Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen

Kleur

Natuurkunde

Werkstuk

6.2 / 10
3e klas vwo
  • Flesjewater
  • Nederlands
  • 1565 woorden
  • 19067 keer
    26 deze maand
  • 1 december 2002
Wat is kleur?

Zodra s\'morgens het eerste licht er is, kunnen wij vaag kleuren onderscheiden. Bij verschillende volkeren geldt dit als het beginpunt van de dag. Als ze onderscheidt kunnen maken tussen verschillende gekleurde woldraden, is voor hen de dag begonnen. De dag eindigt dan ook als de volkeren de verschillende kleuren niet meer kunnen zien.

Kleur

Newton ontdekte in 1665 bij toeval dat een lichtstraal alle
kleuren van de regenboog bevat. Hij liet een lichtstraal in
een glazen prisma vallen en zag dat de lichtstraal werd
opgesplitst in de banen rood, oranje, geel, groen, blauw
en violet licht. Als het licht door een tweede prisma ging,
werd het weer wit licht. Newton leidde hier uit af dat licht
bestaat uit alle kleuren, die alle hun eigen golflengtes hebben.
Die golflengtes krijgen een andere invalshoek door de
breking van de scherpe kant van de prisma. Ook leidde hij
hieruit af, dat kleur wordt bepaald door terugkaatsing.
Het ontleden van wit licht wordt kleurdispersie genoemd.
Een auto is rood, doordat de auto alle kleuren absorbeert,
behalve rood. Rood wordt teruggekaatst en komt dan in
ons oog terecht. Kleur is licht met bepaalde eigenschappen.
Licht bestaat uit elektromagnetische golven, die verschillende golflengtes hebben. Wij kunnen met onze ogen sommige golflengtes onderscheiden. Wit licht is een mengeling van al die golflengtes. Rood heeft de langste golflengte en violet de kortste.

Hier zie je een overzicht:

golflengte ( nm ) kleurnaam golfgebied
780 - 630 rood
630 - 600 oranje langgolvig
600 - 570 geel

570 - 550 geelgroen
550 - 520 groen middengolvig
520 - 500 blauwgroen

500 - 450 blauw kortgolvig
450 - 380 violet

De mens kan alleen dit spectrum zien. Maar sommige dieren kunnen
een heel ander golflengtegebied zien. Bijvoorbeeld de honingbij: dit
dier kan voorbij de kleur violet zien. Bijen hebben dit nodig, omdat
de bloemen die honing hebben vaak ultraviolet licht reflecteren. Bijen kunnen zo dus zien of een bloem bruikbaar is. Buiten het spectrum dat wij kunnen zien is dus het elektromagnetisch spectrum. Dat zijn de golven die langer zijn dan 780nm of korter dan 380nm. Langere golven bevatten meer energie dan kortere golven.

Kleurmenging

Bij kleurmengen heb je een aantal basiskleuren, waarmee je alle kleuren kan maken. Er zijn drie soorten kleurmenging: additieve, partitieve en subtractieve kleurmenging. Ik zal wat vertellen over additieve en subtractieve kleurmenging, maar niet over partitieve kleurmenging, omdat dat geen basismenging is. Hieronder zie je een overzicht met de kenmerken en de toepassingen van de soorten kleurmengen:

Additief Partitief Subtractief
Het mengen van licht- Het mengen van kleuren op Mengen van verven,
bundels, bijv. bij een draaischijf. kleurstoffen en pigmenten
theatervoorstellingen.

Mengen van kleurpunten, Over elkaar gedrukte inkt- die je niet afzonderlijk kan zien, lagen en kleuren in
bijv. pointillisme. combinatie.

Mengkleur is helderder Mengkleur heeft gemiddelde Mengkleur heeft lage
dan afzonderlijk licht- helderheid. helderheid.
bundels.

Additieve kleurmenging:

Additieve kleurmenging vindt plaats door het bij elkaar optellen van verschillende gekleurde lichtbundels. De basiskleuren ( de primaire kleuren ) zijn blauw, rood en groen. Uit deze kleuren kan je weer wit licht maken. Deze samenstellende kleuren worden ook wel 1/3 kleuren genoemd, omdat je dus drie kleuren nodig hebt om wit licht te maken en elke kleur 1/3 van wit licht is. Door twee 1/3 kleuren over elkaar te mengen ontstaan er 2/3 kleuren ( secundaire kleuren ). Ook de 2/3 kleuren kan je weer mengen, er ontstaat dan weer een 1/3 kleur:

2/3 kleur 2/3 kleur = 4/3 kleur = 1 1/3 kleur

Deze 1/3 kleuren hebben een grotere helderheid en er wordt ook nog een beetje wit licht gevormd.
zo geldt ook bijvoorbeeld:

magenta cyaan = wit lichtblauw
blauw rood blauw groen = rood groen blauw blauw
2/3 2/3 = 3 1/3 1/3 = 4/3 = 1 1/3


cyaan geel = wit lichtgroen
blauw groen groen rood = blauw groen rood geel
2/3 2/3 = 3 1/3 1/3 = 4/3 = 1 1/3

Additieve kleurvorming treedt op als we de kleur van een voorwerp zien.
Wij zien een voorwerp geel als blauw wordt geabsorbeerd en rood en
groen worden teruggekaatst. Ook als we televisie kijken hebben we te
maken met deze vorm van kleurvorming. Het televisiebeeld bestaat uit
schijfjes in de primaire kleuren. Door elektronenstralen worden de puntjes
belicht en de lichtbundels vormen de kleuren doordat menging van heel
dicht bij elkaar liggende puntjes optreedt tot de goede kleur. Het scherm is dus uit heel veel puntjes opgebouwd.

Subtractieve kleurmenging:

Bij subtractieve kleurmenging worden verschillende kleuren van verf en andere gepigmenteerde stoffen gemengd. Er ontstaan dan andere kleuren dan bij de menging van licht
( = additieve kleurmenging ). Maar hoe kan het nou,
dat we na het mengen van blauwe en gele kleurstof,
groen zien ? Dat komt doordat we een reflectie
waarnemen van het licht dat niet door de blauwe en
gele kleurstoffen wordt geabsorbeerd. De gele stof
absorbeert vooral het kortgolvige licht en de blauwe
stof vooral de langere golven licht. De straling die
niet wordt geabsorbeerd en dus wordt teruggekaatst
ervaren wij als groen. Dus uit het witte licht zijn blauw en rood verwijdert, zodat alleen groen overblijft. Als het groen ook verwijdert zou worden, blijft alleen de kleur zwart over.
De subtractieve primaire kleuren ( de basiskleuren ) zijn de secundaire kleuren bij het additieve kleurmengen: magentarood, citroengeel en cyaanblauw.
Subtractieve kleurmenging ligt aan de basis van de kleurenfotografie. Ook wordt deze kleurmenging gebruikt bij het schilderen en tekenen. In principe heeft een schilder alleen de drie basiskleuren nodig om alle kleuren te maken, alleen wit en zuiver zwart kunnen dan niet gemaakt worden.
Bij het mengen van verf wordt ook nog een beetje additieve kleurmenging gebruikt. Dit komt doordat een klein deel van het licht niet in het mengsel doordringt, maar direct wordt teruggekaatst. Hierdoor kan je totale kleurindruk worden beïnvloed.

Bijzonder kleurverschijnselen

Regenboog
Een mooi en bekend voorbeeld van kleurdispersie is een regenboog, Wanneer zonlicht op of door een regenbui valt, ontstaat er een regenboog, door kleurdispersie. De helderste regenbogen ontstaan bij buien met dikke druppels. Als de regen ophoudt wordt de regenboog bleker, doordat de rode kleur als eerste verdwijnt. Als er hele kleine druppel vallen, kan er zelfs een witte boog ontstaan.
Iedereen ziet een andere regenboog, dat hangt van de plek waar je staat ten opzichte van de zon en de regen. Je ziet een boog of een soort cirkel, doordat alleen licht dat onder een bepaalde hoek in je oog komt. Het overige licht wordt onder een andere hoek verstrooid en daardoor kan je dat licht niet zien. Een regenboog bestaat uit tenminste twee bogen: de primaire boog en de secundaire boog. Wij zien meestal
alleen de primaire boog, omdat die veel helderder is dan
de andere bogen. De primaire regenboog wordt gevormd
door lichtstralen die de regendruppels bovenin treffen.
Als ze in de regendruppel komen, worden de lichtstralen
gebroken, inwendig gereflecteerd en als ze uit de druppel
komen, opnieuw gebroken. Afhankelijk van hoe de breking
gaat, verschijnt elke kleur onder zijn eigen hoek: rood onder 42°, violet onder 41° en alle andere kleuren daar tussenin.
Lichtstralen die de druppel onderin treffen, worden binnenin de druppel twee keer gereflecteerd. Dan komen de kleuren, in omgekeerde volgorde ten opzichte van de primaire regenboog, te voorschijn. Soms zie je dus twee regenbogen aan de hemel: één tussen 41° en 42° ( de primaire boog ) en één tussen de 52° en 54° ( de secundaire boog ).
Hoe lager de stand van de zon, hoe hoger de regenboog. Als de zon te hoog aan de hemel staat, zien wij geen regenboog, omdat deze aan de horizon verdwijnt. Soms zijn de omstandigheden van het weer zo goed, dat je vanuit een vliegtuig de regenboog als een hele ring kan zien.

Interferentie
Interferentie is het samenkomen van twee ( of meer ) golven in één punt. Interferentie treedt op in zeepbellen en is de verklaring voor het verschijnen van kleuren: in olievlekken op het water, op de schubben van een vis, op de vleugels van vliegen en vlinders, op parels en op cd\'s. Om deze interferentieverschijnselen te begrijpen is het handig als ik eerst iets vertel over de golftheorie.:
Je zou lichtgolven je het beste zo voorstellen: je maakt een touw met één kant vast aan een paal en gaat dan aan het losse eind regelmatig trekken ( op en neer ). Er gaan daardoor golven over het touw lopen. De frequentie ( ) is het aantal golven per seconde, dat door een bepaald punt gaat. De frequentie wordt weergegeven in Hertz ( 1 Hz = 1 trilling of golf per seconde ). De trillingstijd:
T =
is de tijd waarin een golf zich voortplant, dus de lengte van de golf ( ).
De snelheid van een golf kan je zo uitrekenen:
snelheid ( v ) = of v =

Twee golven met een gelijke frequentie en gelijke amplitude ( A ) kunnen in de richting waar zij naar toe gaan van elkaar verschoven zijn. Zij zijn dan verschillend in fase. Als twee golven, allebei met amplitude A, dezelfde fase hebben ( dus als hun hoogste punt en hun laagste punt samenvallen ), versterken zij elkaar en gedragen zich als één golf met amplitude 2A
( A A= 2A ). Als het faseverschil precies ( = de formule voor de afstand tussen 2 plaatsen waar geen uitwijking van de golf is bij inferentie ), zullen de samenkomende golven elkaar opheffen of uitdoven ( A - A = 0 ). De golven zijn in elkaars tegenfase. De interferentie kunnen wij niet waarnemen, omdat veel lichtbronnen snelle en onregelmatige fasesprongen maken ( incoherent ). Als twee lichtbronnen coherent zijn ( gelijke frequentie, gelijke amplitude en gelijke fase ) kunnen zij elkaars werking versterken of juist geheel opheffen. Wij kunnen het precies versterken en uitdoven moeilijk aantonen. Wij nemen alleen een gemiddelde lichtsterkte waar, omdat we de inferentie niet kunnen zien.
Doordat het zeepvlies van een zeepbel zo dun is, gaat het lengteverschil veranderen met de hoek van inval. De samenstellende kleuren van wit licht kan je daardoor één voor één zien, ze doven elkaar uit en versterken elkaar door interferentie.

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

8360

reacties

heej alles goed met mij niet zow ik heb mijn spreekbeurt van deze site afgehaald over kleur en ik heb het overgeschreven in een beetje eigen woorden maar ik had een onvoldoende ik krijg een herkasing zou u mischien meer informatie kunnen geven over kleur alvast bedankt doeiiiiiiiii kusjes kim
door kim (reageren) op 28 mei 2003 om 18:02
Waarover men niet weet daarover moet men zwijgen. Troebele uitleg over additieve, subtractieve en partitieve kleurmenging. Het is nochthans simpel: add: mengkleur helderder dan helderste bronkleur subtr.mengkleur donkerder dan donkerste bronkleur part:mengkleur helderder dan donkerste, donkerder dan helderste bronkleur.
door bleuprint (reageren) op 26 maart 2014 om 15:39

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Wat doe jij om het plastic in de oceaan te verminderen?