ADVERTENTIE
Open Avond = online ontdekken en ontmoeten

Bezoek onze Online Open Avond op woensdag 9 december dit jaar vanaf je bank! Ontdek bijzondere verhalen van onze studenten en docenten. Stel al je vragen én luister naar onze gezellige radioshow! Klaar voor een toekomst als student in het hbo?

Meld je dan nu aan!

Inleiding



Voor godsdienst heb ik de opdracht gekregen om eens te kijken hoe het er in een kerk aan toe gaat en daar een verslag over maken. Ik ben opgegroeid in een hervormde kerk; de koepelkerk in Renswoude. Omdat ik zo langzamerhand wel weet hoe het er daar aan toe gaat, wilde ik eens wat anders proberen. Ik wilde een katholieke of gereformeerde dienst bijwonen, omdat ik daar nog vrijwel nooit in aanraking ben gekomen. In Spanje ben ik wel één keer naar een katholieke dienst geweest, maar daar heb ik niet veel van verstaan. Daarom is mijn keuze op een katholieke kerk dienst gevallen en ben ik 6 mei 2001 met mijn opa en oma meegegaan naar een katholieke dienst in het St. Antonius in Ede. Voordat ik ging heb ik me georiënteerd in de geschiedenis van het katholieke geloof, alhoewel dat erg moeilijk te vinden was. In dit verslag kunt u de geschiedenis van de katholieke kerk terugvinden en tevens mijn bezoek aan de katholieke kerk met daarbij de belangrijkste gebeden van het katholieke geloof.





De geschiedenis van het katholieke geloof



De geschiedenis van het katholieke geloof in Nederland.





In de jaren zestig van de zestiende eeuw ontstond er een Nederlandse opstand tegen Spanje die voor een deel in het teken stond van een strijd tussen protestanten en katholieken. In Nederland werd de Nederduitse Gereformeerde kerk als bevoorrechte kerk behandeld, maar ze hadden niet de status van staatskerk. Er kwam een multiconfessionele samenleving op gang, waarin de katholieken zich als minderheid redelijk konden handhaven. Ze moesten wel hoge kosten maken om ontheffingen van anti-katholieke maatregelen te krijgen.

Het aantal katholieken nam geleidelijk af, omdat zij van hoge ambten werden uitgesloten en omdat ze profiteerden van de armenkassen. In Utrecht werd er een kerkprovincie opgericht die in 1592 door Rome tot missiegebeid werd verklaard. De zogeheten Hollandse Zending kwam onder leiding te staan van een apostolisch vicaris. Toen de Hollandse Zending rond 1700 een ernstige interne crisis rond de beschuldigde apostolisch vicarissen Neercassel en Codde ontstond in 1723 de Oud-Katholieke Kerk.

In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. De katholieken verkregen nu officieel vrijheid van godsdienst. De samenvoeging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden onder koning Willem I bezorgde de katholieken zelfs een meerderheidspositie. De Belgische Opstand leidde echter in 1830 tot een splitsing van het koninkrijk in Nederland en België. De katholieken vormden nu ongeveer 38% van de Nederlandse bevolking, voor een belangrijk deel woonachtig in Brabant en Limburg.

Tussen de Belgische kerkprovincie Mechelen en de Noord-Nederlandse Hollandse Zending werden in 1801 de Apostolisch Vicariaten van Breda, 's-Hertogenbosch, Megen en Grave ingericht; in Limburg was het bisdom Roermond tot 1840 verdeeld onder de bisdommen Luik en Aken. De katholieken konden nu hun schuilkerken vervangen door nieuwe kerken, er werden instituten voor priesteropleiding gesticht, en het kloosterleven kon weer worden opgebouwd. In deze tijd verschenen ook de eerste katholieke dagbladen en tijdschriften.

In 1853 richtte paus Pius IX de Utrechtse Kerkprovincie op, bestaande uit het aartsbisdom Utrecht en de bisdommen Haarlem, 's-Hertogenbosch, Breda en Roermond. Dit 'herstel' van de hiërarchie ging gepaard met een storm van protesten van protestantse zijde (de Aprilbeweging).

De nieuwe bisschoppen besteedden in de eerste jaren veel aandacht aan de reorganisatie van hun bisdom en de opbouw van een goede infrastructuur van parochies. Het provinciaal concilie van 1865 sloot deze jaren van herstel symbolisch af. De religieuzen bouwden een netwerk op van katholieke scholen, ziekenhuizen en armenzorg. Zij gaven aan het eind van de negentiende eeuw ook de aanzetten voor de opvallende missie-ijver onder de Nederlandse katholieken.

Tot halverwege de jaren vijftig van de negentiende eeuw kende het Nederlandse katholicisme een invloedrijke liberale stroming. Na de invoering van de bisschoppelijke hiërarchie werden de Nederlandse katholieken echter in toenemde mate conservatief en ultramontaans (op Rome gericht). Deze ontwikkeling was mede te danken aan de liberale politici, die bleven weigeren het bijzonder onderwijs te subsidiëren en zo katholiek onderwijs naast staatsonderwijs mogelijk te maken. Deze schoolstrijd, ingezet door de antiliberale encycliek Quanta Cura (1864) en het bisschoppelijke Onderwijsmandement (1868) werd uiteindelijk door een katholiek-protestante coalitie gewonnen. In 1888 kwam een nieuwe wet op het lager onderwijs tot stand, en in 1917 werden openbaar en bijzonder onderwijs volledig gelijk gesteld.



Het Nederlandse katholicisme in de eerste helft van de twintigste eeuw kenmerkte zich door een groeiend zelfbewustzijn. Geloofsverdediging maakte plaats voor geloofsverbreiding (Apologetische Vereeniging Petrus Canisius (1904), Actie 'Voor God' (1936)). De missionaire energie richtte zich echter vooral op landen buiten Europa: er kwam een intensieve 'missiebeweging' op gang, en zowel in financieel als in personeel opzicht leverde katholiek Nederland een zo grote bijdrage aan het missiewerk van de kerk, dat het als 'Hollandia docet' door de paus ten voorbeeld werd gesteld.

Onder de Nederlandse katholieken heerste er in deze jaren een sterke groepsgeest en een effectieve sociale controle. De kerkelijke overheid beschikte naast het katholieke onderwijs over een breed scala van sociale, culturele en recreatieve organisaties om het dagelijks leven en werken van de katholieken te sturen. Het meest effectieve middel was echter de biechtstoel. De voorschriften op het terrein van goede zeden, seksualiteit en huwelijksleven werden voortdurend ingeprent. Dat de kerk daar in hoge mate in slaagde blijkt onder meer uit het hoge geboorteniveau van de Nederlandse katholieken.

Op politiek terrein gingen de katholieke politici op initiatief van Herman Schaepman samenwerken in de Katholieke Kamerclub. In 1904 werd een Bond van RK Kiesvereenigingen opgericht, die in de praktijk al RK Staatspartij werd genoemd. Officieel werd deze partij in 1926 opgericht. Bij de verkiezingen van 1918, waarbij voor het eerst het systeem van evenredige vertegenwoordiging werd gehanteerd en een algemeen kiesrecht voor mannen gold, behaalden de katholieken 30 van de 100 kamerzetels. Daarmee waren zij de grootste partij geworden. Voor het eerst kreeg Nederland een katholieke minister-president (Ch. Ruijs de Beerenbrouck).

Een katholieke arbeidersbeweging kwam op aan het einde van de jaren tachtig van de negentiende eeuw. De encycliek Rerum Novarum speelde daarin een zeer stimulerende rol. De vormgeving van de arbeidersorganisaties werd lange tijd gehinderd door een discussie over de vraag of zij nu standsorganisaties of vakorganisaties zouden moeten zijn. De bisschoppen hakten in 1916 de knoop door met de bepaling dat deze organisaties bovenal standsorganisaties dienden te zijn. Zo kwamen in de eerste decennia van deze eeuw onder meer tot stand de Nederlandse RK Middenstandsbond (1915), de Algemene RK Werkgeversorganisatie (1915) en het RK Werkliedenverbond (1925).

Inmiddels ging de opbouw van het katholieke onderwijs gestaag voort. Er kwam een vrijwel dekkend netwerk van lagere scholen, en mede door de inspanningen van verschillende ordes (jezuïeten, augustijnen, franciscanen, dominicanen) ook van middelbare scholen. In Tilburg werden de RK Leergangen (1912) en de RK Handelshogeschool (1927) opgericht, in Nijmegen werd met de oprichting van de RK Universiteit (1923) 'de kroon op het werk' gezet.

De Nederlandse bisschoppen hebben al vroeg gewaarschuwd voor zowel rechts- als links-radicalisme. In verklaringen van 1934 en 1936 werden zware kerkelijke straffen verbonden aan zowel fascistische als communistische activiteiten.

De Nederlandse bisschoppen hebben onder leiding van aartsbisschop J. de Jong zoveel mogelijk verzet geboden aan de Duitse bezetters. Zij werkten daarin nauw samen met de protestantse kerkelijke leiders in het Inter-Kerkelijk Overleg. De 'gelijkschakeling' van katholieke verenigingen, organisaties en instellingen werd vaak praktisch onmogelijk gemaakt door een massale leegloop van leden of een tijdige opheffing. Onder de dekmantel van de Katholieke Actie werden organisatorische taken zoveel mogelijk voortgezet, en een Fonds Bijzondere Noden ontfermde zich over de talrijke functionarissen die nu werkeloos waren geworden.

Tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog zijn er in de zogenoemde doorbraakbeweging pogingen gedaan het politieke en maatschappelijke leven sterk te vernieuwen. De bisschoppen en de leiders van de katholieke zuil streefden echter naar een zo volledig mogelijk herstel van de vooroorlogse situatie. In hun ogen was dit herstel immers ook een rechtsherstel.

De oprichting van de Katholieke Volkspartij in 1945 luidde de mislukking van de doorbraakbeweging in, en het hele katholieke verenigings- en organisatieleven werd in 1945-1946 weer opgebouwd. Op deze wijze poogde de kerk de desintegrerende en seculariserende gevolgen van de snelle modernisering van de Nederlandse samenleving tegen te houden.

Ogenschijnlijk deed zij dit met succes. Tot ver in de jaren vijftig steeg de verzuilingsgraad van katholiek Nederland nog. Een kritische onderstroom, die wortelde in de doorbraakbeweging, bleef echter aanwezig. Niet alleen de intellectuele elite, maar ook de gewone parochiepriesters kregen het gevoel dat een traditioneel, gesloten katholicisme tekort schoot in de moderne samenleving. Spreekwoordelijk voor deze onvrede was de verschijning in 1950 van de bundel Onrust in de zielzorg. De splitsing van het bisdom Haarlem en het aartsbisdom Utrecht in 1956 beoogde de bestuurbaarheid van deze grote bisdommen te verbeteren.

Bij de viering van het eeuwfeest van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1953) en in het bisschoppelijk mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd (1954) pleitten de bisschoppen nog eens nadrukkelijk voor een sterke katholieke eenheid als 'uitvalsbasis' naar de samenleving. Het mandement had echter een boemerangeffect: de katholieken werden zich des te meer bewust van hun behoefte aan openheid.

In de tweede helft van de jaren vijftig zijn de eerste aanzetten waar te nemen voor een roerige vernieuwingsbeweging. De kerkelijke disciplinering, die zich steeds sterk had gefixeerd op de (sexuele) moraal, werd binnen de opkomende geestelijke gezondheidszorg ter discussie gesteld (Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg, onder leiding van A. Bartels en C. Trimbos, maandblad Dux met hoofdredacteur Han Fortmann), en steeds meer katholieke organisaties begonnen hardop twijfel te uiten aan de zin van hun 'K'. Het brede katholiek sociaal program dat de bisschoppen in 1954 hadden bepleit verscheen uiteindelijk in 1960-1963 bescheiden als 'een katholiek uitzicht op de Nederlandse samenleving' (ondertitel van het vijfdelige Welvaart, welzijn en geluk).

Het door paus Joannes XXIII aangekondigde aggiornamento van de kerk en het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) vielen in Nederland in vruchtbare bodem. De invoering van de volkstaal in de liturgie en een vermindering van trouw aan de moraal waren de eerste opvallende kenmerken van de vernieuwingen. Deze ontwikkelingen werden bevorderd door het open optreden van de populaire Bossche bisschop W. Bekkers.

Door het uitgeven van de Nieuwe Katechismus (1966) en het houden van het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie (1969-1970) wilde het episcopaat onder voorzitterschap van kardinaal B. Alfrink de kerkelijke vernieuwing stimuleren en er leiding aan geven. In feite leidden deze initiatieven mede tot een zich autonoom ontplooiende vernieuwingsbeweging, die eind jaren zestig internationaal de aandacht trok. Er ontstonden kritische groepen te linker- (Septuagint, Amsterdamse Studentenekklesia) en te rechterzijde (Confrontatie, Waarheid en Leven) van de kerk.

Het elan van de vernieuwingsbeweging verhulde aanvankelijk de tegelijkertijd toenemende ontkerkelijking. Er had een vervaging van geloofsopvattingen plaats (enquêtes God in Nederland, 1967, 1979) en het kerkbezoek daalde van 64,6% in 1966 naar 46,3% in 1970. Deze tendens zette zich in de decennia daarna voort (13,1% in 1991).

Het oecumenische gesprek was al tijdens de Tweede Wereldoorlog begonnen, maar vond tot halverwege de jaren zestig uitsluitend informeel plaats in talrijke gesprekskringen. De overgang van prinses Irene naar de katholieke kerk in 1964 en de verontwaardiging over haar 'voorwaardelijke herdoop' leidde echter tot contacten op officieel niveau. In 1968 werd de Raad van Kerken opgericht, en in de jaren 1967-1968 vonden wederzijdse dooperkenningen plaats tussen de katholieke en verschillende protestantse kerken.

De vernieuwingsbeweging ging gepaard met een dramatisch snelle ontzuiling van de Nederlandse samenleving. Het merendeel van de katholieke organisaties deconfessionaliseerde door opheffing of fusies met protestantse of niet-confessionele organisaties. Ook in het stemgedrag kwam de ontzuiling tot uitdrukking. In 1963 trok de KVP nog 31,9% van de Nederlandse kiezers, in 1972 was dat nog maar 17,7%.

De vernieuwingsbeweging leidde in Rome tot ernstige ongerustheid, die tot uitdrukking kwam door de benoeming van een aantal zeer behoudende bisschoppen. Deze gebeurtenissen brachten in katholiek Nederland een hoog oplopende polarisatie teweeg, die tot in de jaren negentig zou duren.

Er werden verschillende pogingen gedaan deze polarisatie een halt toe te roepen, maar noch de in 1973 door de bisschoppen ingestelde Commissie Pluriformiteit, noch het verzoenende gebaar van de benoeming van kardinaal J. Willebrands tot opvolger van kardinaal Alfrink op de Utrechtse zetel hadden het beoogde effect. Zelfs binnen de bisschoppenconferentie zelf bleek geen eenheid te bestaan en waren de verhoudingen verstoord. Met een Bijzondere Bisschoppensynode poogde paus Joannes Paulus II in 1980 persoonlijk de bisschoppen op één lijn te krijgen, maar met weinig succes.

Het bezoek van de paus aan Nederland in 1985 was geen onverdeeld succes. Wel werd het aanleiding voor een grootscheepse manifestatie van progressief-katholieke verenigingen en organisaties in Den Haag onder het motto: 'Het andere gezicht van de kerk'. Uit deze manifestatie ontstond de Acht Mei Beweging als 'platform' voor onder meer Open Kerk (1972), de Mariënburgvereniging (1983), de Federatie van Verenigingen voor Pastorale Werkers (1987), Pax Christi, verscheidene ordes en congregaties, in totaal circa 200 organisaties. Sinds 1985 houdt de Acht Mei Beweging jaarlijks een grote manifestatie.

De meer behoudende katholieken organiseerden zich een jaar later in het Contact Rooms Katholieken (1986). Bovendien wordt voor deze groep sinds 1983 een Katholiek Nieuwsblad uitgegeven, aanvankelijk drie maal per week, en sinds enkele jaren als weekblad.

De deconfessionaliseringstendens bereikte rond 1980 ook de grote organisaties. In 1980 kwam er een brede christen-democratische politieke partij tot stand (Christen Democratisch Appèl, CDA); in 1981 ging het Nederlands Katholiek Vakverbond samen met het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).

De resterende katholieke organisaties gingen in de tweede helft van de jaren tachtig meer aandacht besteden aan hun identiteit. Op initiatief van de Katholieke Raad voor Kerk en Samenleving (opgericht in 1975) ontstond er een voorzittersoverleg in 1986 (Allerheiligenberaad) en het Verbond van Katholieke Maatschappelijke Organisaties in 1988.

De kerkelijkheid onder de Nederlandse katholieken is in de afgelopen decennia blijven dalen. Het aantal katholieken is sinds 1960 gedaald van 40,4% naar circa 35%; van deze katholieken bezoekt ongeveer 13% wekelijk de kerk. Daar staat echter tegenover dat deze tamelijk kleine groep blijk geeft van een zeer grote kerkelijke betrokkenheid.



Verslag van de bijeenkomst



Toen ik de kerk naderde met mijn opa en oma, was het al erg druk. Bij het binnenkomen van de kerk haalden veel mensen hun handen door een bakje met water. Dat water is gezegend door de pastoor. Het is niet verplicht om je hand door dat water te halen, het is geheel vrijwillig. Veel mensen knielden voor de bankjes neer en gingen vervolgens zitten. Mijn oma zei dat er werd geknield om te laten zien hoe klein je bent en om eerbied te tonen voor God. Dat knielen vond ik een erg rare gewoonte, net zoals je hand door het bakje met water halen. Dat was iets wat ik echt niet gewend was.

Om half 11 begint uiteindelijk de kerkdienst. Het is de 4e week van de paastijd: 6 mei 2001. De pastoor komt binnen samen met 2 misdienaren. Iedereen staat op en de pastoor opent de kerkdienst met het zeggen dat het nog steeds paastijd is, de tijd van hoop en vreugde en dat Jezus juist nu leeft.

Na het openingswoord van de pastoor wordt de schuldbelijdenis gebeden (Kyrie). In dat gebed vraag je vergeving aan God voor alles wat je fout hebt gedaan.

Daarna wordt "Eer aan God in de hoge" gezongen in het Latijn ( Gloria in excelsis Deo ). “Eer aan god in de hoge” is een gebed waarin je God looft, om alles wat Hij is.

Vervolgens begint een nieuw deel van de kerkdienst, de woorddienst. De pastoor geeft dit keer een teken dat iedereen weer kan gaan zitten. De eerste lezing begint. Er wordt voorgelezen uit de Handelingen der Apostelen 5:26-32 en 5:40-42. Hierin verbieden de schriftgeleerden de apostelen om in naam van Christus te praten. De apostelen zijn het daar niet mee eens. Ze negeren het omdat ze vinden dat je eerder naar God moest luisteren dan naar de mensen.

Na de 1e lezing wordt er een psalm gezongen: Psalm 29. Hierin wordt God bedankt omdat hij ons heeft bevrijd, dankzij Hem hoeven we geen slaaf van onze zonden te zijn en dankzij Hem heeft ons leven zin.

Dan komt de tweede lezing.

De kerk van binnen…… Die komt uit het boek van de Openbaring van Johannes hoofdstuk 5 vers 1-14. Hierin verteld Johannes dat hij een visioen kreeg waarin hij engelen zag, heel veel engelen. Ze zweefden allemaal rondom een troon en ze loofden allemaal Christus.

Na de 2e lezing volgt de 3e lezing, het Evangelie. Iedereen staat op.

Het evangelie is afkomstig van Johannes. In dit verhaal verteld hij dat de discipelen onder leiding van Simon Petrus (zo noemde Jezus hem, hij heette eigenlijk Petrus) gingen vissen. Die nacht vingen de discipelen geen vis. Een onbekende man aan de oever vertelde hen dat ze het net aan de andere zijde van de boot uit moesten leggen. Die man was Jezus, maar dat wisten ze niet. De discipelen legden het net aan de andere kant van de boot en ineens vingen ze zoveel vis dat het net er bijna van scheurde. Ze konden het net bijna niet omhoog halen, zoveel vis was er in het net. Toen zij weer bij de oever aankwamen, ontdekten ze dat die man Jezus was.

De discipelen gingen samen met Jezus vis en brood eten. Jezus begon met Simon Petrus te praten. Drie maal vroeg Jezus aan Simon Petrus: “Simon, zoon van Johannes, heb jij mij lief?”. Petrus zei alle keren : “Ja Here, Gij weet dat ik U lief heb”. Toen Jezus het voor de derde keer vroeg werd Simon Petrus bedroef en hij zei : “Here, Gij weer alles, Gij weet, dat ik U liefheb.”

Hij vroeg hem drie maal of Simon Petrus hem lief had. Jezus antwoordde voor de derde keer hierop met: “ Weid mijn schapen”. Maar deze keer spreekt Jezus verder en hij vertelt dat Simon Petrus vroeger deed wat Hij wou, maar dat dat veranderen zal.

Iedereen gaat na het Evangelie zitten, want de verkondiging gaat beginnen. De priester, die preekt, legt de nadruk op het tweede deel van het Evangelie, waarin Jezus tot drie keer toe aan Simon Petrus vraagt of hij Hem lief heeft. Jezus vraagt het 3 maal omdat Petrus het drie maal verloochend heeft. Simon Petrus heeft veel fouten gemaakt, maar toch vraagt Jezus juist aan hem om zijn schapen te weiden. De pastoor lichtte toe dat je de weg naar de hemel om dicht bij God te zijn niet moet beklimmen zonder te vallen. Dat is niet te bedoeling. Als je valt kan je weer opstaan, je kan er wat van leren zodat het de volgende keer niet nog een keer zal gebeuren. Het is goed om te vallen, van het vallen leer je. Bij Petrus was dit ook het geval.

Uit het stukje Evangelie van Johannes kan je opmaken dat Jezus het niet erg vind als je in de herhaling valt als het erom gaat dat je Hem vertelt hoeveel je van Hem houdt. Na dit ons duidelijk gemaakt te hebben, begint de pastoor over de Christelijke roeping. Elke Christen heeft de roeping om heilig te worden. (roeping=het zich voorbestemd voelen of weten tot een bepaalde levenstaak) Veel mensen denken dat dat alleen voor priesters of religieuzen is weggelegd, maar dit is naar zeggen van de pastoor niet waar. Jezus vraagt aan Simon Petrus iets erg belangrijks, namelijk om zijn schapen te hoeden, maar aan anderen vraagt Hij andere dingen, die niet minder zijn dan dat van Simon Petrus. Simon Petrus is echt niet meer dan ons, iedereen is gelijk, maar we zijn gewoon allemaal anders. Jezus vraagt aan ons allemaal persoonlijk wat Hij wil dat wij voor Hem doen, allemaal op onze eigen manier omdat wij zo verschillend zijn allemaal. Volgens de pastoor is in het dagelijks leven, gewoon thuis in het gezin, op je werk, of op school, de plek om heilig te worden. Niet met hele speciale dingen, maar met kleine dingen; denken aan de details en de dingen die je doet moet je goed doen en afmaken.

De pastoor ging verder en zei dat veel mensen het geloof zagen als een last, dat als ze in de kerk zitten, ze zitten te wachtten tot de kerk afgelopen is. Van zulke mensen zijn er te veel, dan kan je beter thuis blijven. Het geloof in Christus is een cadeau, het leven van een christen is een mooi gelukkig leven, als dat niet zo is zit er iets fout, wamt vaak denkt men dat Christendom saai is, maar als het goed is ligt dit niet zo, het hangt allemaal van jezelf af.

Hiermee beëindigt de pastoor de preek.

Iedereen staat op om de schuldbelijdenis/Credo te zingen in het Latijn. Deze schuldbelijdenis word elke zondag in elke katholieke kerk gebeden, omdat het het fundament van het geloof is. Hierna gaat iedereen weer zitten want nu komt er iemand naar voren die de intenties van deze week voorleest:



Voor de wereld, dat er overal vrede en rechtvaardigheid mag heersen.

Voor de personen die ons land en de andere landen besturen.

Voor de eenheid van de christenen.

Voor de mensen die in eenzaamheid of angst leven, dat zij steun mogen ontvangen van God en van hun naasten.

Voor iedereen die niet bij deze viering aanwezig kan zijn.

Voor de mensen van de parochie die binnenkort gedoopt worden, die ziek zijn, pas overleden zijn, net getrouwd zijn, of zich voorbereiden om te trouwen.

Voor het gezin, de basis van onze samenleving.

Voor de priester roepingen, dat de jeugd niet bang is om naar de stem van God te luisteren.

Voor de zielen die ons gebed het hardst nodig hebben.



Na de voorbeden is er de zending, iedereen geeft geld voor de kinderen in Afrika dit keer. Na de zending begint een nieuw deel van de kerkdienst. Nu begint de tafeldienst, de eucharistie. Dit is het belangrijkste van de hele kerkdienst. Eucharistie betekent in het Grieks dankzegging. Het is het sacrament waarin brood en wijn gewijd worden door de instellingswoorden die Jezus tijdens het laatste avondmaal uitgesproken heeft. De eucharistie begint met de offerande waarin het volk God wijn en brood aanbied. Eerst word er een gebed gezongen "Hosanna in den hoge". Na dit gebed begint het echt. Iedereen knielt en de pastoor zegt, in de naam van Jezus, de woorden van het laatste avondmaal, waarin Jezus zei dat we dit moesten doen om hem te gedenken. Jezus zegt als ie het brood breekt: “Dit is mijn lichaam” en hij noemt het wijn: “ zijn bloed”. De pastoor zegt dit ook in de naam van Jezus Christus.

Na dit gedeelte wordt het " Onze Vader" gebeden en vervolgens geeft iedereen elkaar de hand om elkaar vrede te wensen. Hierna volgen een paar bekende uitspraken uit het Evangelie. Alle Christenen die willen, staan op om de communie te ontvangen. De gelovigen ontvangen het lichaam van Christus in de vorm van een stukje brood dat eventueel in de wijn gedoopt wordt. Als dit gedaan is, wordt de kerkdienst afgerond. De priester zegt nog een paar dingen over de parochie, en geeft alle aanwezigen de zegen. Daarna gaat hij samen met zijn twee misdienaren weg en is de kerkdienst beëindigd.



Belangrijke gebeden:



Gloria



Eer aan God in den hoge, en vrede op aarde aan de mensen die Hij lief heeft.

Wij loven U.

Wij prijzen en aanbidden U.

Wij verheerlijken U, en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.

Heer, God, hemelse koning, God, almachtige Vader;

Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus;

Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader;

Gij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm u over ons.

Gij die wegneemt de zonden der wereld, aanvaard ons gebed.

Gij die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm u over ons.

Want Gij alleen zijt de heilige,

Gij alleen de Heer,

Gij alleen de allerhoogste, Jezus Christus,

met de heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader. Amen



De Geloofbelijdenis



Ik geloof in God, de almachtige Vader,

Schepper van hemel en aarde.

En in Jezus Christus, Zijn enige Zoon, onze Heer.

Die ontvangen is van de heilige Geest,

geboren uit de maagd Maria.

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus,

is gekruisigd, gestorven en begraven,

Die nedergedaald is ter helle,

de derde dag verrezen uit de doden;

die opgestegen is ten hemel;

zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.

Van daar zal Hij komen oordelen de levenden en de doden.

Ik geloof in de heilige Geest;

De heilige katholieke kerk,

De gemeeschap van de heiligen,

De vergeving van de zonden,

De verrijzenis van het lichaam,

En het eeuwig leven.Amen.



Het Onze Vader



Onze Vader, die in de hemel zijt;

Uw Naam worde geheiligd;

Uw Rijk kome;

Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel

Geef ons heden ons dagelijks brood;

En vergeef ons onze schuld,

Zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven;

En leid ons niet in bekoring;

Maar verlos ons van het kwade. Amen.



Mijn mening



Ik vond het best leuk om eens een Katholieke dienst bij te wonen. Het was echt heel erg vreemd. Het is echt heel anders dan een Hervormde dienst. Ik vond het erg vreemd dat sommige mensen bij binnenkomst hun hand door een bakje water haalden. Ook het knielen voor de bankjes had ik nog nooit eerder echt meegemaakt. Wat voor mij ook erg vreemd was, is de vredeswens. Iedereen gaf elkaar een hand en wenste elkaar vrede. De communie had ik ook nog nooit meegemaakt. Er zijn echt heel veel verschillen. Ik ben blij dat ik voor een andere dienst heb gekozen dan een Hervormde dienst. Ik ben nu weer een ervaring rijker en ik snap nu hoe het er in een Katholieke kerk aan toe gaat. Normaal gesproken ga ik niet zo heel vaak meer naar de kerk. Omdat ik er eigenlijk niet veel tijd voor heb. Ik weet dat ik tijd voor God moet maken. Ik probeer daarom wel soms om de tijd te vinden. Ik heb ook niet altijd zin om vroeg uit bed te gaan op zondag als ik de vorige dag uit ben geweest of iets dergelijks. Mijn contact met de kerk is minder geworden vergeleken met vroeger. Vroeger ging ik wekelijks en nu komt het voor dat ik maar één keer in de maand naar de kerk ga. Dit verslag heeft mij zo’n 8 uur de tijd gekost.



Bronnen:



· http://www.dominee.nl

· http://www.kerknet.nl

· http://www.kdc.kun.nl/geschiedenis/kathabc.html

· http://members.tripod.lycos.nl/parochie/txt/geloofbelijdenistxt.htm

· http://members.tripod.lycos.nl/parochie/txt/het_onze_vadertxt.htm

· http://members.tripodnet.nl/parochie/txt/Gloriatxt.htm

· http://www1.tip.nl/~t006032/gebed1.htm

· Encarta 98 encyclopedie van microsoft

· Kleine Winkler Prins (encyclopedie) van elsevier

· De religieuze kaart van Nederland door Hans Knippenberg








REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.