Pompei

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas vwo | 6902 woorden
  • 29 mei 2002
  • 372 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 372 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
1. Inleiding

De Romeinse stad Pompei, is een van de beroemdste en meest fascinerende archeologische steden ter wereld. Deze stad kreeg op 24 en 25 Augustus in het jaar 79 een uitbarsting van de nabije vulkaan “de Vesuvius” over zich heen dat het einde van deze stad betekende.

Ruim 1900 jaar later in 1991 werd van deze stad een nieuwe glimp opgevangen door archeologen die van de Italiaanse regering de gebouwen moesten vrijmaken van het vulkanisch puin, en vervolgens de gebouwen moesten restaureren.
Maar tijdens het verwijderen van het puin stuiten de archeologen op een dikke laag gestold as dat het werk in eens een andere wending gaf.

Wat er werd gevonden lijkt voor iedereen een bekend verhaal, maar..........



2. Pompei en Herculaneum

Het vulkanische as in Pompei was een soort wondermiddel. De as had namelijk aan het begin van de uitbarsting alles overdekt en toen de as was gestold bleven er, toen de lichamen vergingen, holten over met de precieze vorm van de slachtoffers. Met deze vormen zijn er levensechte afgietsels gemaakt van de door de vulkaangetroffen inwoners van Pompei. De eerste negen afgietsels, waren mensen gevangen op het moment dat ze stierven. Goed was te zien dat deze mensen waren gevlucht terwijl op het laatste moment de giftige gassen hen fataal werden. De slachtoffers waren kinderen, mannen en vrouwen waarvan 1 hoog zwanger. Archeologen hadden dit alles vaker gezien en toch was het verschrikkelijk indrukwekend.

Tegenwoordig is Pompei een dodenstad, en hetzelfde geldt voor Herculaneum, een kleiner en iets minder bekend stadje dat zon 15 kilometer noordwestelijk van Pompei ligt. Dit stadje werd eveneens getroffen door de uitbarsting van de Vesuvius. Pompei telde zo’n 20.000 inwoners terwijl Herculaneum maar 5000 inwoners telde omdat het een buitenwijk was van Neapolis. ( Het tegenwoordige Napels). Maar toch hadden ze een grote overeenkomst, de abruptheid waarmee het bestaan eindigde. De archeologen vonden onder 8 meter gesteende een stilgezet leven in Pompei, en onder 20 meter gesteente het stilgezette Herculaneum.

Door de stilzetting van de tijd was alles nog in goede staat en was het leven van de Pompejanen goed te achterhalen. Overal hingen de schilderijen nog aan de muur, en stonden de fruitmanden nog op tafel. Planten die werden gevonden konden gedetermineerd worden. Maar ook stonden er nog teksten op de stadsmuren en dat waren niet alleen liefdes verklaringen maar ook Politieke beelden. En langzaam kwam de Romeinse cultuur boven.

Hoewel Herculaneum meer op handel en visserij was gericht was Pompei veel commerciëler. Pompei was een schakel in het handelsverkeer, en werd bewoond door tientallen ambachtslieden - onder andere metaalbewerkers, pottenbakkers en glasblazers. Er waren nog enkele sporen van andere culturen, maar de Romeinse gewoonten hadden de overhand. Naast een heleboel andere faciliteiten bezat Pompei een groot amfitheater voor gladiatorengevechten. Dit amfitheater was gebouwd door een Romeins speculant en er pasten 20.000 mensen in. In twee andere theaters kon iedereen vermaakt worden door toneelstukken en muziek, ook waren er zo’n 100 kroegen en tavernes waar iedereen zijn dorst kon komen lessen. Pompei bezat drie badhuizen. (Een vierde was in aanbouw) Verder had Pompei minstens 10 tempels en - vlakbij het grote forum - een grote basilica.


De Pompejaanse straten waren geplaveid met vulkanisch gesteente, langs de straten liepen goten voor afvalwater. Op straat waren fonteinen aangelegd die de mensen en dieren van water voorzagen. De woningen waren zeer verschillend, van mooie gedecoreerde huizen met vele vertrekken en binnenplaatsjes, tot simpele appartementen en kleine kamertjes achter werkplaatsen.

-plaatje niet aanwezig-
Zo zag Pompei eruit rond de tijd van Augustus Caesar met een overheersende Romeinse cultuur en af en toe wat Griekse elementen, totdat..................


3. De geschiedenis van Pompei

Hoewel Pompei en Herculaneum op een verschrikkelijke manier aan hun einde kwamen, hadden ze een veelbelovende toekomst tegemoet kunnen gaan. De Golf van Napels is een waterrijke kustvlakte en behoort tot een van de vruchtbaarste gebieden van Italië Het klimaat is er zacht met korte winters, een lange lente en herfst, en mooie zomers. Pompei lag niet alleen aan de Golf van Napels maar ook aan de Sarna ( een mooie rivier) en het gebied was rijk aan vis. Het deel is dan ook altijd bewoond geweest.

De eerste bewoners van het gebied spraken Oskisch en werden de Osken genoemd. De Osken leefden van landbouw en veeteelt en bewoonden 1000 jaar voor Christus een aantal dorpjes in dit gebied. Rond de zevende eeuw voor Christus kwamen er nieuwe bewoners, de Grieken. Zij probeerde zich te verbreiden rond de Middellandse Zee en de Zwarte zee. Zo stichten zij Neapolis “Nieuwe stad”, als handelscentrum en verderop het iets kleinere Pompei.
200 jaar later werd Pompei overgenomen door de Samnieten. Dit was een oorlogszuchtige stam uit het bergachtige binnenland. In de vierde eeuw voor Christus werden de Samnieten verslagen door een volk uit het noorden. De Romeinen.

Binnen 200 jaar werd Pompei een volwaardige stad die groeide van 9 naar 65 hectare, en met stadsmuren van bijna 3 kilometer lang. Pompei was een echte stad geworden maar in het jaar 9 brak er opnieuw onrust uit toen er een gladiator (Sparcatus) ontsnapte die een grote slaven opstand zou gaan leiden. Met 70 andere ontsnapte slaven ging hij naar de top van de Vesuvius. Toen Romeinse soldaten de berg hadden omsingeld gebruikte de slaven wijntakken om van een stuk onbegaanbare rotswand af te dalen en de tegenstanders weg te jagen. Sparcatus hield deze opstand 2 jaar vol en stierf vervolgens.



Ondanks alles ging het erg goed rond de Golf van Napels. Het werd er een soort ontspanningsplek voor rijken die overal grote huizen met soms wel 50 vertrekken neerzetten met uitkijk over de schitterende baai. Zo bezat Cicero een staatsman en redenaar drie huizen in dit gebied, en keizer Tiberius bezat een villa in de buurt van Herculaneum. Alles ging dus goed tot 24 en 25 augustus in het jaar 79.


4. De Vesuvius, tekens van uitbarsting

Pompei was uitgebreid tot een flinke stad, maar toch dreigde er altijd gevaar. De stad lag namelijk aan de voet van de Vesuvius, die dan wel al eeuwen sliep, maar toch tot leven begon te komen. De 2000 meter hoge Vesuvius was begroeit met weilanden en wijngaarden en verder bovenin met bossen. Hierdoor stonden de mensen er niet bij stil dat de Vesuvius een vulkaan was, en dat de top van de Vesuvius vaak heet werd viel dus ook niemand op. Maar doordat de Vesuvius al 1000 jaar niet was uitgebarsten hoopten de spanningen op en in 62 na Christus was er een heftige aardbeving met het epicentrum bijna onder Pompei. De pijpleidingen die voor het water in de stad zorgden werden zwaar beschadigd. Veel appartementen en villa’s waren ingestort en hadden vele mensen bedolven. Veel openbare gebouwen waren van zwaardere materialen gebouwd en daardoor storten die sneller in en overal waren beelden en fonteinen beschadigd. De schade was zo groot dat Nero (de toenmalige keizer) zich afvroeg of de stad niet beter zo gelaten kon worden en ergens anders heen te gaan.

Maar de Pompejanen deden hard hun best en 17 jaar later waren ze nog steeds bezig met de wederopbouw van hun stad. Niemand bracht de aardbeving in verband met de Vesuvius en iedereen bleef hard doorwerken. Maar de aardbeving was pas een begin geweest en begin 79 waren er opnieuw trillingen voelbaar. Tegelijkertijd vielen er een aantal putten en bronnen droog, tekens dat de spanning begon op te lopen. Op 20 Augustus was er een middelzware schok te voelen. Vee en paarden waren onrustig en bang en het werd overal dreigend stil doordat de vogels ophielden met zingen. Sommige mensen die zich de aardbeving uit 62 nog herinnerden pakten hun spullen en vertrokken naar een veiligere plek. In de nacht van 23 Augustus en in de vroege ochtend van 24 Augustus kwam er een beetje as uit de vulkaan.- iets waar bijna niemand van opkeek - maar op 24 Augustus, 1 uur ‘s middags sloeg het noodlot toe.
Met een keiharde knal schoot de prop gestolde lava - door de druk eronder - uit de Vesuvius. De prop werd twee keer zo snel als het geluid 27 kilometer hoog de atmosfeer in geschoten. Door de druk schoot de prop uit elkaar en verloor snelheid. Als een grote wolk daalde alles op Pompei neer.

Tijdens de uitbarsting zat 30 km verderop – aan de overkant van de baai in Misenum – een 17 jarige jongen (Plinius) op de uitkijk en was getuige van de uitbarsting. De jongen ging samen met zijn moeder naar zijn oom, Plinius de Oudere – schrijver van een 37 delen tellend encyclopedisch werk en admiraal van de Romeinse vloot. De 17 jarige jongen schijnt net zo weetgierig te zijn als zijn oom en schrijft later op verzoek van Tacitus een ooggetuigenverslag van de ramp.

Dit schreef Plinius:
“In de eerste fase van de eruptie leek de wolk een pijnboom, want hij schoot omhoog in de vorm van een boomstam, die zich aan de bovenkant uitspreidde in verscheidene takken. De kolom was het ene ogenblik wit, dan weer donker en gevlekt, alsof er aarde en sintels mee omhoog waren gevoerd. Mijn oom, geleerd als hij was, achtte het verschijnsel belangrijk genoeg om nader te worden bekeken. Hij liet een licht vaartuig in gereedheid brengen.” Vlak daarna kreeg Plinius de Oudere een bericht dat er veel mensen in gevaar waren. Toen hij dat hoorde wijzigde hij zijn plan en in plaats van dat hij de eruptie ging waarnemen organiseerde hij een reddingsactie. Zijn neef mocht niet mee en schreef later zijn verhaal af aan de hand van verslagen.


Zijn verhaal gaat verder: “En nu begonnen er sintels, die groter en heter werden naarmate zij naderden, op de schepen neer te regenen, daarna ook puimstenen, die zwart, geblakerd en gebarsten waren door vuur. Toen leek de zee plotseling onder hun weg te ebben, terwijl de kust werd geblokkeerd door aardverschuivingen van de bergen.” De kapitein van een van de schepen wilde teruggaan, maar Plinius beval hem door te varen, een beslissing die zijn einde betekende.

Intussen waren de inwoners van Pompei in verwarring en angst. Door de grote wolk die boven pompei hing lag het stadje vrijwel volledig in het donker. In Pompei regende het nog steeds Puimsteen, sommige niet groter dan een rijstkorrel en andere zo groot als een tennisbal. Binnen ongeveer drie uur was alles overdekt met een 30 centimeter dikke laag steen. Gebouwen begonnen in te storten en dat koste nog meer levens. Zij werden bedolven onder ingestorte daken en omgevallen muren. Doordat er olielampen omvielen, braken er ook branden uit. Aan het begin van de dag waren er al een heleboel mensen gevlucht, maar zeker 2000 mensen waren gebleven die nu overal een veilige plek probeerden te zoeken. De hele middag en avond bleef de Vesuvius gesteente uitspugen en per uur werd de laag gesteente ongeveer 15 centimeter dikker.

Tot op dat moment was er nog niets met Herculaneum aan de hand. Ook al waren er al heel wat inwoners gevlucht. De avond viel en het was een spectaculair gezicht vanuit Herculaneum maar al snel zou de Vesuvius een ander wapen vertonen en Herculaneum was de eerste die dat mocht meemaken.
Om ongeveer 1 uur ’s nachts op 25 augustus, verdween de grote wolk en begon er een enorme massa gloeiend materiaal van de hellingen naar beneden te stromen. Het was een mengsel van puimsteen gewoon steen en meegesleurde aarde. Door de hoge temperaturen die konden oplopen tot 400 graden was alles vloeibaar geworden. Deze lawine had een snelheid van 150 kilometer per uur en had daarom maar 4 minuten nodig om Herculaneum te bereiken. De mensen in de stad probeerde in deze laatste seconden zo snel mogelijk de zee te bereiken. Eerst kwam er een golf van as over het stadje heen dat alles in de stad dode en het water aan de kust aan het koken bracht. Enkele seconden later volgde er een vloedgolf van lava, dat zo de straten binnen rolden, overal naar binnen stroomde en de kustlijn veranderde.

In Herculaneum was geen spoor van leven meer en de lava begon het stadje te begraven. In de uren daarna bleef de Vesuvius lava uitbraken net zo lang tot er niets meer van Herculaneum te zien was. Pompei dat verderop lag bleef gespaard van deze lawines maar de Vesuvius was nog steeds krachten aan het sparen voor de grote uitbarsting. Om acht uur ’s ochtends moest Pompei er ook aan geloven, want bij de vierde uitbraak werd de stad aan de Sarno ook getroffen door het dodelijke vuur.

De vijfde uitbarsting begon Pompei langzaam te begraven en de zesde uitbarsting – de laatste en de ergste – zorgde ervoor dat er niets meer van beide steden overbleef. Aan de overkant van de baai, in Misenum, had Plinius door een aantal aardbevingen de hele nacht wakker gelegen. Toen hun huis dreigde in te storten vluchten zij net als alle andere naar een veiligere plek.
Plinius schreef hierover: “De koetsen die we laten voorrijden gleden heen en weer, hoewel ze op vlak terrein stonden, en konden zelfs niet stil worden gehouden toen er stenen tegen de wielen werden gezet. Toen zagen we hoe de zee werd teruggezogen waardoor veel zeedieren achterbleven op het droge zand. Nog beangstigender was de aanblik van de vulkaan, die blijkbaar naar een gewelddadig hoogtepunt toewerkte. Een zwarte en angstwekkende wolk, uitbarstend in stoten van vurige dampslierten, brak nu en dan gapend open en toonde dan lange, fantastische vlammen, die leken op bliksemflitsen, maar dan veel groter. Kort daarop begon de wolk neer te dalen op de aarde en de zee. Er viel nu as op ons, zij het niet in grote hoeveelheden. Ik keek achterom; de duisternis rolde achter ons over het land als een golf. Ik stelde voor om, nu we nog wat konden zien, opzij te gaan, opdat we niet onder de voet zouden worden gelopen en in het duister zouden worden doodgetrapt door de menigte die ons volgde.

Nauwelijks waren we gaan zitten of de duisternis spreidde zich over ons uit, niet zoals het duister van een maanloze of bewolkte nacht, maar van een kamer die wordt afgesloten en waarin de lamp wordt gedoofd. Men hoorde slechts gillende vrouwen, huilende kinderen, en schreeuwende mannen; sommigen waren opzoek naar hun kinderen, anderen zochten hun ouders. Sommigen begonnen uit doodsangst te bidden, en velen hieven hun handen op naar de goden, maar de meesten dachten dat de goden hen hadden verlaten, en dat de laatste en eeuwige nacht op de wereld neerdaalde. Omdat de wolk een grote afstand moest afleggen was deze afgekoeld, waardoor Plinius en zijn moeder ongedeerd bleven.
Herculaneum was helemaal onder de lava verdwenen, van Pompei zag je nog kleine stukjes erboven uitsteken die later werden bedekt met as.



5. Terugkering van de bewoners

90% van de bevolking van Pompei was op tijd gevlucht en keerden enkele weken na de ramp terug naar hun stad, waar ze niet meer dan een kale vlakte aantroffen. Sommige inwoners begonnen te graven aan de hand van de kleine stukjes die nog boven de lava uitstaken. De mannen groeven verticale gangen met zijgangen en gingen zo van vertrek naar vertrek en namen spullen van zichzelf en waarschijnlijk ook van vele andere mee.

Archeologen die later de huizen onderzochten kwamen een aantal huizen tegen waar het marmer van de muur was gehaald en waar de beelden en andere ornamenten waren meegenomen. Sommige tochten zullen inderdaad wat hebben opgeleverd maar er is ook een heleboel onheil bij gekomen want onder de aslaag waren nog veel giftige dampen aanwezig en ook stortte veel van deze tunnels in. Door deze gevaarlijke tochten liep het dodental van de uitbarsting weer op. Al snel gaven de inwoners de moed op en stopte ze met de opgravingen.
Keizer Titus, die twee maanden voor de ramp aan macht kwam, dacht aan een wederopbouw van Pompei maar dat had eigenlijk geen nut dus het enige wat hij kon doen was de omliggende steden aanmoedigen de inwoners van Pompei op te vangen.

Na de ramp bleef het gebied niet volledig onbewoond. Op de heuvel die uitkeek over de Sarno werden een aantal boerderijen gebouwd. Stabiae, een plaatsje dat net niet was getroffen zou de taak van Pompei overnemen, maar toch was het een groot verschil met wat het altijd geweest was. Al snel had iedereen Pompei vergeten. Vooruitblikkend stelde dichter Statius deze vraag: “Zullen toekomstige eeuwen, wanneer de woestenij door nieuw zaad zal zijn bedekt, geloven dat onder hun voeten hele steden met hun inwoners liggen, en dat de akkers van hun voorouders verdronken in een zee van vuur?”
Het antwoord werd snel gevonden, want hoewel iedereen Pompei allang was vergeten kregen ze de kans niet om de Vesuvius te vergeten.

Daar kregen ze ook de kans niet voor, want in 202 barst de Vesuvius een week lang uit, en daarna volgde nog verschillende grote uitbarstingen in 306, 427, 513, 533 en, na een millennium rust barste de Vesuvius in 1631 nog een keer uit en deze uitbarsting was vrijwel even erg als die in 79 en verwoeste opnieuw alle omliggende plaatsen en er waren ongeveer 18 000 doden.

Na deze uitbarsting wist allang niemand meer dat Pompei en Herculaneum ooit hadden bestaan en hun herontdekking kwam dan ook vrij onverwachts. In 1707, als gevolg van een politiek spelletje schaken werd Sicilië en het gebied rondom Napels van de Oostenrijkse prins d’Elboeuf. Deze prins hield nogal van klassieke dingen en liet op zijn grond een villa bouwen in de stijl van de oudheid. Boeren uit de omgeving vonden regelmatig vazen, fragmenten, beelden en andere overblijfsels van de Romeinse tijden en deze werden verkocht aan de prins. Maar toen de prins een put in zijn achtertuin liet slaan die aan de voet van de Vesuvius
lag werden er enkele bijzondere voorwerpen gevonden en gaf hij werklui de opdracht om vanuit de put horizontaal verder te graven. De arbeiders vonden al snel drie schitterende vrouwenbeelden, evenals fragmenten van een beeld van Hercules. D’Elbouef geloofde dat hij op een tempel terecht was gekomen. Maar in werkelijkheid stond zijn huis en de rest van het dorpje Resina, op straten, huizen, winkels, en op openbare gebouwen wat ooit eens een ouden havenstad was.

Toen de prins het hele gebouw had leeg gehaald zakte zijn interesse, maar hij had een ware schatgraverij in gang gezet. Tientallen jaren later kwam de grond rond de Vesuvius in Spaanse handen, waarna de zoektocht weer verder ging. De nieuwe eigenaar, koning Karel III, had een grote groep gravers aan het werk gezet en op 11 december 1738 vonden zijn gravers een inscriptie met de woorden Theatrum Herculanensi. Het gebouw wat door d’Elboeuf was leeggehaald had nu een identiteit: het was een theater. En het plaatsje waar dit theater in stond heette Herculaneum. Hoewel het plaatsje door iedereen vergeten was, was er nog een dichter Martialis, geboren in Spanje maar werkzaam in Rome, die over deze oude plaats dit gedicht maakte: “Beziet de Vesuvius, eens bedekt met groene wijngaarden, voortbrengers van fruitige wijnen: dit is de berg die Bacchus zelfs nog meer liefhad dan de heuvels van Nysa waar de saters hun dansen uitvoerden. En hier was Herculaneum, dat zich kon beroemen op de naam van de held Hercules. Alles ligt onder vlammen en gloeiende as.”
Zelfs bij de beste geleerden was de precieze locatie van Herculaneum onbekend, omdat de dikke laag lava de kustlijn volledig had veranderd. Toen de inscriptie werd gevonden was het raadsel opgelost. Herculaneum lag ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van de top van de Vesuvius.

Hetzelfde was er met Pompei aan de hand. Geleerden wisten dat het ten zuidoosten van de vulkaan had gelegen, maar niemand wist precies waar.

Volgens sommige was er een interessante mogelijkheid. Al eeuwen lang op ongeveer 10 kilometer afstand van de Vesuvius vandaan staken wat restanten van oude gebouwen uit de grond. De plaatselijke bevolking noemde dit gebied La Civita – een moderne versie van het Latijnse woord civitas dat stad betekent.
Er was al wel in keer in de 16e eeuw een inscriptie gevonden met de tekst decurio Pompeiis, maar daar was nauwelijks aandacht aan geschonken.
De waarheid van deze inscriptie kwam pas veel later aan het licht. In 1748 tien jaar nadat hij was begonnen met graven in Herculaneum richtte Karel III zijn aandacht op La Civita, omdat daar ook regelmatig oude werken werden gevonden. Vlak nadat ze bij La Civita begonnen te graven stuitte ze op een prachtige muurschildering, een voorstelling met vruchten en bloemen, en vervolgens vonden ze een skelet van een man, waarbij bronzen en zilveren munten werden aangetroffen. Deze man was waarschijnlijk op de vlucht gegaan met een paar van zijn bezittingen die hij zo snel kon meenemen.

De Spaanse onderzoekers hadden weinig belangstelling voor de menselijke drama’s Ze waren meer uit op kostbaarheden zoals klassieke marmeren beelden.
Op de nieuwe vindplaats ging het opgraven veel sneller omdat het vulkanisch gesteente er veel losser was en veel minder dik was. Toch wist niemand zeker wat de werkelijke identiteit van La Civita was tot augustus 1763. Toen vonden de gravers een inscriptie met de woorden res publica Pompeianorum “de staat der Pompejanen”. Zo werd de oude stad eindelijk gevonden.


6. Opgravingen

Gedurende lange tijd ging het zoeken naar kostbaarheden in hoog tempo voort, en dat ging ten koste van de rest van Pompei. Alcubierre, de man die van 1738 tot 1765 de leiding had over de opgravingen, was eigenlijk net als alle anderen een plunderaar. Hij stroopte de ene na de andere vindplaats af en liet dan in het wilde weg hier en daar tunnels bouwen. De vindplaatsen die niet snel genoeg wat opleverden gaf hij op, en als hij huizen of tempels tegen kwam roofde hij die leeg. Fresco’s werden van de muren gebikt, en vazen, munten, beelden en andere objecten werden afgevoerd naar andere opslagplaatsen.

Ook werden de opgravingen versneld met behulp van explosies. Deze technieken leverden voor Karel III wel veel op want heel Europa keek tegen hem op vanwege zijn groeiende collectie antiquiteiten. Als er hoog bezoek kwam kijken naar de opgravingen werden er van tevoren enkele vazen verstopt en deden de opgravers net of ze de hele dag door spullen vonden. In de jaren 60 van de 18e eeuw kwam de eerste archeoloog die een bezoek bracht aan de opgravingen en de vondsten later allemaal opschreef. In 1787 kwam de beroemde Duitser wetenschapper Johann Wolfgang von Goethe, om de resten van de steden te onderzoeken. Hij schrok toen hij de werkmethode van Alcubierre zag en schreef enkele jaren later: “Het is duizendmaal zonde dat de opgraving niet op ordelijke manier is uitgevoerd door Duitse gravers, daar in de loop van het willekeurig roofzuchtig gewroet ongetwijfeld vele edele antiquiteiten hopeloos verspreid raakten.” Maar al snel raakte ook hij in de ban van de schitterende relikwieën die werden gevonden en had hij geen oog meer voor de tragedie die er op deze plek was gebeurd. Hij schreef later: “Er zijn op de wereld veel rampen gebeurd, maar geen enkele heeft het nageslacht zo veel vermaak geschonken als deze.”

Het gebied kwam in 1798 wederom in andere handen. Tien jaar later nadat Napoleon tot keizer was gekroond, liet hij zijn zus Caroline en haar echtgenoot Joachim Murat als koninklijk paar bij Napels wonen, om daar zijn bevelen uit te voeren. Hij voerde het werktempo nog verder op zodat er 500 werklieden werkzaam waren. Vooral Caroline was erg geïnteresseerd in de opgravingen, vanwege de sieraden en kunstwerken die er werden gevonden. Pas na 1860 werd er begonnen met serieus onderzoek doen. De grond was toen in bezit van koning Victor Emmanuel II en hij had een klein leger opgravers die onderzoek deden onder leiden van Giuseppe Fiorelli. Fiorelli was een goede archeoloog en schrijver van de geschiedenis te Pompei. Hij bleef leider tot 1875.

Fiorelli’s benadering was er een met discipline en ordelijkheid. Eerst liet hij al het puin wat zich de afgelopen jaren had opgehoopt opruimen, en liet hij een afvoer voor regenwater aanleggen. Nadat hij wist waar de buitenste stadsmuren lagen begon hij alles op een kaart in te delen in zones en wijken, waarbij hij alle huizen en gebouwen aangaf en alles een logische nummering kreeg. Bij ieder huis wat werd blootgelegd schreef hij op hoe alles eruit zag en waar het huis precies stond. Alles wat werd gevonden, dat heel kostbaar was werd overgebracht naar een musea of een speciale opslagplaats.

Zo kwam stukje voor stukje de oude stad weer naar boven en kreeg opnieuw leven. Omdat de steden en villa’s bijna helemaal heel waren bedolven, konden ze bijna ook helemaal heel weer worden blootgelegd. Fiorelli demonstreerde de mogelijkheden rond het opgraven en zijn voorbeeld werd door andere archeologen opgevolgd.
Dit leidde niet alleen naar een mooi beeld van een oude stad, maar ook naar een dramatisch beeld van alle skeletten en lichamen die werden gevonden.

De archeologen groeven niet alleen huizen en relikwieën op, maar men vond er ook een eettafel met eieren en vis; in potten waarin vlees was bewaard werden nog stukjes bot gevonden. In winkels werden verdroogde uien, bonen, olijven en vijgen gevonden. Ook in de gewone huizen werden sieraden, cosmetica, parfum, bronzen spiegels, ivoren kammen en gelukshangertjes gevonden in de vertrekken waar ze als laatste waren gebruikt. In Herculaneum was hetzelfde gebeurd, door het plotselinge einde had iedereen zijn spullen overal achter gelaten. Er stond in een van de huizen nog een maaltijd van brood, salade, cake, fruit op tafel.
En als je goed luisterde leek het wel of je ook stemmen uit het verleden kon horen. De muren in Pompei stonden dan ook vol met graffiti. Liefdesverklaringen: (“Successus de wever houdt van Iris, de slavin van de herbergier”) Schimpscheuten: (“Samius aan Cornelius: Hang jezelf op”), gefilosofeerd: (“Niemand is heer die geen vrouw heeft liefgehad”) en andere persoonlijke boodschappen.

De mensen die dit allemaal geschreven hadden waren grotendeels gevlucht, maar er was ook een deel in de stad achtergebleven en Fiorelli wist zeker dat deze mensen nog ergens moesten zijn, en hij had gelijk. De laag as die naar beneden was komen vallen had niet alleen de huizen afgedekt maar ook de mensen toen zij in doodsangst op de vlucht waren. De as drong in het haar en tussen de vouwen van de kleren en zo moesten er holten achterblijven. Dat kwam omdat het as na een regenbui was gaan uitharden. Het werd dan ook per ongeluk ontdekt toen de werklieden aan het uithakken waren en ze ineens een hol stuk tegen kwamen. De lichamen die in die holten hoorden te zitten waren allang vergaan, maar Fiorelli liet daarom zeer vloeibaar gips in de holten gieten. Nadat het gips hard was geworden, werd het omhulsel van as verwijderd, en zo bleef er een levensecht persoon over.
Nadat er steeds meer slachtoffers met deze methode werden gevonden, groeide de belangstelling voor de menselijke kant van het verhaal van Pompei. Door de afgietsels waren de bange gezichtsuitdrukkingen na al die jaren nog goed te zien. Zoals een vrouw die haar baby vasthoudt terwijl twee meisjes zich aan haar gewaad vasthouden, een jonge man en vrouw die naast elkaar neervallen terwijl ze proberen te vluchten en buiten de noordelijke muur vinden ze een man die sterft terwijl hij zijn geit voorttrekt.


Overal doken ook momenten op waarin mensen gezamenlijk waren gestorven. In het huis van een zekere Quintus Poppaeus, stierven 10 slaven op weg naar de tweede verdieping en hun leider hield een bronzen lantaarn vast. In het huis van Publius Paquius Proculus stierven 10 kinderen toen het dak boven hen onder het gewicht van het vallende puimsteen het bezweek. In een gebouw waar wijn werd verhandeld, scholen 34 mensen, ze hadden brood en fruit bij zich om het eind van de uitbarsting af te wachten. In een villa buiten de stad stierven 18 volwassenen en 2 kinderen in een kelder. De meester van het huis, stierf buiten met de zilveren sleutel in zijn hand. Hij was op weg naar de akkers, samen met een rentmeester die geld en andere kostbaarheden droeg.

Veel mensen die probeerde te vluchten hadden enkele bezittingen bij zich. De meesteres van een groot huis stikte buiten in gezelschap van drie dienstmeisjes, overal rond hun lichamen werden sieraden en geld gevonden. In de buurt van de kazerne van gladiatoren, bezweek een slaaf naast een paard waarop hij kleding en andere bruikbare spullen had neergelegd.

Vanaf het eerste afgietsel van Fiorelli, tot de negen van de zomer 1991, is er nog niemand geweest die naar deze afbeeldingen heeft kunnen kijken, zonder iets gewaar te worden van de verschrikking van de ramp. Een archeoloog die Fiorelli’s ontdekking in1863 vastlegde, beschreef het afgietsel van een volwassen man als: “Een arm is gestrekt met gebalde vuist, en de ledematen hebben een houding van starheid die bijna een stuiptrekking is. Dit, evenals de uitdrukking van pijn en afgrijzen die duidelijk op het gelaat zichtbaar is, lijkt erop te duiden dat de ongelukkige man stierf in het volle bewustzijn van zijn vreselijke lot, waar hij vergeefs tegen vocht. Het gruwelijkste moment van zijn leven was gekomen. Hij kon geen adem meer halen.”


7. Onderzoek in Pompei

Fiorelli was natuurlijk een van de belangrijkste initiatiefnemers geweest bij het opgraven van Pompei. Zonder hem zou de stad waarschijnlijk van al zijn kostbaarheden zijn beroofd, en zou de sfeer die in de huizen, winkels en straten hangt verloren zijn gegaan. Na Fiorelli zijn er nog verschillende opvolgers geweest, maar de belangrijkste was de Duitse Archeoloog Augustus Mau.
Mau die het laatste kwart van de 19e eeuw in Pompei als archeoloog werkte, onderzocht bouwmaterialen en ornamentele details van gebouwen, om architectonische stijlen op het spoor te komen.

Zijn studie van de toepassing van grijze tufsteen, een vulkanisch gesteente, toonde aan dat deze steensoort vooral in de tweede eeuw voor Christus werd gebruikt. Met behulp van de onderzoeken van Mau konden andere onderzoekers een dateringsysteem maken waarmee je kon onderzoeken hoe Pompei als stad was gegroeid. Zo tekende Mau ook plattegronden en breidde hij het stratenplan van Fiorelli uit.

Een van Mau’s wetenschappelijke bijdragen is zijn studie over de onderwerpen van de kleurige muurschilderingen in Pompei. Mau deed veel voor Pompei en schreef ook een boek over Pompei en zijn kunst. Dit boek wordt een eeuw later nog steeds herdrukt. Mau zelf heeft voor zijn onderzoeken nooit echte erkenning gehad, maar hij was wel de eerste die een overtuigend portret schilderde van Pompei aan de vooravond van de uitbarsting van de Vesuvius. Naarmate steeds meer mensen hun best deden Pompei weer tot een stad te maken, begon de stad steeds meer tot een verbeelding te spreken. Het kloppende economische hart kon je op de straten voelen, en in de ruines voelde je de huiselijke sfeer. Zo nam Pompei een persoonlijkheid aan: levendig, luidruchtig en soms gewelddadig.

Pompei was voor die tijd al heel erg welvarend. Het hele jaar door werd met boten vracht aangevoerd over de rivier de Sarno, waarna die goederen via Pompei verder werden getransporteerd. Maar Pompei leefde toch voornamelijk van de landbouw. Op de velden die net buiten de stad lagen graasden grote kudden schapen die zorgde voor een bloeiende wolnijverheid in de stad. Op de Vesuvius stonden wijnstokken rijen dik die voor zoete wijn zorgden waar het gebied bekend om stond. Nog hoger op de Vesuvius werden olijven verbouwd. Een gedeelte van die olijven werden verkocht om opgegeten te worden, maar het grootste deel van de oogst werd verwerkt tot olie. De Romeinse bouwkunst was overal in het gebied terug te vinden. Over de akkers en velden liepen bogen van een stenen aquaduct dat zo’n 40 kilometer verder in de bergen begon en zich in twee takken splitste. (een voor Pompei, en een voor Neapolis)
Dit aquaduct voorzag bijna de hele stad van water wat nodig was voor de fonteinen en de thermae, de hete baden, die een centrale plaats van het Romeinse socialen leven innamen. Er waren ook enkele putten ter aanvulling op het aquaduct. In de stad stonden meer dan 12 watertorens die verspreid stonden over de hele stad en zorgde voor het water reservoir. Door de druk, opgewekt door de lange afdaling vanuit de bergen, kon het water via loden pijpen worden opgepompt naar de top van de watertorens die ongeveer 6 meter hoog waren. Doordat het water vanaf die hoogte weer door kleinere pijpen werd geperst konden de fonteinen in de stad spuiten.

Mau was zeer onder de indruk van deze waterleidingen en hij nam aan dat er voor de hele stad dan ook voldoende water ter beschikking was. In werkelijkheid waren de meeste families (ook de rijkere) van de fonteinen afhankelijk. Ook werd er bij de openbare gebouwen via het dak regenwater opgevangen in cisternen, die zich onder het gebouw bevonden. Gewone huizen hadden soms bassins waarin regenwater werd verzameld.

De meeste mensen die Pompei wilden bezoeken kwamen uit Neapolis of uit Rome en daarom had Pompei aan die kant van de stad het aanblik goed versterkt. Die kant van de stad was in bezit van twee monumentale poorten, de Herculaneum-poort en de Vesuvius-poort, en de stadsmuur was aan die kant negen meter hoog, waarvan er drie vierkante torens uitstaken. Om de rest van de stad stonden nog tien torens die over de stad waakten.

De muur bestond uit aarde en puim, dat was afgewerkt met ruwe blokken kalksteen en vulkanisch gesteente. Deze muur was waarschijnlijk de 3e eeuw voor Christus gebouwd en had ooit de 65 hectare die Pompei toen groot was omsloten.

De stad had nog 6 andere poorten, waaronder de smalle, zuidelijke Stabiaepoort, de oudste toegang tot de stad, die vroeger langs de stadsgracht uitkwam. De tonvormige Maria-poort, die aan de Sarno lag, en met een steile weg en trap betreedbaar was. Iedere avond gingen de deuren van de poorten dicht, en
s’ochtends gingen ze weer open. In de latere dagen was dit gewoon een gewoonte, maar vroeger hadden de poorten wel degelijk nut gehad. De poorten hadden bescherming geboden aan aanvallers. De sporen van de schade uit 89 voor Christus zijn nog steeds te zien, en zeker bij de Vesuvius-poort. Maar toen Pompei steeds populairder werd bij de rest van de Romeinen werden er delen muur afgebroken om plaats te maken voor stadsuitbreiding.

Bij het bestuderen van de stad hebben de archeologen zich vooral bezig gehouden met de gebouwen en monumenten die binnen de muur lagen. Bij het blootleggen van de stad was het makkelijk uit te zoeken wat welk gebouw was, omdat er bij elk gebouw een uitgebreide inscriptie stond met daarop vaak de naam, het doel, de datum van constructie, en de opdrachtgevers van het bouwwerk. Ook als er een gebouw gerenoveerd werd kwam er een uitgebreide inscriptie bij te staan. Zoals toen er een muur werd toegevoegd om de zuilengang naast de Tempel van Apollo af te sluiten waardoor grenzende huizen geen uitzicht meer hadden stond er op de inscriptie: “3000 sestertiën koste deze vergunning die het stadsbestuur eiste voor het recht licht af te nemen en te bouwen, tot de hoogte van de tegels” oftewel het dak.

Als je het stratenplan van Pompei voor het eerst ziet kan het verwarrend zijn, want zoals Fiorelli in de vorige eeuw ontdekte, kan je de oudste wijken herkennen aan het onregelmatige netwerk van straten. Archeologen denken dat deze delen van de stad in de 4e eeuw voor Christus werden gebouwd door de Samnieten nadat ze zij de Osken hadden verslagen. Zij bouwden een driehoekig Forum en allerlei kronkelige weggetjes vanwege de beperktheid van het vulkanisch landschap.

Toen de stad later werd uitgebreid, werd het gebruikelijke Hellenistische patroon gevolgd. Nauwkeurige, langwerpige blokken die de Romeinen insulae (eilanden) noemden. De straten in de stad hadden verschillende breedte. De minder belangrijke straten waren 4.5 meter breed inclusief stoep. Vijf of zes hoofdstraten doorsneden de stad. Als je Pompei via het noordwesten binnenkwam, kwam je op twee brede, kronkelige straten. De Via Consolare of de Via Stabiaena. De Via Consolare leidde naar de Herculaneum-poort en naar de Tempel van Jupiter. De Via Stabiaena was acht meter breed en was de hoofdverbinding met de steden van het noorden. Op deze weg waren de hele dag karren aan het rijden. Karren die op weg waren naar het zuiden kruisten elkaar op de Via di Nola en de Via dell’Abbondanza (de straat van de overvloed) die beide ongeveer acht meter breed waren.

Door eeuwen gebruik van de wegen, waren er karsporen in de stenen te zien van soms wel 25 centimeter diep. In vele andere delen van de stad was het verkeer beperkt, en de meeste zijstraten waren alleen bestemd voor voetgangers.
In het begin van de 20e eeuw had Vittorio Spinazzola, een van de opvolgers van Fiorelli, een ambitieus project opgezet voor de reconstructie van de Via dell’Abbondanza. Hij begon het werk in de Via dell’Abbondanza in 1910 en zou er 13 jaar over doen.
Het was een zo monumentaal project dat het werk nog 12 jaar voortging, totdat zijn opvolger, Amedeo Maiuri, het in 1935 voltooide. Alles was zo gerestaureerd dat de tweede verdiepingen weer een balkon hadden en dat de dakpannen weer op de huizen lagen. Zelfs de gevels werden precies in de staat teruggebracht zoals die was voor de uitbarsting.
Zo kreeg de Via dell’Abbondanza geleidelijk zijn aanzien, met zijn woonhuizen, taveernes, bakkerijen, kruideniers en werkplaatsen weer terug.
Als je door deze straat heen loopt is het net of je eeuwen terug in de tijd bent gegaan. Als het plotseling begon te regenen kon iedereen schuilen onder verschillende balkons of onder zuilengalerijen, waarvan er door Spinazzola verschillende werden gerestaureerd. Doordat er geen afvoeren waren voor overtollig water, veranderden de straten na een goede regenbui in kleine riviertjes, maar omdat de stoepen hoger lagen hielden de voetgangers wel altijd droge voeten en leden de winkel geen schade. Ook bij mooi weer kwamen de hogere stoepen goed van pas, omdat er geen goede riolering was stroomde het afval zo over de straatjes. Mensen die wilden oversteken, deden dat meestal op de hoek van een straat, over grote stapstenen die uit de weg staken. De stenen stonden zo dat de karren er nog precies door konden en dat de voetgangers gewone stappen konden nemen.

De winkels aan de Via dell’Abbondanza en in andere straten maakten meestal deel uit van een huis, en werden of verhuurd of de huiseigenaar woonde er zelf in. Veel winkels waren behoorlijk groot, maar er waren ook kleinere winkels van slechts 2.5 bij 3 meter. Deze winkels bestonden uit niets meer dan een aantal artikelen met een toonbank.
Ook stonden op veel plekken in de stad eetkraampjes die vaak waren gespecialiseerd in maar twee of drie artikelen. Wijn, vlees geitenkaas of droge waren zoals linzen en noten.

Er waren niet erg veel werkplaatsen in Pompei, maar hier en daar zijn toch wat sporen gevonden van glasblazers, bronsgieterijen, smeden en kunstenaars die waren gespecialiseerd in het bewerken van zilver en goud. Vlak buiten Pompei werd een pottenbakkerij aangetroffen, met twee ovens. In een winkeltje werd ijzeren gereedschap verkocht, en archeologen zeggen dat het alleen de meest allerdaagse voorwerpen zijn. Ook werden veel spullen geïmporteerd: sommige potten, pannen en andere huishoudelijke artikelen kwamen uit Spanje, Klein-Azië en het Egeische gebied. De stad telde wel een heleboel Pistrinae bakkerijen. Er waren er ongeveer 20 met allemaal hun eigen molens en ovens. Ezels en slaven werden gebruikt voor het aandrijven zandloper-vormige molens. De bakkers kneedden het deeg meestal tot platte, ronde broden, die makkelijk in acht puntige stukken kon worden gebroken. In een winkel hebben ze een prijslijst gevonden die stond uitgedrukt in as, een munt met de waarde van iets meer dan een cent. In deze bakkerij werden niet alleen bakkersproducten verkocht, maar ook olie, hooi, zemelen en bloemkransen, die konden worden gedragen bij een van de vele ceremoniële gelegenheden op de Romeinse kalender.

De Via dell’Abbondanza kwam uit op het grote Forum, een rechthoekig plein van 150 meter lang en 45 meter breed dat fungeerde als het hart van de stad, en waar ook de wekelijkse markt werd gehouden.

Dit Forum was allen gangbaar voor voetgangers doordat er aan het einde van de Via dell’Abbondanza drie grote stenen overeind stonden die al het verkeer tegen hield. Zoals op ieder marktplein, fungeerde ook dit forum als een soort magneet, en trok burgers uit de hele stad aan. Het was de plek waar belangrijke zaken werden gedaan, waar de laatste nieuwtjes en roddels werden uitgewisseld, waar ceremonies plaats vonden en waar de mensen soms gewoon wat rondhingen. Op sommige dagen waren er luidruchtige politieke discussies aan de gang, of muziekuitvoeringen, en iedere week prezen kooplui hen eigen waren aan. Om het Forum heen stonden minstens 40 beelden van Romeinse grootheden zoals de mythologische held Aeneas, en ook stonden er prachtige gebouwen, met een aantal verschillende stijlen. Veel van deze gebouwen waren net als veel andere huizen gebouwd van kalksteen. Het marmer aan de muren was beschilderd in verschillende stijlen. En vlak voor de ramp waren dat levendige kleuren als rood, geel, groen en zwart. Nog geen jaar later lag alles onder as.


8. Nawoord

Zo dat was het dan. Een heel werkstuk vol over de Vesuvius en het leven van de Pompejanen. Ik hoop dat iedereen die dit leest nu weet hoe de uitbarsting verliep en hoe de mensen aan hun noodlottige einde kwamen. Maar ook over de opgravingen en hoe dat jarenlang zo ongestructureerd ging dat hele delen van Pompei gewoon verwoest zijn door het dynamiet dat werd gebruikt.

Nu ligt alles weer boven de as, hoewel, Herculaneum ligt voor een groot deel nog onder de as omdat er een ander plaatsje Resina bovenop is gebouwd, en oprijzend op de achtergrond van Pompei en Herculaneum ligt daar nog steeds de Vesuvius. Rokend en van tijd tot tijd rommelend!!!


Gebruikte boeken:

Steden onder de Lava; opgravingen rond de Vesuvius
Michael Grant: Vertaalt uit het engels door P. deLooff, Bussum, Fibula Van Dishoeck 1973.

Pompei de verdwenen stad, door de red. van Time Life boeken Jan van Gestel, vertaling uit het Engels door Annemarie Ellenbroek. 1e druk Amsterdam

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Stukje 4. Vesuviusuitbarsting
Alinea 4: "Dit schreef Plinius"
Laatste regel: Zijn neef mocht niet mee en schreef later zijn verhaal af aan de hand van verslagen.

Dit is incorrect volgens Plin. Epistulae VI, 16. De oom vroeg of Plinius De Jongere mee wou gaan, maar Plinius had nog schrijfwerk te doen, die door de oom zelf werd opgelegd.

Groeten,
Mathias

12 jaar geleden

D.

D.

Ik vond het een beetje een verrot naslagwerk...ik kon er niet echt iets mee...ik denk dat het te gemakkelijk geschrenven is..
Kussies
Dil

19 jaar geleden

V.

V.

ik vind het een goed werkstuk aleen jammeer dat er geen plaatjes bij staan¿¿¿¿¿

doei

19 jaar geleden

I.

I.

Best goed ,alleen dit is niet wat ik zocht ;p

10 jaar geleden