Inleiding:
Mijn werkstuk gaat over geld, en met dat geld gaan we het verleden in, we kijken hoe men vroeger met geld omging en/of er wel geld was. We kijken hoe we nu met het geld omgaan en we nemen een kijkje in de toekomst, Hoe zal er dan met geld worden omgegaan en is er dan nog wel geld.
Ik hoop dat je na die tijd wat meer over geld weet.

Werkstuk:
In primitieve samenlevingen waarin iedereen hetzelfde werk deed (zorgen voor voedsel), was een rekenmiddel en een betaal- of ruilmiddel overbodig. Iedereen produceerde wat hij of zij nodig was, ruiling van producten was niet nodig. Naarmate de arbeidsverdeling beter werd en men dus meer ging produceren dan men zelf nodig had, werd het steeds moeilijker om dit overschot te ruilen tegen de producten van anderen. De gewoonte ontstond om, als men niet gauw genoeg een geschikte tegenpartij kon vinden, de eigen producten te ruilen tegen goederen waarvan men goede hoop had dat deze op een andere plaats en tijd tegen de gewenste producten konden worden geruild. Zo kwam het \"goederen geld\" in omloop.
Er werd ondermeer geruild met: vee, kralen, schelpen, rijst en zout.
Geld als ruilmiddel moest aan minstens vier eisen voldoen. Het moest algemeen begeerd zijn, duurzaam zijn, het moet geen emmer munten zijn waar je mee kunt betalen, het moest een vrij grote waarde hebben en het moest onmogelijk zijn dat de hoeveelheid op korte termijn zo sterk uitbreidde dat de koopkracht ervan aanzienlijk daalde. Zilver en vooral goud bleken de meest geschikte ruilmiddelen. Eerst vond de betaling nog plaats door overdracht van klompjes metaal; de waardebepaling vond plaats op basis van het gewicht. Omdat het vrij lastig was om de klompjes metaal steeds te wegen had men standaard gewichten gegeven aan de klopjes. Om bedrog met betrekking tot de samenstelling en het gewicht te voorkomen, ging de overheid zich er mee bemoeien. Ze maakten platte schijven, voorzien van een stempel dat hun gewicht en gehalte waarborgde. Hiermee deden de munten hun intrede. Omdat die munten meestal een vrij grote waarde hadden was er behoefte aan munten die minder waard waren waar men kleinere betalingen mee kon doen. Die munten werden gemaakt van andere metalen die veel minder waard waren dan goud en zilver b.v. ijzer en koper.
Eerst was de waarde van de munten nog gelijk aan de waarde van het metaal waar ze van gemaakt waren, later niet meer. Deze nieuwere munten hadden bijna geen waarde meer omdat de overheid er een teken op had aangebracht. Men accepteerde dit geld niet meer ter wille van de waarde van de grondstof, maar in het vertrouwen dat men er voor eenzelfde nominaal bedrag aan andere goederen mee zou kunnen kopen. De eis van het algemeen begeerd zijn van het product als zodanig raakte meer en meer op de achtergrond. Wel zal aanvankelijk de wetenschap dat deze onvolwaardige munten in volwaardige van goud of zilver (standaardmunten) konden worden omgezet, steun hebben gegeven aan de massale gewoonte ze in betaling aan te nemen, doch ook deze band werd steeds losser. Al de munten die zelf minder waard zijn dan waar voor ze worden vertegenwoordigd wordt wel aangeduid als fiduciair geld (vertrouwensgeld).
Het bewaren en vooral het transport van grote bedragen aan edel metaal brachten veel moeite en risico met zich mee. De Noord-Italiaanse en Zuid-Duitse kooplieden uit de late middeleeuwen hielden metaalvoorraden aan bij bepaalde relaties (kassiers) in vreemde plaatsen. Betalingen voor aangekochte goederen verrichtten zij door het afgeven van een wissel of promesse die op de vervaldag de leverancier uitbetaalde ten laste van het tegoed van de koper. Zo vermeed men veel geldtransport.
Het aannemen van gelddeposito\'s ontwikkelde zich tot een speciaal bedrijf, waarop vooral geldwisselaars en goudsmeden zich gingen toeleggen. Uit deze praktijk hebben zich twee nieuwe geldvormen ontwikkeld: bankpapier en giraal geld. M.n. in Engeland in de 17de eeuw was het gebruikelijk dat de goudsmeden reçu\'s ( \'Goldsmiths Notes\') afgaven voor de in bewaring ontvangen bedragen. Deze reçu\'s gingen als betaalmiddel de plaats innemen van de munten. Het recht op inwisseling van de \'notes\' in munten door de goudsmid bleef uiteraard bestaan, maar omdat de ervaring de goudsmeden leerde dat van dit recht nooit voor al hun uitstaande \'notes\' tegelijkertijd gebruik werd gemaakt, gingen zij ertoe over uit de gedeponeerde munten kredieten te verlenen. Hoewel daardoor een volledige metaaldekking ging ontbreken, bleven de \'notes\' in circulatie, zolang het publiek nog het vertrouwen had dat inwisseling desgewenst mogelijk zou zijn. Zo ontwikkelden de goudsmeden zich tot bankiers en hun \'notes\' werden bankpapier (overigens gebruikten de Chinezen al ca. 800 bankpapier). Deze methode hield echter ook het gevaar in van een te grote kredietverlening. In de eerste plaats kon dit voor de deposanten (als ze allemaal tegelijkertijd komen inwisselen) tot gevolg hebben dat inwisseling in goud onmogelijk werd. In de tweede plaats kon hierdoor een te sterke vermeerdering van de geldhoeveelheid optreden. Mede om deze reden ging de overheid zich bemoeien met de uitgifte van bankbiljetten.
Buiten Engeland ontwikkelde zich uit het kassiersbedrijf een andere geldvorm: het girale geld. Zo was het bij de in 1609 opgerichte Amsterdamsche Wisselbank niet gebruikelijk om overdraagbare reçu\'s af te geven voor gedeponeerde munten, maar hier werd men in de boeken gecrediteerd. Overdracht van een tegoed vond plaats door overschrijving in de boeken van de bank van de ene rekening naar de andere. Met de algemene aanvaarding van deze (girale) betalingswijze kregen de desbetreffende tegoeden het karakter van (giraal) geld. Ten aanzien van de dekking van dit geld door edel metaal geldt hetzelfde als hiervoor is gezegd met betrekking tot de bankbiljetten. De rol van de gouden munten werd in de loop van de tijd steeds kleiner. Sinds de inwisselingplicht van geld in goud verdwenen is, ontbreekt derhalve aan het in omloop zijnde geld iedere stoffelijke grondslag; men spreekt daarom wel van de niet metalen of papieren standaard.
Het algemeen begeerd zijn van de materie die als betaalmiddel dienst doet, is in de loop der eeuwen geheel verdwenen. Het girale geld bestaat momenteel nog bij de gratie van de inwisselingmogelijkheid in bankbiljetten; de bank die niet meer in staat is de girale tegoeden in bankbiljetten om te zetten, komt in moeilijkheden. Gezien de geleidelijke, maar niettemin spectaculaire evolutie van het geld is er echter geen enkele reden om aan te nemen, dat nu het eindstadium van de ontwikkeling zou zijn bereikt. Het girale geld zal de bankbiljetten ongetwijfeld nog verder in het betalingsverkeer verdringen.
in de eerste plaats het goed dat algemeen aanvaard wordt als betaalmiddel. In het huidige
betalingsverkeer fungeren als zodanig munten, muntbiljetten, bankbiljetten en direct opeisbare tegoeden bij banken en giro-instellingen voor zover ten laste van deze tegoeden ook overboekingopdrachten kunnen worden gegeven of cheques kunnen worden uitgeschreven. De direct opeisbare tegoeden die deze mogelijkheden niet hebben (bijv. Spaartegoeden) en banktegoeden die eerst na enige tijd opeisbaar zijn (bijv. Termijndeposito’s) worden niet tot de geldhoeveelheid gerekend, maar behoren tot de secundaire liquiditeiten. Samen met deze secundaire liquiditeiten vormt het geld, ook wel de primaire liquiditeiten genoemd, de totale liquiditeitenmassa.

1. De geldsoorten
Men kan de diverse geldsoorten onderscheiden naar verschillende gezichtspunten. Naar de vorm onderscheidt men:
Chartaal geld en giraal geld.
Naar de uitgevende instantie kan men onderscheiden:
1. Intrinsiek volwaardige munten, dwz. gouden of zilveren munten waarvan de waarde in het betalingsverkeer gelijk was aan de waarde van het metaal waaruit zij bestonden. Iedereen was vrij dit geld te doen aanmunten, zij het dat, teneinde vervalsing te voorkomen, dit aanmunten slechts kon geschieden door een staatsinstelling. Deze munten zijn inmiddels nagenoeg overal uit de circulatie verdwenen.
2. Staatsgeld. Dat zijn onvolwaardige munten en muntbiljetten. De onvolwaardige munten hebben een intrinsieke materiaalwaarde die kleiner is dan het nominale bedrag waarvoor zij in het betalingsverkeer dienst doen. Vóór de Tweede Wereldoorlog onderscheidde men in Nederland nog pas- en tekenmunten; de laatste waren tot onbeperkte bedragen wettig betaalmiddel, de eerste slechts tot beperkte bedragen. Krachtens de Muntwet 1948 zijn alle munten in Nederland nog slechts tot beperkte bedragen wettig betaalmiddel. In België was de laatste tekenmunt (zilveren stuk van 100 F) wettig betaalmiddel tot 3 sept. 1979. Aangezien van het staatsgeld de materiaalwaarde kleiner is dan de nominale waarde, staat de aanmunting niet aan iedereen vrij, maar is dit recht voorbehouden aan de staat.
3. Bankgeld, weer uiteenvallend in: a. Bankbiljetten, uitgegeven door de centrale bank; b. giraal geld, de rekening-courantsaldi aangehouden bij banken en girodiensten.
Ten slotte maakt men wel onderscheid tussen enerzijds het intrinsiek volwaardige geld en anderzijds het fiduciaire geld, dwz. het geld, dat door gebrek aan voldoende intrinsieke waarde wordt geaccepteerd in het vertrouwen dat de uitgevende instantie haar inwisselingverplichtingen desgevraagd zal nakomen, resp. dat de opvolger in het betalingsverkeer dit geld voor de nominale waarde zal accepteren.

2. De functies van het geld
Naast de functie van geld als betaal- of ruilmiddel doet geld dienst als rekeneenheid of waardemeter; immers de waarde van goederen, diensten en schulden wordt in geld uitgedrukt. Ten slotte heeft geld de functie van oppot- of spaarmiddel. Er bestaan diverse theorieën die het bestaan van geld trachten te verklaren. Men onderscheidt de buitenlandse en de binnenlandse waarde van het geld. De buitenlandse waarde wordt weerspiegeld door de wisselkoersen. Aangezien het in de meeste landen (behalve in Engeland) gebruikelijk is bij aanduiding van de wisselkoers de waarde van één eenheid van de buitenlandse muntsoort uit te drukken in een bedrag in de eigen munt (bijv. $ 1 = 1, 98), kan men stellen dat de externe geldswaarde omgekeerd evenredig fluctueert met de wisselkoersen (in Engeland evenredig). De binnenlandse geldswaarde wordt bepaald door de hoeveelheid goederen en diensten die men voor een bepaald nominaal bedrag kan verwerven. De binnenlandse waarde of koopkracht van geld is dus omgekeerd evenredig met het prijsniveau. Daling van deze waarde duidt men aan als inflatie en stijging als deflatie.

3. De behoefte aan geld
De reële behoefte aan geld heeft betrekking op de vraag hoeveel geld men wenst aan te houden. Gegeven de wijze waarop betalingen in een land plegen te worden geregeld, hangt deze behoefte af van het aantal en de reële omvang van de transacties die tussen verschillende economische huishoudingen worden gesloten en daarmee van het reële nationale inkomen en de reële nationale productie. Te veel geldschepping in verhouding tot de reële behoefte aan geld (geldvraag) wordt in het algemeen als de belangrijkste oorzaak van langdurige inflatie beschouwd. Door algemene prijsstijgingen neemt de nominale behoefte aan geld toe.
Wanneer we de geldvraag in verband brengen met het nationale inkomen, leggen we de nadruk op geld als betaal- of ruilmiddel. De functie van geld als oppotmiddel staat meer op de voorgrond, als we de geldvraag relateren aan de omvang van het nationale vermogen, dit is het totaal van alle financiële en niet-financiële activa zoals geld, obligaties en reële kapitaalgoederen. Als de opbrengst op alternatieve beleggingen toeneemt of men verwacht dat het inflatieniveau in de nabije toekomst zal stijgen, zal men meer obligaties aanhouden of meer goederen kopen en minder geld willen bezitten. De omloopsnelheid van het geld (het aantal malen dat een geldeenheid van bezitter verandert in bijv. een jaar) neemt daardoor toe. Voorbeelden van geldvraag theorieën zijn het reële kas voorradeneffect en de theorie van de liquiditeitsvoorkeur.

4. De geldhoeveelheid
De samenstelling van de geldhoeveelheid is eveneens aan schommelingen onderhevig. In de eerste plaats is van belang de maandelijkse toeneming van de chartale geldhoeveelheid als gevolg van salarisbetalingen. De bedrijven nemen bij de banken voornamelijk bankbiljetten op ten laste van hun rekening-courantsaldi. In de loop van de maand keren deze bankbiljetten bij de banken terug. In de tweede plaats treden op lange termijn wijzigingen in de geldvraag op door veranderingen in de structuur van het betalingsverkeer. De chartale geldhoeveelheid is veel minder snel gestegen dan de girale tegoeden als gevolg van het feit dat girale salarisbetaling en het giraal betalen van rekeningen ook bij particulieren steeds meer in zwang is gekomen.
Het elektronische betalingsverkeer heeft tijdens de jaren tachtig een hoge vlucht genomen. Belangrijke impulsen gingen daar bij uit van de banken, die op deze manier het gebruik van cheques probeerden afremmen.
De bank/geldautomaten zijn meestal ingebouwd in de gevel van bank. De toegang tot deze apparaten gebeurt door middel van een bank of giro pas. Dit zijn plastic kaarten met een magneetstrip, waarmee de houders hun geld automatisch van de rekening kunnen halen en in hum portemonnee en dit is beveiligd door een Pincode, dit is een vier cijferige code.
Er zijn nu ook chipknips dat zijn ook plastic kaarten maar daar zit dan een chip op die registreert hoeveel geld er op die kaart staat, het is eigenlijk het zelfde als een portemonnee.
Die kaart is dan ook niet beveiligd met een Pincode. Je kunt er f 1000,- opzetten en je kunt hem opladen op de plek waar ook een bank/geldautomaat staat.
In de jaren negentig is het telebankieren er ingekomen, je kunt dan geld op rekeningen overmaken via de computer thuis (dit kan allen maar als de computer een modem heeft).

Euro, naam van de gemeenschappelijke munt van de Europese Unie .De in 1999 ingevoerde euro is alleen nog maar in het girale verkeer ingevoerd; betalingen tussen banken geschieden dan in euro\'s en nieuwe overheidsschulden worden in euro\'s uitgegeven. Uiterlijk op 1 januari 2002 komen eurobiljetten en -munten in omloop. In de tussenliggende periode worden de biljetten en munten aangemaakt, automaten omgebouwd, kas systemen euroklaar gemaakt, enz. Per 1 juli 2002 worden de nationale munten uit de circulatie genomen en geldt alleen de
Euro als wettig betaalmiddel in de EMU-landen. Op de euromunten is een nationaal randschrift toegestaan. De beginwaarde van de euro is gelijk aan de waarde van de ecu op het moment van omschakeling.
1 Euro is per 1 januari 1999 f 2,20371 waard.

Slot
Ik hoop dat je nu wat meer weet over geld en hoe dat ontstaan is.
Als je kijkt na toekomst zul je dus zien dat het geld niet verdwijnt, er komt wel steeds minder geld in omloop maar er blijft toch wel wat geld. Juist omdat in dit jaar de Euro is ingevoerd dus heeft men nog wel hoop voor de toekomst.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

tom

tom

te lang (Y)

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Willie

Willie

Hey

1 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast