taalvaardigheid

Frans

Antwoorden

6.0 / 10
3e klas vwo
  • anoniem
  • NL
  • 1461 woorden
  • 24296 keer
    867 deze maand
  • 16 mei 2005
Frans Proefwerk hoofdstuk 12-13-14: Taalvaardigheid:

Comment tu t’appelles? Comment t’appelles tu? Je m’appelle Henrike.
Wat is je naam? Ik heet Henrike

Quel âge as-tu? Tu as quel âge? J’ai quinze ans.
Hoe oud ben jij? Ik ben 15 jaar.

Tu habites où? Où habites-tu? J’habite à Harbrinkhoek.
Waar woon je? Ik woon in Harbrinkhoek.

C’est près de quelle ville? C’est près Almelo.
Bij welke stad is het dichtbij? Het is dichtbij Almelo.

Tu habites un appartement? Non, j’habite dans une maison.
Woon je in een flat? Nee, ik woon in een huis.

Tu as des frères et des sœurs? Je n’ai pas de frères ou de sœurs. J’ai trous des sœurs et pas de frères. Heb je broers en zussen? Ik heb geen broers en zussen. Ik heb 3 zussen en geen broers.


Tu as un animal domestique? Oui, j’ai un chien.
Heb je een huisdier? Ja, ik heb een hond.

Comment s’appelle-t-il? Mon chien s’appelle Birthe.
Wat is de naam? Mijn hond heet Birthe.

Quel âge a-t-il? Elle a neuf ans.
Wat is de leeftijd? Zij is negen jaar.

Il est gentil? Oui, elle est très gentille.
Is ze aardig/lief? Ja, ze is erg lief/aardig.

Quel travail font tes parents? Ma mère travaille à la maison et mon père travaille dans une office. Welk werk doen je ouders? Mijn moeder werkt thuis en mijn vader werkt op een kantoor.

Tu vas à quelle l’école? Tu fréquentes quelle école ? Je vais au collège de la ville. Je vais à Saint Canisius. Naar welke school ga je? Ik ga naar de school in de stad. Ik ga naar St. Canisius.

Tu es en quelle classe? Je suis en troisième en Hollande.
In welke klas zit jij? Ik zit in de derde klas in Nederland.

Comment tu vas à l’école? Comment est-ce que tu vas á l’école ? J’y vais en vélo. J’y vais en car. Hoe ga je naar school? Ik ga met de fiets. Ik ga met de bus.


C’est une grande école? Oui, je vais à une grande école.
Ga je naar een grote school? Ja, ik ga naar een grote school.

Il y a combien d’élèves dans ton école? IL y a 1800 élèves dans mon école.
Hoeveel leerlingen telt de school? Er zijn 1800 leerlingen in mijn school.

Il y a combien d’élèves dans ta classe? IL y a 24 élèves dans ma classe. Hoeveel leerlingen zitten er in je klas? Er zijn 24 leerlingen in mijn klas.

L’école commence à quelle heure? À huit heures vingt normalement.
Hoe laat begint de school? Om tien voor half negen gewoonlijk.

L’école finit à quelle heure? Elle finit à trois heures normalement.
Hoe laat eindigt de school? De school eindigt om 3 uur gewoonlijk.

Tu aimes l’école? L’école, ça te plaît ? J’aime bien l’école.
Vind je school leuk? Ik vind school erg leuk.

Quelles matières est-ce que tu fais? Je fais beaucoup de matières.
Welke vakken heb je? Ik heb veel vakken.

Quelles sont tes matières préférées? J’aime surtout les maths et le français.
Wat zijn je lievelingsvakken? Ik houd vooral van wiskunde en Frans.

Qu’est-ce que tu détestes? Je déteste les sciences.
Waar heb je een hekel aan? Ik heb een hekel aan de natuurwetenschappen.

Tu as beaucoup de devoirs? J’ai beaucoup de devoirs.
Heb je veel huiswerk. Ik heb veel huiswerk.

Qu’est-ce que tu fais comme sport? Je nage.
Welke sport beoefen je? Ik zwem.

Tu aimes le sport? Oui, j’aime nager/la natation et jouer au tennis.
Houdt je van sport? Ja, ik houd van zwemmen en tennissen.

Ce n’est pas un sport dangereux? Je ne me suis encore jamais blessée !
Is dat niet een gevaarlijke sport? Ik heb me nog nooit geblesseerd.

Qu’est-ce que tu aimes encore? J’aime les ordinateurs. J’aime surtout lire.
Waar houd je nog meer van? Ik houd van computers. Ik houd vooral van lezen.

Qu’est-ce que tu aimes surtout lire? J’aime surtout lire des romans policiers.
Wat lees je het liefst? Ik houd vooral van detectives lezen.

Quand est-ce que tu lis? Je lis presque toujours pendant le week-end.
Wanneer lees je? Ik lees bijna altijd in het weekend.

Qu’est-ce que tu préfères: lire un livre ou regarder la télévision? Je préfère lire un bon roman policier! Wat doe je liever: een boek lezen of tv kijken? Ik lees liever goede detective.

Quel est ton passe-temps préférées? J’aime nager et les ordinateurs.
Wat zijn je hobby’s? Ik houd van zwemmen en computers.

Tu sors le week-end? Pendant le week-end je sors avec des copains.
Ga je uit in het weekend? Gedurende het weekend ik ga uit met vrienden.

Tu aimes sortir? Oui, je sors souvent. Non, je n’aime pas sortir.
Houd je van uitgaan? Ja, ik ga vaak uit. Nee, ik houd niet van uitgaan.

Vous allez souvent danser? Oui, presque tous les week-ends nous allons danser dans une boîte. Non, je ne vais pas souvent danser.
Gaan jullie vaak dansen? Ja, wij gaan bijna elk weekend dansen in een discotheek. Nee, ik ga niet vaak dansen.

Que’est-ce que tu aimes manger? J’aime mange des pommes noisette.
Wat is je lievelingseten? Wat eet je graag? Ik eet graag aardappelbolletjes.

C’est toi qui fais la vaisselle, chez toi? Oui, je fais la vaisselle.
Doe jij de afwas, bij jou thuis? Ja, ik doe de afwas.

Où vas-tu passer les vacances? Je vais passer les vacances en Hollande.
Waar breng jij je vakantie door? Ik breng mijn vakantie door in Holland.

Tu vas à la montagne? Non, je vais au bord de la mer. Oui, je vais à la montagne. Ga je naar de bergen? Nee, ik ga naar het strand. Ja, ik ga naar de bergen.


Quel temps fait-il en Italie? En Italie il fait souvent beau et chaud.
Wat voor weer is het in Italië? In Italië is het vaak mooi en warm weer.

Tu sais nager? Oui, bien sûr. Non, je ne sais pas nager.
Kun je zwemmen? Ja, natuurlijk. Nee, ik kan niet zwemmen.

Tu vas faire du camping? Oui, j’aime beaucoup ça ! Non, je n’aime pas ça.
Ga je naar een camping? Ja, ik houd daar veel van! Nee, daar houd ik niet van.

Tu parles italien? Non, mais je parle français et anglais. Oui, je parle italien.
Spreek je Italiaans? Nee, maar ik spreek Frans en Engels. Ja, spreek Italiaans.

Comment vas-tu voyager? Je prends le train. Je vais en car/en vélo/l’avion.
Hoe reis je? Ik neem de trein. Ik ga met de bus/fiets/het vliegtuig.

Tu connais déjà l’Italie? Non, c’est mon premier séjour en Italie. Oui, je connaisse déjà l’Italie. Weet je veel van/over Italië? Nee, het is mijn eerste week in Italië. Ja, ik weet veel van/over Italië.

Tu t’es bien amusé, hier soir, à la discothèque? Oui, je me suis très bien amusé(e)! Heb jij je gisteravond geamuseerd in de discotheek? Ja, ik heb me erg goed geamuseerd.

Tu viens d’où? Je viens de Hollande, je suis Hollandais(e). Waar kom je vandaan? Ik kom uit Nederland. Ik ben Nederlandse.

Tu es ici depuis longtemps? Depuis une semaine déjà je suis sur le terrain du camping. Ben je hier sinds lange tijd? Sinds een week ben ik al op het terrein van de camping.

C’est un bon camping? Oui, c’est un camping excellent, avec des blocs sanitaires bien propres et le camping est vraiment très calme.
Is het een goede camping? Ja, het is een geweldige camping met goede schone sanitaire en het is er werkelijk erg rustig.

Comment ça se fait que tu parles si bien français? Au collège j’ai écouté et j’ai parlé le français depuis 3 ans déjà.
Hoe komt het dat je zo goed Frans praat? Op school heb ik gepraat en Frans geluisterd sinds 3 jaar.

Tu viens souvent en France? Oui, presque tout les ans je passe mes vacances en France.
Kom je vaak in F? Ja, bijna elk jaar breng ik mijn vakantie door in F.

Qu’est-ce que tu fais ici à Dieppe au cours de la journée ? Je me baigne presque tous les jours dans la mer et je fais de planche à voile.
Wat doe je overdag in Dieppe? Ik zwem bijna elke dag in zee en ik surf.

Tu vas ce soir à la disco ? Ce soir, je ne peux pas venir, parce que (…), mais demain-soir, samedi soir, j’irai certainement danser.

Ga je vanavond naar de disco? Vanavond, kan ik niet komen, omdat (…), maar morgenavond, zaterdagavond, zal ik zeker gaan dansen.

Est-ce que je peux t’inviter à y aller avec moi ? C’est très sympa de ta part : si on se donnait rendez-vous.
Mag ik je uitnodigen er met mij naartoe te gaan? Het is erg aardig: ja, als we een afspraak maken.

Tu vas aller à la pêche aussi ? Non, je déteste ça.
Ga jij ook vissen? Nee, daar heb ik een hekel aan.

Poser des questions? – vragen stellen?
bien sûr – natuurlijk
Passe-temps préférés? – hobby’s?
bricoler – knutselen / doe-het-zelven.
Cher? – duur?
assez – genoeg / tamelijk / nogal
Sports? – Sporten?
pas tellement : un peu… - niet zo erg: een beetje…
Sortir? – Uitgaan?
une boîte – een doos / een blikje / een discotheek
Devoirs? – huiswerk?
à peu près…- bijna

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

4751
 

reacties

 
erg goed en handig
door anoniem (reageren) op 20 december 2011 om 16:30
Sommige verbeteringen in het Frans : C'est près d'Almelo. J'ai trois soeurs mais pas de frère. Quel âge a-t-il ? Il a 9 ans. Il est gentil ? Oui, il est très gentil. Mon père travaille dans un bureau. J'y vais à vélo. Ik heb op dit ogenblik geen tijd om alles te verbeteren en verklaren maar ik wil wel later terugkomen. Ik zocht een oefening in het Nederlands en de vertalingen interesseren me dus voor mijn leerlingen. We zouden samenwerken : ik help u voor de zinnen in het Frans en u helpt me voor de zinnen in het Nederlands.
door Laurence (reageren) op 13 november 2012 om 21:07