boeddhisme

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas tso | 6742 woorden
  • 23 januari 2002
  • 155 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 155 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!

1. Ontstaan van het Boeddhisme.

Boeddhisme : Boeddhisme is één van de hoofdtypen waarin de Indische godsdienstige wijsbegeerte zich heeft geopenbaard. Ontstaan uit het Brahmanisme, is de voortzetting en ontwikkeling van bestaande inzichten en instellingen volgens de visie van Shakyamuni (Boeddha).

Aan de wieg van het Boeddhisme stond Siddharta Gautama, geboren omstreeks 563 voor Christus in het noorden van India. Siddharta groeide op in een paleis als een bevoorrechte vorstenzoon en leefde aanvankelijk totaal afgeschermd van het harde leven van alledag. Volgens een legende veranderde zijn leven na vier uitstapjes. Op de eerste drie werd hij geconfronteerd met een achtereenvolgens een gebrekkige oude man, een ernstig zieke en een lijk. Na het zien van al deze pijn en ellende zette Siddharta een punt achter zijn leven van weelde en zekerheid. Op de vierde reis leerde een monnik hem hoe in afzondering te leven. Siddharta verliet het paleis toen hij 29 jaar oud was. Jarenlang leefde hij in een bos en hield zich slechts bezig met meditatie. Na zes jaar bereikte hij de Verlichting en als Boeddha besteedde hij de rest van zijn leven met het verkondigen van zijn inzichten en het opleiden van monniken. Hij trok onderwijzend naar het noordoosten van India, spoedig gevolgd door een grote groep aanhangers. Zij vormden de eerste gelovigen van een geheel nieuwe godsdienst.


2. Verspreiding van het Boeddhisme.

1 SHAKYAMUNI :

Hij is de historische grondlegger van het Boeddhisme die ongeveer 3000 jaar geleden in Noord-India leefde, ook wel Siddartha Gautama genoemd.
Nadat hij de ware aard van het leven ontdekte, onderwees hij zijn verlichting op twee fundamentele wijzen.
De eerste veertig jaar onderwees hij wat hij had begrepen aan de hand van vertellingen en gelijkenissen en varieerde ze in overeenstemming met het bevattingsvermogen van zijn toehoorders.
Maar in de laatste acht jaar van zijn leven onderwees hij zijn verlichting direct in wat hij als zijn hoogste leer bestempelde, de Lotus-Soetra. In deze Soetra verklaarde Shakyamuni dat al zijn leerstellingen van voor de Lotus-Soetra moeten worden genegeerd. Hoewel van de Wet van het leven, gaf hij er geen precieze beschrijving van. Hij legde ook niet uit hoe de verlichting te bereiken is. Hij maakte alleen duidelijk dat ieder mens in aanleg de aard van de Boeddha bezit.
Hij predikte tot het laatste moment van zijn leven.

2 VAN VESTIGING TOT VERVAL :
In het jaar na Shakyamuni’s dood kwamen zijn leerlingen bijeen in de Eerste Boeddhistische raad om zijn vele leerstellingen voor het nageslacht te verzamelen.
In één van deze leerstellingen, de Daishutsu Soetra, beschreef Shakyamuni hoe hij de toekomstige ontwikkeling van het Boeddhisme zag.
Hij voorspelde dat deze ontwikkeling in drie afzonderlijke fasen zou verlopen die hij het Eerste Tijdperk van de Wet (Shogo), het Middelste Tijdperk van de Wet (Zoho) en het Laatste Tijdperk (Mappo) noemde.
Het eerste tijdperk zou een tijd zijn waarin de leer zou bloeien en velen naar verlichting zou leiden.

In het tweede tijdperk zou het Boeddhisme verder openbloeien, er zouden veel tempels en stoepa’s (= gedenktekens in de vorm van een toren) gebouwd worden.
Maar zijn leer zou tegelijkertijd in toenemende mate formeel, ritueel en elitair worden.
Geleidelijk aan zouden alleen nog priesters en de aristocratie zich de tijd veroorloven om de leer op de juiste wijze te beoefenen. En zo zou de Boeddhistische leer van kracht verliezen om gewone mensen te helpen hun lijden te overwinnen.
Het laatste tijdperk zou volgens Shakyamuni ongeveer 2000 jaar na zijn dood beginnen en 10000 jaar of langer duren. In die tijd zou zijn Boeddhisme dermate vervallen dat het volkomen machteloos zou blijken te staan tegenover verwarring, corruptie en conflicten die in dat tijdperk zouden heersen. De feitelijk historische ontwikkeling van het Boeddhisme volgde Shakyamuni’s voorspellingen op de voet.
Ongeveer een eeuw na zijn dood trad er een scheuring op zodat er twee hoofdstromingen in het Boeddhisme ontstonden het Hinayana- en het Mahayana-Boeddhisme.
De ontwikkeling van het Mahayana-Boeddhisme werd in belangrijke mate bevorderd door geleerden uit India, uit China en uit Japan. Maar met de verspreiding in Azië viel het Boeddhisme nog verder uiteen, omdat het werd beïnvloed door diverse culturen in de verschillende landen waarin het wortel schoot. Als gevolg daarvan vertroebelde het Boeddhisme steeds verder, werd het alleen voor ingewijden begrijpelijk, theoretisch en steeds minder toegankelijk voor gewone mensen.
Tegen het einde van het Middelste tijdperk, was het Boeddhisme precies zo in verval en verwarring zoals Shakyamuni het 2000 jaar daarvoor had voorspeld.

3 KEIZER ASHOKA
Maar de grote verspreiding is vooral te danken aan keizer Ashoka, 200 jaar na de dood van Shakyamuni. De verspreiding van het Boeddhisme over Noord-India was het werk van de keizer. In de derde eeuw voor Christus stichtte de Maurya-dynastie het eerste Indiase grote rijk, de Maghada.
Keizer Ashoka (ca.270-232 v. Chr.), de belanrijkste heerser van de dynastie, breidde zijn macht bijna over het hele subcontinent uit.
Op het hoogtepunt van de Magadha, omstreeks 257 voor Christus, bekkert Ashuka zich tot het Boeddhisme. Zo werd het Boeddhisme de staatsgodsdienst bij uitstek in India. Van hieruit breidde het zich uit door het werk van zendelingen over geheel Zuidoost-Azië. Hij organiseerde missieactiviteiten, hij zond onder andere zendelingen tot in Egypte en Griekenland.
Missionarissen werden naar naburige gebieden gezonden, zoals de Kashmir, de Himalaya, Myan-mar (voorheen Birma) en elders in India.

Ashoka’s zoon leidde een missie naar Sri Lanka en beheerde de koning aldaar tot het Boeddhisme. Als gevolg hiervan heeft Sri Lanka waarschijnlijk de langste aaneengesloten Boeddhistische traditie.
In de eerste eeuw na Christus verspreidde het Boeddhisme zich verder via handelsroutes van Noord-India naar China. Daar ontwikkelde het Boeddhisme zich in enkele eeuwen tot een belangrijke religie : Boeddhistische teksten werden vertaald in Chinese dialecten en uiteindelijk mochten Chinezen ook Boeddhistische monnik worden. In het begin werd het Boeddhisme opgenomen door het Taoïsme, de godsdienst van het Chinese volk. In de negende eeuw verdwijnt het bijna door de invloed van het confucianisme (= leer van de Chinese filosoof Confucius). Ook in Korea (vierde eeuw) en Japan (zesde eeuw) kreeg het Boeddhisme invloed.
Als in de elfde eeuw tot de twaalfde eeuw de Islam binnendringt is het Boeddhisme in India bijna uitgestorven. Het Hindoeïsme overtreft ook het Boeddhisme.

Wanneer de westerse koloniale mogendheden steeds sterker het Verre Oosten gingen overheersen, sukkelde ook het Boeddhisme in het verval. De mensen van Zuid-Oost-Azië werden immers niet alleen gedwongen een rol te spelen in het kapitalistische productieproces, ze werden ook tot op het merg gedwongen om de Europese beschaving en tradities hoger te schatten dan alles wat zijzelf of hun ouders ooit belangrijk en waardevol hadden gevonden. Hun geschiedenis, hun culturele rijkdom, hun religieuze ervaringen, hun eigenste zelf moesten het afleggen tegen de efficiëntie, het geldgewin en vooral de sterk gewapende overmacht van de blanke wereld. Begrijpelijk dat de onafhankelijkheidsstrijd van de Aziatische landen dan ook niet alleen een economische en politieke strijd werd, maar vooral een religieuze bevrijdingsstrijd.
Belangrijke Boeddhistische landen zijn : Cambodja, Japan, Zuid-Korea, Myanmar, Laos, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Tibet. Maar ook in Bangladesh, Birma, China, Indonesië, Nepal en Vietnam treffen we Boeddhisten aan.

3. Enkele termen uit het Boeddhisme.

BOEDDHA: De eretitel van de stichter van het Boeddhisme. Het is een afgeleide van het werkwoord “BUDH” wat ontwaken betekend. Het is dus “de ontwaakte” en het geeft aan, dat iemand, die deze naam deelachtig geworden is, uit de nacht der dwalingen is ontwaakt tot het licht van het inzicht. Dit is geen persoonsnaam maar een geestelijk toestand.

DE PALI-CANON EN DE DRIE KORVEN: Pas geruime tijd na Boeddha’s dood werd zijn leer neergeschreven, na eerst mondeling te zijn overgeleverd. De pali-canon bevat de religieuze literatuur van het Boeddhisme. Hij is ruim tweemaal zo omvangrijk als de Bijbel en bevat de oudste voor ons toegankelijke Boeddistische geschriften. De pali-canon weerspiegelt vooral de gedachtenwereld van één richting in het Boeddhisme, het Hinayana, maar ook de andere latere richtingen hebben die traditie geëerbiedigd. Het bevat ook de predikingen die door Boeddha zijn gehouden. Het Pali, dat ook nu nog de heilige taal van het Hinayana is, is een oud-Indische taal die verwant is met het sanskriet. De pali-canon noemt men in het Pali “de Tipitaka”.
De pali-canon bestaat uit drie delen die men de drie korven of de drie manden noemt. Vermoedelijk vindt die benaming haar oorsprong in het feit dat deze geschriften vroeger in korven werden bewaard.
Het geschrift dateert uit de eerste eeuw voor Christus en komt uit Sri Lanka.

De drie korven van de pali-canon zijn :
- De eerste korf is de Vinaya Pitaka: dit is de leer der leerlingen en der voorschriften voor
monikken. Het is alsook het relaas van gebeurtenissen tot ca. 386 v. Chr.
- De tweede korf is de Sutra Pitaka : dit is de verklaring van Boeddha’s leven met de
preken. Het is literair de belangrijkste korf. Deze korf bevat de dharma in de eigenlijke
zin.
- De derde korf is de Abhidhamma Pitaka : dit is de verzameling van analytische
beschouwingen, waarin de psychologische en filosofische aspecten van de leer verklaard
worden in overeenstemming met de werkelijkheid.

HET DRIEVOUDIG KLEINOOD: Door het uitspreken van een formule wordt men lid van de Boeddhistische geloofsgemeenschap. Men vindt haar reeds in de oudste geschriften. De Boeddhisten noemen haar het drievoudig kleinood, omdat zij de drie kostbaarste bestanddelen van het Boeddhisme aanduiden.
Boeddhiesten geloven in Boeddha, in zijn dharma en in de sangha. Deze drie zaken worden triratna, de drie juwelen of het drievoudige kleinood genoemd. Als steunpilaren van het menselijk bestaan noemt men ze soms de drievoudige toevlucht.

“Ik neem mijn toevlucht tot de Boeddha,
ik neem mijn toevlucht tot de leer (de dharma),
ik neem mijn toevlucht tot de monikkengemeente (de Sangha)”
DE SANGHA: Dit is de gemeeschap van de monniken en de nonnen die de leer van het Boeddhisme beoefenen. Het is het derde onderdeel van de Boeddhistische eenheden. Men kan slechts deelachtig worden door de dharma te beoegenen in de afzondering van het klooster.

4. Het leven van Boeddha.

De naam Boeddha betekent ‘de Verlichte’ en wordt gebruikt door Gautama Boeddha, een Indisch prins die (waarschijnlijk) van 563 tot 486 v. Chr. In het noordoosten van India leefde.
Siddharta Gautama wordt ook wel Shayamuni genoemd, de ‘wijze van de Shalya-familie’, of Bodhisattva, hetgeen ‘op weg naar verlichting’ betekent.
De ouders van Gautama, Suddhodhana en Maya, heersten over Kamilavastu. Op de avond waarop Gautama verwerkt werd, zag zijn moeder, koningen Maya, een witte olifant, symbool van een uitzonderlijk wezen, die haar baarmoeder binnenging. Gautama werd geboren in het Lumbinibos, in het tegenwoordige Nepal, onder een vijgenboom. Tijdens zijn geboorte waren er allerlei wonderbaarlijke tekens. Zijn moeder stierf zeven dagen na Siddaharta’s geboorte en hij werd opgevoed door zijn tante. Volgens de legende werd Gautama’s vader door een aantal astrologen voorspeld dat zijn zoon een groot politiek leider zou worden of, als hij met veel lijden te maken zou krijgen, een groot religieus leider. Daarom probeerde Suddhadhana zijn zoon of te schermen van de wereld.
Toen Gautama ouder werd, trouwde hij met prinses Yasodhara. Ze kregen een zoontje, Rahula. Maar ondanks dit gelukkig huwelijk, voelde Gautama zich rusteloos. Hij haalde zijn wagenmenner, Channa, over om hem mee te nemen buiten het paleis, hoewel zijn vader hem dat verboden had. Buiten het paleis zag Gautama een oude man, een zieke, een lijk dat verbrand werd en een rondreizende asceet. Deze vier tekens zetten hem aan tot nadenken over ouderdom, ziekte, dood en het belang van het zoeken naar de uiteindelijke zin van het leven.
Gautama trok door het woud, waar hij twee wijzen ontmoete die hem leerden hoe hij moest mediteren en hem vroegen om zich bij hen aan te sluiten. Maar omdat hij van mening was dat hij nog niet had gevonden waarna hij op zoek was, sloeg Gautama dit aanbod af en besloot zo hard te vasten dat hij zijn ‘ruggengraat door zijn maag zou kunnen voelen’. Hiermee bereikte hij echter niet het gewenste resultaat en het leerde hem dat de beste wens die een monnik kan volgen, ligt tussen de twee uitersten genotzucht en onthouding.
Zes jaar na het begin van zijn zoektocht kwam Gautama bij een heilige boom (de Bodhi-boom). Hij besloot dat hij aan de boet van die boom zou blijven mediteren totdat hij het antwoord op zijn vraag had gevonden. Tijdens de tweede nacht zat hij in de lotushouding aan de voet van de boom en vocht een innerlijke strijd uit, die in de boeddhististiche geschriften wordt beschreven als de verleiding door Mara, de personificatie van de verandering, de dood en het kwaad. Gautama wordt vaak afgeveeld met zijn hand op de aarde. Hij vraagt de aarde op te getuigen dat hij het waard is om het antwoord te vinden, verlicht te worden, omdat hij in zijn vorig leven deugdzaam, liefdevol en edelmoedig geweest is.
Mara wordt verslagen en Gautama ziet het licht: met een overweldigende schepte ziet hij de waarheid en de ware aard van alle dingen. Gautama ging daarop naar het hertenpark in Sarnath, in de buurt van Varanase (Benares), waar hij vijf vroegere vrienden ontmoette. Ze luisterden naar zijn eerste preek over de Vier Edele Waarheden en het Edele Achtvoudige Pad. Ze waren de eerste volgelingen van de Boeddha, afkomstig uit alle rangen en standen. Jaar in jaar uit trok Gautama door het land om zijn leer re verspreiden. In 486 v. Chr. stierf hij, liggend op zijn zij. Zijn dood wordt de gang naar het laatste nirvana genoemd. Zijn lijk werd verbrand en de overblijfselen werden als relikwieën vereerd, in acht delen verdeeld en bewaard in stupa’s (= stoepa’s)

Een tijdlang twijfelde men of Boeddha ooit zou bestaan hebben. Vandaag neemt men met vrij grote zekerheid aan dat het bovenstaande als historisch vaststaand kan worden aangenomen. Wel is het zo dat historische feiten door legenden zijn overwoekerd. Het leven van Gautama is het type van het boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het volgens boeddhistische opvattingen vrijwel gelijk.

5. De Vier Edele Waarheden.

Boeddha kwam tot de volgende ontdekkingen:
· Het leven is moeilijk
· Dat komt omdat we verlangen naar zaken die ons onmogelijk bevrediging kunnen geven en koste wat kost aan van alles willen vasthouden
· Iedereen kan van moeilijkheden bevrijd worden
· Iedereen kan van moeilijkheden bevrijd worden door een mededogend leven te leiden dat gekenmerkt wordt door deugd, wijsheid en meditatie

Het leven is moeilijk:
Het leven is moeilijk; het leven is lijden. Lijden, bijvoorbeeld omdat het leven moeilijk te dragen is, omdat we er geen bevrediging in vinden, omdat we het gevoel hebben geen doel te hebben of het doel te hebben gemist en soort frustrerende zaken meer.

Vanaf je geboorte word je geconfronteerd met allerlei vervelende dingen.
Je geboorte zelf is zelfs al lijden: iedereen heeft wel een geboortetrauma: van de veilige buik van je moeder het leven in, tegenwoordig in fel licht vaak, met dokters om je heen. Maar zelfs als je thuis werd geboren is de schok van die veilige geborgenheid de wereld in een schok die je je leven lang meedraagt.

Vroeg of laat komt iedereen er achter dat het leven niet allemaal rozengeur en maneschijn is.

Het leven is van nature moeilijk: geboorte, ouderdom, verlies … maar er doemen ook problemen op, omdat dingen veranderen en een mens nu eenmaal graag houdt van wat hij heeft, váák zelfs, als dat narigheid met zich meebrengt.
En we worden allemaal geboren met onze vermogens maar helaas ook met allerlei beperkingen van lichamelijke en geestelijke aard.

De oorzaak van het lijden:
We lijden omdat we zonder ophouden verlangen. Verlangen naar beter, naar nieuwe ervaringen, naar geld, liefde, materiële zaken, om steeds opnieuw tot de ontdekking te komen dat als we hebben wat we hebben wilden, weer van voren af aan beginnen met verlangen naar méér, naar beter, naar …

We lijden omdat we hechten aan van alles en nog wat en het moeilijk vinden veranderingen toe te laten.

Innerlijke vrede bevrijdt van moeilijkheden:
Als verlangen naar en gehecht zijn aan allerlei zaken ons leven bemoeilijken, dat is er één manier om die moeilijkheden te beëindigen: niet meer verlangen, niet meer hechten aan zaken die ons toch niet bevredigen.

Het ‘toverwoord’ is tevredenheid. Tevredenheid met het feit dat je bestaat, met jouw kern, die zich kan verheugen, kan liefhebben, kan genieten, maar óók kan zónder verlangens en hunkeringen.

Het pad van ontevredenheid naar tevredenheid:
De Vier Edele Waarheden uit het Boeddhisme is, dat er een pad bestaat naar nirwana: het einde van hunkering naar geluk, naar het geluk zelf. Het wordt het achtvoudige pad genoemd.

De acht stappen zijn:

Het ontwikkelen van wijsheid door:

· Juist zien
· Juist denken

Wijsheid is hier niet alleen het gezonde verstand (al is dat nooit weg), maar innerlijke wijsheid: evenwichtigheid, gelijkmoedigheid, vriendelijkheid, integriteit. Je aangeboren ‘weten’.


Het ontwikkelen van een ethische levensstijl, deugd:

· Juist spreken
· Juist handelen
· Juist levensonderhoud

Heel in het kort zou je misschien kunnen zeggen dat deze stappen inhouden dat je met aandacht en zonder te streven naar het resultaat van wat je doet door het leven gaat: met een gezonde vorm van zelfbeheersing, een juiste moraal en de vurige wens het goed te willen doen.

Meditatie:

· Juiste inspanning
· Juiste opmerkzaamheid
· Juiste concentratie

Boeddha bedoelde hiermee een vorm van mentale training: het proberen de geest te trainen door het aankweken van oplettend bewustzijn en aandacht hebben voor het hier en nu. Dat gaat verder dan de formele meditatie waarbij je “zit”, het zou een plaats moeten hebben in het leven dat je leidt.

6. De levenswijze van boeddhistische monniken, met zijn geboden.

Boeddha leefde in een gemeenschap met zijn mannelijke volgelingen, die Bhikus of monniken genoemd werden. Ondanks verzet, stichtte hij ook gelijkwaardige gemeenschappen voor vrouwen of nonnen. Iedereen mocht tot de gemeenschap toetreden, maar toch bestonden er enkele beperkingen. Zo werden ernstige zieken, misdadigers of zonen die geen toestemming kregen van hun ouders, niet in de orde opgenomen.
De wijding van een monnik gebeurt in twee fasen. Voor de eerste fase, of de ‘lagere wijding’ volstaat het dat de kandidaat aan een monnik naar keuze verklaart de Boeddha te willen volgen door zijn bezittingen achter te laten en in onthechting te leven. Daarna moet hij de saffraangele of rode monnikenkleding aantrekken, haar en baard laten afscheren, een bad nemen en de drieledige formule uitspreken waardoor hij zijn toevlucht zoekt bij de Boeddha, de leer en de gemeente. Na een bepaalde proefperiode, moet hij verschijnen voor de gemeente om de ‘hogere wijding’, of de tweede fase van de wijding, te ontvangen.
Nu behoort de monnik in principe voor de rest van zijn leven tot de orde, toch kan hij op ieder moment uittreden zonder daarvoor toestemming te vragen aan wie dan ook.
In totaal leven de monniken en nonnen 227 regels na. Er zijn vijf belangrijke leefregels waarvan de monnik tijdens zijn wijding moet verklaren die in acht te nemen. Deze vijf leefregels zijn:
· Geen geslachtelijke omgang hebben
· Niet stelen
· Geen enkel schepsel, zelfs geen worm of mier, het leven ontnemen
· Niet liegen
· Geen geestesbenevelende middelen innemen

De monniken beloven ook aan de sangha, de boeddhistische gemeenschap, dat ze zich aan de tien voorschriften zullen houden, die dateren uit de tijd van Boeddha. De tien voorschriften zijn eigenlijk tien geboden:
· Levende wezens kwaad doen
· Nemen wat niet gegeven is
· De zintuigen misbruiken, dat wil zeggen onkuisheid
· Verkeerd spreken, met andere woorden, liegen
· Bedwelmende stoffen nemen
· Iets eten na het middagmaal
· Dansen, muziek, zingen en onbehoorlijk gedrag
· Kransen, parfums en persoonlijke versierselen
· Hoge en luxueuze stoelen en bedden gebruiken
· Goud en zilver aannemen

Een monnik mag slechts eenmaal per dag eten, namelijk van zes uur ’s morgens tot de middag. Dagelijks trekt de monnik op bedeltocht, hij trekt van deur tot deur zonder zich te haasten of lawaai te maken. De rest van de dag houdt hij zich bezig met lectuur, meditatie, religieuze oefeningen en het geven van onderricht van de Boeddhistische leer. Arbeid verrichten behoort niet tot zijn vaste taken. Het voornaamste doel van de monnik is de levensdrang als bron van lijden in zich te laten opdrogen om uiteindelijk te kunnen opgaan in het nirvana.
De uitrusting van een monnik is gering. Ze bestaat uit een onder- en bovenkleed plus een mantel; verder een stok, een bedelnap of een aalmoezenschaal, een gordel, een scheermes, naald en draad, een tandenstoker en een waterzeef; schoeisel wordt alleen bij noodzaak geduld.
In de regentijd, van juli tot oktober, moet de monnik zicht terugtrekken in een gemeenschappelijk verblijf, niet uit angst van de regen, maar om het gevaar te vermijden dat zij schade zouden toebrengen aan het ontluikende leven.
Opvallend in de Boeddhistische gemeenschap is dat zij geen hiërarchie kent. Aan het hoofd staat geen paus of generaal overste met onder hen een gestructureerde gezagspiramide. De Boeddha zelf bekleedde wel een soort oppergezag, maar dit veel meer op grond van zijn persoonlijkheid en leerfunctie dan op een of andere juridische grond, of omdat hij dit voorrecht opeiste. Door het ontbreken van een centrale instantie die de verschillende richtingen kon coördineren en het initiatief nemen tot gemeenschappelijke acties, viel de oorspronkelijke gemeente vrij spoedig uiteen in een groot aantal groepen en sekten.

7. De Boeddhistische leer.

De Boeddhisten nemen hun toevlucht tot de Dharma. Deze schenkt geborgenheid, ze vervult met rust en vreugde.

De vier edele waarheden
Aan de basis van de Boeddhistische leer ligt niet de vraag naar het bestaan van God, noch het ontstaan van de wereld, noch de zin van de schepping, … (zoals in het Christendom) Maar wel het lijden van de mens, zijn ervaring en zijn denken. Belangrijk is het achtvoudig pad, de weg naar verlossing.

De verloochening van het ik
Een ander centraal thema is het ‘IK’, dit wil zeggen de Mens. Volgens Boeddha bestaat er in werkelijkheid geen ‘ik’ dat afzonderlijk zijns-ervaringen doorstaat. Elke verandering leidt tot een nieuwe en steeds vergankelijke zijns-toestand.
In tegenstellingen met de Brahmanen die die ‘ik’ tot het ultieme wereldprincipe zagen. De verloochenis van het ‘ik’ leek absolute waanzin.

Reïncarnatie
Volgens de Boeddhistische leer worden mensen opnieuw geboren, nadat ze gestorven zijn, in één van de 6 rijken van het bestaan. Dit is het Samsara. In welk rijk is afhankelijk van hun vroegere gedrag, kama.
Deze 6 rijken staan afgebeeld op het Levenswiel. Met dit levenswiel wou Boeddha aantonen dat het leven veel minder goed is dan de mensen zich voorstellen. De mens vergeet gemakkelijk zijn talloze teleurstellingen om zich slechts te hechten aan de zeldzame vreugden die hij aan het leven kan onttrekken. Het is slechts als het lichaam hem verraadt of als de dood voor hem staat dat hij de ijdelheid van zijn leven beseft. Dan is het te laat! Hij heeft verkeerd gebruik gemaakt van zijn verblijf op aarde, en zal terugkomen als een of ander wezen. Deze nieuwe toestand is een straf voor begane fouten. Een geluk als deze nieuwe vorm niet slechter is dan de voorgaande.
Het was niet voldoende dat Boeddha de mensen hun ogen opende, hij moest ook hun begrip opwekken. Daarom probeerde hij het menselijk lijden diepgaander voor te stellen dan de waargenomen smarten, teleurstellingen, tekortkomingen of onvolmaaktheden. Hij ontdekte er de onzekerheid of de geestelijke pijn (duhkha), de onontkoombare nietigheid van alles dat geschapen is (anitya) en de illusie (anatman) waarmee de mensheid zich verzadigt.
De werking van het levenswiel: de eerste oorzaak van het lijden is de begeerte. Hoewel hij in het midden van het Rad van het Leven de groene slang van wellust tekende, had de Volmaakte niet slechts de lichamelijke begeerte op het oog maar elke bezitsdrift, elke begeerte in ondernemen, bereiken en behoeden.



De tweede oorzaak van het lijden is het gebrek aan zelfbeheersing. De rode haan symboliseert niet alleen de woede, hij roept ook het zich overgeven aan de hartstochten en de gevoelens op. Het is een verlaging voor de mens dat hij driften niet kan weerstaan, de buitensporigheid in het spreken, de bedrieglijke genoegens van het goed-eten, dansen en spelen. Wie zich eraan overgeeft wordt er de slaaf van of denkt slechts aan de ondervonden bevredigingen. Dit alles staat een begrip van het echte probleem in de weg: te weten dat het oordeel nooit gerechtvaardigd is want niemand beschikt over alle gegevens van een zaak, dat de verzadiging van de beste maaltijd snel voorbij is en dat ze in een stinkend product eindigt, en dat het spel, de dans, de muziek en het goede gezelschap je afleiden van de ware weg, die van de kennis.
De derde oorzaak is de onwetendheid of het weigeren of terzijdeschuiven van de kennis. De Boeddha verweet eenvoudige mensen niet genoeg kennis te hebben. Maar hij hield zowel hen als degenen die over het vermogen tot denken beschikken voor hoe groot het gevaar van niet zoeken naar kennis was. Hij hield hun ook voor dat ze niet weten dat het aardse leven niet veel is: de enkele momenten van vreugde zonder uitzichten maken het niet kleurrijk. Deze onverschilligheid wordt tot uiting gebracht door het bleke varken van onwetendheid: met de snuit in de aarde houdt het zich alleen maar met het direct stoffelijke bezig, zonder weet te hebben van de hemel boven zich.
Zo stelt de onwetendheid, gelijkwaardig aan de oerzonde, de eerste oorzaak van elk lijden en slavernij voor.

Meditatie
Boeddhisten zien meditatie als de belangrijkste religieuze activiteit. Het is voor hen een manier om de waarheid te vinden, ‘het wezen van de dingen’. Als ze de waarheid beter leren kennen, kunnen ze daardoor in grotere harmonie met de wereld leven. De geest en hart van de mens worden vergeleken met een door modder vertroebelde vijver. Door de rust van de meditatie kan de modder (de vertroebelde gedachten en gevoelens) naar de bodem zakken zodat de mens door het heldere water kan kijken en kan zien wat er diep onder de oppervlakte is.
De meditatie begint vaak met het aannemen van een zittende houding op een rustige plaats. De geestelijke rust kan worden bereikt door het zingen van een mantra, een heilige vers, of door concentratie op de ritmische eb en vloed van de ademhaling, waarop de aandacht steeds opnieuw wordt gericht wanneer de gedachten gaan afdwalen, daarna gaat men innerlijk kijken naar de onderliggende emoties en gedachten, en daar eenvoudigweg bewust van te worden, zonder er iets mee te doen. Ten grondslag van de meditatie ligt een totaal bewustzijn van het moment zelf.
Door meditatie proberen de Boeddhisten de spirituele bron in zichzelf aan te boren.

8. Strekkingen in het Boeddhisme

In het Boeddhisme zijn er 2 strekkingen, namelijk De Hinaya-stroming en de Mahayana-stroming.
De Hinaya-stroming is de puurste vorm van het oorspronkelijke Boeddhisme. Een andere benaming voor de Hinaya-stroming is de Theravada wat de weg van de ouden betekent.
Deze stroming wordt ook ‘het kleine voertuig’ genoemd. Ze komt voor in Sri Lanka, Birma, Thailand, Cambodja, …
De Hinaya-boeddhisten doen een beroep op de oudste geschriften. Boeddha is voor hen een bijzonder en een perfect persoon. Na zijn dood kon hij geen praktische hulp geven aan de levenden want ze geloofden niet dat Boeddha goddelijk was. (Daarom bidden ze ook niet. Omdat de Boeddha geen hulp kan geven moeten de mensen hun eigen weg zoeken. Dit doen ze aan de hand van de lessen in Tipitaka. Deze Boeddhisten geloven dat ze gemakkelijker verlichting vinden dan anderen, daarom is de Sangha zeer belangrijk voor hen.
Zowel de Hinaya- als de Mahayana-boeddhisten geloven dar de mens de verlichting kan bereiken en dus een boeddha kan worden. De Hinaya-boeddhisten geloven dat de verlichte mens de archat is, meestal vertaald als ‘heilige’. Een archat heeft het hoogste spirituele niveau bereikt dar een mens kan bereiken, namelijk het nirwana zelf. De archats kunnen echter niet iemand naar de verlichting op weg helpen.

De Mahayana-stroming heeft in de loop der tijden veel elementen van inheemse godsdiensten opgenomen.
‘Mahayana’ betekent eigenlijk ‘groot voertuig’. Hiermee bedoelt men dat de Mahayana aan alle lagen van de bevolking manieren van verlossing toont en niet alleen aan de monniken. Deze stroming komt vooral voor in China, Korea, Japan, Vietnam, Mongolië, …
De Mahayana denken over Boeddha op een manier die meer overeenkomt met een godsidee zoals we dat ook kennen in het Christendom. (Daarom bidden zij wel) Ze prediken een universeel heil en de universele verlossing van alle levende wezens. Ze geloven dar verschillende Boeddha’s zijn, die in het verleden, heden en toekomst incarneren op de wereld.
De Mahayana gebruiken verscheidene andere teksten naast het Tipitaka. De Sangha is belangrijk, toch vinden ze het niet noodzakelijk om monnik te worden zodat ze het nirwana kunnen bereiken. Dit kan immers ook midden in de maatschappij.
Mahayana-boeddhisten geloven in bodhisattva’s of het ‘verlichte wezen’. Het woord bodhisattva heeft ook een algemene en een meer specifieke betekenis. Meestal wordt het gebruikt voor iemand die verlicht zal gaan worden, een Boeddha in spe, dank zij de goede daden die hij of zij in dit of een vorig leven heeft verricht. De term wordt eveneens gebruikt voor diegenen die verlicht kunnen worden en die alle wezens willen helpen om het nirwana te bereiken, ten koste van wat dan ook. De Mahayana-boeddhisten vinden deze houding veel minder egoïstisch dan de persoonlijke zoektocht van de archat naar het nirwana. Als de bodhisattva’s gewijd worden, dienen ze de zes perfecties na te leven (ze moeten vrijgevig, deugdzaam, geduldig, energiek, meditatief en wijs zijn). Ze worden beschouwd als transcendente wezens, die in allerlei vormen naderen en kunnen helpen op weg naar de verlichting, ze worden door de gelovigen geëerd.
De beroemdste bodhisattva is Avalokiteshvara, waarvan de Tibetaanse boeddhisten geloven dat de Dalai Lama daarvan de reïncarnatie is.

Bij het verspreiden van het Boeddhisme over Azië ontstonden er verschillende takken in de Mahayana-stroming.
Twee hiervan zijn:
-Het Zenboeddhisme
-het Rein-land boeddhisme

Zenboeddhisme: Zen betekent meditatie. De volgelingen mediteren dus veel.
Zenboeddhisten maken veel gebruik van raadsels om de gebruikelijke logische denkpatronen te doorbreken. Hiermee kun je de verlichting bereiken want je leert achter vaststaande ideeën te kijken.
Veel gevechtssporten (Judo, …) zijn nauw verbonden met dit Boeddhisme. Hiermee leert men discipline en kan men spontaan en ongeremd reageren.
Heilige geschriften zijn hier minder belangrijk dan bij andere vormen van Boeddhisme.
Rein-land boeddhisme: De centrale figuur is hier de bodhisattva Amida Boeddha. Men stelt een hemelse Boeddha of Amida centraal en niet de historische Boeddha. Omdat hij zoveel medelijden had met de mensen, beloofde hij dat iedereen die zijn naam uitriep op zijn sterfbed, in het Reine land zou herboren worden. In dit land is het gemakkelijk om Boeddha’s lessen na te leven en het nirwana te bereiken.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------
7) De leer van de twee wielen.

8) De Boeddhistische leer.

De Boeddhisten nemen hun toevlucht tot de Dharma. Deze schenkt geborgenheid, ze vervult met rust en vreugde.

De vier edele waarheden
Aan de basis van de Boeddhistische leer ligt niet de vraag naar het bestaan van God, noch het ontstaan van de wereld, noch de zin van de schepping, … (zoals in het Christendom) Maar wel het lijden van de mens, zijn ervaring en zijn denken. Belangrijk is het achtvoudig pad, de weg naar verlossing.

De verloochening van het ik
Een ander centraal thema is het ‘IK’, dit wil zeggen de Mens. Volgens Boeddha bestaat er in werkelijkheid geen ‘ik’ dat afzonderlijk zijns-ervaringen doorstaat. Elke verandering leidt tot een nieuwe en steeds vergankelijke zijns-toestand.
In tegenstellingen met de Brahmanen die die ‘ik’ tot het ultieme wereldprincipe zagen. De verloochenis van het ‘ik’ leek absolute waanzin.

Reïncarnatie
Volgens de Boeddhistische leer worden mensen opnieuw geboren, nadat ze gestorven zijn, in één van de 6 rijken van het bestaan. Dit is het Samsara. In welk rijk is afhankelijk van hun vroegere gedrag, kama.
Deze 6 rijken staan afgebeeld op het Levenswiel. Met dit levenswiel wou Boeddha aantonen dat het leven veel minder goed is dan de mensen zich voorstellen. De mens vergeet gemakkelijk zijn talloze teleurstellingen om zich slechts te hechten aan de zeldzame vreugden die hij aan het leven kan onttrekken. Het is slechts als het lichaam hem verraadt of als de dood voor hem staat dat hij de ijdelheid van zijn leven beseft. Dan is het te laat! Hij heeft verkeerd gebruik gemaakt van zijn verblijf op aarde, en zal terugkomen als een of ander wezen. Deze nieuwe toestand is een straf voor begane fouten. Een geluk als deze nieuwe vorm niet slechter is dan de voorgaande.
Het was niet voldoende dat Boeddha de mensen hun ogen opende, hij moest ook hun begrip opwekken. Daarom probeerde hij het menselijk lijden diepgaander voor te stellen dan de waargenomen smarten, teleurstellingen, tekortkomingen of onvolmaaktheden. Hij ontdekte er de onzekerheid of de geestelijke pijn (duhkha), de onontkoombare nietigheid van alles dat geschapen is (anitya) en de illusie (anatman) waarmee de mensheid zich verzadigt.
De werking van het levenswiel: de eerste oorzaak van het lijden is de begeerte. Hoewel hij in het midden van het Rad van het Leven de groene slang van wellust tekende, had de Volmaakte niet slechts de lichamelijke begeerte op het oog maar elke bezitsdrift, elke begeerte in ondernemen, bereiken en behoeden.
De tweede oorzaak van het lijden is het gebrek aan zelfbeheersing. De rode haan symboliseert niet alleen de woede, hij roept ook het zich overgeven aan de hartstochten en de gevoelens op. Het is een verlaging voor de mens dat hij driften niet kan weerstaan, de buitensporigheid in het spreken, de bedrieglijke genoegens van het goed-eten, dansen en spelen. Wie zich eraan overgeeft wordt er de slaaf van of denkt slechts aan de ondervonden bevredigingen. Dit alles staat een begrip van het echte probleem in de weg: te weten dat het oordeel nooit gerechtvaardigd is want niemand beschikt over alle gegevens van een zaak, dat de verzadiging van de beste maaltijd snel voorbij is en dat ze in een stinkend product eindigt, en dat het spel, de dans, de muziek en het goede gezelschap je afleiden van de ware weg, die van de kennis.
De derde oorzaak is de onwetendheid of het weigeren of terzijdeschuiven van de kennis. De Boeddha verweet eenvoudige mensen niet genoeg kennis te hebben. Maar hij hield zowel hen als degenen die over het vermogen tot denken beschikken voor hoe groot het gevaar van niet zoeken naar kennis was. Hij hield hun ook voor dat ze niet weten dat het aardse leven niet veel is: de enkele momenten van vreugde zonder uitzichten maken het niet kleurrijk. Deze onverschilligheid wordt tot uiting gebracht door het bleke varken van onwetendheid: met de snuit in de aarde houdt het zich alleen maar met het direct stoffelijke bezig, zonder weet te hebben van de hemel boven zich.
Zo stelt de onwetendheid, gelijkwaardig aan de oerzonde, de eerste oorzaak van elk lijden en slavernij voor.

Meditatie
Boeddhisten zien meditatie als de belangrijkste religieuze activiteit. Het is voor hen een manier om de waarheid te vinden, ‘het wezen van de dingen’. Als ze de waarheid beter leren kennen, kunnen ze daardoor in grotere harmonie met de wereld leven. De geest en hart van de mens worden vergeleken met een door modder vertroebelde vijver. Door de rust van de meditatie kan de modder (de vertroebelde gedachten en gevoelens) naar de bodem zakken zodat de mens door het heldere water kan kijken en kan zien wat er diep onder de oppervlakte is.
De meditatie begint vaak met het aannemen van een zittende houding op een rustige plaats. De geestelijke rust kan worden bereikt door het zingen van een mantra, een heilige vers, of door concentratie op de ritmische eb en vloed van de ademhaling, waarop de aandacht steeds opnieuw wordt gericht wanneer de gedachten gaan afdwalen, daarna gaat men innerlijk kijken naar de onderliggende emoties en gedachten, en daar eenvoudigweg bewust van te worden, zonder er iets mee te doen. Ten grondslag van de meditatie ligt een totaal bewustzijn van het moment zelf.
Door meditatie proberen de Boeddhisten de spirituele bron in zichzelf aan te boren.

9) Strekkingen in het Boeddhisme

In het Boeddhisme zijn er 2 strekkingen, namelijk De Hinaya-stroming en de Mahayana-stroming.
De Hinaya-stroming is de puurste vorm van het oorspronkelijke Boeddhisme. Een andere benaming voor de Hinaya-stroming is de Theravada wat de weg van de ouden betekent.
Deze stroming wordt ook ‘het kleine voertuig’ genoemd. Ze komt voor in Sri Lanka, Birma, Thailand, Cambodja, …
De Hinaya-boeddhisten doen een beroep op de oudste geschriften. Boeddha is voor hen een bijzonder en een perfect persoon. Na zijn dood kon hij geen praktische hulp geven aan de levenden want ze geloofden niet dat Boeddha goddelijk was. (Daarom bidden ze ook niet. Omdat de Boeddha geen hulp kan geven moeten de mensen hun eigen weg zoeken. Dit doen ze aan de hand van de lessen in Tipitaka. Deze Boeddhisten geloven dat ze gemakkelijker verlichting vinden dan anderen, daarom is de Sangha zeer belangrijk voor hen.
Zowel de Hinaya- als de Mahayana-boeddhisten geloven dar de mens de verlichting kan bereiken en dus een boeddha kan worden. De Hinaya-boeddhisten geloven dat de verlichte mens de archat is, meestal vertaald als ‘heilige’. Een archat heeft het hoogste spirituele niveau bereikt dar een mens kan bereiken, namelijk het nirwana zelf. De archats kunnen echter niet iemand naar de verlichting op weg helpen.

De Mahayana-stroming heeft in de loop der tijden veel elementen van inheemse godsdiensten opgenomen.
‘Mahayana’ betekent eigenlijk ‘groot voertuig’. Hiermee bedoelt men dat de Mahayana aan alle lagen van de bevolking manieren van verlossing toont en niet alleen aan de monniken. Deze stroming komt vooral voor in China, Korea, Japan, Vietnam, Mongolië, …
De Mahayana denken over Boeddha op een manier die meer overeenkomt met een godsidee zoals we dat ook kennen in het Christendom. (Daarom bidden zij wel) Ze prediken een universeel heil en de universele verlossing van alle levende wezens. Ze geloven dar verschillende Boeddha’s zijn, die in het verleden, heden en toekomst incarneren op de wereld.
De Mahayana gebruiken verscheidene andere teksten naast het Tipitaka. De Sangha is belangrijk, toch vinden ze het niet noodzakelijk om monnik te worden zodat ze het nirwana kunnen bereiken. Dit kan immers ook midden in de maatschappij.
Mahayana-boeddhisten geloven in bodhisattva’s of het ‘verlichte wezen’. Het woord bodhisattva heeft ook een algemene en een meer specifieke betekenis. Meestal wordt het gebruikt voor iemand die verlicht zal gaan worden, een Boeddha in spe, dank zij de goede daden die hij of zij in dit of een vorig leven heeft verricht. De term wordt eveneens gebruikt voor diegenen die verlicht kunnen worden en die alle wezens willen helpen om het nirwana te bereiken, ten koste van wat dan ook. De Mahayana-boeddhisten vinden deze houding veel minder egoïstisch dan de persoonlijke zoektocht van de archat naar het nirwana. Als de bodhisattva’s gewijd worden, dienen ze de zes perfecties na te leven (ze moeten vrijgevig, deugdzaam, geduldig, energiek, meditatief en wijs zijn). Ze worden beschouwd als transcendente wezens, die in allerlei vormen naderen en kunnen helpen op weg naar de verlichting, ze worden door de gelovigen geëerd.
De beroemdste bodhisattva is Avalokiteshvara, waarvan de Tibetaanse boeddhisten geloven dat de Dalai Lama daarvan de reïncarnatie is.

Bij het verspreiden van het Boeddhisme over Azië ontstonden er verschillende takken in de Mahayana-stroming.
Twee hiervan zijn:
-Het Zenboeddhisme
-het Rein-land boeddhisme

Zenboeddhisme: Zen betekent meditatie. De volgelingen mediteren dus veel.
Zenboeddhisten maken veel gebruik van raadsels om de gebruikelijke logische denkpatronen te doorbreken. Hiermee kun je de verlichting bereiken want je leert achter vaststaande ideeën te kijken.
Veel gevechtssporten (Judo, …) zijn nauw verbonden met dit Boeddhisme. Hiermee leert men discipline en kan men spontaan en ongeremd reageren.
Heilige geschriften zijn hier minder belangrijk dan bij andere vormen van Boeddhisme.
Rein-land boeddhisme: De centrale figuur is hier de bodhisattva Amida Boeddha. Men stelt een hemelse Boeddha of Amida centraal en niet de historische Boeddha. Omdat hij zoveel medelijden had met de mensen, beloofde hij dat iedereen die zijn naam uitriep op zijn sterfbed, in het Reine land zou herboren worden. In dit land is het gemakkelijk om Boeddha’s lessen na te leven en het nirwana te bereiken.
Boeddhistische monniken
Boeddhistische monniken leiden in kloosters een eenvoudig, ascetisch leven van religieuze contemplatie. Zij leven volgens verschillende regels, al naar gelang de sekte waartoe ze behoren, maar de meeste houden zich afzijdig van wereldse zaken. Vaak voeren ze begrafenissen of andere belangrijke rituelen voor leken uit.

The Hutchison Library

BRONNEN

- De mystiek van het Boeddhisme
- Boeddha
Trevor Ling
- Boeddhisme
Helmuth Von Glasenapp
- Boeddhisme
Hans Küng en Heinz Bechert
- Boeddha
Maurice Percheron
- Internet
www.raingod.com
www.xs4all.nl
- Encyclopedie van de wereldgodsdiensten
Werner Trutwin
- Wereldgeschiedenis
Rob Claassar
- Encyclodepie van de godsdiensten
Winkler Prins Bibliotheek
- Grondleggers van het geloof
H.L. Beck, M. De Jonghe, P.S. van Koningsveld, K. van der toorn, T.E. Vetten

-----------------------------------





REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Mooi werkstuk mag ik iets vragen hebben de boeddhisten een heilig boek

11 jaar geleden