Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Romeinen in Nijmegen

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 2e klas vwo | 1462 woorden
  • 29 januari 2002
  • 176 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.4
  • 176 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Waarom kwamen de Bataven in opstand tegen de Romeinen?

Nijmegen heeft door de eeuwen heen gegolden als de stad der Bataven. Deze van oorsprong waarschijnlijk Germaanse stam vestigde zich in het midden van de eerste eeuw voor Christus op de hoger liggende gronden ten zuiden van de Waal en in de Betuwe, de insula Batavorum ofwel het Bataveneiland, waar vondsten van vijwel uitsluitend Germaans aardewerk, primitief van vorm en zonder draaischijf gefabriceerd, op hen aanwezigheid en woonsteden aldaar wijzen. Omstreeks het begin van de jaartelling kwamen zij in contact met de vanuit het zuiden oprukkende Romeinen en de door de laatsten cultureel beïnvloede Galliërs. De Bataven kozen de wijste partij en werden bondgenoten van de wereldveroveraares, in die zin dat zij hun geen belasting betaalden, maar manschappen voor de legioenen leverden.
Overbekend is de opstand van de vijheidlievende Bataven onder leiding van Julius Cicilis. Van deze rebellie was Nijmegens directe omgeving het toneel. Cicilis stond als bevelhebber van een in de Betuwe gelegerde Bataafse cohort in dienst van de Romeinen en werd de erkende leider va de strijd om de onafhankelijkheid.


De afwezigheid van een permanente Romeinse bezetting in het gebied der Bataven heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen, dat zich daar ongemerkt en ongesoord een felle opstand kon ontwikkelen tegen het Romeinse gezag. Die rebellie was vermoedelijk in eerste aanleg het werk van de Bataafse stamadel en vond haar voedingsbodem in het ongenoegen, dat de stamhoofden bekroop, toen zij zich beknot voelden in hun macht en invloed. De hulptroepen, die de Bataven aan hun bondgenoten moesten leveren, waren steeds gelicht en gecommandeerd door leden van de Baataafse adel. Maar onder de keizers Claudius en Nero was aan die betrekkelijke zelfstandigheid van de Bataafse legeroversten een einde gekomen. Deze voelden zich door de Romeinen steeds meer behandeld als overwonnenen dan als bondgenoten. De Bataafse hulptroepen zouden niet langer geworven worden door eigen nationale commandanten, maar door Romeinse officieren. Hun verbittering groeide en ontlaadde zich in een wilde opstand, die de Romeinen totaal overompelde.
De leider van dit alles was Julius Civilis. De Batavenleider had een aantal uitstekend getrainde en bewapende cohorten uit zijn eigen stamgebied ter beschikking. Bovendien stond hem ook de door zijn eigen volksgenoten geroeide Rijnvloot terzijde. Aangevuld met overgelopen Gallische hulptroepen en met benden Germaanse bondgenoten van over de Rijn betekende deze krijgsmacht een geducht gevaar voor de Romeinse garnizoenen in Xanten, Bonn, Neuss en Mainz. De eerste fase van de Bataafse opstand was dan ook een groot succes voor de intelligent opererende Civilis. Niet alleen in de Betuwe, maar in het hele gebied van de Rijn tot de Alpen werd het Romeinse gezag weggevaagd. Toen de Romeinen echter van hun eerste schrik bekomen waren, keerde de krijgskans snel. Tegen de disciplinaire perfectie van acht legioenen onder bevel van Ceriales kon de grote, maar ongecoördineerd optredende krijgsmacht van de opstandelingen niet op. Vanuit het zuiden drong Cerialis onstuitbaar noordwaarts, de troepen van Civilis voor zich uitjagend. Wat kon de Bataafse leider nog anders doen dan zich proberen te verdedigen in zijn eigen Batavodurum?
Deze nederzetting bevond zich waarschijnlijk op de Valkhofheuvel en het daarbij gelegen Kelfkensbos en Hunerpark. Aangenomen wordt, dat zich op Kops Pateau en Hunerberg de Romeinen vertoonden. Hun aavwezigheid heeft ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld in de ontstaansgeschiedenis van deze kenneliljk belangrijke nederzetting van de Bataven.

Welke sporen lieten de Romeinen achter in Nijmegen?

Verreweg de belangrijkste kennis van Romeins Nijmegen hebben we van de resultaten van archeologisch bodemonderzoek. Al in de zeventiende eeuw werden er in de Nijmegeegse bodem op massale wijze losse voorwerpen verzameld, maar pas twee eeuwen later, in 1834, voerde men voor het eerst opgravingen uit met een wetenschappelijk karakter. Het ging toen niet alleen meer om het vinden van voorwerpen, maar ook om grondsporen en hun samenhang. Het was de directeur van het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, prof. C.J.C. Reuvens, de grondlegger van de archeologie in Nederland, die samen met zijn assistent dr. C. Leemans onder primitieve omstandigheden de muurresten van een omvangrijk Romeins gebouw opgroef in de buurt van het huidige Waterkwartier. Daarmee begon een lange reeks van wetenschappelijke opgravingen, die tot heden voortduurt. Bijna een eeuw na Reuvens zette de stadsarchivaris M.P.M. Daniëls het onderzoek voort. Hij paarde zijn kennis uit de archieven aan intensieve terreinverkeningen. Ten slotte leidden deze in 1916 tot de ontdekking van de plaats van het grote Romeinse legerkamp op de Hunerberg. Tien jaar daarvoor had zijn ambtvoorganger H.D.J. van Schevichaven nog gemeend in het verlooop van de elkaar kruisende hoofdstraten op de Grote Markt het assenstelsel van een Romeinse legioensvesting te ontwaren.
Systematisch bodemonderzoek op grote schaal kwam pas met de opgravingen van dr. J.H. Holwerda, de latere directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, in het jaar 1915 op gang. Na zijn navorsingen, die werden voortgezet tot in 1920, dacht hij in grote lijnen omvang en indeling van de castra op de Hunerberg te kunnen vaststellen. Tevens meende hij de plaats van het oppidum Batavorum gevonden te hebben.

Sinds de jaren zeventig werden door het Instituur voor Oude Geschiedenis en Archeologie van de Katholieke Universiteit Nijmegen opgravingen verricht op het zogenaamde Kops Plateau, op de Hunerberg, in de Hulzen bij Hatert en in het gebied tussen Voorstadslaan en Oude Heselaan. De aanvakelijk onschuldig lijkende graafwerkzaamheden hadden vérstrekkende gevolgen. Zo bleek Holwerda’s vereenzelviging van een aantal grondsporen op het Kops Plateau met het oppidum Batavorum van Tacitus uitermate onzeker. Ook de richting en de grootte van de castra op de Hunerberg moesten op grond van nieuwe onderzoeksresultaten herzien worden. Een plaats die archeologisch gezien nauwelijks interessant leek, de Hulzen bij Hatert, bleek een compleet grafveld uit de eerste en tweede eeuw verborgen te houden. Helaas waren de sporen van een bijbehorende nederzetting nog uiterst summier. Het meest recent was de ontdekking van een schat aan barnstenen siervoorwerpen in rijke graven die kennelijk aan de aandacht van schatgravers in het grafveld onder Hees bij Nijmegen ontsnapt waren.

Waarom vestigden de Romeinen zich in Nijmegen?

Voor een goed inzicht in het verloop van de Romeinse bezetting van Nnijmegen is enige kennis van de geografische toestand en van de wisselende strategische bedoelingen van de bezetter onontbeerlijk. In eerste aanleg weren de Romeinen hier voor hun onderwerping van Gallië en Germanië. De verovering van Germanië aan de overzijde van de Rijn hebben zij opgegeven, nadat zij in 9 na Chistus in het Teutoburgerwoud verpletterend waren verslagen. In 47 na Chistus worden Rijn en Waal tot limes, grens van het Rijk uitgekozen. Romeins Nijmegen ontleent zijn betekenis aan zijn ligging aan deze Rijksgrens.

Het lag aan de doorgaande route over land naar het noorden en bevond zich op het laatste hoogten, de iendmorenen, voor de grote rivieren in een delta uimondden. Deze rivieren waren voor de Romeinen van wezenlijk belang voor de troepnenverplaatsingen van en naar Brittannië, en niet al te ver van Nijmegen vandaan begon een uitvalsweg Germanië in, de rivier de Lippe. Tot ongeveer het midden van de derde eeuw bleef deze situatie bestaan. In de jaren die volgden verzwakte geleidelijk aan de verdedigingslinie, totdat zij aan het eind van de vierde eeuw geheel werd overspoeld door Germaanse stammen en werd opgegeven.

Vanaf ongeveer 50 voor Christus trokken de Bataven het rivierengebied binnen en gingen wonen in de Betuwe, het Rijk van Nijmegen en het land van Maas en Waal. Ze vestigden zich ook op de plaats waar nu Nijmegen ligt. De heuvelrug bood een goed uitzicht over een groot deel van het oostelijk rivierengebied, hetgeen vanuit militair oogpunt van belang was. Recente opgravingen maken aannemelijk dat de Bataven hier hun eerste nederzetting hadden op en rond de heuvel die later het Valkhof werd genoemd. Ten oosten ervan hadden ze een begraafplaats die tot ongeveer 70 na Christus in gebruik is geweest. Aanvankelijk meende men dat deze nederzetting van de Bataven, die door de Romeinse schrijvers vermeld wordt als Oppidum Batavorum, gezocht moest worden op het Kops Plateau. Nu neemt men aan dat de daar opgegraven resten verwijzen naar de vroegste Romeinse aanwezigheid in de omgeving van Nijmegen, als is het niet precies duidelijk hoe lang zij bestaan heeft en waarvoor zij gediend heeft. Men denkt aan een Romeinse villa.
De heuvelrug waarop de Bataven zich hadden gevestigd, bleek echter ook voor de Romeinen aantrekkelijk. Een kleine versterking, ter hoogt van het huidige Trajanusplein, was voldoende om het Oppidum en het door de Romeinen veroverde gebied in de Betuwe en het Land van Maas en Wwaal te beheersen. De ontdekking van stukken gracht in de Nieuwstraat en op de Hunerberg geven voedsel aan de veronderstelling dat een groot deel van de huidige noord-oostelijke binnenstad destijds door een gracht omgeven is geweest en dat daar het zwaarepunt van een burgerlijk-Bataafse en militair-Romeinse nederzetting gezocht moet worden, waarvan de Valkhofheuvel de kern heeft gevormd.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.