Inleiding
Dit is mijn PO Filosofie over mensbeelden bij verschillende citaten. Allemaal hebben ze een verschillende kijk op de mens. Hun mensbeelden zie je nog steeds terug in de hedendaagse wereld, dat bewijzen de citaten. De filosofen die ik heb gebruikt zijn:
- René Descartes was een Franse filosoof, geboren 31 maart 1596. Zijn bekendste werk is het twijfelexperiment. Hij stierf op 11 februari 1650.
- John Locke en David Hume waren Engelse filosofen. John Locke (29 augustus 1632 – 28 oktober 1704) is vooral bekend van het mensbeeld ‘tabula rasa’. David Hume (26 april 1711 – 25 augustus 1776) vormde de ‘bundle theory’.
- Friedrich Nietzsche (15 oktober 1844 – 25 augustus 1900) was een Duitse filosoof, vooral bekend van het slaven- en herenmoraal en zijn bewering dat er in de toekomst een Übermensch bestaat.
- Baruch Spinoza (Benedictus de Spinoza) was een joodse Nederlander van Portugese afkomst, geboren 14 november 1632. Spinoza’s meest bekende bewering is dat lichaam en geest parallel lopen. Hij stierf op 21 februari 1677.
- Michel Foucault was een Franse filosoof, geboren 15 oktober 1926, die stelde dat de “ik” geen vaststaande identiteit was, maar beïnvloed wordt door de structuur om hem heen. Foucault stierf op 25 juni 1984.
Mensbeelden
Leraar: ‘Waarom ben je te laat?’
Leerling: ‘Ik ben er in geest altijd al geweest.’
Deze uitspraak is van (naam willekeurig iemand) tijdens een les wiskunde, 5 oktober 2011.
Ik vond deze uitspraak passen bij het mensbeeld van Descartes. Hij stelt dat lichaam en geest twee aparte substanties zijn. Ook zocht hij naar zekerheid om wetenschap op te funderen. Dit probeerde hij te vinden door middel van het twijfelexperiment. Hij begon te kijken wat hij allemaal zeker wist. Uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat de mens bijna niks zeker weet. En als je alles waaraan je twijfelt weglaat, houd je iets over wat waar kan zijn. Alleen wij worden volgens Descartes bedrogen door onze eigen waarnemingen. Het enige waar je niet aan hoeft te twijfelen, is dat je kunt denken. En doordat de mens kan denken bestaat de hij (ik denk, dus ik ben; cogito, ergo sum). Descartes heeft ook grote bijdragen geleverd aan de wiskunde (hij was zelf wiskundige), er is zelfs een wiskundige wet naar hem vernoemd (stelling van Descartes), natuurkunde en fysiologie. Leuk detail: Descartes is gestorven in Zweden, waar hij op een vreemdelingenkerkhof werd gelegd. Later werd hij vervoerd naar Frankrijk. Onderweg is echter zijn schedel gestolen. Dit past bij zijn dualistische overtuigingen. De uitspraak van Niek past bij Descartes, omdat hij dus de geest apart van het lichaam beschouwt. Ergens in het lichaam zit een aanknopingspunt van waaruit de geest het lichaam zou besturen. Als (...) uit was gegaan van het mensbeeld van bijvoorbeeld Nietzsche, had hij dit nooit kunnen zeggen. Dit komt doordat Nietzsche een monist is. Volgens hem is er alleen het lichaam. De mens is volgens hem net als ieder ander dier voortgekomen uit de natuur, maar heeft zich op een of andere manier losgemaakt uit die natuur en moet daarom zelf uitvinden wie hij is. Bij dieren gaat dat allemaal instinctief. Dat de mens kan denken, is volgens Nietzsche puur uit noodzaak om te overleven, aangezien we verder geen enorme kracht, een vacht of slagtanden bezitten.
‘We worden uniek geboren. Onze ervaringen vormen ons. We worden iemand.’
Deze uitspraak is gedaan door Dr. Temperance Brennan, karakter in de tv-serie Bones. Dr. Brennan, alias ‘Bones’, word gespeeld door Emily Deschanel. Ik hoorde de uitspraak donderdag 20 oktober 2011; seizoen 1, aflevering 10.
Ik vond deze uitspraak passen bij het mensbeeld van Locke en (eventueel) Hume. Zij stelden dat de mens bij geboorte een onbeschreven blad (tabula rasa) was, waar dus nog alles mee kon gebeuren. Locke en Hume zijn de grootste grondleggers van het empirisme. Het empirisme stelt dat alle kennis berust op waarneming, wat lijnrecht tegenover het rationalisme van Plato en Descartes staat. Dat beweert juist dat alle kennis op denken berust. Volgens Locke voorziet de waarneming en ervaring de geest van kennis, de ideeën. Uit deze ideeën worden weer complexere ideeën gevormd. Deze ideeën zijn niet de echte dingen zelf, maar de representeren de echte dingen in de geest. Je kunt dat weergeven in een schemaatje:
Waarneming >>> Simpele ideeën >>> Complexe ideeën
Hume hing deze theorie ook aan, maar ging daarin nog een stukje verder. In de theorie van bijvoorbeeld Plato is er een geest die nooit verandert. Volgens Hume was er niet zo’n geest (‘ik’) als gelijkblijvende kern. Dat bracht hem tot zijn meest beroemde uitspraak: ‘The self is a bundle of perceptions’. Dit betekent dat “the self” volgens Hume geheel wordt gevormd door wat hij opvangt, de ervaringen en waarnemingen. Volgens beide heren was wetenschap ook geheel op waarnemingen gebaseerd. Dit sluit dus ook enige vorm van hypothese uit, omdat je op het moment van de hypothese nog niks hebt waargenomen. Als de scriptschrijver van Bones uit was gegaan van het mensbeeld van Plato, zou hij dit nooit zo geschreven hebben. Dat is omdat Plato uitgaat van een onveranderlijke kern, de menselijke ziel. Deze bestaat volgens hem uit drie delen: de rede, het gemoed en de begeerte. Hij vergelijkt de ziel met een menner en twee paarden, een witte en een zwarte. Het zwarte paard staat voor begeerte, deze wil naar beneden, naar de aarde. Het witte paard stelt het gemoed voor, deze wil naar boven, naar de perfecte ideeënwereld. De menner stelt de rede voor, die beide paarden maar net in bedwang kan houden. Op die manier voert de rede de ziel door het leven. Het lichaam is volgens Plato slechts een behuizing voor dit alles.
‘Ik zou graag zo sterk zijn als een beer!’
Deze uitspraak is van mijn neefje, (...), tijdens de verjaardag van mijn andere neefje, (...). (...) is 8 jaar oud en hij deed deze uitspraak op zaterdag 22 oktober 2011.
Ik vond deze uitspraak goed passen bij het mensbeeld van Nietzsche, omdat (...) hier benadrukt dat de mens benadeeld is ten opzichte van dieren. Bij dieren gaat alles automatisch, instinctief, mensen moeten alles zelf uitzoeken. Sommigen beschouwen die redelijkheid als een privilege, Nietzsche niet. Nietzsche noemde de mens een zwak dier, omdat het geen bijzondere eigenschappen zoals kracht of snelheid heeft vergeleken met andere dieren. Ook is Nietzsche de bedenker van de twee moralen: de slavenmoraal en de herenmoraal. De herenmoraal stamt eigenlijk al uit de oudheid en is een cultuur van de sterkeren. Trots, kracht en schoonheid stonden bij dit moraal hoog in het vaandel en aanhangers hiervan waren van mening dat iets pas goed is als het assertief, edel en nuttig is. Omdat de herenmoraal vooral voorkwam in de hogere klassen, kwam er een reactie van de lagere klassen in de vorm van de slavenmoraal. De slavenmoraal overwint de sterkeren omdat deze zich volgens dit moraal moeten buigen naar de groepsnorm. De drie deugden van de herenmoraal veranderden hier dan ook in nederigheid, medelijden en vergeving. Nietzsche beschouwde de slavenmoraal als een truc van de zwakkeren om de sterkeren te onderdrukken en beschouwde deze als zwak en sluw. Nietzsche was dus tegen het slavenmoraal, en vond het terug in het christendom, jodendom en socialisme. Daar maakte hij natuurlijk geen vrienden mee. Ook stelde Nietzsche dat de huidige mens een Mangelwesen (tussenwezen) was. Hij hield de volgorde van dier, Mangelwesen, Übermensch aan. Wat hij daarmee wilde zeggen is dat hij vond dat de mens nog in aanbouw en niet voltooid was. Pas als de mens helemaal vrij was zou hij promoveren tot Übermensch. Vanzelfsprekend verlieten de christelijke vrienden die hij nog overhad, hem nu definitief. Omdat de mens als kroon op Gods creatie werd gezien, was dit al helemaal not done. Ik vind deze uitspraak niet passen bij het mensbeeld van Aristoteles, omdat die de mens ziet als animale rationale. Hij ziet de redelijkheid als een positief iets, niet een evolutie uit noodzaak.
‘Aangezien lichaam en geest onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, zit er ook een mentaal aspect aan de begeleiding.’
Ik zag dit citaat in het boekje dat we van school hebben gekregen over de snuffelstages. Het stond bij de categorie Volksgezondheid/praktijk voor fysiotherapie onder het kopje bedrijfsinformatie. De stage zou gevolgd kunnen worden bij Rehab Centre BV, www.rehabcentre.nl.
Ik vond deze uitspraak passen bij het mensbeeld van Spinoza. Baruch Spinoza was een joodse Portugees die emigreerde naar Nederland. Hij was monist, hij geloofde dat lichaam en geest slechts één substantie zijn. Descartes stelt dat lichaam en geest helemaal gescheiden zijn, Spinoza gaat voor de theorie dat ze parallel lopen. Hij vergeleek het met een klok: bij Spinoza is het als twee zijden van één wijzerplaat, bij Descartes zouden het twee verschillende klokken zijn. Naar aanleiding van deze theorie heeft Spinoza een stelling gemaakt: ‘Bij alles wat het vermogen tot handelen vergroot, verkleint, ondersteunt of remt, heeft je geen een idee dat je denkvermogen vergroot, verkleint, ondersteunt of remt.’ Dit wil zeggen dat als je bijvoorbeeld verlamd raakt (vermogen tot handelen verkleind), je geestelijk ook minder kan. Spinoza was een neutraal monist. Die stroming hangt de theorie aan dat alles één substantie is, nog fundamenteler dan lichaam en geest. Je kunt dit vergelijken met een tv: er komt beeld en geluid uit, maar het is zelf geen van de twee. Spinoza vond dit terug in religie. In zijn ogen is alles goddelijk, God is de natuur. Volgens hem was er geen sprake van een goddelijk plan. Alles is bepaald door God, dus de natuur. God bestaat niet buiten de natuur, God identificeert zich door middel van de natuur, en is dus geen denkend wezen. Deze uitspraak past bij zijn mensbeeld omdat het stelt dat lichaam en geest verbonden zijn. Bij de praktijk proberen ze mensen fysiek weer op te knappen. Maar omdat dit niet gaat zonder ook mentaal wat dingen op te lossen, komen we bij het mensbeeld van Spinoza. Dit zou nooit zo in het boekje hebben gestaan als ze het mensbeeld van Descartes hadden aangehangen. Zoals eerder verteld stelt Descartes dat lichaam en geest gescheiden en twee aparte substanties zijn. Het lichaam zou geen invloed moeten hebben op de geest en andersom. 
Conclusie
Wat mijn eigen mening betreft zit ik tussen een aantal filosofen in. Wat ik geloof is dat we bij onze geboorte nog helemaal niks zijn. Dus dat er geen “ik” of iets dergelijks is. Vanaf dat moment worden wij langzaam gevormd tot wie we uiteindelijk worden. Omdat je ouders heel veel bij je zijn, vanaf het begin aan al, zullen zij een groot deel van die vorming beïnvloeden. Het is net als met leren praten, dat leer je ook doordat er allerlei mensen om je heen spreken en dat vang je op. Op die manier verzamel je allerlei ervaringen, die jou je persoonlijkheid geven. De redelijkheid die de mens heeft zie ik niet als een gebrek. Ik denk dat de mens zich heeft losgemaakt uit een soort kringloop van instincten en daardoor het zelfbewustzijn heeft verkregen. Of dit een positief ding is, durf ik niet te zeggen. Wij zijn vrij, misschien te vrij, in de zin dat we alles zelf maar moeten uitzoeken, terwijl dieren alles automatisch doen. Aan de andere kant, er is ook al veel bereikt met die vrijheid, die ons de mogelijkheid geeft uitvindingen te doen en de dieren ondergeschikt aan ons maken. En als je naar het verschil gaat kijken van de momenten dat je denkt ‘wat is het leven mooi’ en momenten dat je denkt ‘ik had gewild dat ik niet geleefd had’, denk ik dat er bij veel mensen uitkomt dat ‘wat is het leven mooi’ toch de overwegende factor heeft. Qua “lichaam-geestverhouding” neig ik meer naar de materialistische kant. Ik denk eerlijk gezegd niet dat we een geest hebben, maar dat alles gewoon door onze hersenen geregeld wordt. En de persoonlijkheid zit ook in die hersenen, die wordt gevormd door je ervaringen. Mijn mening is dus een soort mengelmoes van verschillende filosofen. Het gedeelte van de ervaringen neigt naar de kant van Locke en Hume, eigenlijk ben ik het op dat gebied wel met de heren eens. Wat de redelijkheid betreft ben ik het niet helemaal eens met Nietzsche, want hij beschrijft de mens als een benadeeld dier. Ik denk juist dat we blij moeten zijn met de redelijkheid. Wat dat betreft zit ik meer in de hoek van Aristoteles. Met het lichaam en de geest sta ik aan de kant van De La Mettrie. Hij stelde dat er maar één substantie is, de materie. Hij beschreef de mens als niets anders dan een ingewikkelde machine. Alle toestanden zijn te verklaren door middel van allerlei fysische en chemische processen in de hersenen. Hier kan ik me wel in vinden. Ik denk zeker niet dat er een onsterfelijke geest is die telkens weer terug gaat naar de volmaakte ideeën bij het sterven van zijn sterfelijke lichaam, zoals Plato beweert.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.