ADVERTENTIE
Ben jij op zoek naar een studie die je meer biedt dan standaard hoorcolleges en werkgroepen?

Verdiep je dan eens in een universitaire studie bij Defensie! Een studie waar je meer leert dan studeert. Samen met Defensie beantwoorden we de meestgestelde vragen over studeren bij Defensie. 

Check het artikel!

In 1589 ontstond voor het eerst het idee om grote delen van Holland tegelijkertijd te verdedigen, in plaats van het tot dan gebruikelijke systeem om per vesting(-stad) de defensie ter hand te nemen.



Door middel van het onder water zetten (inunderen) van grote stukken land, zorgde men dat de vijand niet verder kon. De inlaatpunten voor het water in de linie werden verdedigd door fortificaties, evenals de verhoogde wegen (accessen). Met betrekkelijk weinig militairen kon de Waterlinie worden verdedigd.

In de Zeventiende Eeuw werd ook de Krimpenwaard in deze Oude Hollandse Waterlinie opgenomen, waarbij Schoonhoven de belangrijkste schakel vormde.






De Oude Hollandse Waterlinie, die in 1672 (rampjaar) het leger van Lodewijk XIV verhinderde Holland binnen te trekken, liep van de Zuiderzee via o.a. Woerden en Nieuwpoort naar de Biesbosch. Men liet zo´n 30 cm water op de polderweilanden lopen. Het water was te ondiep om in te varen en het doorwaden ervan was praktisch onmogelijk, ook omdat alle sloten onzichtbaar waren geworden.



Na 1815 werd de stad Utrecht permanent binnen de linie gebracht, waarmee een begin werd gemaakt met de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tot 1822 had de Oude Hollandse Waterlinie militaire betekenis; daarna werd de Nieuwe Hollandse Waterlinie in gebruik genomen. Deze liep een stuk meer oostelijk, langs de oostgrens van de stad Utrecht.



Als verdedigingsgordel is de Nieuwe Hollandse Waterlinie uniek in de wereld. De linie is opgebouwd uit 46 verschillende forten die met elkaar verbonden zijn door middel van zo'n 900 waterbouwkundige en militaire objecten. Het hele gebied kon in tijden van oorlogsdreiging onder water worden gezet (inundatie).

De meest forten en andere onderdelen zijn speciaal voor de linie gebouwd. Echter deels hebben ook veel oudere verdedigingswerken weer een functie gekregen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit geldt bijvoorbeeld voor het Muiderslot en Slot Loevestein. De vestingmuren van o.a. Muiden, Goringem, Naardenvesting en Woudrichem behoren eveneens tot de linie.



De forten vandaag de dag

Na de tweede wereldoorlog verloren de forten hun militaire functie. In de rustperiode die volgde, ontstonden in deze voor het publiek strikt verboden gebieden vaak schitterende natuurgebieden. Deze zijn ook vandaag de dag nog volop terug te vinden.



De Werelderfgoedlijst

Wat betreft de forten geldt: wie één fort heeft gezien, heeft ze zeker niet allemaal gezien. Ze zijn stuk voor stuk uniek, door hun verschillende gebouwen en bijgebouwen en hun bijzondere strategische ligging in het landschap. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is zo uniek en nog zo compleet dat dit cultuurhistorische erfgoed zal worden voorgedragen voor plaatsing op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO.



Toegankelijke forten

Een groot aantal forten is gewoonlijk ontoegankelijk. Die worden deels alleen tijdens de Fortenmaand even toegankelijk voor het publiek. Toch zijn er een aantal forten waar u ook geregeld terecht kunt voor een bezoek. Zo zijn er de Botanische Tuinen op fort Hoofddijk in de stad Utrecht, de forten Rijnauwen en Vechten in Bunnik, Fort Asperen bij Asperen/ Acquoy en de overnachtingsforten Spion en Vuren.










Bovendien vindt u vele andere bouwwerken van de linie verspreid door het landschap terug, zoals groepsschuilplaatsen en kazematten in de weilanden.



Algemene beschrijving fort Vuren

Torenfort gebouwd in 1848 aan de Waal aan de overzijde van slot Loevestein. Samen met dit slot moest fort Vuren met kruisvuur de vijand beletten op te stomen naar het westen.

Algemene beschrijving slot Loevestein

Rond 1368 werd dit kasteel op een strategische plaats in het hart van Nederland gebouwd, daar waar Maas en Waal samenkomen. Later maakte het slot als militair fort deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.



1816-1824 De Eerste Bouwperiode

De verdedigingswerken uit deze eerste periode bestonden aanvankelijk uit een rondgaande aarden wal omringd door een brede, diepe gracht met ophaalbruggen. Ze werden zoveel mogelijk gesitueerd in de as van de te verdedigen wegen, die in een nieuw tracé rond de forten werden gevoerd. In deze periode bouwde Rijkswaterstaat vijf omvangrijke en kostbare inundatiesluizen:

- Bij het Spoel (Zuider Lekdijk).

- Bij Asperen (in elke Lingedijk één).

- Te Woudrichem aan de Waal en aan de Bakkerskil.

Deze sluizen waren alle voorzien van zogenaamde waaierdeuren. Op deze manier waren nieuwe, uitgebreide en beter beheersbare inundaties mogelijk. De forten en batterijen waren dus voor de verdediging van accessen: wegen, dijken, kaden en sluizen die de linie doorsneden en niet waren te verdedigen.

Ten Oosten van Utrecht werden aangelegd:

- Fort op de Bilstraat

- Fort‘t Vossegat

- Fort Blauwkapel

- Fort de Gagel

- Fort aan de klop

- de vier lunetten op de houtense vlakte



Het fort op de Biltstraat behoorde tot het gebastioneerd stelsel: een aarden gebastionneerd fort met een aarden reduit.



Ten Zuiden van Utrecht werden aangelegd:

- Fort Jutphaas

- Werken bij Vreeswijk

- Werken bij het Spoel



1840-1860 De Tweede Bouwperiode

In deze periode werden de forten voorzien van bomvrije gebouwen met veelal een wachthuis met dikke stenen muren. De belangrijkste forten kregen een ronde toren (zie afbeelding hieronder) van zwaar metselwerk met een doorsnede van 30 tot 40 meter en met 2 of 3 verdiepingen, waarvan de bovenste boven de omwalling uitstak. De ronde muren zijn namelijk sterker en minder kwetsbaar voor beschietingen dan vlakke muren. De toren bezat een aantal vuurmonden en verder was de toren aan alle zijden voorzien van schietgaten voor handvuurwapens. De torenforten liggen meestal langs dijken die een doorgang (acces) vormen in de waterlinie. Dergelijke torens waren aanwezig op de forten:

- Fort Uitermeer

- Fort Nieuwersluis

- Fort Vuren

Tevens waren deze torens aanwezig op de nieuw gebouwde forten:

- Fort Everdingen

- Altena / Fort aan de Uppelsche dijk

- Vesting Muiden

- Vesting Weesp

en op de kleinere forten:

- Fort de Klop

- Fort de Gagel

- Fort Blauwkapel

- Fort op de Bilstraat

- Fort ’t Vossegat

- Fort Jutphaas

Op deze kleinere forten volstond men meestal met kleinere, meest rechthoekige wachthuizen. Deze bestonden uit zware, driesteen dikke gemetselde gewelven en waren eveneens aan alle zijden voorzien van schietgaten voor geschut en handvuurwapens. Ook bovenop kon achter een borstwering geschut in stelling worden gebracht. Rond de wachthuizen vormde een smalle gracht met ophaalbrug een extra beveiliging. De wachthuizen beschikten, naast legeringsruimte, over een wachtlokaal, kruitkamer, provisiekelder, keuken, wasgelegenheid en toilet. In drinkwater voorzag men door het opvangen van regenwater in een gemetselde opvangbak.



1860-1885 De Derde Bouwperiode

Door de komst van geschut met een getrokken loop bouwde men elders op bestaande forten nieuwe geschutsopstellingen die aan drie zijden door grondlichamen (traversen) werden beschermd. Een ander gevolg van het nieuwe geschut was dat men ten Oosten van de stad Utrecht zes grote forten bouwde.

In de periode 1867-1870:

- Fort op de Ruigenhoekse dijk

- Fort op de Voordorpse dijk

- Fort Rijnauwen

- Fort Vechten

In de periode 1877-1880:

- Werk aan de Hoofddijk

Fort Vechten is gebouwd volgens het bastaardstelsel. Dit is een kruising tussen het polygonale of caponnière stelsel met een vijfhoekige vorm en zwakgebogen zijden. Op het middelste hoekpunt ligt een caponnière. Een voor de wal gelegen uitbouw van waaruit de fortgracht onder vuur genomen kon worden. Aan de achterzijde van het fort ligt een groot reduit. Dit is een zelfstandig verdedigingswerk met een gracht eromheen, aangelegd binnen een fort, waar de verdediging zich terug kon trekken, wanneer de rest van het fort niet meer te verdedigen viel.

Ook werden door de komst van dit nieuwe geschut de torens van hun bovenste verdieping ontdaan. Deze vormde voor dit nieuwe geschut namelijk een eenvoudig doelwit. De torens werden aan het oog onttrokken door het aanleggen van hoge, brede aarden wallen (zie afbeelding links) aan de verdedigingszijde. Verder legde men in deze bouwperiode gedekte gemeenschapswegen aan bij:

- Fort Honswijk

en tussen de forten:

- Fort Blauwkapel

- Fort de Bilt

- Fort 't Vossegat

- De vier lunetten op de Houtense vlakte



Deze gemeenschapswegen waren door zware dijken tegen vijandelijke beschietingen beschermde wegen. Ook werden de forten rond Utrecht aangepast aan de verdediging van de spoorwegen. Tussen 1870 en 1880 bouwde men bomvrije kazernes en munitiemagazijnen met een gronddekking van vijf tot tien meter. De werken werden dus aangepast aan de nieuwste inzichten op het gebied van vestingbouw en ballistiek. Echter door de komst van nieuwe projectielen (brisantgranaat) en explosieven (1885-1890) was het dikke metselwerk in één klap waardeloos. Men moest overgaan op een nieuwe verdedigingstactiek, waarbij het geschut in het open veld werd opgesteld. Na 1885 werd de bouw van grote forten dan ook gestopt en werden verder geen ingrijpende voorzieningen getroffen aan de forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.