Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Het Romeinse imperialisme

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 6e klas aso | 5004 woorden
  • 15 februari 2007
  • 44 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 44 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Het Romeinse imperialisme

1. Inleiding: Wat is imperialisme?
Imperialisme is een politiek beleid, waarbij een staat streeft naar de uitbreiding van zijn macht of grondgebied, door andere delen van de wereld te veroveren of er macht over uit te oefenen. Aan deze gebiedsuitbreiding zal pas een einde komen wanneer een imperialistische staat stuit op een volk of land dat zich niet laat onderwerpen.
Het imperialisme is iets dat zich vanaf het begin van de geschiedenis van de mensheid heeft voorgedaan. Het Perzische Rijk, het rijk van Alexander de Grote, het Romeinse Imperium en het Frankische Rijk van Karel de Grote zijn enkele van de bekendste imperialistische mogendheden uit de wereldgeschiedenis.
Landen of staten die een dergelijk beleid volgen kunnen gedreven worden door uiteenlopende redenen. Enerzijds kan men handelen vanuit defensieve motieven (= preventief imperialisme). Dit gebeurt wanneer het land zelf aangevallen wordt. Verder is er de angst dat een ander volk of land te machtig zou kunnen worden of is er de angst om zelf aangevallen te worden. Nog andere beweegredenen zijn bv. het helpen van bondgenoten, de eigen handel beschermen, …

Aan de andere kant kan een staat gedreven worden door agressieve motieven, hetgeen agressief imperialisme wordt genoemd. Men kan zich bijvoorbeeld laten inspireren door een verlangen naar roem en eer, die in een succesvolle oorlog kunnen verkregen worden, of door materialisme, het vergaren van geld (buit) en land, door de zoektocht voor een nieuwe arbeids- of afzetmarkt, enz.
Ook de Romeinen konden in hun lange bestaan een wereldrijk uitbouwen. Defensieve en agressieve argumenten hebben toen beurtelings de doorslag gegeven om over te gaan tot het veroveren van nieuwe gebieden.

2. Evolutie van de motieven in de verschillende oorlogen
2.1 ‘Ab Urbe condita …’
Rome werd gesticht in de achtste eeuw v. Chr. De stad was gunstig gelegen in de onmiddellijke nabijheid van de Tiber. Die gaf toegang tot Midden-Italië en de Sabijnse heuvels en tot de zout pannen aan zijn monding. Vooral dit laatste verschafte de Romeinen enige welvaart, want de naburige dorpen hadden zout nodig om hun voedsel te conserveren, hetgeen ze dan bij hen konden kopen.
De verschillende heuvels waarop Rome gebouwd was, werden bevolkt door echte gemeenschappen. Van een officieel samengaan was er echter alleen sprake bij oorlogs-situaties, waarbij ze zich allen achter een gemeenschappelijke leider schaarden, die ze koning noemden. Geleidelijk groeiden die afzonderlijke gemeenschappen naar elkaar toe en werd één koning de onbetwiste leider, ook in vredestijd. In de koningstijd die bijna 250 jaar duurde (753-509 v. Chr.) zouden er na Romulus, die volgens de mythe de stad stichtte en de eerste koning werd, nog zes koningen volgen.
Toen in 509 v. Chr. de laatste koning, Tarquinius Superbus, verjaagd werd, riepen de patriciërs de republiek uit. De senaat trok de wetgevende macht naar zich toe en twee jaarlijks gekozen consuls, die eveneens patriciërs waren, voerden hun bevelen gezamenlijk uit.


2.2 Rome en Latium
Het grondgebied van Rome was in de zesde eeuw gestaag gegroeid en raakte toen de grenzen van enkele steden in Latium. Bij de bewoners van deze steden had dit al herhaaldelijk voor beroering gezorgd, maar ze waren niet in staat geweest hier iets aan te doen. Onmiddellijk na de verdrijving van de laatste Romeinse koning hadden verschillende Latijnse stadjes de instabiele situatie van Rome dan ook aangegrepen voor een gewapend treffen. Ze werden echter door de Romeinen verslagen in 497 v. Chr. in de slag bij het meer van Regillus. Enkele jaren later dwongen de Romeinen de Latijnen tot een bondgenootschap. Ze zouden op gelijke voet leven en een gemeenschappelijk leger op de been brengen om vijanden buiten Latium te houden.
In de 5de eeuw v. Chr. werd Latium belaagd door de Aequi en de Volsci. In 431 v. Chr. werden deze volkeren verslagen door de Romeinen. Ondertussen werd langzamerhand duidelijk dat van gelijkheid tussen de Latijnse bondgenoten geen sprake was en dat Rome zijn autoriteit in Latium steeds meer liet gelden.
Rond 400 v. Chr. kwam het gevaar uit een andere hoek: Veii, een stad in Etrurië, betwiste Rome de Tiber. Ook hier behaalden de Romeinen de overwinning en namen ze de stad in. De inname van Veii betekende een aanzienlijke vergroting van hun grondgebied. Daarenboven raakten ze steeds meer overtuigd van hun militaire slagkracht en namen ze een meer agressieve houding aan tegenover steden in hun omgeving.
In hun overmoed hadden ze echter één volk zwaar onderschat: de Galliërs, die al geruime tijd door Italië zwierven. Toen die in 387 v. Chr. naar Rome oprukten waren de Romeinen dan ook niet op een confrontatie voorbereid. De Galliërs trokken Rome binnen en staken de stad in brand. De Romeinen hadden hun toevlucht genomen tot de burcht op het Capitool. Daar hielden ze stand. Waarschijnlijk vertrokken de Galliërs pas nadat de Romeinen een forse schatting hadden betaald.
De gebiedsuitbreidingen in de vijfde eeuw v. Chr. waren aanvankelijk dus niet gewild door de Romeinen, maar ze waren wel verkregen door zich te verdedigen tegen andere buurvolkeren. Men spreekt in dit geval dus van preventief imperialisme.

2.3 De verovering van Italië
Tot dan toe hadden de Romeinen per situatie bekeken hoe ze de vijand tegemoet zouden treden (ad hoc-beleid). Defensieve en agressieve argumenten waren toen beurtelings doorslaggevend geweest. In de 2de helft van de 4de eeuw v. Chr. begaven ze zich echter gedecideerd op het oorlogspad (agressief imperialisme), hoewel ze hun acties probeerden te rechtvaardigen vanuit defensieve motieven.
De Eerste Samnitische Oorlog (343-341 v. Chr.) vormde de overgang van terughoudendheid naar agressie en was uitgelokt door een alliantie tussen Rome en Capua. In die tijd aasden zowel de Romeinen als de Samnieten op een gebiedsuitbreiding naar het zuiden. Toen Capua aangevallen werd door de Samnieten, kwam Rome ter hulp. Voor de buitenwereld deden ze het voorkomen dat ze bang waren voor de machtsontplooiing van de Samnieten. Toch hadden ze nu ook de kans om zich in Campanië te laten zien en om, zonder van agressie beschuldigd te kunnen worden, nieuwe gebieden te verwerven waar op economisch vlak nog wat te rapen viel. De sterke Romeinse legioenen, waarop de Romeinse senaat steeds kon vertrouwen, drongen de Samnieten terug en zo kwam (noordelijk) Campanië onder Romeinse controle te staan.
Ondertussen waren de Latijnse bondgenoten in opstand gekomen. Hun verzet werd geleidelijk gebroken, maar de Romeinen realiseerden zich dat ze numeriek te kort schoten om Latium en de omliggende streken onder controle te kunnen houden met repressie. De oplossing die ze bedachten, een politiek van ‘divide et impera’, bleek efficiënt.
Na nog twee Samnitische Oorlogen (327-304 v. Chr.; 298-290 v. Chr.) had Rome heel Midden-Italië in handen. Deze beide oorlogen waren twee defensieve oorlogen geweest waarin de Romeinen door de Samnieten aangevallen werden, vanwege Romeinse activiteiten op hun grondgebied.
Door hun machtsuitbreiding in Campanië en Samnium raakten ze in conflict met Tarentum dat uitrindelijk de hulp van Pyrrhus van Epirus inriep. Na enkele zware veldslagen werd ook deze veldheer verslagen door de Romeinen in 275 v. Chr. bij Beneventum. Heel Italië, van de Rubico in het noorden tot de straat van Messina in het zuiden, stond nu onder Romeins gezag.
In de 3de eeuw v. Chr. kregen de meeste Italiërs (ook de Samnieten en de Grieken) de status van ‘bondgenoten van Rome’ (socii). Ze hadden enigszins autonomie, maar waren verplicht Rome te volgen op politiek vlak.

2.4 Drijfveren
a) Materialisme
Aanvankelijk stelden de Romeinen zich tevreden met buit vergaard bij strooptochten in de omgeving, maar na verloop van tijd lieten ze hun oog vallen op het land van de vijand. In Latium was al het vruchtbare land al verdeeld, dus bood de verovering van Midden-Italië nieuwe kansen om, als boer of grootgrondbezitter, meer land te verwerven. De landbouwbedrijven die nu ontstonden, werden bewerkt door krijgsgevangenen die tot slaaf gemaakt werden. Er was echter ook kapitaal nodig om de landerijen draaiende te houden. Nieuwe oorlogen boden uitzicht op dat geld.

b) ‘Laus et gloria’
De Romeinse samenleving was erg competitief ingesteld. Aristocraten deden er alles aan om hun aanzien te vergroten. De meest aansprekende manier om de hoogste eer te verwerven was door militaire prestaties. Eeuwige roem kon verworven worden met een heldhaftige dood voor het vaderland, maar was daar niet noodzakelijk aan verbonden. Een veldheer kon er al tijdens zijn leven aanspraak op maken, wanneer hij een spraakmakende overwinning had behaald. Hij werd dan onderscheiden met een ‘triumphus’. Triomfstoeten werden gebruikt om status en macht te tonen. Hoe groter de pracht en praal, des te meer indruk maakte de triomfator.
Een triomftocht betekende een duidelijke statusverhoging t.o.v. de andere senatoriale elite die deze onderscheiding (nog) niet hadden gekregen. Ook bij hen leefde het verlangen ooit zo’n stoet te mogen houden, want de bijzondere status van een met een triomf gelauwerde generaal ging over de dood heen, zodat ze voortleefden in de herinnering van het nageslacht. Was de grote triomftocht niet haalbaar, dan hoopten ze op de ovatio, de kleine zegetocht. De jacht naar de hoogste eer zorgde dan ook voor een oorlogszuchtige mentaliteit, want in de oorlog kon je je manifesteren.
In hun officiële oorlogsverklaring konden de Romeinen natuurlijk niet toegeven gedreven te zijn door het verlangen naar buit of eer. Ze rechtvaardigden de oorlog altijd met een defensieve opstelling: de vijand had, zogezegd, de belangen van Rome en Romes bondgenoten geschaad en dit vroeg om een gewapende correctie. Ook riepen ze een speciaal ritueel in het leven: de fetiales. Hierbij vroeg een priester (fetialis) de goden om genoegdoening voor het onrecht dat de Romeinen was aangedaan. De Romeinen beschouwden de uitvoering ervan als een voorwaarde waaraan voldaan moest worden om te kunnen spreken van een ‘bellum iustum’ (een rechtvaardige oorlog).

2.5 Het begin van een wereldrijk
a) De Eerste Punische Oorlog (268-241 v. Chr.)
Deze oorlog ontstond toen de inwoners van Messina de Romeinen om hulp vroegen om de Carthagers uit hun stad te verdrijven. Na lang aarzelen zijn de Romeinen hierop ingegaan. De Carthaagse aanwezigheid in noordelijk Sicilië was te bedreigend om de situatie ongemoeid te laten. Ze hadden namelijk een stevige uitvalsbasis voor een interventie in Zuid-Italië. Toch mogen we evenmin uit het oog verliezen dat veel Romeinen oorlogzuchtige gevoelens koesterden. Een succesvolle oorlog zou hen nieuwe roem en eer opleveren.
De verovering liep voorspoedig: Messina, Syracuse (in 264 v. Chr.) en Agrigentum (in 262 v. Chr.) werden ingenomen. De inname van Agrigentum betekende een verandering in de strategie van zowel Rome als Carthago. De Carthagers merkten dat ze niets konden beginnen tegen de Romeinse legioenen en besloten dan ook hun roemruchte vloot uit te spelen. Rome werd niet langer gedreven door defensieve motieven, maar had nu imperialistische intenties. Ze hoopten nu de Carthagers volledig van Sicilië te verdrijven; als dat zou lukken zou hun macht zich aanzienlijk uitbreiden. Tevens was Sicilië een erg vruchtbaar gebied met veel handelshavens, wat dus ook de landbouw en de economie ten goede zou komen.
Na nog meer Romeinse overwinningen, waaronder enkele overwinningen in zeeslagen, moest Carthago zich in 241 v. Chr. overgeven. Ze stonden Sicilië af en betaalden een hoge oorlogsschatting. Later, in 238 en 237 v. Chr., annexeerde Rome ook de vroegere Carthaagse kolonies Sardinië en Corsica. De reden daarvoor was dat ze zo de heersers werden over de Tyrrheense zee en geen andere grote mogendheid meer naast zich moesten dulden.

b) Tussenspel
Illyrië had zich in 229 en 219 v. Chr. schuldig gemaakt aan piratenactiviteit tegenover de Griekse steden in Zuid-Italië. Rome meende dat het zijn bondgenoten moest beschermen en viel het gebied aan de andere kant van de Adriatische zee dan ook binnen. De Romeinen annexeerden Illyrië niet. Ze etaleerden enkel hun macht om de bevolking af te schrikken, zodat ze het niet meer zouden wagen Rome te tarten.
In 220 v. Chr., amper 2 jaar voor de Tweede Punische Oorlog, waren de Romeinen, met het oog op gebieds- en machtsuitbreiding, de Po-vlakte binnengevallen. Na een harde strijd konden ze dit gebied inlijven als nieuwe provincie, onder de naam Gallia Cisalpina. Deze gebieden waren eveneens erg vruchtbaar, zodat er nieuwe landbouwbedrijven ontstonden.

c) De Tweede Punische Oorlog (218-201 v. Chr.)
Na de nederlaag tegen de Romeinen waren de Carthagers begonnen met de verovering van Spanje ter compensatie van het verlies van Sicilië, Corsica en Sardinië. Toen de Carthagers de stad Saguntum belegerden, een Romeins bondgenoot, vroegen de inwoners van de stad de Romeinen om hulp. Rome gaf die ook en zo begonnen de Romeinen wederom met defensieve motieven aan een oorlog met Carthago. Bovendien waren de Carthagers nog vol rancune en was deze oorlog dan ook een soort vergeldingsoorlog vanwege Carthago.
De Carthaagse generaal Hannibal, trok met een groot leger over de Alpen en kon de Romeinen op eigen bodem keer op keer verslaan. Toch bereikte hij nooit het ultieme doel: Rome innemen. Toen de Romeinen onder leiding van Scipio Noord-Afrika binnenvielen, werd Hannibal teruggeroepen naar Carthago. Bij Zama werd hij in 202 v. Chr. verslagen door de Romeinen.
De Romeinen waren nu de heersers van het westelijke Middellandse-Zeegebied en ze moesten geen gevaar meer verwachten uit de hoek van het ooit grootse Carthago, dat afgedaan had als imperialistische mogendheid. De Romeinen maakten nu ook geen geheim meer van hun verlangen naar de wereldheershappij.

2.6 De vorming van een mediterraan imperium (201 – 133 v. Chr.)
a) Oorlogen in de Hellenistische wereld
Na de Punische oorlogen zagen de Romeinen weer uit naar nieuwe mogelijkheden om hun macht en invloed uit te breiden. Nadat Spanje in 197 v. Chr. definitief als provincie ingericht werd, dreigde er geen gevaar meer uit het noorden, westen of zuiden en konden ze zich dus volledig concentreren op het oosten, waar het Macedonische en het Syrische rijk lagen.
In 215 v. Chr., drie jaar na het begin van de 2e Punische oorlog, sloten de Macedoniërs een verbond met de Carthagers tegen de Romeinen. Tot een echt treffen tussen beide kwam het niet, maar de Macedoniërs maakten het hen toch lastig gedurende de volgende tien jaar. In 205 v. Chr. werd er vrede gesloten, omdat de kansen in de oorlog met Carthago gekeerd waren in het voordeel van de Romeinen. Vijf jaar later echter, volgden er wraakacties van de Romeinen tegen iedereen die hen had aangevallen gedurende de Punische oorlog Onder de gebieden die aangevallen werden was ook Macedonië. Naar de buitenwereld toe werd de 2e Macedonische oorlog (200 – 197 v. Chr.) verantwoord uit defensieve motieven. De Macedoniërs zouden bondgenoten van Rome bedreigd hebben en Rome was dus genoodzaakt om ze te beschermen. In feite hadden de redenen waarschijnlijk alles te maken met het groeiende verlangen van de Romeinen om de Macedoniërs in te tomen en om bevestiging te krijgen dat ze een militaire supermacht waren geworden. Na de oorlog werd Macedonië verplicht om uit Griekenland weg te trekken en verkregen de Grieken hun vrijheid en autonomie. In werkelijkheid betekende dit dat ze enkel vrijgesteld waren van bepaalde verplichtingen, ze waren een cliëntstaat geworden.
De Grieken beseften redelijk snel dat er van deze vrijheid niet veel in huis zou komen en riepen daarom de hulp in van Syrië. De Syriërs namen deze mogelijkheid voor een oorlog met de Romeinen graag aan en wierpen zich op als de ware bevrijders van Griekenland. Maar de Romeinen versloegen hen na vier jaar strijd in 188 v. Chr. Toch gingen ze niet over tot gebiedsuitbreiding, ze namen er genoegen mee om enkel hun macht en invloed uit te oefenen op het oosten van het Middellandse Zee-gebied. Ook op Macedonië werd deze politiek van hegemoniaal imperialisme toegepast.
Omdat Macedonië in de weg bleef staan van de Romeinse expansie, werd er een list bedacht om er voor eens en voor altijd mee af te rekenen. Toen Macedonië het volk van de Dolopiërs, vrienden van Rome, zou hebben aangevallen, reageerde Rome op deze ‘uitdaging’, de 3e Macedonische oorlog was een feit. Na de overwinning op Macedonië in 168 v. Chr., kan men een duidelijke verharding van de Romeinse politiek waarnemen.
Vanaf dat moment streefden de Romeinen openlijk een monopoliepositie na en werd er een nieuwe politiek toegepast, één van annexaties. Gewoon macht en invloed uitoefenen was niet meer genoeg, de gebieden die veroverd werden behoorden vanaf dan volledig tot het Romeinse rijk. Zo werd Griekenland als de provincie Achaea in 146 v. Chr. toegevoegd aan het Romeinse rijk. Carthago, dat economisch steeds sterker werd, werd volledig verwoest en het grondgebied werd ingericht als de provincie Africa. In 133 v. Chr. kreeg Rome er de provincie Asia bij, nadat koning Pergamon het gebied bij testament aan Rome nagelaten had, om plundering en bloedvergieten te voorkomen.
In alle officiële oorlogsverklaringen van de Romeinen, benadrukken ze hun defensieve politiek, waardoor alle oorlogen schijnbaar rechtvaardig zijn. Maar, zoals men in toespraken van generaals aan de soldaten en in de offers aan de goden kan zien, speelden er zeker ook andere motieven mee, zoals buit en eer. Eer die verworven werd door aansprekende overwinningen en rijkdommen die gigantisch veel groter waren dan van wat de Romeinen destijds bij de verovering van Italië hadden buitgemaakt. Een groot deel van de rijkdommen werd in de schatkist gedeponeerd, waarmee de restauratie van oude en de bouw van nieuwe bouwwerken gefinancierd werd. De overschot ging naar de krijgsheer, die hier o.a. een politieke campagne mee kon betalen.

b) Gevolgen van veroveringspolitiek
Doordat de senatoren in hun veroveringspolitiek zeer egocentrisch waren geworden en er behoefte was aan land voor de veteranen, dat niet voorhanden was, werd de kloof tussen elite en het gewone plebs zeer duidelijk zichtbaar. De senaat hield zich enkel nog bezig met het maken van winst, landbezit was een doel op zich geworden. Het tekort aan land had een ware plattelandsvlucht tot gevolg. Hierdoor stagneerde de rekrutering van legioenen en kon er geen oorlog gevoerd worden, wat tot gevolg had dat er ook geen buit meer was. De ontevredenheid groeide dus en een ingrijpen in de politiek kon niet lang meer op zich laten wachten.

2.7 Machtspolitiek in binnen en buitenland (133 – 31 v. Chr.)
a) Mithridates, Marius en Sulla
De oorlogen werden in de periode tussen 133 en 31 v. Chr. niet meer gevoerd voor roem en eer, de traditionele mores verloren aan belangstelling. Wel vierden de eigen politieke en economische belangen hoogtij, rijkdom werd het doel op zich. De oorlogen werden echter gevoerd in gebieden waar de beschavingen niet hoogontwikkeld waren en boden dus minder kans op zelfverrijking.
In 125 v. Chr. werd het gebied rond de Provence geannexeerd tot de provincie Gallia Narbonensis, nadat de volkeren van de Saluvii, de Allobroges en de Arveniërs het gebied hadden aangevallen.
De oorlog tegen de Numidiërs vlotte niet zo goed, een gevolg van het aan de kant schuiven van de oude zeden. Generaals namen namelijk steekpenningen aan en gaven enkel om hun eigen belang. Het was dankzij Marius, een eques die in 107 v. Chr. consul geworden was, die wel om de oude deugden gaf, dat de Numidiërs verslagen werden. Numidië werd in twee gedeeld, maar nog niet geannexeerd, dit gebeurde pas 60 jaar later.
In 102 v. Chr. werden de Cimbren en de Teutonen verslagen, met de nieuw gelichte legioenen. De bezitscriteria waaraan voldaan moest worden om in het legioen te dienen, werden losgelaten. Dit betekende een enorme verruiming en ook de professionalisering van het leger. Legers waren trouw aan hun veldheer, die de veteranen dan eventueel kon inzetten als pressiemiddel in zijn politieke campagne.
Door de hoge belastingen en het nog altijd niet verkregen hebben van het Romeinse burgerrecht, werden de bondgenoten van Rome ontevreden, wat de Bondgenotenoorlog in 91 v. Chr. tot gevolg had. In 88 v. Chr. kregen een aantal van de bondgenoten het Romeins burgerrecht, waardoor de rijkeren zich kandidaat konden stellen voor machtige magistraatfuncties en de legioenen aan mankracht wonnen.
Wanneer de koning van Pontus, Mithridates, een troepenmacht stuurde naar Griekenland en zo de Romeinen provoceerde, bleef een reactie van Rome uit. Toen Marius boven de toenmalige consul Sulla verkozen was om de troepen te leiden, was Sulla woedend en trok hij op tegen Rome met zijn leger als pressiemiddel. Hij stelde er eerst orde op zaken en pas later vertrok hij naar Athene om af te rekenen met Mithridates, Klein-Azië en Griekenland stonden terug onder Romeins bevel. Sulla nam er wel genoegen mee dat Mithridates ‘vriend en bondgenoot’ van Rome werd, omdat zijn tegenstanders in Rome ondertussen waren teruggekeerd. Nadat hij Cinna, de opvolger van Marius, verslagen had, werd hij benoemd tot dictator. Het was ondertussen duidelijk geworden dat de voorwaarde voor een glanzend politieke carrière een loyaal leger was.

b) Caesar en Pomeius
Nadat Sulla afgezet was, laaide de debatten tussen de populares en de optimates hoog op. Zowel Caesar, een populares, als Pompeius, eerst een populares, vervolgens een optimates, voerden oorlogen tegen vijanden in opdracht van Rome, maar gebruikten later hun legers om te concurreren tegen elkaar en hadden enkel nog oog voor het vergroten van hun persoonlijke macht. Deze concurrentenstrijd betekende uiteindelijk het einde van de republiek, zoals die vroeger gekend was.
Pompeius, die in 70 v. Chr. snel consul geworden was, d.w.z., zonder eerst de gebruikelijke ambten te doorlopen, had een groot aantal overwinningen voor Rome op zijn naam staan. Zo had hij de Spaanse opstand ingetoomd, wat toch wel belangrijk was voor de economie van het Romeinse rijk. De zilver- en goudmijnen van Spanje waren namelijk een grote bron van inkomsten. De slavenopstand onder leiding van Spartacus in 73 v. Chr. werd door hem onderdrukt en het was Pompeius die een einde maakte aan de rooftochten van de Cilische piraten. Onder zijn bevel werd Mithridates eens en voor altijd verslagen in 66 v. Chr. en werd ook Syrië ingericht als een Romeinse provincie.
Julius Caesar was een zeer ambitieuze generaal die kost wat kost gebiedsuitbreiding wou, omdat hij niet wou achterblijven op de verdiensten van Pompeius. Maar dit kon niet zomaar, het strookte niet met het idee van de Romeinen over een rechtvaardige oorlog. Toen de Helvetiërs door het Romeinse rijk trokken en de inwoners van Marseille de hulp inriepen van de Romeinen, zag Caesar dit als de ideale gelegenheid om zijn plannen waar te maken. Caesar trok naar Gallia Transalpina en versloeg in 58 v. Chr. Ariovistus. Dit betekende het begin van een zeven jaar durende oorlog met Gallische stammen en met de Britten. In 52 v. Chr. maakten de Galliërs nog een laatste front onder leiding van Vercingetorix, maar ook nu werden ze door Caesar nabij Alesia verslagen.
Een confrontatie tussen Caesar en Pompeius kon niet lang meer uitblijven en in 49 v. Chr. was de burgeroorlog dan ook een feit. Pompeius reageerde te aarzelend op de oorlogsverklaring van Caesar bij de rivier de Rubico, waardoor hij in 48 v. Chr. in Thessalië verslagen werd. Hij vluchtte naar Egypte, maar daar werd hij vermoord. Caesar kwam naar Egypte en zette er Cleopatra op de troon. Hij annexeerde het gebied niet, omdat hij vreesde dat een ambtenaar misbruik zou maken van zijn macht in dit rijke land en een coup zou plegen. In 46 v. Chr. werden de laatste aanhangers van Pompeius verslagen, waardoor de rust even terugkeerde in het rijk. De meeste oorlogen die gevoerd worden in deze en de volgende jaren, waren om de eigen machtspositie te verzekeren, maar vooral om de rust te laten wederkeren na een lange tijd van burgeroorlogen.

c) Augustus
Deze rust liet nog even op zich wachten; in 44 v. Chr. werd Caesar vermoord en kwam er niet het gehoopte herstel van de republiek, maar wel een nieuwe burgeroorlog. De aanhangers van Caesar, o.a. Marcus Antonius en Octavianus, stonden lijnrecht tegenover de republikeinen. De aanhangers van Caesar waren de overwinnaars, maar nu laaide de strijd om de heerschappij over Rome weer hoog op. De door de senaat gesteunde Octavianus versloeg Marcus Antonius in 43 v. Chr. Hierna dwong hij het consulaat af met zijn leger, dat hij gebruikte als pressiemiddel en verzoende zich later weer met Marcus Antonius. Het rijk werd opgesplitst in twee delen, het Oosten kwam onder het bewind van Antonius te staan, die plannen maakte om de Parthen aan te vallen, het Westen werd geleid door Octavianus, die groot-grondbezitters onteigende om zijn veteranen land te geven. Maar van een vredevolle samenleving was er geen sprake, in 31 v. Chr. kwam het tot een treffen tussen beide machten bij Actium, een treffen dat Octavianus won en waardoor hij alleenheerser werd over het ganse rijk. Egypte werd nu definitief ingelijfd bij het Romeinse rijk.
Na deze overwinning waren de burgeroorlogen voorgoed voorbij, maar ook aan de tijd van de republiek was een einde gekomen, met de komst van een nieuwe monarch. Officieel was de regering nog altijd een republiek, maar de vele invloeden die Augustus ondertussen verkregen had, lieten er geen twijfel over bestaan dat hij de grote heerser was. Hij wordt vaak geassocieerd met de idee van een vredesvorst, maar toch had Augustus gedachten over wereldheerschappij. Zo schreef hij zelf dat hij in verschillende gebieden zoals Gallië, Spanje, Germanië, de Donaulanden, Noord-Afrika, de Balkan, ... vrede gebracht heeft. Het waren allemaal overwinning die weinig buit met zich mee brachten, maar wel zeer veel roem. Deze oorlogen werden vooral gevoerd om de vrede in het rijk te bewaren. Een echte uitbreiding van het rijk was niet meer aan de orde, veeleer het in stand houden van en het zoeken naar een perfect evenwicht in het rijk, waren nu de hoofdpunten op de agenda geworden.

3. Hoe hebben ze dit kunnen realiseren?
3.1 Verschillende strategieën
a) Divide et impera
Deze politieke strategie werd door de Romeinen voor het eerst gebruikt om Latium en de omliggende streken onder controle te houden. Het was de bedoeling de veroverde steden tegen elkaar op te zetten. Om dit te bereiken, gaven ze hun niet allemaal dezelfde status. Een aantal steden kregen het volledige Romeinse burgerrecht en werden opgenomen in het grondgebied van Rome, anderen kregen slechts een beperkt burgerrecht en behielden min of meer hun onafhankelijkheid, hoewel ze Romes politiek moesten volgen. In een poging meer rechten te verwerven gingen de verschillende steden elkaar dan ook beconcurreren in plaats van samen te spannen tegen Rome. Zo was het voor de Romeinen eenvoudig om de onderworpen staten te controleren. De ‘verdeel en heers’-politiek bleek erg effectief. Rome ging deze strategie later dan ook toepassen in de rest van zijn wereldrijk.

b) Vermeende vrijheid
Soms gebeurde het dat de Romeinen een bepaald volk of een bepaalde stad zogezegd vrijheid en autonomie gaf. Deze autonomie betekende echter geen echte onafhankelijkheid, maar een reeks vrijstellingen van verplichtingen. Tevens moesten ze hun politiek enigszins aanpassen aan die van Rome om geen conflict uit te lokken. De stad of het land werd dus een soort protectoraat met duidelijke voordelen voor de Romeinen. Zo had Rome in het geval van Griekenland enerzijds een brug naar het oosten, maar anderzijds ook een buffer tegen een machtshebber uit het oosten die het zou wagen om tegen Rome op te trekken. Bovendien verwachtten de Romeinen van de Grieken dat ze hun dankbaarheid zouden tonen en tot wederdiensten bereid zouden zijn.

c) Volledige destructie
Wanneer Rome een stad verslagen had, observeerden ze telkens hoe die stad zich na haar nederlaag terug ontwikkelde. Meestal schikte een stad zich na de nederlaag naar Rome. Als een stad er echter telkens terug bovenop kwam op zowel economisch als militair vlak en als die een bedreiging bleef vormen voor Rome, konden de Romeinse senatoren beslissen om over te gaan tot de volledige verwoesting van de stad. Dit was onder andere het geval bij Carthago.

3.2 Materiële factoren
a) Wegennet
In eerste instantie werden wegen dus vooral aangelegd met militair-strategische doeleinden: opdat legereenheden gemakkelijker zouden kunnen oprukken, om vlugger te kunnen ingrijpen en om de kampplaatsen te bereiken. Deze 'viae militarum' vergemakkelijkten eveneens de bevoorrading en de koerierdiensten. Later werden de wegen ook gebruikt door de handelaars en haalde de economie dus ook voordelen uit het wegennet.

b) Rijkdom
Geld heeft een belangrijke rol gespeeld bij de uitbouw van het Romeinse rijk. Dankzij hun rijkdom konden ze zorgen voor een goed uitgerust en getraind leger. Ze konden er eveneens een omvangrijk wegennet mee uitbouwen en met financiële impulsen konden ze nieuw veroverde gebieden ontginnen (mijnbouw), de handel uitbreiden, …
Het nodige geld haalden ze aanvankelijk uit de verkoop van zout aan naburige steden en volkeren, later kwam het meeste geld uit de oorlogen, de ontginning van mineralen als goud, zilver en ijzer en de wijnbouw.

3.3 Het leger
De Romeinse legioenen waren de ruggengraat van het imperium. Telkens dat Rome aangevallen werd of dat Rome zelf aanviel, kon de senaat rekenen op haar onversaagde legioenen. De Romeinen vochten in een erg mobiele slagorde, zodat het tijdens de strijd nog altijd mogelijk was om troepen snel te verplaatsen naar punten waar de Romeinse slaglinie dreigde te breken.
De legioenen bestonden enerzijds uit goed getrainde en uitgeruste mannen van Romeinse afkomst en anderzijds uit hulptroepen. In de hulptroepen vochten mannen die afkomstig waren uit de gebieden van bondgenoten als slingeraar, boogschutter of cavalerist. Zij waren wel minder goed getraind en minder goed uitgerust als de ‘legionarii’.
Voor het leger was ook de politiek van ‘divide et impera’ erg belangrijke. Aangezien vele steden in het grondgebied van Rome opgenomen werden, steeg ook het aantal potentiële rekruten voor de legioenen. Dit betekende dus dat Rome een veel groter leger kon samenstellen, dat in vergelijking met de hulptroepen ook beter getraind was.

4. Slot
De stichting van Rome, in de 8ste eeuw v. Chr., betekende het begin van een lange expansie-geschiedenis, waarin de Romeinen zich met geweld een weg hebben gebaand naar de wereld-heerschappij. Bij elke oorlog waren beurtelings agressieve en defensieve argumenten doorslaggevend geweest.
Rome had haar succes aan verschillende factoren te danken. Eerst en vooral waren er de Romeinse legioenen. Literaire auteurs roepen het beeld op van onverschrokken soldaten die het ene na het andere land veroverden er vervolgens heer en meester waren. Verder konden de Romeinen beroep doen op een uitgebreid wegennet en ten slotte slaagde de Romeinse senaat erin om een handige politiek uit te denken waarmee ze gemakkelijk de overwonnen volkeren kon controleren.
Zodoende kon Rome een imperium uitbouwen dat zich bij het begin van onze jaartelling uitstrekte van de Atlantische Oceaan in het westen, de Rijn en de Donau in het noorden, de Syrische vlaktes in het Oosten tot de Sahara in het Zuiden.

Bronvermelding:
- MEIJER, Fik, Macht zonder grenzen. 1ste druk, Athenaeum, 2005, Amsterdam, 399 blz.
- http://nl.wikipedia.org

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.