De Verlichting

Beoordeling 5.9
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas vmbo | 4454 woorden
  • 8 mei 2002
  • 539 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.9
  • 539 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Kennismaking met enkele verlichte denkers

1. Wat is Verlichting?

Met Verlichting bedoelt men een bepaalde periode in de Europese cultuurgeschiedenis. Er wordt een veroordeelsvrije houding mee aangeduid die gebaseerd is op verstandelijk inzicht. Deze houding kwam in het bijzonder naar voren in de “Verlichting” genoemde periode, die ruwweg samenvalt met de 18e eeuw.
In nog beperkter zin kan de term Verlichting worden gebruikt als naam voor een los verband van min of meer gelijkgezinde intellectuelen in Engeland, Frankrijk en Duitsland in de 18de eeuw. Men voelde zich aan elkaar verwant door een gemeenschappelijke strijd tegen vooroordelen en traditionele autoriteit en in een gezamenlijke inspanning tot informatie van breder kring.

1.1. Het tijdperk

Het is zeer moeilijk aan te geven, wanneer de Verlichting als cultuurhistorisch tijdperk begint en eindigt, vooral omdat vele kenmerken ook vroeger en later voorkomen. Gemakshalve zou men als begin de Engelse omwenteling (de "Glorious Revolution") van 1688 kunnen rekenen en als einde de Franse Revolutie van 1789.
Het begrip "Verlichting" dateert pas van het midden van de 18de eeuw. Hierbij is het merkwaardig dat het Frans geen direct vergelijkbaar begrip heeft voor Verlichting. Men spreekt van "le siècle des lumières" als synoniem voor de 18de eeuw; ook het begrip "le siècle des philosophes" is bekend. In sommige bronnen wordt ook het begrip "les Lumières" gebruikt.

1.2. Beschrijving
De Duitse wijsgeer Immanuel Kant, die in Duitsland het einde van de Verlichting en het begin van een nieuwe filosofie betekent, heeft de bekendste en treffendste typering van de Verlichting gegeven. Voor hem is de Verlichting: “het vertrek van de mens uit zijn onmondigheid waaraan hij zelf schuld is”. Als leuze voor de Verlichting ziet hij: “durf je eigen verstand te gebruiken”. De Europese mens kon zijn verstand niet gebruiken, omdat dat hem belet werd door traditionele machten en autoriteiten en omdat hij nog te veel gebonden was aan niet-verstandelijke opvattingen. De Verlichting voerde dus een strijd tegen vooroordelen, bijgeloof en, niet in het minst, tegen de instanties die deze in stand hielden. De Verlichte denkers zijn er allen van overtuigd dat deze strijd gewonnen kan worden, omdat de mens nu eenmaal steeds evolueert. In het algemeen heeft de Verlichting een optimistisch geloof in de mogelijkheden van de mens en vooral in zijn rede. De rede is het middel waarop de waarheid getest kan worden. De rede is maatstaf voor wat natuurlijk is en moet zo alles wat boven- of onnatuurlijk is bestrijden.
In de Verlichtingstijd begon de emancipatie van alle mogelijke onderdrukte en achtergebleven groepen en categorieën, zoals bijv. de emancipatie van de boer, de vrouw en de jood. De overtuiging heerste dat ieder mens mee kan profiteren van de vruchten van de Verlichting.
De filosofie bloeide in alle mogelijke open, besloten en geheime genootschappen (salons, academies, loges van vrijmetselaars, genootschappen van rozenkruizers) en werd naar buiten gebracht in allerlei tijdschriften.
Dit had ook op internationaal gebied zijn gevolgen. Op het gebied van recht en staat werden onredelijke tradities bestreden en er werden pogingen ondernomen om onmenselijke toestanden als heksenverbranding en het martelen van gevangenen te laten ophouden. In plaats van het goddelijk gezag kwam de theorie van het sociaal contract naar voren. Het historisch gegroeide als zodanig werd weinig gewaardeerd: pas ná de Verlichting kwam in het tijdperk van de romantiek de grote belangstelling voor de geschiedenis.


2. Voltaire

De naam Voltaire is de schrijversnaam van de Fransman François-Marie Arouet (Parijs 21 nov. 1694 - 30 mei 1778). Het is een anagram van Arouet l.j. (=le jeune). Deze Franse schrijver was één van de leidende figuren van de Verlichting. Zijn haat en spotzucht betroffen vooral de kerk, die hij beschouwde als de grootste belemmering voor de vooruitgang.

2.1. Leven
Voltaire werd in 1694 in Parijs geboren als zoon van een notaris. Hierdoor ontving hij een goede opvoeding aan het jezuïetencollege Louis-le-Grand, waar zijn satirisch en verbaal talent al spoedig tot uiting kwam. In zijn jonge jaren leidde hij een nogal turbulent leven op kosten van anderen, wat hem zowel vrienden als vijanden bracht, en hij vergaarde zonder veel gewetensbezwaren een fortuin.
Na al eerder (in 1717) in de Bastille, de Parijse gevangenis, te zijn opgesloten wegens een (in het Latijn) geschreven satire op de regent, kwam hij daar opnieuw terecht via een twist met de Chevalier de Rohan-Rabot .
In 1726 moest hij uitwijken naar Engeland, dat hij reeds had leren kennen door zijn contacten met de verbannen Lord Bolingbroke. Hij bewonderde veel in Engeland, maar niet de Engelse kookkunst. “Ze hebben daar wel dertig godsdiensten,” schreef hij later, “maar slechts twee sauzen…” Zijn kennismaking met het land van Locke, Pope en Newton inspireerde hem tot de "Lettres philosophiques" of "Lettres anglaises". Deze rechtvaardiging van de Verlichtingsideeën verscheen pas in 1734 en lokte een schandaal uit wegens de rationalistische gerichtheid en anti-Franse gezindheid.
Voltaire week uit naar het buitenverblijf te Cirey-sur-Blaise in Champagne van zijn maîtresse, de markiezin Émilie du Châtelet. Hier begon hij met zijn historisch en maatschappelijk werk, dat zijn bekroning kreeg in “Le siècle de Louis XIV” (1751) en “Essai sur les mœurs” (1756). Daarnaast schreef hij in deze periode ook een aantal toneelstukken.
Toen Émilie in 1749 stierf, vertrok hij naar Berlijn om aan het hof van Frederik II zijn ideeën uit te dragen. Dit liep echter op een mislukking uit, daar Voltaire het niet met Frederik II kon vinden. Hij vluchtte weg uit Berlijn en werd zelfs een tijd gevangen gehouden in Frankfurt.
Dankzij de invloed van zijn vriend, doctor Tronchin, kon hij zich vestigen op het landgoed Les Délices bij Genève. Hij verwierf ook de titel van graaf de Tourney. Het was echter niet allemaal rozengeur en maneschijn: een artikel dat hij samen met d'Alembert had geschreven en onder de titel “Genève” in de Encyclopédie was verschenen, verkoelde zijn relatie met de predikanten. Bovendien werd zijn gemoedsrust verstoord door een aanvaring met Jean-Jacques Rousseau .
In 1759 vestigde hij zich op het landgoed Ferney, bij de Zwitserse grens, waar hij als “patriarche de Ferney” een zeer grote werkijver aan de dag legde. Hij was niet alleen grootgrondbezitter, maar vooral –en dit blijkt uit tal van publicaties- briefschrijver en pamflettist. Hij bleef met evenveel energie wantoestanden op kerkelijk en justitutioneel gebied hekelen.
Vlak voor zijn dood viel Voltaire in Frankrijk nog een algemene waardering ten deel: in 1778 werd hij op grootse wijze gehuldigd in de Académie française bij de opvoering van zijn toneelstuk Irène.

2.2. Werk
Het toneelwerk van Voltaire is klassiek en, volgens bepaalde bronnen, weinig interessant. Zijn poëzie is voornamelijk koele ideeënpoëzie, uitgezonderd zijn "Poème sur le désastre de Lisbonne" (1756) dat persoonlijker aspecten bevat. Zijn letterkundig talent blijkt vooral uit heldere, geestige en dikwijls ook wrange romans als "Candide" (1759). Dit werk is en blijft zijn meest bekende boek, dat nog altijd goed leesbaar is.
Het historisch werk van Voltaire krijgt pas echt betekenis als men het vergelijkt met dat van tijdsgenoten en voorgangers: Voltaire heeft veel meer aandacht voor bronnen, ooggetuigen, onuitgegeven documenten, … en staat steeds kritisch tegenover zijn archiefarbeid. Zijn cultuurgeschiedenis in "Essai sur les mœurs" getuigt van een grote redelijkheid en verdraagzaamheid. Voltaire ziet in dit werk de beschaving als een strijd tussen rede en fanatisme, waarin de rede zal overwinnen.
Uit al zijn werk komt Voltaire naar voren als een satirische, levendige geest. Hij lijkt eerder een agressief dan een constructief denker.

2.3. Denkbeelden en ideeën
Voltaire was de schrijver die de ideeën van de Verlichting het meest spitsvondig onder woorden bracht. Zijn haat en spotzucht golden vooral de kerk, die hij beschouwde als de grootste belemmering voor de vooruitgang. Hij noemde de Bijbel een stompzinnig samenraapsel van waardeloze verhalen en de kerkvaders zoals Ambrosius en Hieronymus domme en onnozele lieden. Vele van zijn werken werden dan ook door de kerk verboden en in het openbaar verbrand.
Voltaire was een typisch “verlicht” burger uit de 18e eeuw, met een sterk aristocratische houding, voor wie het gewone volk niet telde. Hiervan getuigt zijn “Jusqu"à quel point on doit tromper le peuple” (1756). Hij eiste stemrecht voor de derde stand, maar alleen voor de bezitters. Hij was voor de vrijheid, maar met beperkingen.
Voltaire was een hevig tegenstander van de doodstraf. “Een gehangen man dient nergens meer voor,” vond hij. Hij ijverde voor praktische hygiënische maatregelen, zoals het oprichten van ziekenhuizen, inenten tegen de pokken, …
Zijn godsdienstige denkbeelden waren sterk beïnvloed door zijn verblijf in Engeland. Hij was deïst , geloofde aan een persoonlijke God en was verontrust over al het kwade in de wereld. Hij twijfelde aan de onsterfelijkheid van de ziel en aan het bestaan van de vrije wil, al had hij graag gehad dat ze bestonden.

3. Jean-Jacques Rousseau

Deze Franse schrijver, politiek theoreticus en componist (Genève 28 juni 1712 – Ermonville 2 juli 1778) was afkomstig uit een naar Genève uitgeweken familie van Hugenoten . Zijn vader was een weinig succesvol klokkenmaker en zijn moeder stierf enkele dagen na zijn geboorte. Hij kreeg een opleiding tot graveur. De enigszins wereldvreemde, optimistische kijk op het leven van de filosoof berustte vooral op zijn onwankelbare vertrouwen in de natuur.

3.1. Parijse jaren
In 1728 verliet Rousseau Genève en werd in Annecy door toedoen van Mme de Warens (1700-1762), een vrouw bij wie hij later in Les Chamrettes bij Chambéry woonde en die hij “Maman” noemde, rooms-katholiek. Hij reisde door Europa en vervulde veel uiteenlopende functies. In Parijs bood hij aan de Académie een door hem gecomponeerd muziekwerk aan, maar dit had geen succes. Door bemiddeling van enkele rijke beschermers werd zijn opera “Les muses galantes” (1745) opgevoerd. Hij kwam in contact met de encyclopedisten en sloot vriendschap met Diderot .
In Parijs begon ook de langdurige en veelvuldig onderbroken relatie met het dienstmeisje Thérèse Levasseur, dat hem vijf kinderen schonk, die door Rousseau allen naar een vondelingengesticht werden gebracht.
Zijn grote succes begon in 1750, met een prijsvraag die uitgeschreven was door de Académie van Dijon. Hij won deze met zijn “Discours sur les sciences et les arts” (1750). Het ging om een antwoord op de vraag of de menselijke moraal er door de ontwikkelingen van de kunsten en wetenschappen op vooruit of achteruit was gegaan. Het bekroonde antwoord van Rousseau stelde dat de moraal was achteruit gegaan. De mens was volgens Rousseau van nature goed, maar werd juist door de zogenaamd beschaafde maatschappij bedorven.
Het revolutionair getinte geschrift oogstte een geweldig succes, evenals zijn blijspel "Le devin du village" (1752). De onafhankelijke Rousseau, die zijn leven lang een afkeer had was van alle etiquette, besloot zich terug te trekken uit mondaine kringen en als muziekkopiist in zijn onderhoud te voorzien.
In 1754 keerde hij terug naar Genève, waar hij weer overging tot het protestantisme. Hij schreef het zeer belangrijke "Discours sur l"origine et les fondements de l"inégalité parmi les hommes" (1754), waarin hij de natuurstaat verheerlijkt. Hij betoogt dat die verdwenen is door de introductie van de eigendom (concreet betekent dit de grondverdeling), oorzaak van alle ongelijkheid en uitbuiting. Hij beschouwt de staat als een creatie van de machtigen, die de bestaande toestand willen behouden.

3.2. Terug in Genève
Hij vestigde zich in het door Mme d"Epinay beschikbaar gestelde tuinhuis L"Ermitage, waar hij begon aan zijn werk over opvoedkunde en aan "Julie ou La nouvelle Héloïse", een liefdesroman in brieven, die onmiddellijk na verschijnen (1761) in korte tijd zeer veel drukken haalde. Dit wijst op een doorbraak in het rationalisme van zijn tijd. Het is een smachtend verhaal van een liefde tussen een adelijk meisje en haar niet-adelijke leraar. De roman sloot helemaal aan bij een tijdsgevoel dat zich later in de romantiek ten volle zou ontplooien.
Jammer genoeg werd zijn positie volledig onmogelijk na de publicatie van "Du contrat social ou Principes du droit politique" (1762) en van "Émile ou De l"éducation" (1762). In het eerstgenoemde werk stelt Rousseau dat de maatschappelijke orde berust op een vrijwillig aangegaan contract tussen de leden die beloven om gehoorzaam te zijn aan de wil van de gemeenschap. Hij beschouwt de gemeenschap als een collectieve persoonlijkheid die onfeilbaar is. Alle macht berust bij de vrije burgers: zij zijn soeverein. Volgens Rousseau zijn deze ideeën best te verwezenlijken in een kleine democratische staat, zoals Genève of de antieke stadsstaat.
In het tweede werk knoopte hij aan bij de opvatting van de Engelse filosoof John Locke . Die had in 1690 de ziel van een pasgeboren baby al eens omschreven als een "tabula rasa" of een onbeschreven blad. Waar werd dit blad door beschreven? Daar is maar één antwoord op mogelijk, vond Locke, en dat is door ervaring. In "Emile" pleitte Rousseau ervoor het kind niet onmiddellijk te bederven met allerlei kennis. "Laat het kind zich vrij ontwikkelen. Laat het de natuur leren kennen door in het bos te gaan wandelen. En laat het aardrijkskunde leren door zwerftochten te maken. Pas veel later kan het zich dan wel de kennis uit boeken eigen maken. Het voornaamste is dat het kind zich ontwikkelt als een vrij mens."
Het opvoedkundig systeem van Rousseau heeft, zoals alles wat hij schreef, veel kritiek ontmoet. Vooral de deïstische geloofsbelijdenis in zijn laatste boek, de "Profession de foi du vicaire savoyard", lokte stormen van protest uit. Het boek werd verboden en Rousseau moest vluchten. Een felle aanval van de Geneefse doctor Tronchin in de "Lettres écrites de la campagne" beantwoordde hij overtuigend met zijn "Lettres écrites de la montagne" (1764). Een anonieme aanval van Voltaire, die in het pamflet "Sentiments des citoyens" (1764) had onthuld wat Rousseau met zijn kinderen had gedaan, bracht hem weer in diskrediet.

3.3. Late werken
Verdreven uit Zwitserland leidde Rousseau een zwervend bestaan. In 1767 schreef hij zijn "Dictionnaire de musique", waarin hij zijn vaak treffende opvattingen over de muziekesthetica verkondigde. Zijn melodrama "Pygmalion" (1770) was een voorbeeld voor andere werken in het genre. Hij voltooide in 1770 ook zijn eerste autobiografische werk, "Confessions". In dit geschrift beschrijft hij op poëtische wijze zijn jeugdjaren en bekritiseert hij zijn eigen onverantwoordelijke daden.
Nog feller zijn de "Dialogues: Rousseau juge de Jean-Jacques" (1776), gloedvol geschreven. In hetzelfde jaar begon Rousseau aan zijn derde en meest genuanceerde egogeschrift, "Rêveries du promeneur solitaire" (1782), waarin hij een synthese probeert te vinden tussen persoonlijk geluk en algemeen welzijn.

3.4. De Verlichte maatschappij
Bij de inrichting van de staat legde Rousseau niet zozeer de nadruk op de wetten waardoor mensen geregeerd moesten worden, maar meer op een vrijwillig aangegane overeenkomst. Het boek waarin hij zijn visie op de maatschappij uiteenzette, heette "Contrat Social" (Maatschappelijk Verdrag) en werd in 1762 gepubliceerd.
In dit boek stelde Rousseau dat de maatschappelijke orde moest berusten op een vrijwillig aangegane overeenkomst tussen de leden van de samenleving. Die overeenkomst moest inhouden dat zij gehoorzaam waren aan de gemeenschappelijke wil. Door die gemeenschappelijke wil werden zowel de belangen van het individu als die van de staat het best behartigd. Rousseau week hiermee sterk af van de opvattingen uit de 17e eeuw dat het volk geregeerd werd door een macht die God had ingesteld. Een opstand tegen die macht stond in de 17e eeuwse zienswijze dan ook gelijk met ongehoorzaamheid aan God.
De leer van Rousseau heeft veel invloed gehad op vrijheidsbewegingen, zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse Revolutie. Er scholen echter wel grote gevaren in die opvatting van de alles-bepalende "gemeenschappelijke wil". Socialisten beriepen zich op Rousseau om het collectivisme te verdedigen. De aanhangers van een dictatuur beriepen zich op Rousseau om hun politiestaat rechtvaardigen. De gemeenschappelijke wil moest immers -volgens de opvatting van Rousseau- niet de wil van de meerderheid te zijn, het kon ook de wil van een minderheid zijn en zelfs van één persoon...

4. Montesquieu

Montesquieu heette voluit Charles-Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu. Hij werd geboren in het kasteel La Brède, bij Bordeaux, op 18 januari 1689 en stierf in Parijs op 10 februari 1755. Deze Franse rechtsgeleerde en politiek theoreticus was van 1714 tot 1716 raadsheer en van 1716 tot 1726 voorzitter van het parlement van Bordeaux.
Montesquieu geldt als een van de belangrijkste politieke denkers van het 18de-eeuwse Frankrijk.
Om de wetten en instellingen van Europese staten te bestuderen, legde hij zijn ambt neer en begon reizen te maken door verscheidene landen. Zo verbleef hij ondermeer twee jaar in Engeland.
Hoewel hij zich in zijn geschriften niet volledig kon losmaken van vooropgezette meningen, ging hij toch uit van een meer empirische, minder speculatieve manier van denken dan de meeste van zijn tijdsgenoten. Bovendien is zijn politieke filosofie, die hij toepasbaar wilde maken op sterk uiteenlopende omstandigheden, in feite in belangrijke mate toegespitst op de toestand in Frankrijk.
In 1721 publiceerde Montesquieu de briefroman "Lettres persanes". Hierin hekelt hij misstanden op politiek en maatschappelijk terrein in het "beschaafde" Europa en met name in Frankrijk. In 1748 verscheen zijn hoofdwerk, "De L"esprit des lois". In dit werk beweert Montesquieu dat er achter elke regeringsvorm een bepaalde geest stak, een "esprit". De geest achter de monarchie noemde hij de Eer. De geest achter de republiek was volgens hem de Deugd. En de geest achter het despotisme was de Vrees. In dit werk geeft Montesquieu een overzicht van de wetten en de regeringsvormen van verscheidene volkeren. Hij legt er de nadruk op dat de staatsvorm mede wordt bepaald door het klimaat, bodemgesteldheid en andere factoren in het fysieke en sociale milieu.
Zelf vond Montesquieu de Engelse staatsvorm de beste, omdat daarin de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtspraak goed gescheiden waren. Dit drietal voegde hij samen onder de naam Trias Politica of driemachtenleer. Deze leer heeft bijzonder veel invloed gehad op o.a. het ontwerp van de Franse en Amerikaanse constitutie. Ook de moderne democratie is op deze Trias Politica gegrondvest.
De Rooms-Katholieke Kerk plaatste "De l"esprit des lois" op de index.
De ideeën van Montesquieu stonden nog ver af van wat men tegenwoordig een democratie noemt. Het "domme volk" kreeg in het systeem van Montesquieu geen plaats. Hij was een vurig voorstander van de monarchie, gesteund door de machtige adel. Dit ging gepaard met het cijnskiesrecht.

5. Denis Diderot

Deze Franse schrijver werd te Langres geboren op 5 oktober 1713 en stierf op 31 juli 1784 in Parijs. Hij was de zoon van welstellende middenstanders. Hierdoor ontving hij een uitstekende opvoeding bij de jezuïeten. Hij studeerde rechten in Parijs, maar weigerde daarna een beroep te kiezen.
Hij begon artikelen en pamfletten te schrijven en kwam in aanraking met beroemde letterkundigen als Jean-Jacques Rousseau. Op twintigjarige leeftijd trouwde hij met Antoinette Champion, de dochter van een hemdenmaker. Ze kregen drie kinderen en hadden het financieel erg moeilijk.
In 1749 schreef hij het "Lettre sur les aveugles", dat hem wegens enkele gewaagde passages over het voor blinden onnodige godsgeloof, enkele maanden in de gevangenis deed belanden. Toen hij vrijgelaten werd, werd hij door de uitgever Le Breton belast met de bewerking van "Chambers's cyclopaedia". Enthousiast zette hij zich, met een groot aantal medewerkers (o.a. d'Alembert), aan de uitgave van een origineel werk, waarin hij een uiteenzetting en een synthese wilde geven van het menselijk weten op elk gebied. Hij werkte er veertien uur per dag aan en wist het, ondanks teleurstellingen en verzet van de overheid, te voltooien.
Daarnaast schreef hij vooral essays, waaruit zijn geleidelijke overgang naar een atheïstisch-materialistische wereldbeschouwing blijkt. Zijn gehele oeuvre, met de merkwaardige uitzondering van de roman "La religieuse" (geschreven in 1760, maar pas uitgegeven in 1790) werd op de Index geplaatst.
Ook voor het Franse toneel heeft Diderot betekenis gehad, niet zozeer door zijn ijveren voor een nieuw genre het "drame bourgeois" met bijvoorbeeld "Le fils naturel" (1757), als wel door zijn "Paradoxe sur le comédien" (geschreven in 1773 en uitgegeven in 1830), waarin hij op scherpzinnige wijze de rol van de toneelspeler ontleedt. Zijn kunstkritieken hebben terecht bekendheid gekregen (verzameld onder de titel Salons).
Diderots interessante persoonlijkheid spreekt ook uit de uitvoerige correspondentie,
vooral uit de brieven aan zijn geliefde Sophie Volland.

6. John Locke

Deze Engelse wijsgeer werd geboren op 29 augustus 1632 in Wrington, Somerset en stierf op 28 oktober 1704 in Oates, Essex. Hij liep school in Oxford: hij kreeg er een traditionele opleiding in de filosofie en studeerde daarna verder natuurwetenschappen en geneeskunde.
In 1667 werd hij lijfarts en persoonlijk adviseur van Lord Ashley, graaf van Shaftesbury; en van 1675 tot 1679 verbleef hij in Frankrijk. Nadat Shaftesbury in 1683 als balling was gestorven, nam ook Locke uit vrees voor vervolging de vlucht en woonde tot 1689 in Nederland, meerbepaald in Amsterdam en Rotterdam.
Hij had een actief aandeel in de voorbereiding van de Glorious Revolution van 1688 en tot 1700, toen hij zich wegens zijn slechte gezondheidstoestand uit het openbare leven moest terugtrekken, heeft hij de nieuwe Engelse monarchie met woord en daad gesteund. Zijn laatste jaren bracht hij door op het landgoed van Lady Masham in Oates.
Het belangrijkste wijsgerige geschrift van Locke is het "Essay concerning human understanding" (1690), een onderzoek naar de oorsprong, zekerheid en omvang van de menselijke kennis.
Het eerste boek bevat een uitvoerige kritiek op de leer van de aangeboren begrippen. Het tweede boek verdedigt de stelling dat alle menselijke ideeën in laatste instantie uit de ervaring stammen.
Locke maakt onderscheid tussen de ideeën van de zintuiglijke ervaring en de ideeën van de reflectie. Sommige ideeën vertonen een gelijkenis met datgene waardoor ze worden veroorzaakt. Dit zijn de ideeën van de primaire kwaliteiten als uitgebreidheid, vorm, beweging, rust, getal,... Andere ideeën hebben geen gelijkenis met datgene waardoor ze worden veroorzaakt en dit zijn de ideeën van de secundaire kwaliteiten als kleur, geluid, reuk, smaak, warmte en koude,... Ze bestaan als zodanig alleen maar in het bewustzijn.
Verder onderscheidt Locke enkelvoudige ideeën en samengestelde ideeën. De samengestelde worden onderverdeeld in ideeën van zelfstandigheden, modi (modificaties en zelfstandigheden) en betrekkingen.
Het derde boek is gewijd aan problemen van taal en betekenis; volgens Locke wordt de eigenlijke betekenis van een woord gevormd door de idee die er in de geest van de gebruiker mee correspondeert.
Het vierde boek ten slotte behandelt de kennis. Locke definieert kennis als "het waarnemen van de overeenstemming of de strijdigheid tussen ideeën". Hij maakt een onderscheid tussen oordelen die op intuïtie gebaseerd zijn, oordelen die uit abstracte ideeën volgen, oordelen die uit stellingen volgen of oordelen die rusten op zintuiglijke ervaring.
Tegelijk met het "Essay" (waarop Gottfried Wilhelm von Leibniz een kritiek leverde in zijn "Nouveaux essais sur l"entendement humain", geschreven rond 1704, gepubliceerd in 1765) publiceerde Locke "Two treatises of government", waarin hij de opvatting van Sir Robert Filmer, die het goddelijk recht van koningen op absolute macht verdedigde, bestrijdt en zijn eigen theorie voordraagt van een constitutionele monarchie gebaseerd op een sociaal contract, waardoor de oorspronkelijke natuurstaat (waarin de menselijke vrijheid alleen door de natuurwet is beperkt) wordt opgeheven.
Locke verdedigt zowel de menselijke gelijkheid als het recht om onbeperkt rijkdom te vergaren en gaat uit van een harmonie tussen deugd en vrijheid. Wanneer echter de regering niet meer op instemming berust of de zelfstandigheid van het parlement aantast, bestaat, als laatste middel, het recht van opstand.
In eerdere geschriften bepleit hij absolute regeringsmacht, pas later stelt hij tolerantie en instemming (consent) voorop.
In "Some thoughts concerning education" (1693) geeft Locke zeer frisse en gezonde denkbeelden over de opvoeding, die van grote praktische invloed zijn geweest. Verder heeft hij verscheidene geschriften op godsdienstig gebied gepubliceerd: bijvoorbeeld zijn drie brieven over de tolerantie (1689, 1690, 1692).
Ook op het gebied van de economie heeft hij zich bewogen: bijvoorbeeld in twee geschriften (Some considerations of the consequences of the lowering of interest and raising the value of money, 1692, en Further considerations of the raising the value of money, 1695) geeft hij een theorie van het geld en een geldpolitiek.
Locke heeft een diepgaande invloed gehad op de ontwikkeling van de wijsbegeerte in Engeland en Amerika. Zijn ideeën vonden bovendien een grote verbreiding in Frankrijk, waar ze het geestelijk klimaat van de revolutie van 1789 hebben helpen voorbereiden.

7. d'Alembert

Jean-Baptiste Le Rond d'Alembert was een Franse wiskundige en filosoof. Hij werd geboren op 16 november 1717 in Parijs en stierf er op 29 oktober 1783. Hij was een natuurlijke zoon van de in letterkundige kringen bekende Mme de Tencin. Zij liet haar kind neerleggen op de treden van de kapel Saint-Jean-Le-Rond. Hij werd daarom gedoopt als Jean Le Rond. Zijn vader, Louis-Camus Destouches, een officier, zorgde ervoor dat zijn zoon een goede schoolopleiding kreeg en schonk hem een jaargeld, waardoor aan d'Alembert, die op verzoek van de familie Destouches een andere naam had aangenomen, een bescheiden, maar onafhankelijk bestaan was gewaarborgd. Na briljante studies in verschillende richtingen werd hij lid van de wetenschappelijke instellingen van zijn tijd, o.a. van de Académie Française (in 1754), waarvan hij in 1772 secrétaire perpétuel werd. Uit hoofde van die functie schreef hij waardevolle "Éloges académiques".

7.1. Natuurkunde en wiskunde
d'Alembert heeft zijn blijvende roem te danken aan zijn studies op het gebied van mechanica en wiskunde. Reeds in 1739 bood hij de Académie een verhandeling aan over de beweging van een lichaam in een vloeistof en in 1740 een verhandeling over integraalrekening. Zijn "Traité de dynamique" (1743) maakte hem beroemd. Er volgden nog meer verhandelingen, o.a. over hydrodynamica (1744), over de hoofdstelling van de algebra (1746) (ook wel stelling van d'Alembert), over de differentiaalvergelijking van de trillende snaar (1748), over de precessie van de equinoxen (1749) en over de maantheorie.

7.2. Encyclopédie
D'Alembert speelde naast Diderot een actieve rol bij de totstandkoming van de beroemde "Encyclopédie ou dictionnaire raisonné des Sciences, des Arts et des Métiers" (1751-1780). Zijn gezag als geleerde heeft er veel toe bijgedragen dat de Encyclopédie de uiterst moeilijke beginjaren van haar bestaan is doorgekomen.
Tot 1759 voerde hij met Diderot de hoofdredactie van het werk. Naar aanleiding van zeer felle reacties op het artikel Genève, o.a. van Rousseau, staakte hij in 1759 zijn medewerking.

7.3. Filosofie
Als filosoof is d'Alembert geen origineel denker. Hij is wel een typisch vertegenwoordiger van de positivistische, rationalistische, antiklerikale geestesstroming van zijn tijd. Zijn "Mélanges de philosophie, d"histoire et de littérature" (1752) vertonen een zekere tweeslachtigheid: hij accepteert enerzijds het empirisme van Locke, maar anderzijds het abstract-rationele denken van Descartes.
Als agnosticus (dit is iemand die beweert dat men van God of van de dingen niks kan weten), stelt ook hij zich de bekende vraag van Montaigne: "Que sais-je?" Zijn militant antiklerikalisme richt zich zowel tegen de jezuïeten als tegen de jansenisten en de protestanten.
D'Alembert was ook muziektheoreticus en -estheticus. Hij was een vertegenwoordiger van de "nabootsingsesthetiek" (die in het Frankrijk van de 18de eeuw veel aanhangers kende): "Toute musique qui ne peint rien, n"est que du bruit"

Referenties:

Carl GRIMBERG; Encyclopedie van de wereldgeschiedenis: deel 4: 17e en 1e helft 18e eeuw; Sesam/Uitgeverij Bosch & Keuning, Baarn, 1992

7000 jaar wereldgeschiedenis: De Eeuw van de Franse Revolutie (1714-1814); Lekturama, Rotterdam, 1977

Philippe ARIES, Georges DUBY, Roger CHARTIER; Geschiedenis van het persoonlijk leven: deel 3: Van de Renaissance tot de Verlichting, Agon BV, Amsterdam, 1989

B. DELFGAUW, Wat is Verlichting?; Lekturama, Rotterdam, 1988

Jostein GAARDER, De wereld van Sofie, Houtekiet/Fontein, 1998

Encarta '98, Winkler Prins editie

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

T.

T.

ik heb noe een vraag over school een opdracht die ik niet snap.
ga op zoek naar een verklaring voor de term verlichting geef een duidelijke uitleg van deze naa en geef ook aan waarom sommige mensen er toch anders over dachten. ga na of deze term uit de tijd zelf komt of juist later
zou je mij hierbij kunnen helpen?
alvast bedankt
Thomas Vervuurt 2Havo

16 jaar geleden

S.

S.

je hebt smith niet

11 jaar geleden

S.

S.

Dankjee over denkbeelden van voltaire. hahhaah onze leraaar vondt het heel goed.

10 jaar geleden

xx_nynkeex

xx_nynkeex

Top! Nu weet ik wat ze bedoelen met de verlichting :)

8 jaar geleden

G.

G.

waarom bestaat deze site

5 jaar geleden