Herbewapening Duitsland na Versailles

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 6e klas vwo | 5567 woorden
  • 24 oktober 2001
  • 63 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 63 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
Inleiding

Veel is er geschreven over de Tweede Wereldoorlog, maar slechts weinig over de hulp die Duitsland kreeg om zich voor te bereiden op een oorlog. Hulp vanuit Duitsland zelf, maar ook van buitenaf. We kunnen spreken van politieke, economische of industiële hulp, en militaire hulp. Het is een onderwerp dat bij vele Nederlanders, zeker diegene die de oorlog zelf hebben meegemaakt, heel gevoelig ligt, omdat Nederland ook heeft bijgedragen aan de opbouw ‘Het Derde Rijk’. Toch is het denk ik goed om dit gegeven niet te verduisteren. Daarvoor is het te belangrijk, en heeft het gevolgen gehad die van grote betekenis zijn geweest. Daarom kon dit in mijn werkstuk mijnsinziens niet uitblijven.

Omdat geen enkele instantie trots is om te boek te staan als ‘verrader’, zijn er redelijk weinig gegevens over te vinden. Dit maakte het af en toe vrij moeilijk om het nodige, maar vooral bruikbare bronmateriaal te vinden. Maar van de andere kant is dit natuurlijk ook een uitdaging.

De bronnen die ik heb gebruikt bestaan uitsluitend uit boeken, geen archieven of websites. Dit laatste stelde mij enigszins teleur, gezien het feit dat ik het internet als DE informatie leverancier zie, en als bruikbaarste hulpmiddel. Dat mocht deze keer echter niet het geval zijn. Er waren practisch geen sites te vinden, of de informatie was zeer beperkt en leek vaak niet representatief. Dit maakte me echter wel bewuster welke rol boeken nog steeds spelen. De tijd dat internet deze vorm van informatievoorziening zal vervangen is nog lang niet aangebroken.

Ik hoop dat ik U, als lezer van dit werkstuk, iets nieuws kan leren, of een andere kijk op de besproken zaken kan geven.

De auteur:

Joost Knabben

Welke redenen had de overheid tot de omschakeling van vreedzame politiek naar militaire politiek?

Na de eerste wereldoorlog waren er veel verschillende opvattingen over hoe het met de politiek in Duitsland verder moest. De overwinnaars van de oorlog kwamen in januari 1919 in Parijs bij elkaar om over de vrede te onderhandelen. De uitkomst van de onderhandeling staat bekend als het verdrag van Versailles. De inhoud van het verdrag werd zonder enig overerleg medegedeeld aan de verliezers. Voor Duitsland pakte het verdrag van Versailles als slechtste uit, omdat de geallieerde mogendheden Duitsland als schuldige van de oorlog
aanwezen. Welke gevolgen heeft dit nu op de wisseling van vreedzame politiek naar militaire politiek gehad?


In Duitsland was er voor de eerste Wereldoorlog een keizerrijk. Keizer Wilhelm was de laatste. Toen de oorlog al practisch verloren was vroeg de Duitse regering op 4 oktober 1918 een wapenstilstand. Echter wilde de Amerikaanse president Wilson alleen aan een wapenstilstand gehoor geven, mits er democratische hervormingen zouden komen. het volk in opstand en werd de regering omver geworpen. De keizer vluchtte naar het in de oorlog neutraal gebleven Nederland. Na de wapenstilstand op 11 noverber 1918 ontstond er een machtsstijd tussen de socialisten en communisten. De socialisten wilden een parlemantaire democratie starten, waarin verschillende partijen mochten deelnemen. De communisten daarentegen wilden hetzelfde systeem invoeren zoals dat in de Sovjet-Unie het geval was.
Zo kwamen de socialisten en communisten tegenover elkaar te staan als echte vijanden. Uiteindelijk wonnen de socialisten door de hulp die het leger hun geboden had.

In januari 1919 werd het nieuwe parlement gekozen in het stadje Weimar, vandaar de naam: ‘Republiek van Weimar’.Maar de republiek was niet geliefd. Dit kwam omdat er grote onvrede en verontwaardiging over het verdrag van Versailles heerste onder de bevolking.
De Regeringsleiders van de parlementaire democratie hielden zich aan deze regels. Maar de kritiek is natuurlijk onterecht, want ze konden niet anders. Mochten ze dit niet hebben gedaan, dan was Duitsland kompleet veroverd en zou het uit elkaar zijn gevallen.

Een ander voorbeeld hiervan is de dolkstootlegende (zie bijlage) waar militiaren, de socialisten en communisten de schuld gaven van het verliezen van de eerste wereldoorlog, doordat ze de regering ten val zouden hebben gebracht en vrede hadden gesloten, terwijl het leger nog door had kunnen strijden. Zodoende was er weinig steun vanuit het leger voor de republiek, terwijl dat in het keizerrijk altijd het geval was geweest.

De bevolking leed onder de economische verbittering die het verdrag met zich meebracht. Dit leek beter te worden nadat geallieerden beseften dat ze geen herstelbetalingen konden eisen, als ze de Duitse economie geen kans gaven zich te herstellen. Met behulp van lenigen uit de VS, die onder het Dawesplan1 vielen, kon de economie zich weer herstellen. In de jaren 1924-1928 ontving Duitsland twee keer zoveel aan leningen, dan dat ze moesten aflossen aan de herstelbetalingen. De regering ging grote projecten aan waardoor de werkeloosheid daalde, echter de schulden stegen. Door de economische crisis in Amerika werd Duitsland ook economisch getroffen. Met de opbloei van Duitsland was het weer afgelopen. Van de grote hoeveelheden werklozen, en de grote ontevredenheid van het volk over de republiek, kon Hitler en zijn partij, de Nationaal-Socialistische Duitse Arbeiders Partij, profiteren. De mensen zagen geen heil meer in de parlementaire democratie, die bovendien niks deden tegen het verdrag van Versailles. Toen Hiter de definitieve macht greep, moest hij het leger achter zich hebben staan, om de macht te behouden. Hij had al eerder een staatsgreep gepleegd op 9 november 1923 maar deze mislukte o.a. door onvoldoende steun van het leger. Vandaar dat Hitler deze fout geen tweede keer maakte. Het voornaamste sociale doel van de nazi’s was de opbouw van een “volksgemeenschap”. Dit hield in dat het gehele Duitse volk een hechte eenheid zou moeten vormen, en dat ze onder de leiding stonden van de Führer. De gebieden die na de Eerste Wereldoorlog door het Verdrag van Versailles waren los gemaakt van Duitsland, moesten worden ‘herroverd’ of ingenomen (Het betrof Elzas-Lotharingen, Eupen, Malmédy, een deel van Sleeswijk-Holstein, Posen, West-Pruisen en Opper-Silezië afstaan). Vanaf dat moment was er van de vredelievende regering van Weimar, niks meer te zien. Het leger werd enorm uitgebreid. Hoe kon Hitler dit doen, zonder hier tegenstand van te krijgen?

De bevolking steunde Hitler. Uiteraard waren ze bang voor de terreur van de SA, maar ze steunden hem ook spontaan. Door de grote orders die Hitler plaatste in de oorlogsfabrieken, konden daar veel mensen aan de slag. Omdat de anti-semitistische ideeën van Hitler meteen al werden doorgevoerd, kwamen alle Joodse mensen op straat te staan. In hun plaats kwamen Duitsers in dienst kwamen, maar de ontslagen Joden werden niet in het aantal werklozen verwerkt.

Met vrouwen ging het net zo. Vrouwen moesten thuis zijn, om een goede moeder te worden. Daarom werden ze uit alle de meeste fabrieken ontslagen. Zo kon Hitler pretenderen dat hij de grote held was in het oplossen van de werkloosheid. Het was dus een vertekent beeld dat Hitler schetste. De bevolking had hier echter geen weet van, en begonnen steeds meer te geloven dat Hitler was wie ze nodig hadden.

Ook de afschaffing van de herstelbetalingen en het nakomen van andere regels van het Verdrag van Versailles kon op steun rekenen van de bevolking. Het ging zelfs zo ver dat Hermann Wilhelm Göring de bevolking voorhield: “Liever Kanonnen dan boter”2 De werkloosheid daalde, maar de schulden stegen echter wel.

Als tweede aspect kunnen we noemen dat er in de politiek van de nazi’s geen plaats was voorklassenstrijd tussen de arbeiders. Werknemers en werkgevers moesten hand aan hand gaan. Anders kon er geen 100% inzet worden geleverd. Er werd zelfs een vereniging opgericht die ervoor moest zorgen, dat de gelijkwaardigheid tussen werknemer en werkgever behouden bleef (het Deutsche Arbeits Front, DAF). Alleen Joden en ander ‘tuig’ hoefde je niet gelijkwaardig te behandelen.

Van de boeren bevolking kreeg Hitler gedeeltelijk steun. Dit kwam niet zozeer omdat de boeren het zoveel beter kregen onder het bewind van de nazi’s, maar ze werden wel verheerlijkt. Het superieure Arische ras was op het platteland nog het ‘zuiverste’ aanwezig. Rassenmenging waren de nazi’s fel op tegen. De boeren waren de ‘oerbron’ van het Germaanse ras. Dat maakten de boeren een hoog aangeschreven groep. Een ander aspect van de boerenverheerlijking , was dat de boeren op een later tijdstip voor de voedselvoorziening in ‘de nieuwe levensruimte’ moesten zorgen. Om de boeren te vriend te houden werden er speciale feestdagen voor ze ingesteld, zoals de “oogstdankdag”. Anderzijds werd er aan de boeren precies voorgeschreven wat ze moesten verbouwen, en welke prijs ze daar voor zouden krijgen. Dit had als gevolg dat vele boeren nog steeds urbaniseerden, tegen de wil van de nazi’s in.

Hitler rekende erop dat hij van zijn plannen, volledige steun kreeg van het leger. Dat was bijna vanzelfsprekend, want een groot leger leek alleen maar in hun eigen belang. Maar toch kwam daar nog heel wat meer bij kijken. Later zal nog besproken worden hoe dit in elkaar zat.

Hitler moest, wilde hij zijn plannen doorzetten, zich wel op een oorlog voorbereiden. Het Derde Rijk moest en zou er komen. Omdat dit in strijd was met het Verdrag van Versailles, zou hij op den duur altijd in conflict raken met Engeland en Frankrijk. Om zich hier tegen te wapenen kon de Duitse regering zich niet vredelievend opstellen, en wilde dat ook niet.

Voetnoten

1. Encarta® 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. © 1993-1997 Microsoft
Corporation/ Elsevier. Trefwoord: Dawesplan

2. “Sprekend verleden” bovenbouw HAVO/VWO Deel 1.
© 1994 van B.V. Uitgeverij Nijgh & Ditmar, rijswijk, Nederland.
Hoofdstuk VIII : “Het Nationaal-Socialisme in de praktijk”
Blz. 94 – 95 §1: “De Economische en sociale opbouw”

Hoe was het Duits militair-industrieel complex georganiseerd na Versailles?

Door de ondertekening van het Verdrag van Versailles, had Duitsland niet meer de mogelijkheid om een oorlogsindustie op te starten. Maar omdat velen bedrijven in Duitsland hiervan afhankelijk waren, werden de betrekkingen met buitenlandse handelspartners versterkt. Bedrijven in Zweden, Finland, Spanje, en ook Nederland speelden hierbij een rol.

In januari 1920 werden er drastische beperkingen aan het Duitse leger opgelegd. Zo werd de dienstplicht afgeschaft, en het aantal beroepsmilitairen beperkt tot 100.0001 man. Tanks, zware artillerie, gifgas en vliegtuigen werden niet toegestaan, evenals schepen boven de 10.000 ton, en onderzeeboten.
Dit alles zou leidden tot het failliet gaan van veel bedrijven die gericht waren op de productie van oorlogsmateriaal. Bovendien zou de technische vooruitgang op defensie gebied, zo teniet worden gedaan. Om aan de beperkingsmaatregelen te ontkomen verplaatsen vele Duitse bedrijven hun fabrieken naar het buitenland, zodat daar de productie zou kunnen plaatsvinden. Zo werd er zelfs een complete munitiefabriek, verpakt in kranten, naar Nederland verscheept en daar in een pakhuis opgeslagen

In de eerste wereldoorlog hadden vele kleine bedrijven een bijdrage geleverd aan de oorlogsindustie, maar deze waren nu overgegaan in grote ondernemingen als Krupp, IG Farben, Siemens, Rheinmetall en Thyssen. Deze bedrijven schakelden in Duitsland zelf over op civiele industie. De naleving van deze regels werden gecontroleerd door de Intergeallieerde Controlecommissie (IGCC), die onder leiding stond van de Franse generaal, Charles Nollet. Echter deze commissie was niet erg efficiënt, en gaf alle gelegenheid om zich te laten misleiden. De commissie zelf bestond namelijk wel uit geallieerden, maar ze riep de hulp in van nieuw op te richten Duitse comités. Deze comités werden geacht te coördineren, maar ze zorgden eerder voor obstructie.
Ook de topstukken van de defensie-industrie hadden hun voorzorgsmaatregelen genomen. Ze richtten een vereniging op, de Geschäftsstelle für industrielle Abrüstung (Gefia), die als doel had de geallieerde controles tegen te werken, en zo de schade zoveel mogelijk te beperken. Ze speelden het ook klaar dat de IGCC eerst toestemming moest vragen voor een controle, en dat dit altijd onder Duitse begeleiding moest gebeuren. Dit kregen ze gedaan door te zeggen dat ze vreesden voor bedrijfsspionage.

Nederland leverde vooral een bijdragen aan de “Kriegsmarine.” Het voornaamste Nederlandse bedrijf wat hieraan meewerkte was het Haagse Ingenieursbureau voor Scheepsbouw (IvS), wat eigenlijk in handen was van drie Duitse werven namelijk: Germania (van Krupp, een kanonnenkoning uit Beieren), Weser, en Vulkan. Dit was vaker het geval. Duitse schaduwfirma’s die wel Nederlands eigendom leken te zijn, maar uiteindelijk toch in Duitse handen bleken te zijn. In Venlo lag ook zo’n bedrijf voor optische instrumenten, Nedinsco genaamd. Deze was in handen van Zeiss-Jena.
Er werd door deze firma in 1920 een chocoladefabriek in Venlo gekocht, en vervolgens werden er allerlei goederen naar getransporteerd om zo uit handen van de IGCC te blijven.
Maar omdat grote hoeveelheden goederen zouden opvallen werden anderen bedrijven ingeschakeld om zo een goede spreiding te krijgen.

Zo waren er allerlei bedrijven, sommigen zorgden voor de distributie, anderen voor de financiële aspecten zoals bijvoorbeeld het aandelenkapitaal.

De meest invloedrijke “Nederlandse” onderneming was het IvS (zie fig 3). Deze fabriceerden de beruchte Duitse U-boten. De firma Krupp ging samenwerken met het IvS, en het Kriegsmarineamt, maar wilde het IvS in de eerste instantie gebruiken als opslagruimte voor ontwerpen en tekeningen, en kantoorruimte. Maar later bleek dat ze het IvS veel beter konden gebruiken. Naar de buitenwereld toe pretendeerde het IvS een onderneming te zijn, die de hoog ontwikkelde kennis over onderzeeboten bewaarde en in stand hield, met als nevenfunctie materiaal aan buitenlandse marines te verkopen.
Zo kochten bijvoorbeeld Argentinië en Turkijë beiden een groot aantal onderzeeboten. Deze werden bij het openbaar herbewapenen weer worden teruggekocht. Het IvS draaide uitstekend. Er waren vele afnemers, en grote winsten. Er werd gespeculeerd over de opbouw van een grote U-boot-vloot. Maar de Kriegsmarine gaf toch de voorkeur aan kantoren in Duitsland, waardoor het gespecialiseerde personeel bij het IvS werd teruggeroepen. Zo kwam het IvS met een onttakelde staf te zitten en waren ze van geen betekenis meer voor de Duitse U-boot ontwikkelingen.

Ook vliegtuigbouwer Fokker maakte zich schuldig aan het overtreden van de regels van het Verdrag van Versailles. Zijn fabriek in Duitsland, “Fokker Flugzeugwerke” had geen bestaankans meer vanwege de vliegtuig beperkingen. Dit had Anthony Fokker snel door, en besefte dat snelle actie noodzakelijk was. Anders zou zijn bedrijf worden vernietigd door het IGCC. Daarom verhuisde hij het belangrijkste materiaal naar Nederland. Maar het IGCC was op de hoogte van dit transport. Daarom werd er door de chef van transport van Fokker, een afleidings manoeuvre op touw gezet. Deze had succes en zodoende werd deze techniek vaker toegepast. Nu ging Fokker voor de Duitsers gevechtsvliegtuigen maken, die in andere landen gestationeerd werden. Door de winsten die werden gemaakt, en de grote orders van de Duitsers, groeide Fokker uit tot een van de drie grootste bedrijven van Nederland.

Siemens vond de oplossing van zijn probleem in het bedrijf Hazemeyer-Signaal-Apparaten te Hengelo. Een bedrijf wat actief was op het gebied van gespecialiseerde meet- en richtapparatuur. Hazemeyer was een belangrijk leverancier van de Koninklijke Marine op het gebied van de vuurleiding. In het begin had de Koninklijke Marine geen bezwaar tegen de toenemende invloed van Siemens in het bedrijf, maar door de politieke ontwikkeling van Duitsland rond de jaren dertig, veranderde dit.
Er werd geëist dat er meer Nederlanders in dienst kwamen. Deze kwamen er noodgedwongen ook, maar op lage functies die eigenlijk weinig betekenis hadden.
Toen er gesproken werd over een zusteronderneming, met alleen Nederlandse werknemers, brak de oorlog uit en was deze kwestie niet meer aan de orde.

De bevolking van Nederland was veelal ook op de hoogte van de gebeurtenissen rondom de oorlogsfabrieken. Dit kwam door de grotere (negatieve) belangstelling voor de oorlogsindustie. Er waren rond 1930 zo’n dertigtal vredesgroeperingen die de industie verantwoordelijk stelde voor oorlogen en het aanwakkeren van conflicten.
Zo werden bijvoorbeeld fabrieken met aanstootgevende teksten beschilderd (zie fig.4). Ook werden er eisen ingediend om bedrijven die geen Nederlanderse leiding hadden, geen vergunningen meer te verstrekken. De uitgeoefende druk van actiegroepen werden steeds groter, zodat de
regering (tegen haar zin) een onderzoek instelde naar de
invloed van buitenlandse bedrijven in Nederland. Een
onderzoek dat overigens niets opleverde. Wat wel opviel was
de terughoudendheid van het Ministerie van Defensie, toen
het ging om een onderzoek met betrekking tot Hazemeyer
-Signaal. Maar de Nederlandse Regering wilde vaak ook
helemaal niet dat de waarheid aan het licht kwam. Vaak waren
het Nederlandse werknemers die op straat kwamen te staan
als een “oorlogsfabriek” zou worden gesloten. Dit risico liep de regering liever niet. Het ging zelfs zo ver dat een Nederlands bedrijf, dat op dat moment niet zo goed liep, mocht gaan samenwerken met een Duits bedrijf dat machinegeweren produceerde. Dit was geheel in strijd met het Verdrag van Versailles, en toch werd dit samenwerkingsverband toegejuicht door de Burgemeester. Dus er kan geconcludeerd worden dat men eigenlijk er niets aan deed, ofschoon men er wel van op de hoogte was. Toen in de Duitse Rijksdag allerlei onthullingen werden gedaan over illegale practijken, leken de geallieerden onverrast en ongeïnteresseerd. Ze waren na het verdrag van Locarno* er veel meer bij gebaat om de goede verstandhouding in Europa te handhaven, en zo kwam het mede dat het Verdrag van Versailles faalde, en ook dat de industrieëlen voldoende mogelijkheden kregen om hun handel voort te zetten.
* Zie Bijlage

Voetnoten

1. “Sprekend verleden” bovenbouw HAVO/VWO Deel 1.
© 1994 van B.V. Uitgeverij Nijgh & Ditmar, rijswijk, Nederland.
Hoofdstuk VI: “Westeuropese democratieën in moeilijkheden”
Blz 71, “Het verdrag van Versailles”
2. Spiegel historeal® 1990, Blz. 178 – 184,
“Nederlandse hulp bij de illegale duitse herbewapening na 1920”
J.Enklaar

Hoe stond het leger tegenover de door Hitler ingevoerde veranderingen? In hoeverre was er verzet of coöperatie?

Voor de Duitse bevolking en ook voor de buitenwereld kenmerkte nationaal-socialistisch Duitsland zich door een buitengewoon fel militarisme. De gehele maatschappij werd ‘opgevoed’ met militaire waarden. Hitler stimuleerde een geweldige uitbreiding van de Duitse strijdkrachten. Dit was, in de ogen van de Wehrmacht, alleen maar positief te noemen. Toch bleek na verloop van tijd dat de militairen, in vergelijking tot het Pruisisch-Duitse keizerrijk en de republiek van Weimar, een ten opzichte van de NSDAP ondergeschikte positie in het Derde Rijk gingen innemen.

In de tijd van Bismarck was het Pruisische leger het instrument waarmee de Duitse eenheid tot stand werd gebracht. Het officierskorps van dat leger werd dan ook een maatschappelijke elite in het nieuwe keizerrijk. De legerleiding oefende vooral macht uit in de buitenlandse politiek. Echter na het verlies van de eerste wereldoorlog en de val van het keizerrijk leek hier enige verandering in te komen. Maar omdat in de tijd van de republiek van Weimar de situatie in Duitsland onrustig en onstabiel was, hadden de leiders van de democratiesche republiek de oude legertop weer nodig. Zij kregen de taak orde te houden. Het was president Paul von Hindenburg (april 1925-1934) die uiteindelijk toestond dat het leger een beslissende invloed kreeg op de regeringspolitiek. Achteraf was het zijn militaire adviseur generaal-majoor Kurt von Schleicher die aan de touwtjes trok.

Op 30 januari 1933 werd Adolf Hitler kanselier van een coalitieregering. Behalve Hitler zater er slechts twee nationaal-socialisten in, respectievelijk Göring en Frick. De andere zeven ministers, onder wie von Papen en Hugenberg, waren partijloze conservatieven of hoorden tot de DNVP. ‘Wij hebben Hitler in dienst genomen,’ verklaarde von Papen, ‘In twee maanden hebben we hem zo in een hoek gedrukt dat hij piept.’1 Hitler echter had andere plannen bleek later.

In het leger werd de regering-Hitler met redelijk positieve verwachtingen begroet. De republiek van Weimar was niet populair in het leger, omdat de regeringen bleven vasthouden aan de militaire bepalingen van Versailles. Veel officieren vonden ook dat het democratische systeem niet geschikt was om een volk goed voor te bereiden op oorlogvoering. Bovendien gaf de democratie de Sociaal-Democratische Partij (SPD) voldoende mogelijkheden om invloed uit te oefenen. En binnen deze partij heerste nogal sterke pacifistische en anti-militaristische denkbeelden. Hitler beloofde de beperkingen van het verdrag van Versailles af te breken en aan een onbeperkte herbewapening en uitbreiding van het leger te beginnen. Vergroting van het leger hield automatisch in dat er meer promotiekansen waren voor jonge officieren. Alleen hierom kreeg dit initiatief steun.
Hitler beloofde verder de positie van Duitsland als grootmacht te herstellen door allereerst de na de eerste wereldoorlog verloren gegane gebieden voor het Rijk te herwinnen. Deze verlangens waren er al bij de legerleiding, en Hitler kwam ze gewoon tegemoet. Als enige minpuntje werd het grove, volkse optreden van Hitler veroordeeld. De oudere aristocratische officieren, keurden dit vooral af.

Omdat von Hindenburg vertrouwen leek te hebben in de nieuwe regering, en de visie en gezag van de veldmaarschalk en ‘held’ uit de eerste werldoorlog in het leger zeer groot was, verdwenen de meeste twijfels ten opzichte van de regering-Hitler. Toen in 1933 Schleicher als minister van Defensie, werd vervangen door generaal Werner von Blomberg, en Werner von Fritsch als legerbevelhebber, werden deze eerst ingepalmd door Hitler. Die deed de belofte om de autonome positie van het leger intact te laten. Hierdoor ontstond een beter kontakt tussen Hitler en de legerleiders. Zo maakte Hitler zijn plannen voor de herbewapening en het uitroeien van het pacifisme kenbaar. Het leger keek dan ook onverschillig toe toen Hitler na enige maanden zijn conservatieve regeringspartners uitschakelde en alle politieke partijen behalve de NSDAP verbood.

Een bedreiging voor het leger was de SA2 (sturmabteilung). Deze
paramilitaire macht van de NSDAP was in 1934 al uitgegroeid tot een miljoenen legerechter wel grotendeels ongewapend.
De leider van de SA Ernst Röhm stelde zich niet meer tevreden met de gebruikelijke SA-taken zoals het terroriseren van politieke tegenstanders en het voeren van propaganda.Hij wilde van zijn knokploegleger het nieuwe Duitse leger van de toekomst maken. De Reichswehr moest dan in de SA opgaan en het kader en de manschappen van deze organisatie opleiden tot volwaardige militairen. Vanzelfsprekend verzette het leger zich fel tegen deze plannen, want zijn status en autonome positie zouden dan verloren gaan. De legertop drong er bij Hitler op aan om Röhms ambities krachtdadig de kop in te drukken. Na lang aarzelen koos de Nazi-leider voor de Reichswehr en tegen de SA. Het belangrijkste motief hiervoor was de steun die hij nodig had van de militaire experts uit het leger, voor de herbewapening en zijn expansieplannen in het buitenland. Bovendien zou een door de SA opgeslokt leger, een onprofessionele, amateuristisch karakter krijgen. Dit paste niet in de Nazi-ideologie. En als derde punt, als Hitler niets aan de SA zou hebben gedaan, zou het leger misschien wel zelf tegen de SA in het geweer komen. En dan zou Hitler kansloos moeten staan toekijken. Een aantal belangrijke kopstukken van de SA, waaronder Röhm, werden uit de weg geruimd in de nacht van de lange messen, 30 juni 1934.

Nu de SA als gevaar was uitgeroeid, was de Reichswehr bereid Hitler te steunen bij zijn wens om de ziekelijk geworden president von Hindenburg, na zijn dood op te volgen. Op 2 augustus 1934 stierf von Hindenburg en op dezelfde dag legden de generaals, officieren en manschappen van leger en marine een eed af van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Adolf Hitler als Führer van staat en volk, en als opperbevelhebber van de strijdkrachten. Von Blomberg dacht door deze eed Hitler nauwer aan het leger en zijn wensen te binden. In de praktijk werkte het echter andersom uit.

Tot aan 1938 zijn de strijdkrachten erin geslaagd zich althans ogenschijnlijk af te schermen tegen verregaande partijbemoeienis. Dat was waar ze zo hard naar streefden. Symbolisch hiervoor was bijvoorbeeld dat de oude militaire groet gehandhaafd bleef en niet werd vervangen door de Hitlergroet. Op 16 maart 1935 kondigde Hitler de invoering van de dienstplicht aan. Hiermee verklaarde hij tevens het vervallen van alle bepalingen van het verdrag van Versailles. Het proces van herbewapening en uitbreiding van Duitslands militaire kracht werd nu in een geforceerd tempo doorgevoerd (zie o.a.vorige hoofdstuk.).

Om te zorgen dat het leger Hitler en de NSDAP zou blijven steunen werden er door Von Blomberg ‘Nationaal-Politiek Unterricht’ gegeven op de krijgsscholen van leger, marine en luchtmacht. Het voorzag in de indoctrinatie van de officierscadetten in de beginselen van het nationaal-socialisme. Von Blomberg dacht door het doen aanvaarden van een grote dosis nationaal-socialistische indoctrinatie door zijn militairen bij Hitler en de NSDAP het recht op organisatorische autonomie te verdienen. Door de invoering van de dienstplicht kwam er ook een grotere invloed van de nieuwe jonge soldaten. Voor ze bij de Reichswehr kwamen, hadden ze vaak al een militaire opleiding gehad bij de Hiterjugend, de Reichsarbeitsdienst of een andere partijorganisatie. Daar hadden ze een diepgaande indoctrinatie ondergaan in de nationaal-socialistische ideologie. Zo kwamen er steeds meer overtuigde Nazi’s het leger binnen. Dit werkte natuurlijk alleen maar in het voordeel van de partij.

Het leger wilde de autonome positie die ze had, kostte wat kost behouden, maar deze werd al voor 1938 aangestast. In mei 1933 kreeg het Ministerie van Rijksluchtvaart, dat onderleiding van Hermann Wilhelm Göring stond, de opdracht een militaire luchtvaartdienst op te richten. Göring was een van de belangrijkste partijgenoten van Hitler en dacht er niet aan de legertop bij te staan bij het beschermen van de eigen autonomie. Hij beschouwde de Luftwaffe als zijn privé-domein, dat overigens niet als een verlengstuk van de partij moest worden beschouwd. De Duitse luchtmacht kreeg zelfs de beschikking over eigen grondtroepen, die als een tegenwicht tegenover het leger konden worden gebruikt.

Als beloning voor zijn aandeel in de liquidatie van de SA-top kreeg Heinrich Himmeler in juli 1934 toestemming om uit de SS (Schutz-Staffel) een eigen militaire macht te formeren. Deze eenheid kreeg de naam 'actieve troepen' (Verfügungstruppen) van de SS en stond later bekend als de Waffen-SS.
De Wehrmacht leiding slaagde er nog voor de oorlog in de sterkte van deze troepenmacht niet boven de drie à vier regimenten te laten uitkomen. Himmler wilde de militaire macht van de SS uitbreiden en stookte voortdurend Hitler op tegen de Wehrmacht leiding. Volgens de Reichsführer van de SS waren de generaals niet echt politiek loyaal en zwoeren zij samen tegen het regime. in de loop van 1937 leken Himmlers bezwaren tegen de legerleiding een gewillig oor bij Hitler te vinden.

De plannen van de Führer om in 1936 het Rijnland te bezetten stuitte op verzet van Von Blomberg. Ook de inname van Oostenrijk en Tsjechoslowakije kon weinig enthousiasme bij hem opwekken. Er werd gewezen op de gevaren voor een oorlog tegen de Britten en Fransen. Hitler zelf geloofde niet dat de twee Westerse mogendheden zouden ingrijpen, en beschuldigde zijn generaals als ongeneeslijke pessimisten. Hitler wilde sneller beslissen over het leger, en intuïtief kunnen handelen.

Daarom schafte hij, na op 4 februari 1938 legerbevelhebber Werner von Fritsch en minister van Defensie Werner von Blomberg ontslagen te hebben, het ministerie van Defensie af, en nam zelf het directe bevel over de strijdkrachten op zich. Zo kwam het leger als een uitvoerend instrument in de handen van de Führer.

Pas in de loop van de oorlog ontstond er een actief verzet onder een minderheid van de officieren tegen de degradatie van het leger. Dit verzet leek kans te maken toen de voor Duitsland vanaf 1943 verslechterende militaire situatie het gezag van Hitler als oorlogsleider enigszins aantastte.

Er waren natuurlijk nog meer motieven te noemen voor het verzet. Bijvoorbeeld morele overwegingen zoals verontwaardiging over de wreedheden van de SS en Sicherheitsdienst, de inlichtingen- en spionageafdeling van de SS, in het oosten. Deze motieven hebben zeker meegespeeld, maar ze schijnen niet doorslaggevend te zijn geweest. De uitkomst van dit verzet resulteerde in de aanslag van kolonel Claus Philipp von Stauffenberg op Hitler, en een couppoging in Berlijn op 20 juli 1944. Zowel de aanslag als couppoging
mislukten. Het gevolg hiervan waren verdere vernedering en degradatie van het leger. Verscheidene honderden officieren werden gearresteerd en terechtgesteld (zie fig 5).
Symbolisch voor de gelijkschakeling van het leger, met de partij was de vervanging van de traditionele militaire saluut door de Hitlergroet binnen de strijdkrachten. Dit gebeurde binnen
vier dagen na von Stauffenbergs mislukte aanslag. De meest gehate concurrent van de Wehrmacht, de Waffen-SS, kreeg een gelijke status als het leger, de marine en de Luftwaffe.
Himmler kreeg bovendien het commando over het 'thuisleger'.
Hieronder verstond men de in Duitsland zelf opgestelde reserve-
troepen van de Wehrmacht. De Reichsführer mocht vanuit dit leger troepen voor het front opleiden en opstellen. De formele scheiding tussen parij en leger werd nu definitief opgeheven.
Een bevel van de overheid op 22 September 1944 veranderde artikel 26 van de legerwet.

Voetnoten

1. “Sprekend verleden” bovenbouw HAVO/VWO Deel 1.
© 1994 van B.V. Uitgeverij Nijgh & Ditmar, rijswijk, Nederland.
Hoofdstuk VII: “De Republiek van Weimar door de nationaal-socialisten ten val gebracht “
§4: “De Republiek van Weimar maakt plaats voor het Derde Rijk”
Blz. 86
Hoofdstuk VIII: “Het nationaal-socialisme in de praktijk”
§5: “Verzet in Duitsland”
Blz. 101
2. Encarta® 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. © 1993-1997 Microsoft Corporation/ Elsevier.
3. Spiegel historeal® 1989, Blz. 210 – 216,
“Het Duitse leger in het Derde Rijk (1933 – 1945)”
M.M.A. Roeder

Conclusie

Wie steunden de Duitse overheid met het opbouwen van een nieuwe oorlogsmachine en welke motieven schuilden hierachter?

Met de informatie uit de deelvragen kunnen we antwoord geven op de hoofdvraag: “Wie steunden de Duitse overheid met het opbouwen van een nieuwe oorlogsmachine en welke motieven schuilden hierachter?”
Een opsomming van ‘schuldigen’ en motieven:

 De overheid: De overheid werd, na het falen van de Republiek van Weimar, volledig overgenomen door de nazi’s. Deze steunden uiteraard de ideeën van ‘hun’ Führer. Door de bevolking te indoctrineren en te terroriseren kwam er vanuit hun kant geen verzet. De overheid wilde als voornaamste punt bereiken dat er weer één groot Duitsland zou komen, Het Derde Rijk. Dat was het belangrijkste motief om een militaire politiek te steunen. Dit kon niet anders, omdat het ‘herroveren’ van de ex-Duitse gebieden, in strijd was met het Verdrag van Versailles. Hierdoor kregen ze gegarandeerd problemen met Engeland en Frankrijk Deze problemen zouden in een oorlog resulteren als de nazi’s met hun plannen verder doorgingen.

 Het bedrijfsleven: Het bedrijfsleven kon gigantisch profiteren van de aankomende oorlog. Er werden bij tientallen bedrijven, grote orders geplaatst, waardoor de eigenaren enorme winsten maakten. Hiermee verwierf de overheid de steun van het bedrijfsleven. Bovendien werden ze zo ook beschermd tegen het communisme. Om al in een vroeg stadium te beginnen met de herbewapening, werd een deel van de productie uitbesteed aan landen zoals Nederland en Zweden. Zo konden de nazi’s de maatregelen van het Verdrag van Versailles omzeilen. Deze buitenlandse bedrijven waren vaak gewoon overgekocht door Duitse ondernemingen, maar er waren ook Nederlandse bedrijven die meewerkten. Dit deden ze natuurlijk om de winst, technologische vooruitgang, en als onbedoeld gevolg werden ze natuurlijk beschermd in de oorlog.

 Het leger: Door de grote uitbreidding van het leger konden veel mensen in deze sector werk krijgen. Dit had als gevolg dat er meer officieren nodig waren, en er zodoende betere promotie kansen kwamen. Ook heb betere materiaal dat ter beschikking gesteld werd, kreeg een warm onthaal. De langzaam verdwijnende autonome positie van het leger, wat Von Blomberg tevergeefs probeerde te behouden, leverde wel een negatieve invloed. Maar de steeds groter wordende partij inbreng beperkte dit verzet.

Dit zijn de drie grote ‘boosdoeners’ zou je kunnen zeggen. Waarschijnlijk zijn er nog wel wat kleinere instanties die aan de opbouw van de Duitse oorlogsmachine hebben bijgedragen, maar deze groepen hebben waarschijnlijk maar een hele kleine bijdrage geleverd.

Bijlagen

Bijlage 1: Verdrag van Locarno

Het verdrag van Locarna vond plaats van 5 tot 16 okt. 1925 en eindigde met het sluiten van acht verdragen die op 1 December 1925 getekend werden. De conferentie was bijeengekomen om een oplossing voor het probleem van de handhaving van de wereldvrede te vinden, nadat het protocol van Genève verworpen was. De belangrijkste verdragen die te Locarno gesloten werden, waren:

a. een verdrag van wederzijdse garantie van de Frans-Duitse en de Belgisch-Duitse grenzen tussen Duitsland, België, Frankrijk, Engeland en Italië;
b. arbitrageconventies tussen Duitsland en België en tussen Duitsland en Frankrijk;
c. arbitrageconventies tussen Duitsland en Polen en tussen Duitsland en Tsjechoslowakije;
d. een Frans-Pools en een Frans-Tsjechoslowaaks verdrag van wederzijdse bijstand in geval van agressie door Duitsland.
De conferentie van Locarno bracht enige ontspanning in de internationale situatie. In Frankrijk vond men echter dat Duitsland zich in feite ten aanzien van Oost-Europa niet aan banden had laten leggen. Vandaar de Franse toenadering tot de Kleine Entente en tot Polen en het Frans-Russische verdrag van wederzijdse bijstand van 2 mei 1935.
Uit "Locarno, Pact van", ® Encarta® 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. © 1993-1997 Microsoft Corporation/ Elsevier.

Bijlage 2:
Dolkstootlegende, Tijdens een parlementair onderzoek naar de oorzaken van het ineenstorten van het keizerrijk verklaarde Ludendorff (deze generaal had Hitler bijgestaan in zijn eerste poging tot een staatsgreep), dat het Duitse leger met een dolkstoot in de rug door de socialisten en communisten was geveld. Deze opmerking werd door het deel van de pers dat meer voelde voor het oude Duitsland dan voor de Republiek met grote koppen verspreid. In de kringen van de conservatieven en van het leger vond de uitspraak gretig gehoor. Zo ontstond de ‘Dolkstootlegende’, een vervalsing van de geschiedenis; Het waren de generaals geweest die op vrede hadden aangedrongen bij de keizer. De ‘Dolkstootlegende’ heeft waarschijnlijk de staatsgreep van een legereenheid in 1920 beïnvloed. De opperbevelhebber van het leger weigerde in te grijpen: zijn soldaten zouden niet schieten op frontkameraden. Toen echter de arbeiders en ambtenaren massaal staakten, gelastte de conservatief Kapp die door de opstandelingen tot regeringsleider was benoemd, de onderneming af. Alleen Kapp werd gestraft.

Bron: “Sprekend verleden” bovenbouw HAVO/VWO Deel 1.
© 1994 van B.V. Uitgeverij Nijgh & Ditmar, rijswijk, Nederland
Hoofdstuk VII: De republiek van Weimar door de Nationaal-Socialisten ten val gebracht. Blz 83
Literatuurlijst

1. “Sprekend verleden” bovenbouw HAVO/VWO Deel 1.
© 1994 van B.V. Uitgeverij Nijgh & Ditmar, rijswijk, Nederland.
Hoofdstuk VI, VII, VIII
Blz 71, 83, 84, 86, 94, 95, 101

2. Encarta® 98 Encyclopedie Winkler Prins Editie. © 1993-1997 Microsoft
Corporation/ Elsevier.
3. Spiegel historeal® 1989, Blz. 210 – 216,
“Het Duitse leger in het Derde Rijk (1933 – 1945)
M.M.A. Roeder
4. Spiegel historeal® 1990, Blz. 178 – 184,
“Nederlandse hulp bij de illegale duitse herbewapening na 1920”
J.Enklaar
3. Produceren voor de vijand. Landverraders?
De economische collaboratie in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Blz. 4 – 7
Mariken Lenaerts
4. Landverraders. Wat deden we met ze?
Blz. 281 e.v.
Koos Groen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

WO1 is apert duivels geweest omdat het wereldkapitaal in 1916 bijeen kwam met bedoeling om de oorlog zolang mogelijk te laten duren. In 1918
werd wegens bloedige volksopstanden
WO ! voortijdig gestopt.

10 jaar geleden

I.

I.

wat meer rond 1933 zou prettig zijn geweest, maar bedankt :)

6 jaar geleden

I.

I.

):

ik bedoel wat meer info

6 jaar geleden