpleegd. In 1966 werd haar leerstoel omgezet in een ordinariaat.
Toen Nolthenius er vier jaar op had zitten, 'en alle stof zo'n beetje had doorgepraat' (Oosterhuis, 16), begon zij zich meer toe te leggen op het schrijven van romans. In 1966 verscheen Buiten blijven, twee jaar later gevolgd door Een ladder op de aarde, haar eerste echte historische roman, spelend in Italië in de 14de eeuw. Vooral in De afgewende staduit 1970 - volgens haarzelf haar meest geslaagde roman - is de vrouwelijke hoofdpersoon een eenling, een gedreven wetenschapster die zichzelf in isolement een rad voor ogen draait. Nolthenius' personages zijn vaak buitenstaanders. Zij leveren strijd tussen de aardse en de hemelse liefde en moeten zich zien te verzoenen met het lot slechts voorbijganger te zijn.
In 1975 waagde Nolthenius zich voor het eerst aan het detectivegenre. In Weekend op Waldeggis het verhaal opgebouwd volgens het beproefde stramien van de Britse detectiveschrijfster Agatha Christie. Een groepje mensen is bijeen in een Zwitserse villa, wanneer de gastheer wordt vermoord. Het achterhalen van de dader is niet eenvoudig, omdat iedereen een motief blijkt te hebben. In 1977 publiceerde Nolthenius de eerste van haar 'Lapo Mosca'-boeken. In deze populaire middeleeuwse detectives, waarin de 14de-eeuwse Italiaanse bedelmonnik 'Lapo Mosca' de hoofdfiguur is, gebruikte zij de misdaad als een middel om de lezer - aan de hand van allerlei avontuurlijke verhaallijnen en een waar arsenaal aan gezegden en spreuken - kennis te laten maken met de middeleeuwse maatschappij. De door haar beschreven misdaden waren overigens echt gebeurd. Achterin de boeken staan de bronnen vermeld. Deze werkwijze strookt met Nolthenius' opvattingen over het schrijven van historische romans, die in haar ogen zo waarheidsgetrouw mogelijk moesten zijn en zo dicht mogelijk bij de historische verhandeling behoorden te staan.
In 1976 ging Nolthenius - die twee jaar eerder nog lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen was geworden - vervroegd met emeritaat. Zij had constant hoofdpijn, die ze toeschreef aan de arbeidsomstandigheden aan de universiteit. Het hoogleraarbestaan werd naar haar idee geregeerd door vergaderingen, cijfers en geld, een ergernis waaraan zij in haar afscheidscollege Lentetij, herfsttij. Gedachten bij een afscheidlucht gaf. 'Wat is er aan de hand met een maatschappij waarin "elitair" een schuttingwoord is geworden?', vroeg zij zich af. Ook de ontwikkelingen binnen de studierichting muziekgeschiedenis stonden Nolthenius tegen. Het was haar een gruwel dat steeds minder studenten het Latijn beheersten en dat zij soms zelfs geen muzieknoten konden lezen. De bestudering van het Gregoriaans hield voor haar in dat de studenten zelf ook het Gregoriaans moesten leren zingen. Pas dan wist men volgens haar waarover men het had.
Ook nadat zij in 1977, een jaar na haar emeritaat, met haar man naar Cavriglia in Toscane was verhuisd, bleef de studie van de middeleeuwse muziek haar bezighouden. Dit leidde in 1981 tot het hoogtepunt in haar musicologische werk: Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans. Zij schreef het omdat ze zoveel van het Gregoriaans hield, zoals zij altijd pas ergens over kon schrijven als ze een persoonlijke bezieling ten aanzien van het onderwerp voelde. Toch is - evenals in haar andere cultuurhistorische werk - ook in de muziekstudies van Nolthenius een verandering waarneembaar: de aanvankelijk romantische inzet heeft meer en meer plaats gemaakt voor kritische distantie. In 1981 keerden Nolthenius en haar man terug naar Nederland uit heimwee. In hun Amsterdamse bovenwoning moesten voortaan de stekjes van de bougainville uit hun Toscaanse tuin de herinnering aan Italië levend houden. 'Ik hou er veel van, maar ik hoor er niet', stelde Nolthenius in gesprek met Antoine Bodar vast, een uitspraak over Italië die zij onmiddellijk doortrok naar haar houding ten aanzien van de katholieke kerk. Naarmate zij meer inzicht had gekregen in de ontstaansgeschiedenis van de bijbel, ging 'de hele zaak' barsten vertonen, hoe erg zij dat ook vond. In hetzelfde interview uit 1988 zei ze zichzelf nog slecht als 'katholiek non-croyant' te beschouwen.
In 1988 verscheen Een Man uit het Dal van Spoleto, Nolthenius' evocatie van het leven van Franciscus van Assisi. Het boek getuigt van een levenslange fascinatie. In een poging hem te demythologiseren en te achterhalen wie hij echt is geweest, zoekt zij haar heil bij de waarnemingen van Franciscus' tijdgenoten, de contemporaine kroniekschrijvers en de ooggetuigen. De heilige werd mens, maar desondanks bleef Franciscus zijn 'onweerstaanbaarheid' behouden. Een man uit het dal van Spoletowerd in 1992 bekroond met de Henriëtte de Beaufortprijs voor de biografie.
Oneerbiedig zou men kunnen zeggen dat Hélène Nolthenius niet helemaal van de wereld was, in die zin dat zij zich eerder door het 'daar en toen' liet beroeren dan door het 'hier en nu'. Nolthenius was de eerste om toe te geven dat haar liefde voor de tijden van weleer, die zich uitte in de keuze van haar vak, muziekgeschiedenis, en in de historische inslag van zowel haar wetenschappelijke als haar literaire werk, een soort ontsnappen aan het heden was. 'Ik ben een aartsescapist', zei zij vaak over zichzelf in interviews.
Ook was Nolthenius een eenling. Zij maakte geen deel uit van enige literaire of wetenschappelijke kring en was daar ook niet op uit. Haar werk werd in het algemeen goed ontvangen, al zetten vakgenoten wel eens vraagtekens bij de religieuze ondertoon. Haar grondige documentatie en haar zin voor historie worden echter unaniem geprezen. De historische romans werden door sommigen ontoegankelijk en moralistisch gevonden. Maar meestal was er waardering voor haar levendige en frisse stijl en haar ironie en eruditie. Voor haar gehele essayistische oeuvre ontving Nolthenius in 1999 de tweejaarlijkse Anna Bijns- prijs 'voor de vrouwelijke stem in de letteren'. In het juryrapport werden de literaire kwaliteit van haar werk, haar vakmanschap en eruditie, haar inzicht in menselijke verhoudingen en de overtuigende wijze waarop zij fictie met non- fictie vermengt, geprezen.
Een jaar voor haar overlijden, na een kortstondige ziekte, op tachtigjarige leeftijd, verscheen Nolthenius' laatste roman, Voortgeschopt als een steen(1999), over de epigramdichter Leonidas van Tarente, die in de derde eeuw voor Christus een zwervend bestaan leidde in Italië, Griekenland en Klein-Azië. In de hoofdfiguur wist Nolthenius het melancholieke levensgevoel van de eeuwige buitenstaander andermaal te verbeelden. Het werd een klassiek en tijdloos verhaal van weemoed en noodlot, van willen en moeten. In een interview in 1990 zei ze in gesprek met Huub Oosterhuis: 'Wat vandaag onbereikbaar is, heb je morgen alweer achter je gelaten. Dat is de enige hemel die ik me kan voorstellen' (p. 30).
A: Collectie-Hélène Nolthenius en persdocumentatie betreffende haar in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's- Gravenhage.
P: 'Publicaties van Hélène Nolthenius' in de onder L genoemde publicatie van Polman, 37-41.
L: Behalve necrologieën op 25-4-2000 o.a. in NRC Handelsblad, door Hans Werkman, in Nederlands Dagblad, door Kees Fens, in de Volkskranten door Marja Pruis, in De Groene Amsterdammer, 6-5-2000: Mariëlle Polman, Trouw aan de muzen. Helene Nolthenius('s-Gravenhage 1999). Hierin: 'Interviews' en 'Publicaties over Hélène Nolthenius', 41-51. Verder o.a.: A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep(Baarn 1985); Huub Oosterhuis, 'De weg naar het braambos', in Werkschrift van de Stichting Leerhuis en Liturgie10 (1990) 4 (aug.) 3-15; Antoine Bodar, 'Teloorgang en scepsis. Gesprek met Helene Nolthenius', in idem, Weten waar de muze woont(Amsterdam 1998) 157-163; C. Vellekoop, in Levensberichten en herdenkingen [van de] Koninklijke Akademie van Wetenschappen 2001(Amsterdam 2001) 61- 66; Marja Pruis, '"Ik ben een eenling, altijd geweest." Hélène Nolthenius (1920- 2000), historica en schrijfster', in Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis(Amsterdam 2001) 224-241.
I: A.F. Manning, Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep(Baarn 1985) 217 [Hélène Nolthenius in 1946].
Bron: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn6/nolthenius
Ter vergelijking nog een tweede (korter, handiger om te lezen):
Hélène Nolthenius (1920-2000) studeerde muziekwetenschap aan de Universiteit van Utrecht en promoveerde in 1948 op haar proefschrift De oudste melodie van Italië. Van 1958 tot 1976 was ze hoogleraar muziekwetenschap in Utrecht. Haar promotieonderwerp bracht haar in aanraking met de middeleeuwse geschiedenis van Italië, een contact waaruit naast diverse wetenschappelijke studies - o.a. Duecento en haar voor de AKO-prijs genomineerde Franciscus-studie Een Man uit het Dal van Spoleto (1989) - ook drie historische detectives voortkwamen. Ze spelen in de 14e eeuw, en de speurder is de Franciscaan Lapo Mosca bijgenaamd Duedonne, dichter en zanger van vrome én schuine poëzie. Zijn wederwaardigheden staan te lezen in Geen been om op te staan (1978) en Als de wolf de wolf vreet (1980), in 1989 samen heruitgegeven onder de titel Moord in Toscane (Querido) In 1991 voegde ze daar Babylon aan de Rhone (ook Querido) aan toe, waarin Lapo Mosca naar het pauselijke ballingsoord Avignon trekt. De Mosca boeken zijn zowel in het Duits als in het Frans vertaald.
Nolthenius schreef daarnaast ook muziekbiografieën voor de jeugd, hedendaagse detectives w.o. Weekend in Waldegg, verhalenbundels w.o. Het Vliegend Haft en 'gewone' historische romans, waarvan Voortgeschopt als een steen (1999), over een tweederangs dichter uit de Hellenistische wereld, de meest recente is. Als de musicologe en romanschrijfster Wagenmaker figureert Hélène Nolthenius zelf in deel II van Voskuils Bureau-serie, Vuile Handen.
Ik weet niet bij welke tijdstroming ik dit werk kan verbinden.
Hélene Nolthenius schrijft vaak over Middeleeuwse onderwerpen, zoals je hierboven kunt lezen over de schrijfster. Ze documenteert zich goed in echte boeken en verhalen, de versjes uit Moord in Toscane hebben echt bestaan net zoals sommige personen in de boeken, ze komen uit middeleeuwse geschriften.
http://huiswerk.scholieren.com/uittreksels/verslag.php?verslagid=8905
Ander werk van deze schrijfster:
Addio, Grimaldi!& Monte Deserto
Buiten blijven
Een ladder op aarde
De afgewende stad
Weekend op Waldegg
Als de wolf vreet
Muziek tussen hemel en aarde. De wereld van het Gregoriaans.
Bespreking van de personages:
*Lapo Mosca aka Duedonne (omdat hij 2 Madonna’s aanbid: die van de aarde en die van de hemel*: Een Minderbroeder van de orde der Franciscanen. Zijn naam heeft iets te maken met een vlieg. Hij is niet zo jong meer en heeft jicht in zijn poot. Omdat hij nooit stil kan zitten wordt hij vaak weggestuurd om allerlei dingen te doen zoals relikwieën zoeken,..
Naast zijn medemensen helpen is hij ook een echte peurneus/detective. Hij is niet onrechtvaardig, wil altijd goed doen maar hij heeft ook veel tekortkomingen. Hij houdt van vrouwen, drinken en liedjes verzinnen (vroeger was hij speelman) en heeft altijd zijn tamboerijn in z’n achterzak steken.
*Sismonda de’Figlipetrie aka Nennetta*: Zeer knap meisje. Veel mannen dingen naar haar hand maar ze wijst hen één voor één af. Ze was een meisje van plezier tot ze haar op een dag vermoorden.
*Pandolfo*: Heel erg onsympathiek persoon. Probeert alles en iedereen er in te luizen om die erfenis te bemachtigen die hem niet toekomt. Sluit zich aan bij de Compagnie en dat wordt zijn dood.
*Filippo de’Figlipetrie* Hij is degene die zijn zus heeft vermoordt en hij probeert de schuld op de Guelfen te steken. Hij probeert ook om de naam Figlipetrie te zuiveren in het stadje Sienna.
*Jachopo*: Wordt ten onrechte beschuldigd van verraad => hij is erin geluisd. Er is ook vanalles aan de hand met zijn familie.
Tijd:
Het verhaal speelt zich af midden jaren 1300.
Titel:
Ik denk dat die eigenlijk dubbelzinnig bedoeld is:
1/ Het gaat om het been van Bartolo, Lapo Mosca moet deze relikwie gaan zoeken. Bartolo had geen been meer, door de lepra is het afgestorven (meer toch merkwaardig goed bewaard gebleven)
2/ In een moordzaak moet je voldoende bewijzen hebben anders heb je geen been om op te staan = zonder bewijzen ben je niets.
Thema:
Het geloof: gaat over broeders, priors, Gods wegen,…
De dood: het meisje is vermoord, zijn veel mensen gestorven aan de pest, door de doortocht van de Compagnie die iedereen afslacht, ...
Eigen mening:
Ik vond het wel een goed boek, mooi beschreven. Het zit nogal ingewikkeld in mekaar: alle problemen lopen kriskras door elkaar heen en soms spring je van de hak op de tak en er worden heel erg veel namen gebruikt.. opletten geblazen en goed volgen.
Samenvatten was ook niet zo gemakkelijk.Soms waren er stukjes waarvan je denkt: “och, die heb ik niet nodig” maar achteraf blijkt dat die personen toch nog terugkomen en misschien wel een belangrijke rol spelen.
Wat ik ook belangrijk vond is dat het einde niet voorspelbaar is, zo hoort het bij een goed detective verhaal.
Het is ook een zeer meeslepend verhaal. Als Lapo iemand niet zo graag heeft, dan gaat de lezer die persoon ook niet graag hebben. Je voelt ook sympathie voor Jachopo omdat die ten onrechte vast zit.
Wat ik nog fijn vindt is dat Lapo Mosca ook slechtere kantjes heeft. Hij is geen broeder die alles doet zoals het door God voorgeschreven in; de menselijke onvolmaaktheden zijn niet weggelaten omdat hij een broeder is. Maar eigenlijk past hij niet zo goed in zijn rol als monnik.
Motivatie van mijn keuze:
Had zin in een goede detective en toen ik dit boek zag staan..
Gegevens:
Helene Nolthenius – Geen been om op te staan
Uitgeverij: Querido
Groep: Salamander
184 pagina’s
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.