Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoe ging koning Willem III om met de beperking van zijn macht (1948-1890)?

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 6e klas vwo | 3458 woorden
  • 31 maart 2005
  • 63 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 63 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Voorwoord

Dit werkstuk gaat over Koning Willem III. Hij was de koning die moest gaan regeren nadat in 1848 de nieuwe grondwet vast was komen te staan, die de koning een groot deel van zijn macht afnam. Willem III heeft in de 19e eeuw een belangrijke rol gespeeld omdat hij verwikkeld was in de strijd om de macht tussen het koningshuis en het parlement, die bijna gezorgd heeft voor de neergang van de monarchie.

In dit werkstuk wordt behandeld hoe Willem III omging met de nieuwe grondwet en welke pogingen hij heeft gedaan om zoveel mogelijk macht te behouden. De opdracht bestaat uit vier onderdelen. Allereerst een tijdsbeeld, om een beeld te krijgen van de situatie. Dan volgt de analyse van een historisch document, namelijk de grondwet van 1848. Vervolgens wordt een korte beschrijving van Willem III als persoon gegeven en daarna volgt de behandeling van het probleem, met als hoofdvraag: Hoe heeft Willem III in zijn regeringsperiode gereageerd op de grondwetsherziening van 1848?


Tijdsbeeld

Toen koning Willem III aan de macht kwam, had er nog geen half jaar geleden een grote verandering op politiek gebied plaatsgevonden. De liberale staatsman Johan Thorbecke had in opdracht van koning Willem II een nieuwe liberale grondwet ontworpen. Willem II had besloten een liberale koers te gaan varen, omdat hij bang was dat er anders een revolutie zou uitbreken in Nederland. Uit Duitsland en Frankrijk hadden hem al onheilspellende berichten over revolutie bereikt. Hele bevolkingsgroepen waren in opstand gekomen tegen de heersende vorst, ze wilden meer rechten in het bestuur van hun land. Dat had onder andere geleid tot de val van koning Louis Philippe van Frankrijk, waar onder Louis-Napoleon de republiek werd uitgeroepen.

En er was nog een reden waarom Koning Willem II de grondwet invoerde. Hij wilde een waarborg inhouden voor de tijd dat zijn zoon aan de macht zou komen. Velen maakten zich zorgen over dat vooruitzicht, omdat Willem III een recalcitrante figuur was die ongeschikt werd geacht voor het koningschap. Volgens minister J.C. Baud, die bij Willem II aandrong op grondwetsherziening, moest de koning nog tijdens zijn leven zorgen dat na zijn dood "orde van zaken in de praktijk zou kunnen worden gebracht". De ongeschiktheid van de koning zou na herziening van de grondwet een minder groot probleem zijn. Willem II volgde het advies van Baud nog net op tijd op: een jaar na de grondwetsherziening overleed hij.

Vanaf 1848 waren de ministers verantwoordelijk voor het beleid, en niet langer de koning. Voordat de grondwetswijziging was ingevoerd, hoefde de koning maar weinig rekening te houden met de volksvertegenwoordiging. Het bestuur van Nederland werd door de grondwet aan de vorst opgedragen. Deze kon ook zelf bepalen wat hij daaraan uitgaf. Alleen voor bijzondere, onzekere uitgaven, moest de koning toestemming aan de volksvertegenwoordiging vragen. Maar in het geval dat de volksvertegenwoordiging deze uitgaven niet toestond, kon hij ze altijd nog uit de baten van de koloniën financieren.

De meeste van de veranderingen die de nieuwe grondwet tot stand bracht waren nadelig voor koning Willem III, omdat hij er macht door verloor. Zo kreeg de Tweede Kamer bijvoorbeeld het recht van amendement. Ook had de koning vanaf 1848 geen invloed meer op besluiten van de Rooms-katholieke kerk. De samenstelling van het kabinet werd voortaan bepaald door burgers: mannen boven de 23 jaar die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, kozen rechtstreeks de leden van de Tweede Kamer, de gemeenteraden en de Provinciale staten.
Wat de precieze veranderingen waren in de grondwet, wordt nu behandeld in het volgende hoofdstuk: de analyse van de grondwet van 1848.


Analyse historisch document
De grondwetsherziening van 1848

De grondwet van 1848 heeft de basis gelegd voor ons huidige stelsel van parlementaire democratie. Het principe van ministeriële verantwoordelijkheid geldt in onze huidige staatsvorm nog steeds. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste wijzigingen uit de grondwet behandeld, omdat deze een grote invloed gehad hebben op de regeringsperiode van Willem III.

Vóór 1848 gold de grondwet van 1814, die de macht van de koning erkende. Willem I, de grootvader van Willem III, had toen de soevereiniteit over de Nederlanden en deze was van mening dat de Staten-Generaal verplicht waren zijn beleid te ondersteunen. Ze hadden volgens hem niet het recht om een eigen politieke koers te varen. Willem I slaagde erin om dit vast te leggen in de grondwet en zo werd hij ook eerste koning van Nederland.

De eerste wijziging in de grondwet op het gebied van machtsverhoudingen staat in artikel 53: "De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk". Het is het meest omstreden artikel in de grondwet van 1848 en veroorzaakte veel onduidelijkheid. Ministeriële verantwoordelijkheid hield in dat ministers verantwoording aan het parlement schuldig waren voor hun doen en laten bij de vervulling van hun taken. De ministers waren daarnaast ook politiek verantwoordelijk voor het optreden van het staatshoofd. Maar hoe ver mocht het principe van ministeriële verantwoordelijkheid in de praktijk voeren? Voor de conservatief-liberale politicus van Hall was het bijvoorbeeld 'de hoeksteen van het constitutionele staatsregt', maar tegelijkertijd vond hij dat de ministers niet te veel macht aan het grondwetsartikel mochten ontlenen. Groen van Prinsterer, politiek medestander van de koning, beschouwde nog altijd het vorstelijk gezag als hoeksteen van het systeem. Thorbecke legde uiteraard het zwaartepunt bij de macht van de ministers. Men kon het niet eens worden over wie de belangrijkste factor in het bestuur was, de koning of de ministers. Maar dat zij de macht over Nederland moesten delen, was duidelijk.

Artikel 68 uit de grondwet van 1814 luidt: De Staten Generaal raadplegen over alle voorstellen hun door den Souvereinen Vorst gedaan, en zenden aan Denzelven hun besluit door eene commissie.
De toestemming wordt in het volgende formulier vervat: "De Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden betuigen den Souvereinen Vorst hunnen dank voor Deszelfs ijver in het bevorderen van 's Lands belangen, en vereenigen zich met het voorstel." Wanneer eenig voorstel niet mogt worden aangenomen, wordt daarvan bij het volgende formulier aan den Souvereinen Vorst kennis gegeven: "De Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden betuigen den Souvereinen Vorst hunnen dank voor Deszelfs ijver in het bevorderen van 's Lands belangen, doch verzoeken Denzelven eerbiediglijk het onderwerp van het gedane voorstel in nadere overweging te willen nemen."
De Staten-Generaal dienden dus als een adviescollege, ze konden de besluiten van de koning niet tegenhouden. De Staten-Generaal waren verplicht om op de wetsvoorstellen van de koning te antwoorden met een advies. De koning was niet verplicht om de Staten-Generaal te raadplegen als hij een besluit wilde nemen, hij had wel het recht (artikel 46, grondwet 1814). Na de wijziging van 1848 waren de Staten-Generaal verdeeld in twee Kamers. De Tweede kamer nam wetsvoorstellen aan (artikel 108), de eerste Kamer keurde de besluiten van de Tweede Kamer goed of af (artikel 109).

De Tweede kamer had volgens beide grondwetten het recht om zelf wetsvoorstellen te doen (artikel 69 grondwet 1814, artikel 110 grondwet 1848). In artikel 107 van de grondwet 1848 kreeg de Tweede kamer ook het recht van amendement. Het recht van amendement zorgde ervoor, dat de Tweede Kamer de tekst van een wetsvoorstel van de koning kon wijzigen. Op deze manier bepaalde uiteindelijk de rechtstreeks gekozen Tweede Kamer wat de wettekst zou zijn.

De Koning heeft het opperbestuur der koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen. De reglementen op het beleid der regering aldaar worden door de wet vastgesteld. Het muntstelsel wordt door de wet geregeld. Andere onderwerpen deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blijkt te bestaan. De Koning doet jaarlijks aan de Staten-Generaal een omstandig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden. De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen.
Had Willem II in zijn regeringsperiode nog beschikking over de koloniale geldmiddelen, voor Willem III was dat na deze toevoeging (artikel 59 en 60) dus niet meer aan de orde. Het opperbestuur van de koloniën had hij nog wel, maar hij moest daarvan nu jaarlijks verslag geven aan de Staten-Generaal.

Een belangrijke toevoeging aan de oude grondwet, in het voordeel van de koning, is artikel 70: "De Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden". Dit artikel zou gezien kunnen worden als een 'pleister op de wond'. De Staten-Generaal, oftewel de 1e en 2e Kamer, hadden hem een groot deel van zijn macht ontnomen. De koning kreeg nu het recht om, als hij het niet eens was met de samenstelling van de Eerste of Tweede Kamer, deze te ontbinden. Dat hield in dat de leden opnieuw moesten worden verkozen en de koning opnieuw een voorzitter moest benoemen (artikel 84 en 87). Het nadeel voor de koning was echter, dat hij geen invloed op kon uitoefenen op de verkiezingen en dus kon het zijn dat de nieuwe samenstelling van een Kamer vrijwel gelijk was aan de oude.

Willem III: 'Koning Gorilla'

Koning Willem III (voluit: Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk) werd op 19 februari 1817 in Brussel geboren, als zoon van koning Willem II en Grootvorstin van Rusland, Anna Paulowna. Willem werd gedoopt in de protestantse kerk. Hij werd op tienjarige leeftijd tot kolonel der infanterie benoemd, daarna studeerde hij, zonder veel enthousiasme, aan de Leidse universiteit. In 1939 trouwde hij met zijn nicht, prinses Sophie van Württemberg. Het was geen goed huwelijk, en Willem III zocht dan ook openlijk andere vrouwen op om aan zijn buitensporige seksuele behoeften te voldoen. Uit het huwelijk werden toch drie zonen geboren: Willem, Maurits en Alexander. Zij overleden alledrie voor ze hun vader konden opvolgen.
Na het overlijden van Sophia in 1877 trouwde de 61-jarige Willem op 7 januari 1879 met de twintigjarige prinses Emma van Waldeck Pyrmont. Uit het huwelijk werd op 31 augustus 1880 een kind geboren: Wilhelmina. In 1887 werd Willem III ernstig ziek en hij stierf in 1890.

Willem III was een zeer machtsbeluste, onberekenbare koning. Zijn regeringsperiode ging gepaard met veelvuldige woede-uitbarstingen. Van velen kreeg hij de bijnaam 'Koning Gorilla': hij reageerde furieus op elke inbreuk op zijn gezag, en alles wat hij als gebrek aan respect voor de vorst opvatte. Dat velen zich zorgen hadden gemaakt over het vooruitzicht dat Willem III aan de macht zou komen, was niet geheel onterecht.

Voor Willem III zelf waren zijn karaktereigenschappen ook niet erg voordelig. De koning was gespeend van evenwichtigheid, politiek inzicht en de goede relaties die onmisbaar zijn om een anti-liberale strijd te voeren. Met zijn woeste plannen vervreemdde Willem III de meeste politici van zich, die in aanmerking kwamen voor samenwerking, en door zijn onredelijke gedrag versnelde hij zelfs het proces van ministeriële emancipatie. Zo gingen de ministers er bijvoorbeeld al snel toe over de notulen van de ministerraad beknopt en oppervlakkig te formuleren. Over een aantal belangrijke zaken en besluiten zwegen ze zelfs, om te voorkomen dat de koning protest zou aantekenen.
Dat de strijd die Willem III voerde tegen het liberalisme niet erg succesvol was, is echter niet alleen te wijten aan zijn opvliegendheid. De koning was niet omringd door kundige, invloedrijke figuren. Hij moest het stellen zonder een aan hem toegewijde partij, en zonder belangrijke raadgevers met wie hij in gezamenlijk overleg een beleid kon uitstippelen. Daardoor kon de koning geen gebruik maken van de aanhankelijkheid die het Oranjehuis vanouds in conservatieve en protestantse kringen genoot, integendeel: hij stond deze alleen maar in de weg.

Hoe heeft Willem III in zijn regeringsperiode gereageerd op de grondwetsherziening van 1848?

- Wat waren de politieke opvattingen van Willem III?
- Welke pogingen heeft Willem III gedaan om macht (terug) te krijgen?

Voordat Willem III koning werd, had hij al meerdere verzoeken aan zijn vader gedaan om af te zien van het koningschap. De reden hiervoor was dat hij het absoluut niet eens was met de grondwetsherziening van 1848. De nieuwe afspraken over machtsverhoudingen tussen koning en parlement bevielen hem totaal niet. Willem III vond de nieuwe grondwet in strijd 'met de natuur, met de ware vrijheid en met de rechten van de kroon', wat natuurlijk eigenlijk betekende, dat hij zelf de macht over Nederland wilde, en deze niet wilde delen. Die opvatting zou hij trouw blijven.
Koning Willem II kon het verzoek van zijn oudste zoon niet inwilligen, omdat in het Nederlandse staatsrecht afstand van de verwachting van het koningschap is uitgesloten. Tegen wil en dank besteeg Willem III in 1949 dus toch de troon, hoewel hij niet van plan was om de grondwetsherziening naast zich neer te leggen. Hij was echter een koning die de discipline miste voor een gecoördineerd tegenoffensief. Willem III was conservatief, maar zijn politieke opvattingen waren veel te onberekenbaar om tot een goed alternatief voor de liberale staat te komen. Er zijn vele gevallen bekend waarin de koning op de ene dag alweer vergeten was wat hij de vorige dag geëist of verboden had. Eén politieke opvatting van Willem III zou echter nooit veranderen: de koning was overtuigd anti-liberaal.

De eerste periode na 1848 was vooral een periode van aftasten. Er heerste veel onduidelijkheid over de nieuwe verhoudingen tussen koning en ministers. Ook was er weinig sprake van continuïteit en stabiliteit op het regeringsvlak. Dit kwam omdat er geen echte partijen bestonden, alleen politieke stromingen. De samenwerking verliep nog stroef en dit maakte het voor de ministers moeilijk om één front te vormen tegen de koning.
De koning probeerde in deze periode zoveel mogelijk zijn macht te behouden, geholpen door zijn particulier secretaris Frederik L.W. de Kock. Ze probeerden het leven van het eerste kabinet (Donker-Curtius de Kempenaer) zo lang mogelijk te rekken. Het was namelijk een kabinet dat niet een radicaalliberale koers vaarde, en waarin aartsvijand Thorbecke niet was opgenomen. Toen dit kabinet uiteindelijk toch viel, werd het volgende kabinet een coalitiekabinet, en niet zoals verwacht een club van 'Thorbeckianen'. De liberale koers stuitte in 1849 dus nog op verzet. Echter, Willem III had niet kunnen voorkomen dat in dat kabinet Thorbecke minister van Binnenlandse Zaken werd, en deze dus een begin kon maken met de verdere invulling van de grondwet. In 1850 kwam de kamer tot een ministerraadreglement. Van de ministerraad maakten alle ministers deel uit en zij overlegden over het algemeen regeringsbeleid. Door het reglement zou de raad niet langer slechts een adviescollege zijn. De raad kon nu bindende besluiten nemen bij een meerderheid van stemmen; een koninklijke machtiging vooraf was niet meer nodig. De door Willem III voorgezeten kabinetsraad, met Frederik de Kock als directeur, werd een adviescollege.
Voordat de regering van Willem III goed en wel begonnen was, was een groot deel van zijn macht hem dus al ontnomen. Dit kon niet voorkomen dat de koning vaak fors in aanvaring kwam met zijn ministers, maar zorgde wel dat hij minder middelen tot zijn beschikking had om zijn wil door te drijven. Een voorbeeld: na het ministerraadreglement van 1850 deed Willem een verzoek aan de kamer om alle wetsontwerpen aan hem voor te leggen. Het verzoek kon zo van de tafel worden geveegd.
Tijdens de daarop volgende kabinetsraad kwamen de betrekkingen tussen Thorbecke en Willem III tot een dieptepunt. De koning had Thorbecke tijdens deze raad zo onteerd dat deze geen persoonlijk contact met de koning meer wenste. Dit leidde opvallend genoeg niet tot een zware strijd om politieke zaken; de koning liet Thorbecke redelijk zijn gang gaan op het gebied van wetgeving.
Grote conflicten ontstonden wel als het ging om benoemingen. Ondanks koppig verzet van Willem III verving Thorbecke, immers nog steeds minister van Binnenlandse zaken, in 1850 en 1852 de commissarissen des konings in Groningen, Utrecht, Zeeland en Gelderland.
In april 1853 werd vanuit Rome de rooms-katholieke hiërarchie in Nederland hersteld. Deze maatregel kon genomen worden omdat de grondwetsherziening vrijheid van godsdienst en een scheiding van Kerk en Staat had ingevoerd. Het gevolg van de maatregel was dat er een grote protestbeweging ontstond, genaamd de Aprilbeweging. De anti-Thorbeckiaanse gezindheid van deze beweging kwam Willem III goed uit, omdat hij zich wilde ontdoen van het kabinet Thorbecke - dit lukte hem ook. De protestanten namen Thorbecke kwalijk dat hij de katholieken in 1848 zoveel vrijheid had gegeven. Op 15 april werden aan de koning 51.000 handtekeningen aangeboden door een protestantse predikant. Willem III zei hierop niet in staat te zijn iets aan de situatie te kunnen veranderen. Zijn verklaring luidt: "De bepalingen hebben mij de handen gebonden. Ik draag daarvoor geen verantwoording. Ik ben er in 1848 als Prins van Oranje niet in gekend. Bij mijn troonsbestijging vond ik die grondwet zo en ik moest haar bezweren. Nu vermag ik weinig uit te richten." De ministers voelden zich verloochend en Thorbecke bood het ontslag van zijn kabinet aan.

In 1856 ontdeed koning Willem III zich van het ministerie van Hall, dat bij de verkiezingen in 1853 was verkozen. Willem III wilde een grootprotestants-conservatief kabinet formeren, dat het stelsel van 1848 een grote slag terug zou draaien. Zijn plannen leidden echter tot niets. Dat kwam doordat de politici die de koning had voorgesteld om minister-president te worden (Groen van Prinsterer en J.C. Baud), zijn voorstel afsloegen.

In de periode daarna kwamen er geen pogingen meer van Willems kant om zijn macht te vergroten. Wel probeerde de koning in de jaren 1866-1868 bij twee opeenvolgende gelegenheden de parlementaire regels aan zijn laars te lappen.
De eerste kwestie betrof een geheime afspraak over de kabinetsformatie. Willem III wilde een regering met daarin alle politieke stromingen, behalve de liberale. De conservatieve Pieter Mijer zou de regering moeten vormen, maar deze aasde op de post van gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië. Mijer sprak met de koning af dat hij in het nieuwe kabinet minister van koloniën zou zijn totdat de Indische begroting was aangenomen. Dat gebeurde echter al binnen enkele maanden na het aantreden van het nieuwe kabinet, waardoor Mijer meteen kon afzien van zijn taken als minister van koloniën. Hierdoor ontstonden er hevige protesten in de Tweede Kamer. De kamer vond het een 'voorgekookte vorm van zelfbegunstiging'. Willem III weigerde het ontslag dat de Tweede Kamer aanbood; in plaats daarvan ontbond hij de kamer en schreef nieuwe verkiezingen uit. De samenstelling van het nieuwe kabinet was echter vrijwel gelijk aan de oude.
In 1867 begon de tweede kwestie. Willem III had zich bereid verklaard het hertogdom Luxemburg - onderdeel van de Duitse bond, waartoe ook Limburg behoorde - aan Frankrijk te verkopen. Duitse dreigementen met een oorlog deden hem echter van gedachten veranderen en Luxemburg werd op de Londense conferentie neutraal verklaard. Deze status werd gegarandeerd door de deelnemende landen, waaronder
Nederland. Dit schoot in het verkeerde keelgat van de Tweede Kamer, die de garantie een nutteloos risico vond. Toen de koning daardoor de begroting van minister van Buitenlandse zaken van Zuylen afkeurde, bood het kabinet haar ontslag aan. In plaats van te luisteren naar de Kamermeerderheid besloot Willem III de ministers te handhaven en de Kamer te ontbinden. Weer was de nieuwe Tweede Kamer vrijwel gelijk aan de oude.
Men had het nu wel gehad met de ontbindingen van de koning en de kamer nam een motie aan, die vaststelde dat geen landsbelang de ontbinding had vereist. De begroting van Buitenlandse Zaken werd opnieuw afgestemd. Willem III zwichtte nu voor de druk van de Kamer en benoemde Thorbecke als formateur van een nieuw kabinet.

De jaren 1866-1868 hebben zo het einde ingeluid van de koninklijke beschikking over het voortbestaan van een kabinet. De Kamer accepteerde het niet langer dat de koning de mening van de volksvertegenwoordiging over belangrijke kwesties simpelweg naast zich neerlegde. Met deze inperking van zijn speelruimte zou de koning voortaan rekening moeten houden.
Wat was er nog over van de politieke invloed van de koning? De gebeurtenissen van 1866-1868 betekenden niet dat de koning geen invloed op de politiek meer kon uitoefenen. De vorst benoemde nog altijd de formateur van de kabinetten, die hij wel degelijk een bepaalde richting op kon sturen. Ook was er nog aanzienlijke ruimte voor het beïnvloeden van de Kamerleden door de koning. Dat kwam omdat er alleen stromingen waren, en nog geen duidelijke politieke partijen. Zo was het stemgedrag van de leden niet aan een strenge partijdiscipline gebonden en kon koninklijke invloed nog binnendringen.

Willem III heeft na 1868 zijn anti-liberale strijd nog volgehouden, ondanks het feit dat hij weinig middelen meer had. Hij verleende bijvoorbeeld als beschermheer actieve steun aan de conservatiefmonarchale Nederlandsche Weerbaarheidsbond, een organisatie die vrijwillige burgers in het schieten liet oefenen, of ze omvormde tot soldaat. De bond hield bij de opening van de Staten-Generaal van het liberale kabinet Van Bossche-Fock in september 1868 een schuttersdemonstratie. Het was echter puur symbolisch. Willem III had nog wel een nostalgisch verlangen naar de macht die zijn grootvader had genoten, maar voor het absolutistische koningschap was hijzelf helaas twee generaties te laat geboren.

Bronnen

BELANGRIJKSTE BRON:
- Teloorgang en wederopstanding van de Nederlandse monarchie 1848-1898
Joris Abeling
Uitgeverij Prometheus te Amsterdam, 1e druk 1996

- Willem III, Emma en Sophie
Jacqueline Doorn
Uitgeverij Europese Bibliotheek te Zaltbommel, 1e druk 1977

- Het koninklijk huis der Nederlanden
Arnout van Cruyningen
Uitgeverij Kok Lyra te Kampen, 1e druk 1998

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.