Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Ministerie van Economische Zaken (fantasieland)

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 5e klas vwo | 16469 woorden
  • 28 september 2005
  • 27 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.6
  • 27 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Habibi:
een land
vol potentie
zonder geld
Ministerie van Economische Zaken
Februari 2005
Inhoudsopgave
1. Beschrijving Habibi
1.1 Algemene gegevens en ligging
1.2 Demografische kenmerken
1.3 Staatkundige gegevens en staatsinrichting
1.4 Economische gegevens
1.5 Ontwikkelingsrelevante indicatoren
1.6 Politiek en beleid
2. Handel
2.1 Introductie
2.2 Handelsprobleem 1 en oplossingen
2.3 Handelsprobleem 2 en oplossingen
2.4 Handelsprobleem 3 en oplossingen

2.5 Conclusies
2.6 Kostenschatting
3. Onderwijs
3.1 Introductie
3.2 Onderwijsprobleem 1 en oplossingen
3.3 Onderwijsprobleem 2 en oplossingen
3.4 Onderwijsprobleem 3 en oplossingen
3.5 Conclusies
3.6 Kostenschatting
4. Gezondheidszorg
4.1 Introductie
4.2 Gezondheidszorgprobleem 1 en oplossingen
4.3 Gezondheidszorgprobleem 2 en oplossingen
4.4 Gezondheidszorgprobleem 3 en oplossingen
4.5 Conclusies
4.6 Kostenschatting
5. Infrastructuur
5.1 Introductie
5.2 Infrastructuurprobleem 1 en oplossingen
5.3 Infrastructuurprobleem 2 en oplossingen

5.4 Infrastructuurprobleem 3 en oplossingen
5.5 Conclusies
5.6 Kostenschatting
6. Samenvatting conclusies
7. Bijlagen en verantwoording
7.1 Bijlage 1: Fairtrade Labelling Organisation
7.2 Verantwoording
7.3 Bronnen

1
1.1 Algemene gegevens en ligging
Oppervlakte 23.000 km2 (2/3 van Nederland)
Hoofdstad Capitallio
Hoofdrivier Kababpap
Inwonertal 700.000 (2003, schatting EIU)
Bevolkingsdichtheid 33 inwoners per km2
Godsdienst Islam (57%), Christendom (43%)
Taal Frans, Arabisch
Nationale feestdag(en) 27 juni, onafhankelijkheidsdag (1977)
Klimatologische gesteldheid Gematigd klimaat
1.2 Demografische kenmerken
Natuurlijke bevolkingsgroei 4,4% (1975-2001), 0,5% (2001-2015)
Geboorten (per 1000 inwoners) 40,8 (2003, per 1000 inwoners, schatting CIA)
Overlijdens (per 1000 inwoners) 19,4 (2003, per 1000 inwoners, schatting CIA)
Levensverwachting 61,3 jaar (v) – 59,8 jaar (m) (2001)
1.3 Staatkundige gegevens en staatsinrichting
Staatshoofd President Pitrus Miedemai (per 8 mei 1999)
Premier Dileita Mohamed Dileita
Minister van Buitenlandse Zaken Ali Abdi Farah
Minister van Economische Zaken Yacin Elmi Bouh
Staatsvorm Republiek
Parlement Kamer van Afgevaardigden, 65 leden, gekozen voor een periode van vier jaar.
In 1992 werd een nieuwe grondwet van kracht die weliswaar het presidentiële systeem naar Frans model van de oude grondwet van 1977 in stand houdt, maar overigens het meerpartijenstelsel invoerde (met een maximum van vier partijen). Daarmee kwam een einde aan de alleenheerschappij (sinds 1981) van de eenheidspartij, het Rassemblement Populaire pour le Progres (RPP). De uitvoerende macht berust bij de voor zes jaar direct gekozen president, die staatshoofd en opperbevelhebber van het leger is. De wetgevende macht berust bij het parlement met 65 leden, de Chambre des Députés, die elk vier jaar in directe verkiezingen gekozen worden (districtenstelsel). Habibi is administratief verdeeld in zes districten (cercles).
1.3 Economische gegevens
BBP US$ 619 miljoen (2003, schatting EIU)
Economische groei 3,4% (2003, schatting EIU), 2,6% (2002), 1,9% (2001), 0,7% (2000)
BNP per capita GNI per capita US$ 1463 (2002, Wereldbank)
Inflatie 2% (2003, schatting EIU), 1,5% (2002), 1,4% (2001), 2,3% (2000)
Beroepsbevolking per sector Landbouw (76%), industrie (16%), diensten (18%) (1993)
Werkloosheid 25% van de beroepsbevolking (2000, schatting CIA)
Uitvoer US$ 126 miljoen (2003, schatting EIU)
- belangrijke producten Koffie, katoen
- belangrijkste partners Somalië, Yemen, Pakistan, Ethiopië, Verenigde Staten
Invoer US$ 278 miljoen (2003, schatting EIU)
- belangrijke producten aardolieproducten, machines
- belangrijkste partners Saoedi-Arabië, Ethiopië, Verenigde Staten, Frankrijk, China
Valuta Habibi franc (Hfr)
Buitenlandse schuld US$ 30 miljoen (2002, schatting EIU)
Debt-service ratio 5,5% (2000, geen recentere gegevens beschikbaar)
Saldo handelsbalans US$ 152 miljoen (tekort, 2003, schatting EIU)
Lopende rekening betalingsbalans US$ 6 miljoen (tekort, 2003, schatting EIU)
Economische situatie
Habibi heeft een vrijemarkteconomie en behoort met een BNP van $ 1463 (2002) per hoofd van de bevolking tot de ontwikkelingslanden. Circa 15% van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Werkeloosheid is tussen 15 – 25%. De economie steunt vnl. op de koopkracht van de in het land verblijvende Europeanen en op de handelsactiviteiten in de haven van Navice.
De positie van Habibi als internationaal handelscentrum ging verloren door de sluiting van het Suezkanaal (1967-1975) en door het verhevigen van de burgeroorlog in Ethiopië (1974). Door de daarmee samenhangende sluiting van de spoorlijn Capitallio-Addis Abeba en de ontwikkeling van de Eritrese havenstad Assab stagneerde de handel met Ethiopië, die de laatste jaren (in 1996 tekenden Habibi en Ethiopië een handelsovereenkomst) en zeker nu sinds het Ethiopisch-Eritrees conflict weer aantrekt.
Door de natuurlijke gesteldheid van het land is verbouw van katoen en koffie mogelijk. Er wordt zout gewonnen (voor interne ruilhandel); de bodem bevat vermoedelijk gips, mica, amethist en zwavel, maar van mijnbouw is nog geen sprake. De industrie is onderontwikkeld en draagt nog voor geen 20% aan het BNP bij. Vrijwel alle voedingsmiddelen en gebruiksmiddelen moeten worden geïmporteerd. Dat geldt ook voor aardolie die noodzakelijk is voor de energievoorziening. De export is te verwaarlozen. De belangrijkste handelspartner is Frankrijk, gevolgd door Ethiopië. De handelsbalans is sterk negatief. De buitenlandse schuld bedroeg 2002 US$ 30 miljoen. De belangrijkste donoren zijn EU, Frankrijk, Italië, Saoedi-Arabië, Irak en Libië. In 1996 zijn de regering en het IMF voor het eerst een overeenkomst voor een stand-by krediet van US$ 6,7 miljoen overeengekomen. Er is een spoorlijn die Habibi met Addis Abeba verbindt; de hoofdstad heeft een internationale luchthaven. Nog geen 10% van de wegen is geasfalteerd.
1.4 Ontwikkelingsrelevante indicatoren
Groeisectoren Haven, toerisme
Energiesituatie Habibi is volledig afhankelijk van import van petroleumprodukten.
Human development index 0,462 (2001, 153e plaats van in totaal 175)
Human poverty index 27,6% (65e plaats van in totaal 94)
Gender-related development index Niet beschikbaar
% inwoners dat leeftijd van 40 niet haalt 16% (2000-2005)
Alfabetisering 44,5% (v) – 23,9% (m) (2001)
% mensen met toegang tot veilig drinkwater 70% (2000)
% mensen met toegang tot essentiële medicijnen 40% (1999)
% kinderen tot 5 jaar met ondergewicht 26% (1995-2001)
1.6 Politiek en Beleid
Buitenland
Sinds de onafhankelijkheid, heeft Habibi in de Hoorn van Afrika een betrekkelijk neutrale politieke positie ingenomen. Het heeft de regionale samenwerking bevorderd door zich actief op te stellen in IGAD-verband (Intergovernmental Authority on Development); de voorloper van IGAD (IGADD) was een idee van president Aptidon. Habibi moet echter altijd balanceren tussen zijn grotere en machtiger buren.
Terwijl Habibi heeft getracht een neutrale houding in te nemen in het recente conflict tussen Ethiopië en Eritrea, is een van de gevolgen van het conflict dat een groot deel van de export van Ethiopië via de haven Navice gaat. Dit heeft geleid tot een versteviging van de economische en politieke banden tussen beide landen. Deze banden waren sinds de handelsovereenkomst van 1996 al nauwer geworden. De betrekkingen met Eritrea zijn hierdoor echter verslechterd en in november 1998 officieel verbroken. Habibi nam in het conflict tussen Eritrea en Yemen over de Hanish archipel een neutrale positie in, ondanks de banden die Habibi onderhoudt met de Arabische wereld. Buurland Somalië is een punt van zorg vanwege de burgeroorlog en de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Somaliland in 1991. De internationale toegang tot Somaliland loopt echter via Habibi en het land profiteert aldus financieel van de doorgang van Somaliërs, UN- en NGO-personeel van en naar Hargeisa.
In Habibi is een grote Franse marinebasis, die een vaste landingsbasis vormt tussen Frankrijk en de bases in de Indische Oceaan. De Franse basis is een garantie tegen potentiële dreiging vanuit Ethiopië en Somalië. De Franse troepen in het land mogen zich niet bemoeien met interne aangelegenheden, maar zijn bij verdrag gebonden te zorgen voor de verdediging van het land. In juli 2001 werd aangekondigd dat het Franse garnizoen over een periode van vijf jaar van 3.800 tot 2.600 zal worden teruggebracht als onderdeel van een algehele hervorming van de militaire aanwezigheid van Frankrijk in Afrika.
Slechts een kleine minderheid van de bevolking van Habibi is Arabisch, veelal van Yemenitische oorsprong. Echter, net als Somalië, beschouwt Habibi zich als een Arabische staat. Het speelt een actieve rol in de Arabische Liga en in internationale Islamitische organisaties. De Islam is de officiële godsdienst.
Binnenland
De verhoudingen tussen Afar en Issa spelen een belangrijke rol in de landspolitiek. Ook de hechte persoonlijke banden van de president met de kleine groep politici die Habibi reeds vanaf voor de onafhankelijkheid hebben geregeerd, zijn van belang. De drie belangrijke oppositiepartijen zijn de Parti de Renouveau Démocratique (PRD), de Parti National Démocratique (PND) en het FRUD, de voormalige Afar-guerrillagroepering. Opponenten van de regering zijn verdeeld. De PRD van Mohamed Djame Elabe, die ontslag nam uit het kabinet in januari 1991, was de enige oppositiepartij tijdens de parlementsverkiezingen in 1992. Bij de presidentsverkiezingen in 1993 waren de tegenkandidaten Elabe van de PRD en Awale van de PND. Aptidon werd gekozen. In 1997 waren zowel de PRD als de PND verwikkeld in een interne strijd om het leiderschap. De factie van de FRUD die het vredesakkoord met de regering tekende, richtte een politieke partij op en vormde een alliantie met de regerende RPP in april 1997.
De politieke besluitvorming is doorgaans informeel en sterk persoonsgebonden. Er is echter een scherpe tegenstelling tussen de oude garde en de jongere technocraten, die sinds de onafhankelijkheid veelal in Frankrijk zijn opgeleid. In 1999 heeft Aptidon, die ongeveer 83 jaar is en niet in goede gezondheid verkeert, aangegeven zich niet meer voor een volgende termijn beschikbaar te stellen. Bij de presidentsverkiezingen van 9 april 2004 is Pitrus Miedemai gekozen tot zijn opvolger.
Handel te Habibi
2
2.1 Introductie
Handel, zeker op wereldniveau is een gecompliceerd proces. En ondanks de hoge potentie qua handel, speelt Habibi nog geen rol van betekenis op de wereldmarkt. Dit is vooral te wijten aan het gebrek aan organisatie tussen de verschillende boerenorganisaties. Het land is rijk aan koffie- en katoenindustrieën, maar alleen op kleine schaal. Hierdoor is het moeilijk voor deze boeren iets van welvaart te vergaren, wat ook invloed heeft op het nationale welvaartsniveau.
Als naar de relatieve cijfers gekeken wordt, is te zien dat 80% van de boerenbedrijven zelfvoorzienend is en 20% enige vorm van regelmatige aftrek heeft in door contracten met winkels en fabrieken. Deze aftrek vindt echter alleen in de eigen regio plaats. Enkele grootschalige plantages doen pogingen een plaats te verwerven op de wereldmarkt, maar tot dusver is dit weinig succesvol gebleken. Alhoewel zij grootschalig te noemen zijn, kan er geen sprake zijn van een mate van organisatie waarbij buitenlandse ondernemingen geïnteresseerd zouden zijn in de producten van deze grootgrondbezitters.
Maar de ongecoördineerde industrie is niet de enige reden. Veel landen uit de Eerste Wereld vragen zeer hoge importheffingen waardoor het niet aantrekkelijk wordt, zelfs onmogelijk, voor boeren uit de armere landen om hun producten daar af te zetten. Zo stagneert de ontwikkeling van de export vanuit Habibi.
Daarnaast is het toerisme in Habibi onderontwikkeld. Terwijl het land veel te bieden heeft: prachtige zandstranden aan de kust met een zeer vriendelijke lokale bevolking. Eigen, van natuurlijke stoffen, gemaakte producten zullen uitstekend kunnen dienen als herinnering aan een bezoek aan dit prachtige land.
Wil men een meer avontuurlijke vakantie, dan biedt het binnenland een prima mogelijkheid: ruige bergen, snelle rivieren en uitgestrekte vlaktes. Maar veel kleine ondernemers hebben niet het vermogen om een hotel, restaurant of andere toeristische organisatie op te zetten; er ontbreekt een microfinancieringsstructuur.
Hieruit kunnen we concluderen dat er drie grote problemen zijn wat betreft handel:
1. Er is weinig tot geen samenwerking tussen boerenorganisaties.
2. Importheffingen van rijke landen zijn onbetaalbaar voor de exporteurs in Habibi. De interne economie lijdt onder de lage importheffingen: binnenlandse handelaren kunnen hun waren niet slijten aan winkels, die liever iets uit het buitenland halen.
3. Er is nog geen toerisme, terwijl daar wel volop mogelijkheden voor zijn.
Graag zou Habibi haar eigen problemen oplossen, maar de regering is bezig een tekort weg te werken en houdt dus niet veel over om oplossingen te realiseren. Daarom wendt zij zich tot de Wereldbank om financiële steun te vragen voor haar projecten. Wat de oplossingen zijn en hoe die zullen worden aangepakt worden hieronder nader verklaard. Daarna volgt een kostenverdeling om inzicht te verschaffen in ideeën over relevantie en urgentie van de verschillende projecten.
2.2 Handelsprobleem 1
Er is weinig tot geen samenwerking tussen boerenorganisaties.
Doelen
Het streven zal zijn om in 2010, voor zover mogelijk, twee coöperaties te hebben opgezet. Een voor de koffie- en een voor de katoenindustrie. Deze coöperaties zijn goedfunctionerende organisaties met zowel een controlerende als een organiserende taak.
In 2015 zal Habibi een reputatie hebben vergaard op de wereldmarkt en er een rol van betekenis spelen.
Relatief gezien moet het aantal zelfvoorzienende bedrijven gedaald zijn tot onder de 30% in 2015 en onder de 15% in 2020.
Plan 1: Het bevorderen en coördineren van
de samenwerking tussen boerenorganisaties
Bureaucratie binnen de coöperaties
Ten eerste moet duidelijk gemaakt worden dat Habibi een vrije staat is met een democratie. Boeren kunnen dus niet verplicht worden gesteld om zich aan te sluiten bij de coöperaties. Desondanks wordt er een hoge participatie verwacht. De coöperaties kunnen boeren een toekomst met veel voordelen bieden. Zij zullen daarvan op de hoogte worden gebracht door middel van reclame en voorlichting.
De organisaties van beide coöperaties, namelijk die voor koffie en die voor katoen, zullen hetzelfde opgebouwd zijn qua bureaucratie. Aan de top staan twee mensen: een ambtenaar, die de regering vertegenwoordigd, en een gekozen vertegenwoordiger van de boeren.
Deze laatste vertegenwoordiger moet democratisch gekozen worden. Hierbij heeft elk, bij de coöperatie aangesloten, bedrijf één stemrecht. Alle stemmen tellen even zwaar.
Niet iedereen mag zich zomaar verkiesbaar stellen: elke regio mag één vertegenwoordiger naar voren schuiven. Deze moet binnen de regio op dezelfde democratische wijze gekozen worden.
De ambtenaar wordt aangesteld door de regering en functioneert als contactpersoon. Hij moet eisen en problemen van beide kanten belichten en aan de man brengen.
Beide vertegenwoordigers zijn gelijk wat betreft recht en verantwoordelijkheid. Beide worden aangesteld voor een ambtstermijn van vier jaar.
De ambtenaar is ondergeschikt aan de wil van de regering en de vertegenwoordiger aan de wil van de boeren. Voor belangrijke besluiten moet hij toestemming vragen bij alle regiohoofden. Deze regiohoofden staan tussen de boeren in hun regio en de vertegenwoordiger. Ook zij worden democratisch gekozen. Wel hebben beide personen een vetorecht.
Illustratie bureaucratie coöperaties
Organisatie van de coöperaties
Allereerst moet er voor gezorgd worden dat de producten die van de bedrijven komen opgeslagen worden in grote hangars. Per regio zal er één hangar gebouwd worden, waarbij het oppervlak afhankelijk is van de productiegrootte van die regio. Elke coöperatie heeft vanzelfsprekend een eigen hangar.
Boeren kunnen eens per week hun oogst naar deze hangar brengen, waar genoteerd wordt wat hun inbreng is en waar ze dus recht op hebben. Zij zullen een kleine basisprijs ontvangen, dit naar aanleiding van de samenwerking met FLO . Wanneer de grondstoffen verder verhandeld worden zullen de boeren die prijs erbovenop ontvangen. Soms is dat zeer weinig, wat de basisprijs noodzakelijk maakt. Echter, elk bedrijf moet elke maand 5% van haar winst overdragen aan de coöperatie. Dit om de organisatie draaiende te houden.

Het is maar goed dat de regering haar geld daar niet aan hoeft te besteden want er zijn andere noodzakelijke uitgaven. Er zal namelijk een controleapparaat opgezet moeten worden om corruptie te voorkomen. Die zal eens per maand de hangars controleren op hygiëne, arbeidsomstandigheden en boekhouding. Niet alleen de boekhouding van de hangars maar ook de boekhouding van elk bedrijf zal worden gecontroleerd. De boekhoudingen moeten corresponderen, is dit niet het geval dan wordt er een onderzoek ingesteld naar de oorzaak. Mogelijke fraude wordt bestraft met een boete en uitsluiting van deelname aan de coöperatie. Wordt in een hangar fraude ontdekt, dan wordt het gehele leidinggevende team ontslagen en vervangen.
Plan 2: Samenwerking FLO
Zoals eerder vermeld zal er een nauwe samenwerking ontstaan met Fairtrade Labelling Organisation. In Bijlage 1 is te lezen hoe de organisatie precies in elkaar steekt. Echter Habibi is tot een overeenkomst gekomen met het FLO Board om aparte regelingen te treffen. De coöperaties die door Habibi worden opgericht zullen fungeren als tussenstap tussen FLO en de boeren: het kan gezien worden als een soort nationale FLO. De inspecteurs van de FLO zullen eens per halfjaar langskomen om de hygiëne, arbeidsomstandigheden en boekhouding te controleren. Voor de rest loopt het contact met FLO via de twee directeuren per coöperatie.
Door de samenwerking met FLO zullen niet alleen de arbeidsomstandigheden, en ook de leefomstandigheden, van de boeren en medewerkers verbeteren, ook zullen zij een grote zekerheid hebben wat betreft hun afzet. Onderzoek heeft uitgewezen dat er steeds meer vraag is naar Fairtrade-producten. Er zit dus een goed toekomstperspectief aan vast.
Plan 3: Voorlichting economisch ondernemen
Er zal een aantal ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken worden omgeschoold tot voorlichters. Zij zullen in de regio’s symposia geven over het onderhouden van een bedrijf, het voeren van een goede boekhouding en het economisch inzetten van middelen en mankracht. Zij zullen waar nodig enkele maanden steun verlenen aan ondernemers die zich moeten aanpassen aan het systeem van de coöperatie.
2.3 Handelsprobleem 2
Importheffingen van rijke landen zijn onbetaalbaar voor de exporteurs in Habibi. De interne economie lijdt onder de lage importheffingen: binnenlandse handelaren kunnen hun waren niet slijten aan winkels, die liever iets uit het buitenland halen.
Doelen
Het moet voor exporteurs in Habibi mogelijk worden eerlijk te kunnen exporteren. Daarnaast moet de interne economie een stimulans krijgen. Het streven zal zijn om in 2015 en exportsaldo van minstens $300 miljoen te hebben.
Plan: Exportsubsidies en importheffingen
Het is moeilijk om als klein ontwikkelingsland iets te doen tegen importheffingen en oneerlijke marktprijzen. Toch is er hier een lichtpuntje. Want ook een ontwikkelingsland heeft een wapen tegen multinationals uit het buitenland. En wel in de vorm van importheffingen. Is de belasting op import nu nog maar 7% van de waarde van stoffen of producten, de regering wil die verhogen tot 20%. Zo wordt het onaantrekkelijk gemaakt voor handelaren om hun producten uit het buitenland te halen en zal de interne handel een impuls krijgen. Door hogere importheffingen zullen nationale bedrijven een redelijk stabiele binnenlandse afzet hebben. Daarnaast zorgen deze importheffingen voor enige extra overheidsinkomsten. Deze zullen onder andere gebruikt worden voor de uitgave van exportsubsidies. Zo houden import en export elkaar in stand.
Naast de importheffingen is ook het instellen van importquota een bescherming van de eigen handel en economie. Daarom zal Habibi ook dit middel gebruiken in de strijd tegen het verval van de binnenlandse handel. Op industrieproducten die uit het buitenland worden gehaald, terwijl ze ook in eigen land te krijgen zijn, zal een maximumquota staan van 20% van de vraag. Voor aardolieproducten wordt een uitzondering gemaakt aangezien in het land geen mogelijkheid is tot het produceren daarvan; er zit geen aardolie in de bodem.
Een speciale regeling zal getroffen worden met landen die een afzetgarantie bieden aan Habibi. Wordt er een overeenkomst gesloten om bijvoorbeeld 20% van de totale katoenoogst op te kopen dan zullen de importheffingen voor producten uit dat land gereduceerd worden tot 10%.
Daarnaast zullen er voor exporteurs subsidies beschikbaar zijn om de economie en handel verder te stimuleren. Hiermee moet bereikt worden dat Habibi een netto-exporteur wordt. Dit zou een gunstige invloed hebben op het BNP van het land. Want ook: hoe meer geld er binnen komt, hoe meer er uitgegeven kan worden.
Deze subsidies zullen niet lukraak uitgegeven worden. Een speciaal departement van het Ministerie van Economische Zaken zal zich toeleggen op het onderzoeken van aanvragen. Zij kijken in hoeverre de aanvraag relevant is en de onderneming kans van slagen heeft. De ondernemer zal zelf 50% moeten inleggen, de rest wordt aangevuld door het Ministerie. Daarbij moeten er wel enkele garanties van inkomsten zijn, zoals al vastgelegde contracten met bedrijven. De subsidie wordt driemaal in twee jaar uitgekeerd. Daarna moet het bedrijf op eigen benen kunnen staan.
2.4 Handelsprobleem 3
Er is nog geen toerisme, terwijl daar wel volop mogelijkheden voor zijn.
Doelen
Het creëren van een toeristische kuststrook en een binnenland aantrekkelijk voor avontuurzoekende toeristen. In het jaar 2015 moet het aantal toeristen relatief gestegen zijn met 300%.
Plan 1: Het creëren van een microfinancieringsstructuur
Onder de lokale kustbevolking heerst een grote werkloosheid; de zee is ongeschikt voor visvangst. Er leven veel beschermde diersoorten en oneetbare waterdieren. Ook zijn er mooie, maar beschermde, koraalriffen. Hier is grote potentie voor watersportrecreatie. Omdat velen werkloos zijn, wordt aangeboden werk met beide handen door de lokale bevolking aangegrepen. Naast de grote havenstad Navice zijn er talloze pittoreske kustplaatsjes waar toeristen de sleur van alledag kunnen vergeten en zich overgeven aan zon, zee en strand. Wat er echter nog ontbreekt is een toeristenindustrie. Door de geldbarrière op te heven zullen er innovatieve ondernemers opstaan om deze te doen ontstaan.
Een microfinancieringsstructuur houdt in dat er kredieten beschikbaar zijn voor kleine ondernemers. Door het creëren van zo’n structuur krijgen zij de kans iets op te bouwen. Zeker voor kleine horecaondernemers aan de kust is dit zeer geschikt. Vaak hebben zij niet het vermogen om zelf iets op te bouwen. Een krediet zorgt voor een startkapitaal waarmee een behoorlijk restaurant, hotel of botenverhuur kan worden opgezet.
Deze kredieten zullen alleen verschaft worden aan ondernemers met een relevant en plausibel ondernemingsplan. Zij moeten ook een intake-gesprek houden met een medewerker van het Ministerie van Economische Zaken zodat hun motivatie en achtergrond beoordeeld kunnen worden.
Plan 2: Het opzetten van een nationale recreatieorganisatie
In het binnenland is er geen sprake van overmatige werkloosheid. Daarom zullen er niet veel ondernemers opstaan om de toeristenindustrie hogerop te brengen. Om toch een goede recreatievoorziening in het binnenland te creëren zal er een nationale recreatieorganisatie worden opgezet, waarvan het bestuur zetelt in Capitallio.
Deze organisatie zal verschillende activiteiten aanbieden zoals bergbeklimmen, safari en raften. Zij zullen dit doen naar aanleiding van de vraag van toeristen die verblijven in de kustgebieden. Een van de taken van de organisatie is dan ook het onderhouden van contacten met de verschillende reisbureaus in de kustgebieden en met afzonderlijke hotels.
Daarnaast moeten er ervaren gidsen ingehuurd worden die de toeristen begeleiden op hun excursies. Het uitzoeken van routes, eventuele verblijfplaatsen en voedselvoorziening behoort ook tot de taken van deze organisatie. Zij zal deel uitmaken van het departement Recreatie van het Ministerie van Kunst en Cultuur.
In de toekomst zal er ruimte zijn voor privatisering van deze organisatie, mocht zij zich uitbreiden en er zijn gegadigden. De organisatie wordt dan een commercieel bedrijf, die zich wel te houden heeft aan en aantal regels; zo mag op geen enkele manier schade toegebracht worden aan de natuur of lokale bevolking tijdens de excursies. Deze en nog enkele andere criteria zullen vastgelegd in een wetsvoorstel en mocht de organisatie ze overtreden dan wordt er door de regering ingegrepen.
Plan 3: promotie bij reisbureaus in het buitenland.
Met alleen het creëren van een gunstige toeristenindustrie komt men niet ver. Ook moet er gedaan worden aan promotie van de verschillende plaatsen en activiteiten. Daarvoor zullen mensen van de nationale recreatieorganisatie samenwerken met vertegenwoordigers van de reisbureaus. Zij zullen een budget tot hun beschikking krijgen om aan actieve werving te doen in het buitenland. Zij dienen wel verantwoording af te leggen voor hun reizen en andere uitgaven.
In de eerste jaren, tot 2010, zal vooral gefocust worden op buurlanden als Kenia, Somalië, Tanzania en Ethiopië. De bevolking daar is een makkelijke doelgroep: zij wil een vakantie niet te ver van huis die haar alles te bieden heeft. Habibi kan deze vakanties bieden. Ook heerst er in Habibi geen dreiging van een eventuele burgeroorlog of natuurgeweld. Dat maakt het voor buurvolken zeer aantrekkelijk Habibi als vakantieland te kiezen.
Als deze groep eenmaal naar Habibi gelokt is, wordt het tijd voor een bredere oriëntatie. Afgevaardigden van zowel de nationale recreatieorganisatie als de reisbureaus zullen op vele werkbezoeken gaan in vooral Europa en Azië. De economieën van deze continenten zijn namelijk nog steeds groeiend wat vooral te merken is aan de vakantiebestedingen: er wordt steeds meer uitgegeven aan verdere en langere vakanties. Habibi biedt Europese en Aziatische toeristen wat ze zoeken.
2.5 Conclusies
Handelsprobleem 1
Er is weinig tot geen samenwerking tussen boerenorganisaties.
Er zullen twee coöperaties opgericht moeten worden voor de koffie- en katoenindustrie. Zij worden bijgestaan door FLO. Informatieverstrekking over dit project zal verstrekt worden door om te scholen ambtenaren. Gebeurt dit alles niet dan is er weinig kans dat er verandering komt in de slop die de economie in haar greep heeft. In 2010 zal dit alles gerealiseerd moeten zijn. De eerste resultaten zullen geoogst worden in 2015.
Handelsprobleem 2
Importheffingen van rijke landen zijn onbetaalbaar voor de exporteurs in Habibi. De interne economie lijdt onder de lage importheffingen: binnenlandse handelaren kunnen hun waren niet slijten aan winkels, die liever iets uit het buitenland halen.
Door exportsubsidies en importheffingen wil Habibi bereiken dat zij tot een netto-exporteur uitgroeit. Importheffingen zullen verhoogd worden van 7% tot 20% om de eigen economie te beschermen. Een departement van het Ministerie van Economische Zaken zal zich buigen over subsidieaanvragen. Ondernemers moeten 50% zelf betalen. Bij het jaar 2015 moet de export $300 miljoen bedragen.

Handelsprobleem3
Er is nog geen toerisme, terwijl daar wel volop mogelijkheden voor zijn.
Het opzetten van een gunstige toeristenindustrie is van groot belang voor de economie. Het land heeft veel te beiden aan toeristen en zal dat doen door middel van een nationale recreatieorganisatie en een microfinancieringsstructuur voor ondernemers aan de kust. Door promotie in het buitenland zullen er toeristen naar de kustplaatsen trekken. In 2015 zal het relatieve aantal toeristen gestegen met 300%.
2.6 Kostenverdeling
Als er uit wordt gegaan van een budget van 100% dan is de verdeling binnen de problemen in de handel als volgt:
Probleem 1: Er is weinig tot geen samenwerking tussen boerenorganisaties.
 45% van het totale bedrag
Probleem 2: Importheffingen van rijke landen zijn onbetaalbaar voor de exporteurs in Habibi. De interne economie lijdt onder de lage importheffingen: binnenlandse handelaren kunnen hun waren niet slijten aan winkels, die liever iets uit het buitenland halen.
 35% van het totale bedrag
Probleem 3: Er is nog geen toerisme, terwijl daar wel volop mogelijkheden voor zijn.
 20% van het totale bedrag
Verantwoording verdeling
Het probleem van de ongecoördineerdheid van de landbouwsector wordt gezien als het belangrijkste en meest omvattende probleem, dus is het niet meer dan logisch dat het grootste gedeelte van het geld daarheen gaat. Daarnaast zullen deze projecten het meeste geld gaan kosten.
Voor subsidies en importheffingen heeft de regering ook heel wat geld nodig, vandaar dat dit als tweede belangrijkste project wordt beschouwd. Maar omdat de kosten enigszins gedrukt zullen worden door de hogere heffingen gaat hier minder van het budget naartoe dan naar het eerste probleem.
Het laatste probleem, de onderontwikkelde toeristenindustrie, verdient hier de minste aandacht, deels omdat er niet veel geld nodig is, deels omdat de andere twee problemen urgenter zijn, om de hierboven genoemde redenen.
3. Scholing te Habibi
3.1 Introductie
De basis voor een grotere, ontwikkelende economie begint bij de opleiding van de inwoners van een land. Zonder goede opleiding is de kans op een goede baan erg klein.
Habibi heeft te kampen met grote armoede en een slechte infrastructuur. Scholen zijn er niet in overvloed. De meeste basisscholen zijn vrijwillig opgericht en slecht te bereiken voor een hoop inwoners van het land.
In Habibi in het analfabetisme dan ook groot; 44,5% van de vrouw en 23,9% van de man is analfabeet. Scholen zijn vaak ontoegankelijk vanwege een slechte infrastructuur en hoog onderwijsgeld; leerplicht ontbreekt en daardoor blijven een hoop kinderen vaak thuis. Na de basisvorming is de spoeling van doorstromende studenten dun. Wat de invulling van het basisonderwijs betreft, kan er een hoop verbeterd worden. Er zijn internationale afspraken gemaakt dat omstreeks 2015 ieder kind op de wereld tenminste basisonderwijs moet kunnen volgen.
Scholingsprobleem 1
Opzet basisonderwijs
Huidige situatie:
Op dit moment telt Habibi tientallen kleine, primitieve scholen. Daarvan zijn de meeste opgezet door plaatselijke dorpsbewoners en is het onderwijs dat wordt gegeven kwalitatief op een laag niveau, doordat dezelfde plaatselijke bewoners vaak niet een goede opleiding hebben gehad om kinderen de basisvorming te leren. Daarnaast is er niet voldoende lesmateriaal beschikbaar en het lesmateriaal dat er is, is vaak achterhaald. 62% van kinderen tot en met 12 jaar volgt op dit moment de basisvorming.
Doelen:
Het starten van een grootschalig project ‘Het einde van armoede, begint op school’ om in 2015 te bereiken dat tenminste 90% van de kinderen tot en met 12 jaar onderwijs volgt dat kwalitatief voldoende is. Ieder kind, rijk of arm, moet een kans krijgen voor de toekomst.
Middelen:
Hierbij zullen het aandeel van het plan in het gehele probleem, de manier en de haalbaarheid van het plan aan de orde komen.
Het basisonderwijs in Habibi kent twee grote problemen; de opzet qua vorm & inhoud en de toegankelijkheid.
Omstreeks voorjaar 2006 zal er met een project gestart worden dat de opzet én de toegankelijkheid van het basisonderwijs moet verbeteren. Het doel van dit project is het kwalitatief verbeteren van het onderwijs. Er zijn hiervoor twee plannen gemaakt. Bij dit plan wordt samengewerkt met de hulporganisatie Novib, die een belangrijke sleutelrol zal hebben.
Onderdeel 1: Opleiding van het personeel
In de vele dorpen die Habibi kent zijn de meeste scholen vrijwillig opgezet. Alleen de vier grote steden die het land kent hebben ieder enkele professionele scholen, met goed opgeleid personeel. Het streven van dit onderdeel van het project is dan ook dat alle bestaande scholen personeel krijgt dat hiervoor opgeleid is. Er zullen in de vier grote steden zes opleidingscentra komen en in de rest van het land in elke regio ook nog één. Zo moeten de opleidingscentra binnen aanzienlijke tijd voor iedereen bereikbaar zijn. Deze opleidingscentra zijn bedoeld om in korte tijd het personeel op een zodanig niveau te brengen dat zij op deze manier de kinderen een goede basis bij kunnen brengen. Novib zal zorgen voor gekwalificeerde opleiders. Er zullen colleges worden gegeven in de volgende vakken: Frans, Engels, wiskunde (ook wel rekenen), psychologie (omgang met leerlingen, conflicten), lichamelijke opvoeding en verzorging, wereldoriëntatie (in het brede begrip: aardrijkskunde en geschiedenis), godsdienst (christendom en islam), handenarbeid. Alle scholen zijn verplicht om deel te nemen aan dit project, na deelname krijgt de school een kwalificatie. Scholen die in 2012 nog geen kwalificatie hebben en wel de kans hebben gehad deze te halen zullen worden gesloten.
Onderdeel 2: Verbeteren lesmateriaal
Vast lesmateriaal bestaat er niet, behalve op de scholen in de steden. Over het algemeen zijn een schoolbord met wat krijtjes, verouderde boeken, wat schriftjes voor leerlingen het enige materiaal wat zich in de school bevind. Goede stoelen en banken waaraan gewerkt kan worden ontbreken eveneens.
Het plan ter verbetering van het lesmateriaal sluit aan op de opleiding van het personeel; wanneer een school de kwalificatie krijgt voor goed opgeleid personeel zal de school voorzien worden van een nieuwe lesinvulling en nieuw lesmateriaal. Dit zal bestaan uit:
- nieuwe onderwijsinvulling; er zijn afspraken gemaakt over in welke vakken er les zal worden gaan gegeven. De volgende vakken zal ieder kind dat het basisonderwijs in Habibi volgt onderwezen worden:
 Frans, de eerste taal van het land
 Rekenen, de grondbeginselen van de wiskunde
 Lichamelijke opvoeding en verzorging: dagelijkse beweging en het leren verzorgen van jezelf en de omgeving
 Wereldoriëntatie: het wereldwijs maken van de kinderen; kennismaken met eigen cultuur, geschiedenis en topografie
 Godsdienst: de twee belangrijkste godsdiensten in Habibi zijn het christendom en de islam
 Engels
 Handenarbeid: dit vak kan als keuzevak geïntroduceerd worden, al zal ieder kind bijdragen aan de sfeer op school; projecten kunnen voor een aangekledener school zorgen.
Daarnaast moet er voor de kinderen voldoende ruimte zijn om zich te ontwikkelen; ruimte voor sport en spel. Iedere school moet daarom in de buurt van de school een stuk grond hebben waar de kinderen in de pauzes en tijdens de lessen lichamelijke oefening veilig kunnen rondlopen.
- nieuw lesmateriaal; de eerder genoemde vakken zullen allemaal voorzien worden van nieuwe methodes. Verder zullen de belangrijkste hulpmiddelen voor goed onderwijs aangeboden worden; zaken als landkaarten, goede stoelen en banken, schrijfmateriaal, computers met lesprogramma’s. De scholen moeten zich kunnen redden met alleen het lesmateriaal maar deze hulpmiddelen kunnen goed van pas komen. Ze zullen deze per school moeten aanschaffen tegen een gereduceerde prijs.

3.3 Scholingsprobleem 2
Toegankelijkheid basisonderwijs
Huidige situatie:
De scholen die Habibi telt zijn vaak slecht bereikbaar. De infrastructuur is zondanig slecht dat een hoop gezinnen met kinderen die eigenlijk naar school moeten gaan kilometers moeten lopen om bij school te komen. Slechts 10% van de wegen in Habibi zijn op dit moment geasfalteerd. Openbaar vervoer is er niet of niet betaalbaar. Omdat de overheid op dit moment het onderwijs nauwelijks subsidieert zijn de kosten voor het volgen van het basisonderwijs voor de meeste gezinnen onbetaalbaar. Daarnaast kent Habibi geen leerplicht, niemand is verplicht om op school te verschijnen en dus helpen kinderen veel vaker hun ouders thuis bij het werk, om zo enig geld te verdienen. Dit alles zorgt ervoor dat de kinderen geen perspectief voor de toekomst geboden wordt, een groot deel kan niet lezen en schrijven en slijt de rest van zijn/haar leven als armzalige boer of boerin. Als de huidige situatie niet veranderd zal Habibi in de toekomst op de hulp van andere landen/internationale organisaties moeten blijven steunen.
Doelen:
Het verbeteren van de infrastructuur, verlagen van het onderwijsgeld, het instellen van een leerplicht tot tenminste 12 jaar en het oprichten van een onderwijsinspectie. Ouders laten inzien dat het wel degelijk belangrijk is dat hun kinderen het basisonderwijs moeten volgen en ze door verbetering/instellen van de zojuist genoemde zaken tegemoet te komen.
Plan 1: Toegankelijkheid qua infrastructuur
De scholen zijn slecht bereikbaar. Omdat er in Habibi nog maar zo weinig wegen geasfalteerd zijn, moeten kinderen vaak uren lopen om op school te komen. Openbaar vervoer is er niet of is te duur. Schoolbussen zijn er niet. De infrastructuur moet daarom grondig veranderen en de plannen hiervoor zijn gemaakt. U wordt verwezen naar ‘Infrastructuur’. Een project dat in de loop van de jaren eventueel van de grond kan komen is het inzetten van schoolbussen.
Plan 2: Toegankelijkheid qua onderwijsgeld en lesmateriaal
Gezinnen moeten het onderwijsgeld en lesmateriaal zelf bekostigen. Er is geen subsidie van de overheid en daar moet verandering in komen. Op dit moment is daar gewoonweg nog nauwelijks geld voor; het land heeft te hoge schulden bij rijke landen en het IMF (Internationaal Monetair Fonds). Een kwijtschelding of vermindering van deze schulden zou betekenen dat de overheid meer geld in het onderwijs/sociale voorzieningen kan steken. Het geld dat op dit moment beschikbaar is zal in verlaging van het onderwijsgeld worden gestoken. Zo wil men het onderwijs aantrekkelijker maken, toegankelijker. Het project ‘Het einde van armoede, begint op school’ zal het nieuwe lesmateriaal voor een deel leveren. Medio 2015 zal dit project afgerond worden en tegen die tijd zal het onderwijsgeld (bijna) in zijn geheel gesubsidieerd zijn door de overheid.
Plan 3: Toegankelijkheid qua leerplicht en
het opzetten van een onderwijsinspectie
Op dit moment ontbreekt een leerplicht. Het gevolg daarvan is dat slecht 58% van de kinderen tot en met 12 jaar op dit moment basisonderwijs volgt. Ouders beslissen dat kinderen beter voor de kost kunnen gaan werken of moeten helpen in het huishouden. Met het instellen van de leerplicht tot ten minste 12 jaar wil men alle kinderen naar school krijgen. Kinderen móeten verplicht weer naar school en door middel van bevolkingsregisters en strikte inschrijving op scholen zal worden gecontroleerd of kinderen ook daadwerkelijk onderwijs volgen. Een wetsvoorstel wordt op dit moment gemaakt en naar alle verwachting zal de leerplichtwet vanaf 2007 ingaan. Natuurlijk is het bekend dat het onderwijs op Habibi op dit moment nog op wankele poten staat en nog niet iedereen in staat is zijn/haar kind(eren) naar school te sturen. Daarom zullen er pas vanaf 2015, wanneer dit project naar alle waarschijnlijk wordt afgerond pas serieuze maatregelen worden genomen als het opleggen van boeten en dergelijke.
Wanneer de leerplicht van kracht wordt, moet er ook een onderwijsinspectie zijn die kan controleren of de regels wel nageleefd worden. Hiervoor zullen binnenkort door het Ministerie van Onderwijs vacatures opgesteld worden. Iedereen inwoner van Habibi kan solliciteren naar een baan als inspecteur en zal hiervoor opgeleid worden wanneer ze aangenomen wordt. Deze onderwijsinspectie zal zijn hoofdkantoor in Capitallio krijgen en zomer 2008 in dienst treden.
Plan 4: Voorlichting ouders
Dit laatste plan is bedoeld om de bevolking van Habibi op de hoogte te stellen wat hen de komende jaren te wachten staat op het gebied van veranderingen in het onderwijs. Omdat het het plan is om het onderwijs stevig onder handen te nemen en te moderniseren moet de bevolking goed ingelicht worden en de kans krijgen om kennis te maken met het nieuwe systeem. Onderdeel van het project in samenwerking met Novib is dan ook dat de scholen zelfstandig voorlichtingsdagen/avonden organiseren. Het opgeleide personeel kan dan uitgebreid informatie geven en vragen beantwoorden. De plannen zullen worden voorgelegd en er zal worden gevraagd om medewerking van de gehele bevolking; er zal worden doen inzien dat het van groot belang is voor het hele land dat het onderwijssysteem wordt verbeterd.
3.3 Scholingsprobleem 3
Middelbaar onderwijs
Huidige situatie:
Het middelbare onderwijs is in Habibi vrijwel alleen weggelegd voor inwoners van de grote steden en gezinnen met geld. Ook middelbaar onderwijs wordt alleen in de grote steden en in enkele regio’s in de rest van Habibi verzorgd. De kinderen die het basisonderwijs hebben gevolgd gaan hierna meestal bij ouders in de leer of aan het werk, jongens leren de ambacht die vader uitoefent en meisjes gaan moeder in het huishouden helpen of ergens in dienst als dienstmeisje. Zo is er maar een kleine groep in de leeftijd van 12 tot en met 18 jaar die nog verder leert op school en zo kans maakt op een studie en een betere toekomst; 20% Aangezien men eerst het basisonderwijs grondig wil verbeteren zijn de plannen die voor het middelbaar onderwijs zijn gemaakt voor op de lange baan. Echter, het kan niet zo zijn dat het middelbaar onderwijs pas wordt verbeterd wanneer het basisonderwijs in goede banen loopt, er zijn op dit moment natuurlijk al meer dan genoeg jongeren die een goede opleiding verdienen. Daarom wil men toch al gaan beginnen met de reorganisatie en het doorvoeren van nieuwe plannen.
Doelen:
Het op een overzichtelijke en gemakkelijke manier verbeteren van het middelbare onderwijs. Het percentage schoolgaande jongeren van de leeftijd 12 tot en met 18 jaar verhogen met 50%, dus tot 70%.
Het reorganiseren van het middelbaar onderwijs, het invoeren van twee soorten: praktische en theoretische leerweg. Aan het einde van het basisonderwijs een test invoeren die samen met de andere schoolresultaten moet bepalen of iemand de theoretische (havo/vwo-niveau in Nederland) of praktische (vmbo/havo-niveau in Nederland) leerweg gaat volgen. Dit nieuwe onderwijssysteem zal worden ingevoerd vanaf januari 2009.
Plan 1: Een kans om verder te ontwikkelen: de test
Na het basisonderwijs wil men zoveel mogelijk kinderen verder laten leren op het middelbare onderwijs. Vanaf januari 2007 zal er een test worden ingevoerd om de intelligentie van een kind te testen. Deze test zal samen met de andere schoolresultaten leiden tot een advies voor verdere opleiding. Het is de bedoeling dat ieder kind vanaf 2009 verder leert na de basisschool. Het oprichten van deze nieuwe scholen zal beginnen vanaf medio 2006. Iedere grote stad en iedere regio krijgen ten minste één praktisch en één theoretisch schoolgebouw op een centrale plek. Ook de kosten van het middelbaar onderwijs moeten zo laag mogelijk blijven. Op dit moment worden er voor de financiering strakke plannen gemaakt zodat dit ook daadwerkelijk geprobeerd kan worden. Meer informatie hierover vindt u in het volgende rapport.
Plan 2: Twee richtingen, praktisch en theoretisch
Er zullen dus twee stromingen gecreëerd worden, een praktische en een theoretische; de praktische is bedoelt voor ‘minder begaafden’, kinderen die later niet kunnen gaan studeren.
Deze opleiding kent weer verschillende stromingen; het is de bedoeling dat de jongeren een specifiek beroep leren.
De opleiding kan worden opgedeeld in vier stromingen en zullen allemaal minstens 4 jaar duren.
 Handel (opleiding tot bv. verkoper, handelaar),
 Diensten (opleiding tot bv. cateraar, loodgieter),
 Zorg (opleiding tot bv. zuster, doktersassistent),
 Scholing (opleiding tot bv. onderwijzer)
De theoretische leerweg is meer een vervolgschool, de jongeren volgen hier nog altijd een vakkenpakket, met onder andere wiskunde, natuurkunde, economie, scheikunde, biologie. Na deze school, die vijf jaar duurt, kunnen zij nog verder studeren. Faciliteiten voor deze beide scholen moeten de komende jaren tot stand komen.
3.5 Conclusies
Scholingsprobleem 1:
Opzet basisonderwijs
Door middel van de 2 plannen, hierboven genoemd, kunnen de doelen worden gehaald:
Plan 1: Opleiding van het personeel
Plan 2: Verbeteren lesmateriaal
Het structureel verbeteren van de inhoudelijke kant van het onderwijs, nieuwe leraren, een nieuw lespakket, nieuw materiaal enzovoorts. Ieder kind moet een goede basis meekrijgen, die op dit moment voor de meeste kinderen in Habibi nog ontbreekt. Het streven is 90% van de kinderen naar school te krijgen. Op dit moment is dat nog maar 58%.
Scholingsprobleem 2:
Toegankelijkheid basisonderwijs
Door middel van de 4 plannen, hierboven genoemd, kunnen de doelen worden gehaald:
Plan 1: Toegankelijkheid qua infrastructuur
Plan 2: Toegankelijkheid qua onderwijsgeld en lesmateriaal
Plan 3: Toegankelijkheid qua leerplicht en oprichting onderwijsinspectie
Plan 4: Voorlichting ouders
Samen met het verbeteren van de inhoud van het basisonderwijs speelt de toegankelijkheid een belangrijke rol in dit project. Zolang de infrastructuur van Habibi niet verbeterd, zal het andere onderdeel van het project niet veel nut hebben. Wanneer er op school gloednieuw lesmateriaal en professionele leraren liggen/staan te wachten voor de leerlingen, maar zij de school niet kunnen bereiken of betalen, heeft het niet veel nut. Daarom is er ook de instelling van de leerplicht, die ervoor moet zorgen dat het percentage schoolgaanden grondig stijgt.
Scholingsprobleem 3:
Middelbaar onderwijs
Door middel van de 2 plannen, hierboven genoemd, kunnen de doelen worden gehaald:
Plan 1: Een kans om verder te ontwikkelen: de test
Plan 2: Twee richtingen, praktisch en theoretisch
Het invoeren van twee verschillende soorten middelbaar onderwijs moet ervoor zorgen dat de jongeren onderwijs krijgen dat gericht is op hun niveau. Dit zal veel effectiever zijn dan wanneer alle jongeren van verschillende niveaus samen in één klas hetzelfde lesmateriaal voor hun neus krijgen. Men wil zo de kansen vergroten op meer jongeren die gaan studeren, en meer jongeren van de straat houden. Op deze manier krijgt iedereen een opleiding die bij hem/haar past.
3.6 Kostenverdeling

Wanneer er uit wordt gegaan van een budget van 100% dan is de verdeling binnen de problemen in de handel als volgt:
Scholingsprobleem 1: Opzet basisonderwijs
Er zijn reeds afspraken gemaakt tussen het ministerie van economische zaken, het ministerie van onderwijs en Novib. De financiering is als volgt:
Novib: 40%
Ministerie van onderwijs: 30%
Ministerie van economische zaken: 30%
Deze afspraak met Novib is gemaakt op voorwaarde dat de overheid van Habibi ook daadwerkelijk in de toekomst zal nastreven dat het basisonderwijs voor iedereen toegankelijk én gratis is. Op dit moment organiseert Novib onder andere in Nederland voorlichtingsavonden, benefietavonden en collectes om geld op te halen voor dit project.
Scholingsprobleem 2: Toegankelijkheid basisonderwijs
Dit probleem is onderdeel van het project met Novib, de kostenverdeling is dus opnieuw 40% voor Novib en 30% voor beide ministeries.
Scholingsprobleem 3: Middelbaar onderwijs
Ook dit project zal voor het grootste deel gefinancierd worden door de ministeries van Onderwijs en Economische Zaken.
Als we kijken naar het totale bedrag en dat verdelen onder de drie problemen, is de verdeling als volgt:
Probleem 1 en 2: 60%
Probleem 3: 40%
Deze verdeling omdat het basisonderwijs de meeste prioriteit heeft voor een grondige vernieuwing, en de toekomst voor vele Habibiërs zo in ieder geval in de basis rooskleurig zal worden. Het is de bedoeling om het basisonderwijs en middelbaar onderwijs over enkele jaren een gelijke financiering te geven.
4. De gezondheidszorg te Habibi
4.1 Introductie
Ook op het gebied van de gezondheidszorg kent Habibi grote problemen. Deze vloeien voort uit een matig ontwikkelde economie en zelfstandigheid. Deze problemen kunnen worden opgelost en de huidige situatie kan worden verbeterd door het investeren van geld in verschillende projecten. In deze projecten moet geprobeerd worden om vooral in oplossingen op de langer termijn te voorzien. Oplossingen op de korte termijn zullen moeten worden bekostigd en bezocht door hulpverlenende instanties (als Unicef, Novib, het Rode Kruis, etc) die vaak nu al in het hulpbehoevende gebied actief zijn.
De verschillende problemen en de oplossingen die deze behoeven zullen hierna worden behandeld. Hierbij zal duidelijk worden gemaakt hoe het benodigde geld zal worden besteedt en waarom dit de gekozen manier of het gekozen project is.
4.2 Gezondheidsprobleem 1
Voorziening van veilig drinkwater
Huidige situatie
In de huidige situatie (2004) heeft 70 % van de bevolking van Habibi toegang tot veilig drinkwater. Voor de overige 30 % zijn er meerdere situaties mogelijk, n.m.l. de volgende:
- Er is te weinig veilig drinkwater aanwezig.
- Er is wel drinkwater aanwezig, maar dit is niet veilig.
- Men moet een te grote afstand tot veilig drinkwater afleggen.
Doelen
Voor deze overige 30 % moet een oplossing gezocht worden. Het streven zal zijn om in 2015 95 % of meer van de bevolking toegang te geven tot veilig drinkwater. Dit drinkwater zal tegen een haalbare prijs (voor de bevolking) aangeboden worden.
Middelen
Om deze doelen te behalen zullen er verschillende acties moeten worden ondernomen. Deze acties zullen hierna per plan worden besproken. Hierbij zullen het aandeel van het plan in het gehele probleem, de manier van toepassing en de redenen van de keuze van het plan aan de orde komen.
Plan 1: Het slaan van nieuwe waterputten, waterbronnen
Dit plan biedt een oplossing voor het probleem van de hoeveelheid water en het probleem van de afstand die de bevolking tot dat water af moet leggen.
Door het slaan van waterputten wordt de hoeveelheid plaatsen waar water gewonnen kan worden vermeerderd. Dit zorgt voor een toename van de hoeveelheid water. Tevens zorg het voor een kortere afstand voor de bewoners tot het water, mits de waterbronnen strategisch worden geplaatst. Dit plan kan vanzelfsprekend alleen uitgevoerd worden mits er mogelijkheden zijn voor plaatsten waar het water voldoende goed in de grond zit. Tevens moet dit water van een zodanige kwaliteit zijn dat het als veilig kan worden beschouwd.
Deze voorwaarden hoeven niet als problemen te worden gezien. Dit omdat uit onderzoek van de Organisatie voor Waterkwaliteit (OWk) blijkt dat er voldoende plaatsen zijn waar waterputten geboord kunnen worden en dat dit water van een zeer goede kwaliteit is.
Voor het juist plaatsen van de verschillende waterbronnen is een commissie beschikbaar die onderzoek gedaan heeft naar de volgende aspecten:
- Op welke plaatsen zijn de waterputten het hardst nodig?
- Hoeveel waterputten zijn er nodig om de bevolking van voldoende water te voorzien?
- Welke kosten zijn aan dit project verbonden?
Met dit plan zal in grote mate worden voorzien in de twee bovengenoemde problemen. Deze zullen hierdoor moeten worden verminderd en het percentage van de bevolking dat beschikking heeft over voldoende veilig drinkwater zal toenemen tot 80 %.
Dit plan moet binnen een periode van 3 jaar gerealiseerd zijn. Dit betekent dus dat het plan in 2008 voltooid is.
Plan 2: Het verbeteren van de export van water
Dit plan voorziet in het probleem dat het beschikbare water zich niet eerlijk genoeg verdeelt over de bevolking en dat een deel van de bevolking hierdoor geen beschikking heeft tot voldoende veilig drinkwater. Tevens wordt een gedeelte van het drinkwater niet voor dit doel gebruikt omdat er in dat gebied een overschot aan drinkwater is. In dat geval wordt het drinkwater voor andere doelen (zoals landbouw, persoonlijke hygiëne en huishoudelijk werk) gebruikt, terwijl er in andere gebieden een tekort aan drinkwater is.
Om dit probleem op te lossen is het van belang de export van het beschikbare drinkwater binnen het land beter te regelen. Op plaatsen waar een overschot is, moet het overtollige drinkwater vervoerd worden naar de gebieden waar een tekort is. Het CBS in Habibi beschikt over de gegevens van de verschillende gebieden en hun hoeveelheid drinkwater. Deze gegevens zijn zeer recentelijk en dus direct bruikbaar.
Om dit te realiseren zijn betere verbindingswegen nodig. Tevens is het belangrijk dat het water op een veilige, snelle en hygiënische wijze vervoerd wordt naar de andere gebieden. Dit kan bijvoorbeeld in tanks (vrachtwagen) of via ondergrondse leidingen. Per gebied verschilt de manier van vervoer doordat de kosten en de mogelijkheden sterk verschillen. Per gebied is al vast gesteld welke vervoersmogelijkheden het beste zijn, deze staan vastgelegd in het onderzoek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Om dit plan tot een succes te maken is een goede coördinatie van de verspreiding van het drinkwater nodig. Dit zal worden gedaan door een nog op te zetten bestuur die als eindverantwoordelijke van dit project gehouden zal worden.
Dit plan zal niet zorgen voor de toename van de hoeveelheid water, maar draagt wel bij aan een betere bereikbaarheid van het beschikbare water, waardoor indirect een groter deel van de bevolking komt te beschikken over veilig water. Er wordt verwacht dat door deze maatregelen --boven op die van plan 1-- 85 % van de bevolking zal komen te beschikken over veilig water.
Deze verbeteringen kunnen binnen een jaar doorgevoerd worden en in 2006 gerealiseerd zijn.
Plan 3: Het – verbeterd - opvangen van water
Dit plan draagt bij aan de hoeveelheid beschikbaar water in Habibi. In de huidige situatie wordt veel water niet duurzaam gebruikt. Wanneer het bijvoorbeeld regent en er water in overvloed is, laat men het overtollige water de grond in stromen. Door dit water op te vangen en te bewaren, biedt het reserves voor de drogere periodes.
Wel is het van groot belang dat dit water louter voor de landbouw gebruikt wordt en niet als drinkwater. Dit omdat het water na lange tijd vaak niet veilig genoeg meer is als drinkwater. Het water dat nu in de droge periode voor de landbouw gebruikt wordt, kan in de toekomst gebruikt worden voor drinkwater. De landbouw kan dan worden voorzien met water uit de reserves.
Er is echter nog een belangrijk aandachtspunt. Namelijk dat er een commissie komt die er op toeziet dat het water zijn bestemming krijgt die het verdient. In de huidige situatie komt het nog vaak voor dat water van een goede tot zeer goede kwaliteit voor de landbouw gebruikt wordt en water van een slechtere kwaliteit als drinkwater. Dit is te wijten aan het probleem dat er geen goede coördinatie is en dat de transportmogelijkheden onvoldoende zijn.
In dit proces zal de commissie een zeer belangrijke rol krijgen om er op toe te zien dat het water de goede bestemming krijgt. Deze commissie zal per regio verschillend zijn en bestaan uit 2 à 4 personen, afhankelijk van de grootte van de regio. Deze voorzitters van de verschillende regio’s zullen eens per kwartaal een vergadering over de stand van zaken hebben.
Echter, er moet goed op gecontroleerd worden dat het opgevangen water zeer hygiënisch opgeslagen en vervoerd wordt. Dit om ernstige bevolkingsziektes en waterverontreiniging te verkomen. Er liggen plannen klaar voor het ontwikkelen van tanks etc. hiervoor. Deze plannen dienen echter nog wel uitgewerkt te worden. De belemmering hiervan ligt bij het tekort aan financieringen, maar is gemakkelijk op te lossen.
Door het verbeterd opvangen van het aanwezige water en het op de juiste manier gebruiken van dat water, zal de hoeveelheid beschikbaar veilig water voor de bevolking toenemen tot 90 %. Dit percentage geldt louter wanneer plan 1 en 2 ook worden toegepast. Het streven is om dit plan in 2007 gerealiseerd te hebben.
Plan 4: De duurzaamheid van het gebruik van water verhogen
In de huidige situatie is er een zeer klein gedeelte van de bevolking op de hoogte van het belang van water. Tevens heeft een zeer groot deel van de bevolking geen idee hoe water op een duurzame manier gebruikt kan worden. Hierdoor gaat veel water onnodig verloren en gebruiken vele mensen onveilig water zonder dat ze hiervan op de hoogte zijn of de gevaren hiervan kunnen inschatten. Om deze situatie te veranderen zijn zowel een verbetering van het duurzaam gebruik van water als een goede voorlichting nodig.
Bij deze voorlichting moet vooral het belang van water aan de orde komen. Zowel op het gebied van drinkwater als op het gebied van de persoonlijke hygiëne. De doelgroep moet op de hoogte worden gebracht van het gevaar van vervuild water en een idee krijgen over wanneer ze welk water waarvoor kunnen en moeten gebruiken. Deze doelgroep bestaat uit het deel van de bevolking dat geen beschikking heeft over stromend schoon water op een haalbare afstand. Vaak zijn deze groepen mensen afkomstig uit de afgelegen delen van het land, ze komen niet vaak op andere plaatsen en halen hun benodigde (drink)water uit bijvoorbeeld een rivier of een put die ze met velen moeten delen. Deze waterbronnen worden vaak voor vele doeleinden gebruikt en zijn daardoor vaak sterk vervuild.
Door de bevolking voor te lichten zal het besef van deze mensen toenemen dat water zeer kostbaar en belangrijk is en zullen ze, wanneer de voorlichting goed geven wordt, duurzamer met hun water omgaan. Dit zorgt weer voor een besparing van water waardoor er meer water beschikbaar komt.
Deze voorlichting zal door een promotieteam gedaan worden. Het is de bedoeling dat er per regio een team komt dat daar voorlichting geeft. Deze teams zullen bestaan uit 4 mensen. Het is van belang dat deze mensen de taal van de bevolkingsgroep spreken en dat deze mensen het publiek aanspreken. Hierdoor komt de voorlichting beter en geloofwaardiger over. 1 keer in de 2 maanden zullen de teams samenkomen om hun ervaringen uit te wisselen en elkaar tips te geven. Het is de bedoeling dat deze voorlichting binnen de periode van een jaar voltooid is, maar wanneer dit niet lukt, zal de voorlichting net zolang doorgaan als nodig is. Het kan het geval zijn dat er in sommige gebieden langer en meer voorlichting nodig is. Hierbij moeten geen problemen optreden, zodat er genoeg geld voor beschikbaar moet zijn.
Met de verbetering van het duurzaam gebruik van water wordt bedoeld dat vooral de bedrijven in de industrie en landbouw duurzamer met water omgaan. Ook de openbare bedrijven en overheidsgebouwen kunnen duurzamer worden. Als laatste moeten de huishoudelijke machines en leefgewoontes van de bevolking duurzamer worden.
Om de duurzaamheid onder de bedrijven te verhogen, zijn er wetten die bedrijven verplichten tot op zekere hoogte duurzaam te werk te gaan. Wanneer deze wetten niet nageleefd worden, zullen er sancties in de vorm van boetes en in het uiterste geval onteigening volgen.
Voor de bedrijven die duurzamer zijn dan voorgeschreven, zullen er subsidies beschikbaar moeten komen. Deze moeten zoveel mogelijk worden bekostigd met de geïncasseerde boetegelden. Daarnaast kunnen deze uit de overheidskas komen.
Om de duurzaamheid binnenshuis te verhogen zijn er twee maatregelen nodig.
Ten eerste moeten de apparaten die men binnenshuis gebruikt, duurzamer en zuiniger met water worden. Dit kan bereikt worden door de fabriekanten van deze apparaten te verplichten deze apparaten aan verschillende eisen te laten voldoen. Deze eisen staan al vastgelegd in het eisenrapport van de commissie Duurzaamheid. Door aan deze eisen te voldoen, gebruiken de apparaten minder water zodat er meer overblijft voor andere doeleinden.
Ten tweede is het nodig campagnes te houden voor het duurzaam gebruik van water. Hierbij bestaat de doelgroep vooral uit het deel van de bevolking dat stromend water tot zijn beschikking heeft. Deze betreft meestal mensen met een huis in het ontwikkelde deel van Habibi (meestal de stad). Deze doelgroep moet haar gewoontes aanpassen. De campagnes moeten draaien om bijvoorbeeld het minder lang douchen, de kraan niet open laten staan tijdens het poetsen van de tanden, het kopen van duurzame apparaten. Deze campagnes zullen op verschillende manier gehouden worden, d.m.v. van bijvoorbeeld televisiereclames, radioreclames, sponsoring door duurzame bedrijven, aanplakbiljetten en affiches.
Het moge duidelijk zijn dat deze campagnes en maatregelen louter gelden voor het deel van de bevolking dat de beschikking heeft over bijvoorbeeld een huis met stomend water, deze apparaten en dat gebruikt maakt van voorzieningen waarbij veel water verspild wordt.
Na het verhogen van de duurzaamheid volgens de bovengenoemde maatregelen, zal er meer water beschikbaar komen als drinkwater en zal er minder water verspild worden. Hierdoor neemt het deel van de bevolking dat toegang heeft tot veilig drinkwater toe tot 95 % of meer, wanneer plan 1, 2 en 3 ook uitgevoerd worden. Dit zal ook het uiteindelijke streven zijn. Door de verandering in mentaliteit zal dit plan meer tijd nodig hebben dan andere plannen, het streven zal dan ook zijn om het plan gerealiseerd te hebben in 2010.
4.3 Gezondheidsprobleem 2
Het niveau van de gezondheidszorg.
Huidige situatie
De huidige situatie (2004) in Habibi wat betreft de gezondheidszorg kan onvoldoende genoemd worden. Op vele gebieden schiet de zorg tekort. De volgende problemen zijn onacceptabel en zullen opgelost moeten worden.
- Een onvoldoende bereikbaarheid van de zorg.
- Een onvoldoende kennis over de verschillende ziektebeelden.
- Een grote ongelijkheid binnen de gehele zorgsector.
Volgens de gegevens van het CBS (2004) heeft 70 % van de bevolking van Habibi geen of onvoldoende beschikking over een goede zorg wanneer dit nodig is.
Een positief punt in de huidige situatie is het feit dat de gezondheidszorg geheel in handen is van de overheid. Bij deze geldt al sinds 1965 de wet dat iedereen, ongeacht zijn of haar inkomen, toegang moet hebben tot zorg. Dit houdt in dat het deel van de bevolking dat qua inkomen onder het minimum A valt, gebruik kan maken van de aangeboden zorg, zonder dat hier enige kosten aan verbonden zijn. De kosten die de gebruiker betaalt voor zijn zorg zullen daarna oplopen naar mate het inkomen stijgt. Door dit gegeven hoeft er dus geen rekening gehouden te worden met de financiële kant van de zorgverlening.
Doel
Het streven is om in 2015 95% of meer van de totale bevolking van Habibi beschikking te laten hebben over een voldoende gezondheidszorg wanneer die van belang is. Dit betekent dat de hulpbehoevenden binnen 20 minuten kunnen beschikken over een eerste hulp en dat er hierna binnen 30 min (boven op de eerdere 20 min) gespecificeerde zorg geleverd kan worden.
Middelen
Om dit doel te behalen is het nodig de hiervoor genoemde problemen op te lossen door middel van het ondernemen van 2 plannen:
- Het bereikbaar maken van de zorg.
- De kennis binnen de zorg in zijn algemeen verbeteren.
Wanneer deze twee plannen toegepast worden en, het belangrijkst, tegelijk werken en goed gecoördineerd worden, zullen de doelen in 2010 naar grote waarschijnlijkheid gehaald worden.
Plan 1: Het bereikbaar maken van de zorg
Om dit plan tot een succes te maken is het nodig om het plan in twee gedeeltes op te splitsen. Ten eerste moet de zorg naar de bevolking gebracht worden. Ten tweede moet de bevolking naar de zorg gebracht worden.
In de huidige situatie is het voor 30% van de bevolking niet mogelijk om naar de zorg toe te komen. Dit is te wijten aan twee verschillende problemen. Ten eerste zijn er te weinig zorginstellingen en ten tweede heeft de bevolking geen beschikking over voldoende vervoersmiddelen die op tijd beschikbaar zijn.
Om deze situatie te verbeteren moeten er meer zorginstellingen komen. Deze zullen nieuw gebouwd moeten worden op verschillende plaatsten. Deze plaatsten moeten zo gekozen worden dat ze zo gunstig mogelijk liggen. Tevens moeten deze plasten goed bereikbaar zijn. Dit onderdeel van het plan is in handen van de Commissie Bereikbaarheid Zorg. Deze commissie heeft het afgelopen jaar onderzoek gedaan naar deze eerder genoemde plaatsen en de gegevens hierover zijn bekend. Deze Commissie werkt nauw samen met het onderdeel infrastructuur, zodat er met het aanleggen van wegen rekening kan worden gehouden met de (nieuwe) zorginstellingen. Deze zorginstellingen zullen er in 2008 moeten staan en deze zullen dan ook actief moeten zijn.
Tevens zal er een commissie komen die de mobiliteit van de hulpbehoevenden verbetert. Deze commissie zal in de toekomst nog opgezet moeten worden en hun plannen zullen nog verder uitgewerkt moeten worden, maar het is de bedoeling dat deze commissie ervoor zorgt dat elke 5 km² over een persoon plus een voortuig geschikt die deze mensen binnen de hiervoor gestelde tijd van 20 minuten bij de zorginstelling afgeleverd. Deze persoon moet altijd bereikbaar en inzetbaar zijn, waardoor er ook altijd een vervanger achter de hand nodig is. Wanneer de hulpbehoevende aanwezig is bij een primaire hulpverlenende instantie en behoevend is voor een secundaire hulpverlenende instantie, zal de primaire hulpverlenende instantie capabel moeten zijn om deze persoon te vervoeren binnen de vastgestelde 30 minuten. De verdere uitwerking van dit plan zal later nog volgen en nog verder ontwikkeld moeten worden.
Wanneer er meer zorginstellingen komen en de mensen sneller naar die zorginstellingen gebracht kunnen worden, zal bereikbaarheid van de zorg dus verbeteren en kan het doel van 20 minuten gehaald worden.
Plan 2: De kennis binnen de zorg in zijn algemeen verbeteren
Door het ter uitvoering brengen van dit plan zal de kwaliteit van de gezondheidszorg toenemen. Tevens zal er getracht worden een eenheid te creëren binnen de zorgverlening. Dit is zeer noodzakelijk omdat deze in de huidige situatie vaak sterk tekort schiet. De verschillende zorginstellingen zijn vaak slecht geïnformeerd over nieuwe ontwikkelingen, ze beschikken over te weinig kennis en ze beschikken vaak over de kennis van maar een paar vakgebieden en niet over allemaal. Een klein voorbeeld; wanneer een patiënt met een botbreuk naar een zorginstelling gaat, vaak de enige in zijn of haar buurt, dan bestaat het geval dat deze instelling alleen over de kennis van het gebit geschikt en deze patiënt dus niet kan helpen. Dit is een zeer slechte zaak waar gemakkelijk verandering in te brengen is.
Om dit probleem te verhelpen is het nodig om twee acties te ondernemen. Ten eerste moet de zorg in de huidige situatie aangepakt worden. Ten tweede moet er gezorgd worden dat de zorg in de toekomst van een voldoende niveau zal zijn.
Voor de huidige situatie zal het zo zijn dat alle zorginstellingen een herscholing krijgen. Binnen een jaar zullen alle zorginstellingen worden bezocht door een team van herscholers. Deze mensen zijn hiervoor al opgeleid en staan klaar om met hun werk te beginnen. Het is de bedoeling dat deze mensen, wanneer zij op de zorginstelling aangekomen zijn, ieder zijn of haar doelgroep selecteert en daarmee aan het werk gaat. Zo worden de verpleegsters, narcotiseurs, artsen en chirurgen per groep aangepakt. Voor deze herscholing heeft het team een maand de tijd en de herscholing zal verplicht worden uitgevoerd in de vrije tijd van de zorgverleners. Tijdens deze herscholing zal de nadruk worden gelegd op de algemene kennis en hulpverlening. Men moet ten alle tijden een goede eerste hulp kunnen verlenen. Vanzelfsprekend gaat het hier om de instanties die eerste hulp verlenen. De instanties die specifieke, secundaire hulp als langdurige opnames en revalidatie aanbieden, zullen door eigen teams geschoold worden en hier zal de nadruk vooral op de specifieke, diepgaande kennis over de verschillende ziektebeelden, behandelingen en mogelijkheden komen te liggen.
Door deze aanpak zullen alle zorgverlenende instanties op hetzelfde niveau komen te liggen en dezelfde hulp kunnen verlenen. Om dit in de toekomst ook zo te houden zijn alle medewerkers van de verschillende zorginstellingen verplicht om 2 keer per jaar naar een nascholingsdag voor hun vakgebied te komen. Hierdoor blijven deze mensen geprikkeld, op hetzelfde niveau en kunnen ze kennis maken met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de gezondheidszorg. Deze herscholingen zullen gegeven worden door nader bepaalde personen, waarschijnlijk uit het buitenland, waar nodig in combinatie met een tolk.
4.4 Gezondheidsprobleem 3
Toegang tot essentiële medicatie
Huidige situatie
Zoals vele minder ontwikkelde landen beschikt ook Habibi niet over de mogelijkheden om zelf medicijnen te ontwikkelen en te produceren. Hierdoor is Habibi genoodzaakt medicijnen uit het buitenland te importeren. Het probleem hierbij is dat Habibi volledig afhankelijk is van de beter ontwikkelde landen wat betreft medicatie. Hierdoor hebben deze landen een grote invloed op Habibi, Habibi kent immers geen alternatief. Deze landen maken van deze positie gebruik door de medicijnen voor veel te hoge prijzen aan te bieden aan Habibi, en deze is genoodzaakt de medicijnen voor die prijs te accepteren.
Door de hoge prijs van de medicijnen is er in Habibi een groot tekort aan medicijnen en kan er maar een minderheid van de bevolking (40 %) over beschikken wanneer dat nodig is. Dit zorgt ervoor dat veel mensen niet kunnen worden behandeld wanneer dit nodig is. Dit kan leiden tot uitbraak van epidemieën en slecht behandelde ziektebeelden, oftewel inhumane omstandigheden.
Door het zelf produceren van medicatie zullen de kosten met 60% dalen waardoor deze medicatie voor een groter deel van de bevolking toegankelijk zal zijn.
Het is van belang ter kennis aan te nemen dat het hier gaat om de essentiële medicijnen, ook wel de spoedeisende medicatie.
Doel
Het streven is om in 2010 een eigen productie van medicatie op gang te hebben. Dit houdt in dat Habibi op dat moment 80% van de benodigde medicatie zelf kan produceren. Hierdoor dat het deel van de bevolking dat toegang heeft tot medicatie wanneer dat nodig is toenemen van 40% tot 90% of meer.
Middelen
Om de prijs van de medicatie te verlagen en zo een groter deel van de bevolking toegang te laten krijgen tot deze medicatie is het nodig dat er twee plannen uitgevoerd worden, te weten:
- Het ontwikkelen van een eigen medicatieprogramma.
- Zorgen voor een dichte sociale zekerheid op het gebied van de kosten van de medicatie.
Door deze plannen uit te voeren en tot een succes te maken, zal een groot deel van de bevolking van Habibi (80% of meer) toegang krijgen tot medicatie wanneer dit nodig is, zonder dat de financiën een belemmerende factor kunnen zijn.
Plan 1: Het ontwikkelen van een eigen medicatieprogramma
Het is erg van belang om dit plan tot een succes te laten zijn. Dit omdat Habibi dan niet meer afhankelijk is van de kennis buiten het land. Wanneer Habibi zelf over deze kennis beschikt en deze kan toepassen is het mogelijk om zelf medicatie te produceren en te ontwikkelen. Hiervoor is het ten eerste nodig dat er onderzoek wordt gedaan naar de verschillende medicatie. En ten tweede is het nodig om laboratoria te bouwen waar deze medicijnen, op grote schaal, geproduceerd kunnen gaan worden.
Deze laboratoria zullen gevestigd zijn dicht bij de hoofdstad, dit om de bereikbaarheid te vergroten en omdat in de hoofdstad de meer ontwikkelde mensen zich gevestigd hebben. Het is de bedoeling dat deze laboratoria niet geprivatiseerd worden en dat de verantwoordelijkheid voor de laboratoria volledig in handen komt van de overheid. Het dagelijks bestuur zal in handen zijn van een commissie onder leiding van een voorzitter.
Het is de bedoeling dat deze laboratoria twee verschillende doelen hebben. Ten eerste het produceren van bestaande medicijnen, ten tweede het ontwikkelen van nieuwe, meer moderne, medicijnen. Voor het eerste punt zal ¾ deel van de laboratoria beschikbaar zijn en voor het tweede punt ¼ deel.
Het onderzoek zal worden gedaan door zowel hoogopgeleide laboranten/onderzoekers als studenten. In dit onderzoek moet de nadruk liggen op het zo goedkoop mogelijk kunnen produceren van medicijnen en, vanzelfsprekend, zo efficiënt mogelijk werkende medicijnen.
De producten van medicijnen zal voornamelijk uitgevoerd worden door machines, waarschijnlijk eerst voornamelijk geïmporteerd uit het buitenland. Als eindverantwoordelijke zal hiervoor nog een persoon moeten worden aangewezen die op zijn beurt zijn medewerkers kiest.
In de tijd dat deze laboratoria gebouwd en opgezet worden, is er tijd voor de bijscholing en opleiding van de huidige onderzoekers en producenten. Er zullen veel nieuwe personen opgeleid moeten worden en de bestaande onderzoekers zullen moeten worden bijgeschoold zodat er voldoende onderzoekers op niveau zijn. Deze bijscholingen zullen plaatsvinden in het buitenland en gericht zijn op het vergaren van kennis die nu alleen in het buitenland aanwezig is en die in Habibi ontbreekt. Wanneer deze kennis aanwezig is kan Habibi op zijn eigen benen staan en zijn eigen mensen opleiden.
Bij de productie van medicatie draait het voornamelijk om de essentiële medicatie. Deze is van groter belang dan de specifieke medicatie. Het probleem van een tekort aan specifieke medicatie zal in de toekomst opgelost moeten worden. Immers, een goede basis is het halve werk en dus is het van groot belang dat eerst een groot deel van de bevolking toegang heeft tot eerste hulp en medicatie.
Wanneer Habibi zelf in staat is zijn medicatie te ontwikkelen en te produceren, zullen de kosten sterk dalen. Dit is het uiteindelijke doel van het plan, om een groter deel van de bevolking toegang te verschaffen tot de essentiële medicatie.
Plan 2: Zorgen voor een dichte sociale zekerheid
op het gebied van de kosten van de medicatie
Wanneer de kosten van de medicatie tot op een zo laag mogelijk niveau gebracht is, zal nog steeds niet de gehele bevolking financieel capabel kunnen zijn deze medicatie te gebruiken. Omdat de financiën geen belemmering moeten kunnen zijn voor de gezondheid van de burgers is het van belang dat er een sociale zekerheid komt.
In deze sociale zekerheid zal moeten worden geregeld dat het gedeelte van de bevolking dat onder het minimum inkomen A zit, geen kosten maakt aan het gebruik van de medicatie. Dit geldt overigens alleen voor de eerste spoedeisende hulp, ook wel de essentiële medicijnen genoemd.
Het geld dat hiervoor benodigd is, zal afkomstig zijn van de overheid. Deze dient hier ten aller tijden op voorbereid te zijn en het geld beschikbaar te hebben. Dit zal ook vast komen te liggen in wet 6 artikel 312 a en b. Het geld zal naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen worden terugverdiend, maar omdat de gezondheid van de bevolking essentieel is, valt er niet over te twisten of deze beslissing in financieel opzicht wel zou moeten worden genomen. Wanneer de investeringen in de handel en onderwijs ook zijn uitgevoerd, is de verwachting dat het percentage inwoners dat onder het minimum inkomen A zit, sterk zal dalen waardoor deze kosten af zullen nemen. Dit zal tevens een stimulans voor de overheid zijn om het geplande beleid uit te voeren, daar het in de wet vast ligt dat het geld beschikbaar moet zijn.
Voor de secundaire medicatie is het voor de burgers mogelijk een lening bij de overheid af te sluiten waardoor zij toch toegang krijgen tot deze medicatie wanneer dat nodig is. Over dit beleid is nog minder bekend omdat de exacte mogelijkheden nog moeten worden uitgezocht door de daarvoor opgerichte Commissie Medicatie. De resultaten van dit onderzoek zullen naar verwachting eind 2005 gepubliceerd worden, waarna het verdere beleid kan worden bepaald.
Door deze maatregelen zal het percentage van de bevolking dat toegang heeft tot de essentiële en secundaire medicatie sterk toenemen tot 90% of meer. Dit was ook het streven wat naar aller verwachting gehaald zal worden.
4.5 Conclusies
Gezondheidsprobleem 1
Voorziening van veilig drinkwater
Wanneer de hierboven genoemde plannen worden toegepast in Habibi zal het streven naar grote waarschijnlijkheid gehaald worden. Hierbij is het niet mogelijk om rekening te houden met invloeden van buitenaf waardoor de ontwikkeling en de situaties zouden veranderen.
Wanneer er nieuwe waterbronnen komen, de export van water wordt verbeterd, het opvangen van water wordt verbeterd en de duurzaamheid van het gebruik van water wordt verhoogd en deze plannen tegelijk gecombineerd worden, zal het streven gehaald worden. Doordat de plannen gecombineerd moeten worden, zal het langer duren om de plannen samen te laten functioneren dan elk plan afzonderlijk. Bij dit deel van het gezondheidsprobleem stellen we de uiterste datum van gereedheid dan ook op 2015.
Gezondheidsprobleem 2
Het niveau van de gezondheidszorg
Wanneer deze beide plannen op de juiste manier worden toegepast en uitgevoerd, zullen de beoogde doelen worden bereikt en zal in 2010 95% of meer van de totale bevolking van Habibi de beschikking hebben over een voldoende gezondheidszorg. Het einddoel 2010 is zeer ruim genomen, dit omdat er te verwachten valt dat er nog onvoorziene problemen te voorschijn komen wat betreft dit onderwerp. Deze verschillende onderzoekende instanties hebben al het mogelijke gedaan dit te voorkomen, maar des ondanks valt dit niet uit te sluiten.
Echter, de beoogde doelen zullen onder welke omstandigheden dan ook gehaald (moeten) worden aangezien een goede gezondheidszorg de motor achter een gezonde actieve bevolking is, iets wat onmisbaar is voor een goed draaiende economie, daar waar Habibi hard naar op zoek is en onder alle voorwaarden tracht te behalen.
Gezondheidsprobleem 3
Toegang tot essentiële medicatie
Wanneer Habibi capabel wordt om zijn eigen medicatie te produceren en over de kennis komt te beschikken die daarvoor benodigd is, zullen de kosten van de medicatie sterk dalen (-60%). Hierdoor zullen de medicijnen voor een groter deel van de bevolking beschikbaar komen en kunnen zij hier ook gebruik van maken. Om het laatste financiële probleem op te lossen, is het nodig dat er een sociale zekerheid gecreëerd wordt waardoor alle burgers ook financieel in staat zullen zijn om deze medicijnen te bekostigen. De essentiële medicatie zal vanaf een minimum onder inkomen A kosteloos zijn, voor de secundaire medicatie zal het mogelijk zijn om een lening af te sluiten.
Door deze maatregelen gezamenlijk toe te passen zal het percentage van de bevolking dat toegang heeft tot medicatie toenemen van 40% tot 90% of meer; het beoogde doel. Dit doel zal voor 2010 behaald worden.
4.6 Kostenschatting

Wanneer er uitgegaan wordt van een budget van 100% zullen de 3 problemen daar het volgende percentage van toegewezen krijgen:
1e probleem: Voorziening van veilig drinkwater
 40% van het totale bedrag
2e probleem: Het niveau van de gezondheidszorg
 30% van het totale bedrag
3e probleem: Toegang tot essentiële medicatie
 30% van het totale bedrag
Verantwoording kostenverdeling:
Het 1e probleem zal ten eerste het meeste geld kosten, ten tweede is de voorziening van veilig drinkwater van levensbelang en een van de basisvoorwaarden om te leven. Hier hecht de overheid van Habibi zeer veel waarde aan waardoor hieraan het meeste geld uitgegeven zal worden.
De andere twee problemen staan zowel qua kosten als qua belang gelijk aan elkaar. Dit is ook de reden waarom deze problemen het percentage van 30% toegewezen hebben gekregen. Omdat deze problemen met elkaar samenhangen, en vooral de oplossingen bijna afhankelijk zijn van elkaar, zal de regering dan ook geen onderscheid maken in het beschikbare budget omdat de verwachting is dat dit al na snelle tijd in elkaar over zal vloeien. Doordat deze twee projecten naar grote waarschijnlijkheid samengevoegd zullen worden, zullen de oplossingen des te krachtiger van uitwerking zijn. Dit heeft weer een goede uitwerking op de algemene gezondheidszorg, een zeer goed teken want: een gezonde geest hoort in een gezond lichaam. Zonder kan de mens niets en zal de economie niet opbloeien.
Infrastructuur in Habibi
3.1 Introductie
De voornaamste stuwende kracht van het Habibische bedrijfsleven is de internationale oriëntatie. Het oplossen van knelpunten in de infrastructuur is van het allergrootste belang voor de stuwende kracht van de Habibische economie. Voor de export van katoen en koffie is een snelle en adequate infrastructuur absoluut noodzakelijk. Een verbetering ten opzichte van de huidige situatie is van wezenlijk belang om het Habibi mogelijk te maken zich in de wereldeconomie in te passen en duurzame groei en ontwikkeling te bereiken.
De verschillende problemen en de oplossingen die deze behoeven zullen hierna worden behandeld. Hierbij zal duidelijk worden gemaakt hoe het benodigde geld zal worden besteedt en waarom dit de gekozen manier of het gekozen project is.
3.2 Infrastructuurprobleem 1
Verkeer en vervoer
Huidige situatie
Anno 2005 is nog geen 10% van de wegen in Habibi geasfalteerd. In Habibi zijn er grofweg twee sectoren, te weten de traditionele sector en de moderne sector. Bij de traditionele sector is alles kleinschalig. Onder de traditionele sector vallen een heleboel kleine bedrijfjes op gebied van landbouw en ambacht. Er worden weinig machines gebruikt en er wordt veel met de hand gedaan. De landbouwproducten worden voor zelfvoorziening gebruikt, en datgene dat overblijft wordt verkocht op de plaatselijke markt. Bij de traditionele bedrijven is alles kleinschalig, zo ook de afstanden, meestal wordt er niet verder vervoerd dan omliggende dorpen, behoorlijke doorgaande wegen zijn er bijna niet. Bij de moderne sector zien we enkele grote westerse bedrijven meestal zijn het fabrieken of grote plantages. In de moderne sector is alles grootschalig, contacten zijn vaak gericht op het buitenland. En daar zit nu juist het probleem; de enige geasfalteerde wegen zijn in de vier grote steden en tussen Capitallio en Navice
Deze situatie valt voornamelijk te wijten aan moeilijkheden in de wegenbouw, wegspoelende wegen en slechte bereikbaarheid van vele gebieden. De moeilijkheden in de wegenbouw worden veroorzaakt door een gebrek aan kennis en ervaring. De wegspoelende wegen zijn een gevolg van het feit dat de rivier Kababpap jaarlijks uit haar oevers treedt. De enorme infrastructurele problemen zijn daarnaast ook zeker te wijten aan jarenlange verwaarlozing door de Habibische overheid; weinig tot geen investeringen, slechte onderhouding en reparatie en bureaucratische inefficiëntie hebben hiertoe bijgedragen. Alleen duurzame oplossingen op de lange termijn kunnen deze problemen adequaat verhelpen.
Doelen
Streven naar 100% geasfalteerde wegen is irreëel. Toch is het heel belangrijk dat er meer handelsverbindingen komen. De basis van het verkeer- en vervoerprobleem ligt bij het gebrek van wegenbouwkundige scholing en het gebrek aan financiële middelen om de achtergestelde gebieden te helpen. Wat de doelen zijn om de problemen op te lossen:
 Een binnenlandse opleiding voor wegenbouw van start laten gaan in 2007;
 Zo snel mogelijk voorkomen dat de rivier Kababpap uit haar oevers treedt;
 Een geasfalteerde 2-baans snelweg tussen de meest noordelijke stad, Noth, en de hoofdstad Capitallio, afgerond in 2010;
 Een geasfalteerde 2-baans snelweg tussen de meest zuidelijke stad, Farmenko en de hoofdstad Capitallio, afgerond in 2010;
 Een geasfalteerde snelweg tussen de steden Noth en Farmenko, afgerond in 2012;
 Een geasfalteerde snelweg tussen de steden Navice en Farmenko, afgerond in 2012.
Middelen
Plan 1: Opzetten opleiding voor spoor- en wegenbouw;
Plan 2: De rivier Kababpap indijken;
Plan 3: Aanleggen van de grote verbindings- en handelswegen.
Plan 1: Opzetten opleiding voor spoor- en wegenbouw
Ook in de toekomst moet de infrastructuur verbeterd worden en blijven ontwikkelen. Habibi kan in allerlei opzichten profiteren van deze opleiding. Ten eerste is het beter om economisch onafhankelijk te zijn van kennis en technologie uit het buitenland. Het is veel goedkoper op eigen benen te kunnen staan. Ten tweede krijgt de werkgelegenheid een enorme impuls en wordt de werkloosheid op deze manier aangepakt.
Plan 1 is de drie oriëntaties Bouwkunde, Civiele Techniek, Land- en Waterbeheersing onder te brengen in één studierichting met de naam Infrastructuur:
Tot de taken van de bouwkundige behoren ontwerp en uitvoering van gebouwen en hun omgeving, waarbij het gebruik van de ruimte door de mens centraal staat;
De civiel-technicus realiseert werken op het gebied van de infrastructuur: verkeer, zowel de verkeersbeweging te land en te water, als de voorzieningen die het verkeer mogelijk maken. De beheersing en benutting van oppervlakte- en grondwater.
Het menselijk welzijn: watervoorziening, afvalwater en ecologische aspecten.
Het wonen en werken: de utilitaire sector; het gaat vaak om grootschalige bouwwerken, waarbij gedetailleerd constructief doorrekenen van essentieel belang is;
Land- en Waterbeheersing richt zich op optimaal gebruik van de hulpbron water en het ontwikkelen van de noodzakelijke infrastructuur ten behoeve van meervoudig gebruik, in het bijzonder voor de agrarische productie.
Plan 2: De rivier Kababpap indijken
Jaarlijks treedt de rivier Kababpap uit haar oevers door hevige regenval in de maanden april en mei. Harde, droge grond absorbeert heel weinig regen, zodat een plotselinge stortbui beddingen van kleine beekjes in zeer korte tijd kan veranderen in krachtige kolkende stromen. Daarbij vallen elk jaar weer talloze doden en wordt een aantal katoen- en koffieplantages voor jaren vernield en (ongeasfalteerde) wegen worden weggespoeld. Anderzijds houden de overstromingen wel de landbouw en dus de beschaving in bestand.
De oplossing luidt: indijken. Omdat een land als Habibi niet over de juiste ervaring, kennis en technologie beschikt is een eenmalige investering in een buitenlandse maatschappij noodzakelijk. Als de indijking voltooid is, kan Habibi autonoom voor het onderhoud van deze dijken zorgen, desnoods met de ingekochte vereiste technologie.
Plan 3: Aanleggen van de grote verbindings-
en handelswegen en sporen
Voor de export, de stuwende kracht voor het Habibische bedrijfsleven, is het noodzakelijk dat de koffie en katoen getransporteerd kunnen worden. Allereerst moeten de transportmogelijkheden tussen de steden onderling (tussen Noth en Farmenko en tussen Navice en Farmenko) en naar de hoofdstad verbeterd worden. In de huidige situatie ligt tussen de hoofdstad Capitallio en Noth of Farmenko enkel een zandweg. Voor dagelijks verkeer is een 2-baans geasfalteerde snelheid noodzakelijk voor het transport van katoen en koffie middels vrachtwagens.
Bovendien is het voor veel internationale bedrijven uit het buitenland een voorwaarde dat de logistiek en een infrastructuur van een land deugt. Als in 2012 alle grote verbindings- en handelswegen in de vorm van snelwegen en spoorlijnen zijn aangelegd, kan Habibi volop profiteren van zijn centrale positie. Bedrijven zullen investeren en zich in Habibi gaan vestigen. De verwachte bedrijven zullen Habibische economie een enorme impuls geven en Habibi op de kaart zetten.
3.3 Infrastructuurprobleem 2
Railinfrastructuur
Huidige situatie
In de huidige situatie ligt er alleen rails binnen de vier grote steden. Door de moeilijkheden in de wegenbouw en angst voor wegspoelende rails heeft de overheid afgezien van het onderling verbinden van de steden. Wel heeft de overheid tussen de hoofdstad Capitallio en Navice vergaande plannen voor een spoorlijn in de lade liggen, maar de financiële middelen ontbreken nog.
De diepzeehaven Navice is reeds de belangrijkste groeistad van Habibi, maar deze groei is gestaag. De enorme potentie die de stad heeft wordt niet optimaal gebruikt. Dat komt omdat grote buitenlandse investeerders voor snelheid en kwaliteit gaan wat betreft de export van katoen en koffie. Via de 2-baans snelweg, die er ligt tussen het handelscentrum Capitallio en de meest internationale stad Navice, wordt de vereiste snelheid van productie niet gehaald. En dat komt de kwaliteit ook zeker niet ten goede. Als er eenmaal een dubbele spoorlijn ligt, van zo’n 200 km, kan de export van Habibi snel opbloeien. Habibi kan als land dan optimaal profiteren van haar centrale positie. Habibi moet zichzelf door een spoorlijn op de rails zien te krijgen.
Doelen
Het doel is om een dubbel spoor tussen de hoofdstad Capitallio en de havenstad Navice te leggen, afgerond in 2010.
Middelen
Plan 1: Een dubbele spoorlijn tussen Capitallio en Navice, afgerond in 2007;
Plan 2: 6 verouderde treinen (1993) opkopen van buurland Amoelah voor persoonsvervoer;
Plan 3: Uitbreiding van de bestaande sporen in de steden en de steden onderling verbinden met de eerste afgestudeerden van de studierichting Infrastructuur.
Plan 1: Een dubbele spoorlijn tussen Capitallio
en Navice, afgerond in 2007
Naast eigen gebruik en verbruik is het transport naar de diepzeehaven van Navice het meest belangrijk. Op dit moment ligt tussen Capitallio en Navice wel een geasfalteerde 2-baanse snelweg, maar dat is onvoldoende. Het is belangrijk dat de koffie en katoen zo snel mogelijk kan worden ingescheept en worden geëxporteerd, daarom is een dubbele spoorlijn de oplossing. Het is van belang dat de spoorlijn er zo snel mogelijk komt, ook als dat is in 2010 vóór de eerste afgestudeerden Infrastructuur in 2011.
Het plan is om de twee grootste handelscentra van Habibi met elkaar te verbinden; het vliegveld van Capitallio en de diepzee haven van Navice. Op deze manier is de snelheid van transport het hoogst en de transportenkosten het laagst. Het zal de binnenlandse én buitenlandse handel een enorme impuls geven.
Plan 2: 6 verouderde treinen (1993)
opkopen van buurland Amoelah
Door goede betrekkingen met buurland Amoelah krijgt Habibi 6 personentreinen voor een vriendenprijsje aangeboden. Zo beloofde president Yogi op zijn staatsbezoek van 5 februari j.l., op voorwaarde dat de lijn Capitallio-Navice er daadwerkelijk komt. Omdat Amoelah als buurland ook profiteert van vernieuwde bedrijvigheid in Habibi zijn zij bereid de treinen voor het symbolische bedrag van 100.000 Habibische franken per trein over te dragen. Bij de start van de aanleg van de dubbele spoorweg kan al in een vroeg stadium begonnen met de renovatie van de treinen. De Habibische regelgeving staat toe particuliere bedrijven goederentreinen te laten rijden over het spoor.
Plan 3: Met de eerste afgestudeerden van de studierichting Infrastructuur de bestaande sporen uitbreiden en de steden onderling verbinden .
De eerste lichting afgestudeerde Infrastructuurstudenten wordt verwacht in 2011. Op dat moment is de spoorlijn tussen Capitallio en Navice al af, maar toch zal voor de nieuwe bouwkundigen, civiel-technici een belangrijke taak weggelegd krijgen. Zij zijn het die zorgen voor het onderhoud van de bestaande spoorlijnen (in de steden en de Capitallio-Navice-lijn) en bovendien zijn zij het die in de toekomst de steden onderling met elkaar gaan verbinden met verharde wegen en sporen.
3.4 Infrastructuurprobleem 3
Riolering en watermanagement
Huidige situatie
Habibi kent alleen in de 4 grote steden waterleidingen, riolering, elektriciteit, bestratingen en vuilverwerking. In de pas aangegroeide squattertowns, aangebouwde krottenwijken aan de rand van de stad, ontbreken al deze faciliteiten. Deze squattertowns zijn door de onhygiënische toestanden vaak een bron van kosten voor de Habibische overheid.
Habibi kent niet een bijzonder grote urbanisatie. De natuurlijke groei van de stedelijke bevolking ligt namelijk niet overdreven hoog. Er bestaat echter wel een trek van het platteland naar de stad. Dit leidt tot een zekere informalisering van de economie. Het proces, waarbij steeds meer mensen worden opgenomen in de informele sector zonder dat het karakter van de informele sector verandert, wordt involutie genoemd. Deze involutie is te herkennen aan een steeds sterker doorgevoerde arbeidsdeling, verborgen werkloosheid, gedeelde armoede en grote creativiteit. Verwacht wordt dat, als Habibi intensiever gaat exporteren na de aanleg van een adequate infrastructuur, een groter deel van de bevolking de katoen- koffieplantages verkiest boven het stadsleven. Als deze kostenposten worden aangepakt zal niet alleen de gemiddelde levensverwachting stijgen, maar de werkloosheid zal dalen.
Doelen
Er moet voor 2012 een begin worden gemaakt met het stukje voor stukje krottenwijk platgooien en vervangen door woningen aangesloten op het water- en elektriciteitsnet. Verder voorkomen worden dat nieuwe krottenwijken zullen ontstaan.
Middelen
Plan 1: Huidige achterstandswijken aansluiten op het water-, rioliolerings-en elektriciteitsnetwerk;
Plan 2: Urbanisatie (nieuwe krottenwijken) voorkomen.
Plan 1: Huidige achterstandswijken aansluiten op
het water-, riolerings- en elektriciteitsnetwerk
Het is niet zo dat de inwoners van Habibi geen toegang hebben tot schoon drinkwater. In de huidige situatie heeft 70 % van de bevolking van Habibi toegang tot veilig drinkwater. In de steden moet echter wel iedereen de mogelijkheid hebben te beschikken over bepaalde basisfaciliteiten aan huis. Voor het moment verstaat Habibi onder basisfaciliteiten aangesloten zijn op het water-, riolerings- en elektriciteitsnetwerk. In de squattertowns ontbreken deze faciliteiten. De infrastructuurstudenten zullen ervoor opgeleid worden deze zogenoemde basisfaciliteiten te kunnen aanleggen. Zij zullen pas afstuderen in 2011, daarom moet er voor 2012 een begin worden gemaakt met het vervangen van de achterstandswijken. Dat is haalbaar omdat de urbanisatie tamelijk laag is.

In 2011 moet dus worden begonnen met de aanleg van zowel een waternetwerk als een algemeen rioleringssysteem en elektriciteitsnetwerk in en nabij de grote steden. Langzaamaan, stapje voor stapje, kan dan worden geprobeerd het land te moderniseren en landelijke systemen in te voeren.
Plan 3: Urbanisatie (nieuwe krottenwijken) voorkomen
Urbanisatie is in een land als Habibi gebaat bij een betere planning. In de stedelijke randgebieden van Habibi springen milieuproblemen direct in het oog. Dat is echter het gevolg van een veelzijdige welvaartsontwikkeling die zelfs armen tot meer kansrijken maakt. Kansarme migranten afkomstig uit het perifere platteland vinden er een manier om aan de kost te komen. Ook de autochtone bevolking participeert lustig in de urbane werkgelegenheid en de handel in grond en onroerend goed. Daarnaast nemen bereikbaarheid, scholingsgraad, informatievoorziening en de toegang tot medische zorg toe. De schaduwzijde is de verslechtering van het leefmilieu. De urbanisatie zorgt voor grote veranderingen in de dorpen die (nog) in het overgangsgebied liggen tussen platteland en stad. Deze veranderingen betreffen zowel het gebruik van de grond, als de rol die de verschillende bevolkingsgroepen spelen, de werkgelegenheidssituatie en de kwaliteit van de leefomgeving.
Hoewel de urbanisatie tamelijk laag is, moeten in de toekomst krottenwijken voorkomen worden. De overheid kan door middel van extra stimulering van het onderwijs op het platteland, stimulering van boeren door middel van subsidies en door een verbeterde infrastructuur op het platteland de urbanisatie tegengaan. Dit is echter een oplossing voor de langere termijn.
3.5 Conclusie
Infrastructuurprobleem 1
Verkeer en vervoer
Door middel van de 3 plannen hierboven genoemd kunnen de doelen worden gehaald:
Plan 1: Opzetten opleiding voor spoor- en wegenbouw;
Plan 2: De rivier Kababpap indijken;
Plan 3: Aanleggen van de grote verbindings- en handelswegen.
Dat anno 2005 nog geen 10% van de wegen in Habibi is geasfalteerd kan niet door de beugel. De moeilijkheden in de wegenbouw de wegspoelende wegen moeten zo spoedig mogelijk worden opgelost. Het oplossen van knelpunten in de infrastructuur is van het allergrootste belang voor de stuwende kracht van de Habibische economie. Infrastructuurprobleem 1, verkeer en vervoer, zal verreweg het meest kosten. Maar de studierichting Infrastructuur, de indijking van de rivier Kababpap en de aanleg van grote verbindings- en handelswegen en sporen zal zeker ook in de toekomst het meest opbrengen, zo heeft het ministerie berekend. Al op heel korte termijn zullen de investeringen haar vruchten afwerpen én blijven afwerpen.
Infrastructuurprobleem 2
Railinfrastructuur
Door middel van de 3 plannen hierboven genoemd kunnen de doelen worden gehaald:
Plan 1: Een dubbele spoorlijn tussen Capitallio en Navice, afgerond in 2007;
Plan 2: 6 verouderde treinen (1993) opkopen van buurland Amoelah voor
persoonsvervoer;
Plan 3: Uitbreiding van de bestaande sporen in de steden en de steden
onderling verbinden met de eerste afgestudeerden van de studierichting Infrastructuur.
Dat het land Habibi haar centrale positie op de kaart verwaarloosd is absoluut slecht. Slecht voor Habibi, slecht voor haar inwoners, slecht voor de toekomst van Habibi en slecht voor al haar buurlanden; de hele wereld. Habibi is verplicht optimaal te profiteren van haar centrale positie. Infrastructuurprobleem 2, railinfrastructuur, is probleem dat opgelost wordt op de middellange termijn. Al in een vroeg stadium kan begonnen worden met de renovatie van de 6 treinen en het oplossen van het probleem van het ontbreken van een adequate handelslijn Capitallio en Navice. Dat zal al snel zijn vruchten afwerpen. Pas als de eerste studenten Infrastructuur afgestudeerd zijn werpen ook zij hun vruchten af. Habibi moet zichzelf door een spoorlijn op de rails zien te krijgen.
Infrastructuurprobleem 3
Riolering en watermanagement
Door middel van de 2 plannen hierboven genoemd kunnen de doelen worden gehaald:
Plan 1: Huidige achterstandswijken aansluiten op het water-, rioliolerings-
en elektriciteitsnetwerk;
Plan 2: Urbanisatie (nieuwe krottenwijken) voorkomen.
De squattertowns van Habibi zijn door de onhygiënische toestanden vaak een bron van kosten voor de Habibische overheid. Habibi moet niet alleen door steun fors investeren, ze mag niet schromen haar binnenlandse problemen hard aan te pakken. De urbanisatie, de informalisering, de involutie, de steeds groter wordende verborgen werkloosheid moeten preventief worden aangepakt. Infrastructuurprobleem 3, Riolering en watermanagement, pakt de problemen het meest preventief en op de langere termijn aan. Ook hier geldt dat de studenten Infrastructuur van groot belang zijn, zo heeft het ministerie duidelijk gemaakt in het rapport Infrastructuur; kosten en baten, hoe en waar.
3.6 Kostenschatting
Het ministerie van economische zaken heeft aan de van de hierboven geschetste drie infrastructuurproblemen, de volgende kostenschattingen gemaakt:
Wanneer er uitgegaan wordt van een budget van 100% zullen de 3 infrastructuurproblemen het volgende percentage van toegewezen krijgen:
1e probleem: verkeer en vervoer
à 50% van het totale bedrag
2e probleem: railinfrastructuur
à 25% van het totale bedrag
3e probleem: riolering en watermanagement
à 25% van het totale bedrag
Verantwoording kostenverdeling
Infrastructuurprobleem 1 zal verreweg het meest kosten. Dat is niet opvallend aangezien de opleiding Infrastructuur één van de oplossingen is van de volgende problemen. Bovendien geldt de aanpak voor infrastructuur 1, vervoer en verkeer, op de meest korte termijn. Ook is het van belang te bedenken dat het bij het indijken van de rivier Kababpap gaat om een éénmalige investering. Infrastructuurprobleem 2, railinfrastructuur, ligt in het verlengde van verkeer en vervoer. De kosten van de treinen vallen bijzonder mee door een gunst van buurland Amoelah. Omdat de overheid kan rekenen op investeringen van bedrijven voor hun eigen treinen op het spoor van de overheid, scheelt ook dat weer in de kosten. Infrastructuurprobleem 3 wordt op de langere termijn een gigantische investering. Daarom dient het percentage van 25% gezien te worden als opstapje voor vele latere investeringen.
7.1 Bijlage 1: Fairtrade Labelling Organisation
Why does FLO exist?
FLO International exists to improve the position of the poor and disadvantaged producers in the developing world, by setting the Fairtrade standards and by creating a framework that enables trade to take place at conditions respecting their interest. The National Initiatives, members of FLO International, encourage industry and consumers to support fairer trade and to purchase the products. Products carry a Fairtrade Label, as the independent consumer guarantee that producers in the developing world get a better deal.
FLO’s Main Tasks
Crucial to FLO’s transparency and credibility is the participation of traders, producers and other stakeholders in FLO’s governance. Therefore, at the FLO Fairtrade Forum, held every three years, the producers and traders elect their representatives in the FLO Board of Directors. The National labelling organisations elect their representatives to the Board every third year, during their Meeting of Members.
The Director of FLO is responsible towards the Board for the running of the organisation and in particular to the Operational Board for finance and personnel matters.
FLO’s main tasks are:
1) Guaranteeing the standards:
FLO gives credibility to the Fairtrade Labels by providing independent, transparent and competent standard setting and certification of social and economic development.
The four main aspects for certification are:
a) assessing the conformity of produces to the Fairtrade standards,
b) assuring that Fairtrade benefits are used for social and economic development,
c) auditing FLO-registered traders in order to make sure that the Fairtrade price reaches the producers and
d) assuring that the Labels are only used on products coming from Fairtrade-certified producers.
Fairtrade Standards and policies are proposed by the Standards and Policy Committee, again a body with a wide stakeholder representation, which puts Standards and policy proposals forward to the FLO Board for approval.
To ensure that producers comply with Fairtrade standards, FLO works with a network of independent inspectors that regularly visit all producer organisations and report back to the FLO Certification Ltd, which prepares the meetings of the Certification Committee and organises the inspections in the field.
It is the Certification Committee, comprised of stakeholders from producers, traders, national labelling organisations and external experts, which takes the Certification decisions. Appeals on these decisions are dealt with by an Appeals Committee.
To monitor traders’ and retailers’ compliance with Fairtrade conditions, a specially developed trade auditing system checks that every Fairtrade-labelled product sold to a consumer has indeed been produced by a certified producer organisation which has been paid the Fairtrade price. The Trade Audit department within FLO deals with the control of all trade partners in the system.
2) Business facilitation:
FLO’s Product Managers are in contact with producer organisations certified by FLO, and traders registered to purchase and sell Fairtrade labeled products, in order to match supply and demand. They also work with the Producer Support coordinator in realising adequate producer assistance and development projects in view of producer empowerment and enhancing their market access through business.
3) Promoting producer support:
FLO's third core task is to organise support for the smallholders and workers who participate in Fairtrade, to assist in strengthening their organisation and improve their production, when needed. The Producer Support Facilitator cooperates with FLO’s Liaison Officers and support organisations in the field and also with the FLO product managers to respond to producer organisations’ assistance requests.
How is the system financed?
All stakeholders involved make their contribution to cover the costs of FLO’s system. Although still partly externally funded, the biggest part of the cost of FLO’s system is covered by National Initiatives who charge their licensees a fee for using the Fairtrade label. This pays for the National Initiatives marketing expenses and a part is fed back to FLO via National Initiatives’ annual contributions. Licensees registered with the National Initiatives do not pay FLO.
A small part of the costs is covered by producer organisations and traders registered with FLO. Producer organisations pay for FLO certification and in addition a yearly fee based on the volume sold under Fairtrade conditions. The traders registered with FLO also contribute based on their total annual turnover.
Traders pass on to consumers the higher Fairtrade price and premium that they pay to the producers and the FLO system. The financial flows go all the way back from the consumer who buys the product, to the producer. The impact of Fairtrade in the end always depends on the goodwill and loyalty of the consumer. The higher retail price for Fairtrade produce contributes to the development of the producer organisations. The FLO Certification adds to the empowerment of the organisation by giving the certified organisations access to the international markets and supporting sustainable business.
Fairtrade standards in general
FLO standards need to be met by producer groups, traders, processors, wholesalers and retailers:
There are two sets of generic producer standards, one for small farmers and one for workers on plantations and in factories. The first set applies to smallholders organised in cooperatives or other organisations with a democratic, participative structure. The second set applies to organised workers, whose employers pay decent wages, guarantee the right to join trade unions and provide good housing where relevant. On plantations and in factories, minimum health and safety as well as environmental standards must be complied with, and no child or forced labour may occur.
As Fairtrade is also about development, the generic standards distinguish between minimum requirements, which producers must meet to be certified Fairtrade, and progress requirements that encourage producer organisations to continuously improve working conditions and product quality, to increase the environmental sustainability of their activities and to invest in the development of the organisations and their producers/workers.
Trading standards stipulate that traders have to:
• pay a price to producers that covers the costs of sustainable production and living;
• pay a premium that producers can invest in development;
• partially pay in advance, when producers
ask for it;
• sign contracts that allow for long-term planning and sustainable production practices.
Finally, there are a few product-specific Fairtrade standards for each product that determine such things as minimum quality, price, and processing requirements that have to be complied with.
Procedure for Standard Setting
When a stakeholder signals the need for development of a standard or revision of a FLO Standard, the FLO Standards & Policy Committee initiates a research phase in which relevant producer organisations, traders and other stakeholders are asked to give their input. Based on their contributions a set of standards and a Fairtrade price proposal are drafted. The FLO Standards & Policy Committee meets to discuss the proposal. Then, the discussed proposal is published for formal consultation in line with the ISEAL Code of Practice on Standards Setting. The final draft goes to the FLO Board of Directors for ratification.
Impact
FLO International together with the Fair Trade movement aims for the highest impact possible on disadvantaged producers and workers in developing countries.
Although we also measure impact in terms of figures and money, it is very important to mention the human impact that working in Fair Trade can have.
Producers and workers get experience in organising themselves to defend their rights together and not depend anymore on others. Producers learn about the international trade of their product, acquire export experience and can improve the quality of their product through close cooperation with Fairtrade registered importers. Workers learn what their rights are and how the organisation is managed. They are also involved in project definition of the Fairtrade premium income.
Deel uit rapport over de standaardafspraken van de FLO
Koffie
4. Pricing and Premium
4.1 Buyers shall pay producer organizations at least the Fairtrade minimum price as set by FLO
(see the price table further below). The Fairtrade minimum prices vary according to the type
and origin of the coffee.
4.2 In addition to the Fairtrade minimum price the buyers shall pay a Fairtrade premium as set by
FLO at 5 US$-cents per pound of coffee.
4.3 For certified organic coffee an additional premium of 15 US$-cents per pound green coffee
will be due, on top of the Fairtrade minimum price or the market reference price respectively
as determined under point
4.4. If the market price is higher than the Fairtrade minimum price, the market price shall apply.
The Fairtrade premium is paid on top of the market price.
For Arabicas the reference market price shall be based on the New York "C" contract. The
price shall be established in US$-cents per pound, plus or minus the prevailing differential for
the relevant quality, basis F.O.B. origin, net shipped weight.
For Robustas the reference market price shall be based on the London "LCE" contract. The
price shall be established in US-dollars per metric tonne, plus or minus the prevailing
differential for the relevant quality, basis F.O.B. origin, net shipped weight.
When by legal regulation, all coffee has to be passed through the auction, importer and
exporter will agree upon a reasonable margin for the exporter to cover his costs.
Katoen
3. Pricing and Premium
3.1 The Fairtrade Minimum price for seed-cotton is set at farm-gate level. For Burkina Faso,
Cameroon, Mali and Senegal the prices are indicated in FCFA, the € prices are given as a
reference. For India the prices are indicated in US$.
3.2 If the market price is higher than the Fairtrade minimum price, the market price shall apply.
3.3 In addition to the Fairtrade Minimum price the buyers shall pay a Fairtrade Investment
Premium as set by FLO.
4. Pre-financing
On request of the seller the buyer has to make available pre-finance for the buyer up to 60%
of the contract value. Pre-finance is meant for the financing of buying operation of the
producers’ organisation on local level. The involved parties arrange the details of prefinancing
arrangements in the respective contracts on mutual agreement.
7.2 Verantwoording
Dit actieplan is opgesteld door een aantal onderzoekers van het Ministerie van Economische Zaken. Zij hebben hun achtergrondinformatie gehaald uit eerdere rapporten, veelal op internet verschenen versies. Maar zij zijn zelf verantwoordelijk voor de oplossingen en projecten die voorgesteld zijn. Hierbij is er geen sprake van enige vorm van advies van buitenaf.
Voor de onderzoeken en projecten op het gebied van de Handel gaat onze dank uit naar S. le Cointre. Voor de Gezondheidszorg was E. van Zwieten verantwoordelijk. Het Onderwijs lag in de bekwame handen van L. den Hollander en de Infrastructuurprojecten zijn te danken aan R. Haye.
7.3 Bronnen
 www.minbuza.nl
 www.fairtrade.net
 www.maketradefair.nl
 www.maxhavelaar.nl
 nl.wikipedia.org
 www.novib.nl
 www.unctad.org
 www.worldbank.org

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.