VOC

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • Klas onbekend | 3549 woorden
  • 17 september 2002
  • 98 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 98 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Hoofdstuk 1: De oprichting
In 1487 lukte het de Portugezen om Kaap de Goede Hoop te bereiken, een plaats in Zuid-Afrika. Dit bleek een erg belangrijke schakel te zijn tussen de handel met Indië. Ze gingen handelen in specerijen, maar er was geen samenwerking tussen de handelaren. Nederland had dit door en vanwege de oorlogssituatie met Spanje kon Nederland wel wat geld gebruiken. Zo bereikten in 1552 de Nederlandse zeevaarders Houtman en Keyser Kaap de Goede Hoop. Op deze manier kregen kooplieden in de Republiek de mogelijkheid peper en specerijen uit Azië te importeren. De Portugezen, die deze handel beheersten, waren niet langer in staat heel Europa van voldoende peper en specerijen te voorzien. Het gevolg van deze schaarste was een prijsstijging. Zo waren de Nederlandse kooplieden noodzakelijk voor de vaart op Azië.
Om de Portugese monopolie te omzeilen dacht de Nederlandse geograaf Petrus Plancius dat “de route om de noord” de beste manier was om dit te doen. Hij ging er namelijk vanuit dat de Noordelijke IJszee 's zomers niet bevroren was, de zon ging dan immers niet onder. Op 5 juni 1594 vertrokken vier schepen van Texel naar het noorden. Na de ontdekking van Spitsbergen ontstond er een meningsverschil tussen de leiders van de expeditie, de schippers Jan Cornelisz de Rijp, Willem Barentsz en koopman Jacob van Heemskerck. De Rijp zeilde al snel terug naar Amsterdam. Van Heemskerck en Barentsz gingen verder, maar raakten al snel vast in het ijs. Ze moesten noodgedwongen blijven overwinteren op Nova Zembla in het bekende "Behouden Huis".

Maar op het zelfde moment dat de zeelui met hun tocht om de noord bezig waren, richtten de kooplieden Hendrick Hudde, Reynier Pauw, Pieter Hasselaar, Arent ten Grootenhuis, Hendrick Buyck, Syvert Sem, Jan Poppen, Jan Karel en Dirck van Os een organisatie op om langs de Kaap de Goede Hoop een handelsreis naar Azië te ondernemen. De negen kooplieden financierden het grootste gedeelte van de reis. Ook de Nederlandse overheid steunde deze onderneming door ze onder andere een groot aantal wapens mee te geven. Zo vertrokken op 2 april 1595 de schepen Amsterdam, Hollandia en Mauritius en het jacht Duyfken van Texel naar het zuiden. De opbrengst van de schepen was geen groot succes, maar genoeg om de kosten te dekken. Het belangrijkste was echter dat nu bewezen was dat Nederlandse handelsreizen via Kaap de Goede Hoop naar Azië mogelijk waren en dat er misschien wel veel winst mee gemaakt kon worden.
Er ontstonden zogenaamde voorcompagnieën, die schepen gingen maken om de tocht naar Azië te ondernemen. De tocht naar Azië was voor de voorcompagnieën een tijdelijke onderneming. Voor een expeditie werden schepen gehuurd of gekocht en bemanningsleden werden aangenomen. Na de reis werd gekeken hoe groot de eventuele winst was, het schip werd verkocht en het personeel ontslagen. Van de eventueel gemaakte winst kon weer een nieuwe expeditie gestart worden. De hele procedure begon dan weer van voren af aan. In Holland en Zeeland werden in de periode 1595-1602 door acht voorcompagnieën 65 schepen gemaakt voor de vaart op Azië, die ervoor zorgden dat Portugal van de kaart werd geveegd.
De groei van de compagnieën kwam in gevaar door de concurrentie tussen de Zeeuwse en de Amsterdamse voorcompagnieën. Portugal deed op deze manier weer een beetje mee op de markt van de handel. Bovendien steeg in Azië, door de komst van de nieuwe compagnieën, de inkoopprijs. In Europa daalde de verkoopprijs door het grote aanbod dat nu was ontstaan. Door deze concurrentie dreigden de reizen naar Azië verliesgevend te worden. De raadspensionaris van Holland, Johan van Oldebarnevelt, en stadhouder Prins Maurits wilden daarom dat de kooplieden samen gingen werken. Zo werd op 20 maart 1602 de Verenigde Oost-Indische Compagnie opgericht.
Er waren verscheidende risico’s, die kooplieden, voor de oprichting van de VOC, hadden wanneer ze een tocht naar Azië gingen maken.
- Als een schip terugkwam van de reis naar Azië, kon de ondernemer veel winst maken. Maar als het schip onderweg verongelukte, was de ondernemer al zijn geld kwijt. Dit was een erg groot risico.
- Als er veel schepen, vanuit Azië, tegelijk in Amsterdam kwamen, was de prijs in de handelswaren lager dan wanneer er maar één schip was. Zo wist de ondernemer nooit of hij veel winst ging maken. Een doel van de oprichting van de VOC, was dus om met alle voorcompagnieën samen sterk te zijn en het risico van de onderneming te spreiden, maar dit was niet het voornaamste doel.
Het voornaamste doel van de VOC was dus niet meer de Portugese monopolie te doorbreken. Dat was de “voorcompagnieën” al deels gelukt. Het doel van de VOC was om een grote winstgevende en goede compagnie te worden. Dit moest vooral gebeuren door de peperhandel, die omstreeks 1600 de belangrijkste specerijenhandel was. Dit kwam omdat peper niet alleen bij het eten werd gebruikt, peper scheen ook nog een medische werking te hebben. Al snel werd het doel specifieker en wilde de VOC een monopoliepositie op de peperhandel veroveren. De opkomst van andere specerijen zou pas later komen. Het doel van de VOC was dus voornamelijk gericht op het verdienen van geld en niet op andere zaken, zoals kolonisatie.


Hoofdstuk 2: De Verenigde Oost-Indische compagnie
De VOC was in de Gouden Eeuw het grootste bedrijf van de wereld en het wordt nu het eerste naamloze vennootschap genoemd, omdat het aandelen verkocht en zo iedereen een stukje van het bedrijf bezat. Zo konden veel Nederlanders een aandeel in de compagnie kopen, in de hoop om rijk te worden. Voor die tijd was dat zeer modern.
Alle activiteiten vonden in Azië plaats, maar het bestuur was gevestigd in Nederland.
De VOC is ontstaan uit voorcompagnieën en elke stad waar zo’n compagnie gevestigd was kwam een bestuurskamer. De kamers werden gevestigd in Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Hoorn en Enkhuizen.
In Amsterdam was het grootste Oost-Indisch Huis gevestigd. Het Oost-Indisch Huis was een soort van bestuurscentrum. Het was verdeeld in vier commissies.
- De Heren van het Pakhuis, zij beslisten over de bevoorrading van een pakhuis.
- De commissie van de Rekenkamer, hield toezicht op de boekhoudingen, soldijbetaling, veilingen en het aandeelregister.
- De leden van de commissie Ontvang, waren verantwoordelijk voor de kas en inkoop van goud en zilver.
- De commissie Equipage, hield toezicht op de bouw en de uitrusting van de schepen en het werven van bemanningsleden.
De VOC had een centraal bestuur. Het bestuur bestond uit 60 directeuren, waarvan twintig uit Amsterdam, twaalf uit Zeeland en zeven uit elk van de andere vier kamers afkomstig waren. Van deze zestig werden er zeventien aangesteld om een apart bestuur te vormen, die alleen maar moesten vergaderen. Dit bestuur werd “de Heren 17” genoemd.
Deze “Heren 17” kwamen twee tot drie keer per jaar een aantal weken bij elkaar om te vergaderen. De belangrijkste vergadering van de “Heren 17” vond plaats in september, na terugkeer van een vloot uit Azië. De “Heren 17” bepaalde hoeveel schepen en manschappen er het volgende seizoen zouden uitvaren. Ook nam het besluiten over geld en goederen. Maar de belangrijkste taak voor de “Heren 17” was de financiering, omat de VOC een groot bedrijf was en daarvoor veel geld nodig was. Niet alleen was er geld nodig als het bedrijf er al was, maar ook juist als het bedrijf werd opgericht, omdat de kosten die vooraf worden gemaakt erg hoog waren. Daarom noemt men de VOC ook een kapitalistisch bedrijf, omdat het van tevoren geld uitgeeft om later winst te kunnen maken.
De VOC was mede succesvol doordat Nederland veel mogelijkheden had. Het had een goede geografische ligging en het klimaat zorgde voor de mogelijkheid van het verbouwen van aardappelen en graan, waaraan veel geld werd verdiend. De graanhandel ging bloeien met als gevolg dat Friese en Zeeuwse boeren zich ook bezig konden houden met de export van boter en kaas. De Noord-Nederlandse economie werd gestimuleerd door goed geschoolde ambachtslieden, intellectuelen en kunstenaars.

Hoofstuk 3: De reis naar Azië
Op een reis van en naar Azië was het geen pretje om op zo’n boot te werken. De meeste mensen die op zo’n reis meegingen waren dan ook arm en hadden vaak weinig te verliezen.
De bemanningsleden leefden tussen de lading van specerijen. Voedsel werd voor maanden meegnonemen en kon daardoor niet goed beschermd worden tegen de hitte, waardoor het snel bedierf. Tevens was het voedsel te eentonig en niet gezond genoeg, waardoor de bemanningsleden te weinig vitaminen binnenkregen. Hierdoor ontstonden besmettelijke ziektes, zoals scheurbuik, die zich gemakkelijk konden verspreiden over heel het schip.
Elke dag bestonden de maaltijden uit: gort, pruimen en boter (’s ochtends); pekelvlees, spek of stokvis (’s middags), erwten of bonen en gort of zuurkool (’s avonds).
Ook het drinken was slecht. Het water was namelijk na een paar dagen varen niet meer gezond door de enorme warmte. Bacteriën kregen de kans het water te vervuilen en zo kon een groot deel van de bemanning door gebrek aan schoon drinkwater overlijden. Om deze reden besloot het bestuur van de VOC dat de bemanningsleden ook een kan bier en mogelijk ook wijn kregen.
Toch werden sommige bemanningsleden ziek, of erger nog overleden, tijdens de tocht naar Azië. Een mens kan niet lang zonder verse groente en die was er niet op een schip, want groente kon nooit goed gehouden worden. Hierdoor kreeg men op een schip ook nog last van vermoeidheid, hoofdpijn, hartkloppingen, kortademigheid en ontstoken tandvlees. Door deze verschijnselen werd de kans op benauwheden ook groter, waardoor veel bemanningsleden uiteindelijk overleden.
De omstandigheden van het werken op de schepen tijdens de tocht naar Azië, waren dus ontzettend slecht.
Ook was het leven op een schip van de VOC geen pretje door de straffen die er waren, want deze waren zeer ernstig.
Zo kon je bijvoorbeeld je maandelijkse loon (maandgeld) kwijtraken, of moest je een geldboete betalen. Het was ook mogelijk om een lijfstraf te krijgen, te worden opgesloten, of om het leven gebracht te worden. Deze straf kreeg je echter alleen als je een mede opvarende had gedood, of als je het schip in gevaar had gebracht.
De meest bekende straf op een VOC schip was het kielhalen, waarbij een veroordeelde in een harnas van zeer zwaar metaal werd gelegd, met zijn armen boven zijn hoofd vastgebonden. Zijn oren werden daarbij dichtgestopt en de veroordeelde moet onderwater bijten in een spons, die op een van zijn bovenarmen was vastgemaakt.
Dan werd de veroordeelde, bungelend aan een touw in het water gegooid. Door het zware harnas zonk het lichaam snel. Het touw, waaraan het harnas vastgemaakt zat, werd geknoopt aan de stuurboord- en aan de bakboord zijde, waarna een soort van lus onder de boot ontstond. Wanneer het lichaam diep genoeg gezonken was, werd het lichaam voorzichtig, want het harnas mocht de boot niet beschadigen, langzaam van stuurboord naar bakboord getrokken. Aan beide zijden van het schip lagen kleine sloepen met daarin een chirurgijn om de gekielhaalde persoon snel te onderzoeken en als het nog is snel te behandelen.
Na het kielhalen bestond er nog een gruwelijke straf: “Van de ra laten vallen”. Hier werd de veroordeelde bijna bloot, met handen en voeten vastgebonden aan een touw, dat vastzat aan de nok van de grote ra. Bij de voeten, werd een zwaar blok lood vastgeknoopt, zodat het lichaam van de veroordeelde sneller en dieper in het water zou zakken. Als alles gereed was, werd de veroordeeld overboord gehangen en daarna opgehesen. Hierna gaf de schipper een sein, waarna de veroordeelde werd losgelaten en met een vaart onderwater verdween.
Het touw waaraan het lichaam was vastgemaakt was gemerkt met een rode lap. Als de rode lap het water had bereikt, betekende dat, dat de veroordeelde weer boven water gehaald moest worden. In sommige gevallen werd dit echter expres niet gedaan, waardoor de veroordeelde voor altijd op de zeebodem zou rusten.
De VOC heeft in de 200 jaar dat het bedrijf bestond meer dan 5000 keer schepen naar Indië gestuurd. Niet bij alle schepen overleden er veel bemanningsleden, er kwamen ook schepen uit Indië terug naar de Nederlanden, waar bijna niemand was overleden. De schepen die de VOC daarvoor gebruikten werden veelal gebouwd op de eigen scheepswerven. Elke kamer had haar eigen scheepswerf. Er werden ook schepen van andere bedrijven of particulieren gekocht en de VOC heeft zelfs schepen gehuurd. De VOC heeft in totaal 1461 schepen laten bouwen, dit waren gemiddeld per jaar zeven schepen.
Op sommige reisen van een VOC schip verongelukte het schip soms wel. Soms gingen de schepen ten onder door brand, storm of werd het gekaapt door piraten. Als er niets ernstigs gebeurde konden VOC schepen een jaar of twintig volhouden en daarin soms wel 10 keer naar Indië varen.
Op de scheepswerven werden vooral de zogenaamde retourschepen gebouwd. Het ware grote schepen van wel 10 meter breed en 50 meter lang. Deze schepen werden gemaakt om heen en weer te varen tussen Nederland en Indië. De schepen hadden zo’n grote omvang, omdat er veel vracht vervoerd moest kunnen worden op het schip. Bovendien moest er zo'n 300 man personeel mee.
Tot 1742 was de baas aan boord van een schip een koopman. Tot die tijd was dat logisch, want toen vond de handel veel op het schip plaats. Maar na die tijd was de belangrijkste plek voor een kapitein of een schipper. Als het schip het onderdeel van een grotere vloot was, dan werd er nog een baas aangewezen. De commandeur, die baas was over alle schepen van de vloot.
Verder was er natuurlijk heel veel personeel waar de schipper zich niet persoonlijk mee kon bemoeien. Er waren veel te veel mensen. Daarom gaf de schipper zijn orders direct aan zijn officieren. Deze zorgden ervoor dat iedereen de orders van de schipper ook daadwerkelijk uitvoerde.

Hoofdstuk 4: De Gouden Eeuw in Nederland
Aan het eind van de Middeleeuwen veranderde veel in Nederland. Vooral op het gebied van de handel, wetenschap en de kunst. De handelaren profiteerden hiervan, zij haalden spullen van over de hele wereld en ze lieten er vervolgens in Nederland luxe producten van maken, zodat deze dan met veel winst werden verkocht. Zo werden de handelaren steeds rijker en ging geld steeds een belangrijkere rol spelen.
Zoals gezegd, ging het zeer goed met de Nederlandse handel en nijverheid in de 17e eeuw. Dit kwam ook omdat de Antwerpse haven, een grote concurrent van de
Amsterdamse haven, voor de scheepvaart werd afgesloten. Geen enkel schip kon meer naar Antwerpen varen, zodat de meeste schepen doorgingen varen tot Amsterdam.
Om deze reden vertrokken de handelaren uit Antwerpen naar Amsterdam. Hierdoor werd Amsterdam de belangrijkste haven van heel Europa. Van overal ter wereld kwamen producten naar Amsterdam om doorgevoerd te worden of om gedurende een bepaalde tijd te worden opgeslagen in een van de grote pakhuizen langs de grachten.
Doordat het succes van de scheepvaart en de handel, ging het ook goed met de nijverheid in Nederland. Er ontstonden bijvoorbeeld bedrijven die de ingevoerde producten verder gingen bewerken.
Omdat het zo goed ging met ons land in de 17e eeuw noemen we deze eeuw daarom “de Gouden Eeuw”.
Schepen voeren de hele tijd naar Amsterdam. Hierdoor was het erg druk in Amsterdam. Behalve de vele handelaren waren er ook mensen, die uit ergens anders in Nederland kwamen, naar Amsterdam. Deze probeerden dan bijvoorbeeld werkgelegenheid te zoeken, of om hun geluk te beproeven in Amsterdam.
Na deze mensen, waren er ook veel buitenlandse handelaren in de stad aanwezig, om producten te verhandelen.
In Amsterdam zijn nog steeds overal langs het water grote pakhuizen waar eens de producten uit de zeventiende eeuw in werden opgeslagen, te bezichtigen.

Hoofdstuk 5: De handel in Azië
Het meeste van de handel werd gedaan in Azië. De VOC handelde voornamelijk in specerijen, zoals peper. Alleen ging het handelen van de VOC met de Indonesische vorsten niet altijd zo eerlijk.
Peper was zo'n 500 jaar geleden een hele dure specerij. In Nederland was het nergens te vinden, alleen maar in Indonesië. Peper groeit aan een peperstruik, dit is een klimplant die langs jonge bomen omhoog klimt. De besjes van de peperstruik worden geplukt zolang ze groen zijn. De besjes worden dan gedroogd en zo krijg je dan zwarte peper.
Toen de mensen in Nederland achter het bestaan van peper kwamen, wilde iedereen het heerlijke kruid in huis hebben. De VOC heeft er van alles aan gedaan om een monopolie op de peperhandel te krijgen. Dit is echter niet altijd op een nette manier gegaan (hierover later meer). Enkele andere specerijen die de Nederlanders uit de Oost haalden, waren bijvoorbeeld nootmuskaat, gember, foelie en kruidnagelen. Omdat het zo moeilijk was om aan deze specerijen te komen, er moest namelijk een lange zeereis voor gemaakt worden, waren deze specerijen erg duur.
Toen de Nederlanders in Indonesië aankwamen, waren op sommige plekken al Portugezen. De Portugezen waren niet blij met de komst van de Nederlanders. Zij hadden overal contracten met de Indonesische vorsten afgesloten. In die contracten stond dat de vorsten alleen maar aan de Portugezen specerijen mochten leveren. Maar wanneer de Nederlanders ook gingen handelen in specerijen, betekende dat een grote oorlog tussen Nederland en Portugal.
De VOC sloot contracten met Indonesische vorsten, net als de Portugezen. Er waren ook plaatsen waar de bevolking weigerde om met de VOC een contract te sluiten. Dit vond de VOC natuurlijk niet goed, want het vond dat alle eilanden waar specerijen te verkrijgen waren automatisch aan Nederland toebehoorden, dus werd er grof geweld gebruikt om de bevolking van deze plaatsen te dwingen.
Jan Pieterszoon Coen was een gouverneur-generaal van de VOC, die veel geweld heeft gebruikt in Indonesië. Van de vorst van Jakarta, kreeg Coen namelijk de toestemming om een handelskantoor te bouwen. Alleen in 1618 wilden ook de Engelsen daar een handelskantoor bouwen, maar Coen probeerde dit tegen te gaan door zijn kantoor te versterken met muren en kanonnen. De Indonesiërs gingen hiertegen in verzet, waardoor in 1619 een oorlog uitbrak. Jan Pieterszoon Coen veroverde hierin heel Jacarta, met erg veel geweld.
Als laatste deed de VOC nog iets belangrijks bij de handel in Azië, wat de andere concurrenten niet deden. De VOC was namelijk de enige Oost- Indische compagnie die ook handel dreef binnen Azië. De andere compagnieën kwamen alleen om spullen in te kopen voor de Europese markt. Opmerkelijk is dat de VOC veel geld verdiende met de Aziatische ruilhandel, maar er nooit een compagnie is geweest die het Nederlanders na deed.
Met Nederlands munten kochten de Nederlanders namelijk hertenvellen in Thailand. Deze Thaise hertenvellen werden voor veel geld in Japan verkocht. Van de hoge opbrengst die de VOC uit de verkoop van hertenvellen haalde kocht het in Japan gouden munten, schuitzilver en staafkoper. Dit werd vervolgens weer naar India gevaren, waar dan weer textiel werd gekocht. In Indonesië werd dan vervolgens van de textiel weer specerijen gekocht. Zo konden de Nederlanders met een klein beetje Nederlands geld uiteindelijk een grote hoeveelheid specerijen kopen. Dit zorgde voor veel winst.

Hoofdstuk 6: Het einde
De VOC werd in 1799 opgeheven. Dat was het gevolg van vele omstandigheden. Hieronder worden alle omstandigheden genoemd, als verklaring van de ondergang van de VOC.
- Concurrentie: De VOC bezat een monopoliepositie op de handel van specerijen. Dat betekent dat alleen de VOC mocht handelen in specerijen. Alleen toen de vraag naar specerijen daalde en de vraag naar thee, koffie en textiel steeg was dat een probleem voor de VOC; ze moesten plotseling concurreren met de Fransen en de Engelsen.
- Prijsstijging: De Indiase textiel werd te duur voor de Aziatische bevolking. Dat kwam door de grote vraag uit Europa, want wanneer de vraag groot is stijgt de prijs. Daarom kon het minder goed worden gebruikt voor ruilhandel binnen Azië.
- Personeel: In de 18de eeuw wordt ook het personeel opstandig. Ze willen meer loon. Dit kost de VOC ook veel geld. Ook is er meer personeel nodig, dit als gevolg van de uitbreiding van het VOC.
- Oorlogen: Begin 18e eeuw werden er veel oorlogen gevoerd door de VOC. Dat kostte de
VOC erg veel geld. De oorlog die ervoor zorgde dat de VOC opgeheven werd, was de Vierde Engelse Oorlog. Deze oorlog zorgde ervoor dat er twee jaar niet gehandeld kon worden tussen Azië en Europa. Dit kostte de VOC haar inkomsten. Doordat de VOC niet over genoeg geld beschikte (2.95 miljoen euro) kon die schade niet echt goed worden opgevangen. Dit terwijl de East-India Company van de Engelsen over 15.9 miljoen euro beschikte.
De VOC liep dus op financieel gebied, door bovenstaande redenen, enorme schade op. Dit kon de VOC niet bekostigen, waardoor het uiteindelijk opgeheven moest worden, dit dus om financiële redenen.

Hoofdstuk 7: Succes van de VOC
Zoals al vermeld, was de VOC erg succesvol. De VOC was een grote organisatie, die erg vooruitging en zorgde voor een “Gouden Eeuw” in Nederland.
Dit is te verklaren door de monopoliepositie, waarin de VOC zich verkeerde. De VOC heeft op een succesvolle manier handel kunnen drijven met Azië. Veel doelstellingen van de VOC zijn behaald, er is een monopoliepositie op de handel verkregen en er is veel winst gemaakt, hoewel er wat concurrentie was met Engeland. Deze concurrentie zorgde ervoor dat bijvoorbeeld peper voor zeer lage prijzen ingekocht kon worden. Zo kon de VOC door veilingen vaak prijzen veranderen, omdat ze de bruto winst van het product al vaak wisten. Hier hebben ze veel van geprofiteerd.
Het succes van de VOC is nog steeds waar te nemen. Lees hiervoor meer Hoofdstuk 4: De Gouden Eeuw.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

ik vind het echt super slecht

6 jaar geleden