Groepswerk: Voeding

Additieven:
Additieven zijn stoffen die om technische redenen bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van voedingsmiddelen bewust aan deze voedingsmiddelen worden toegevoegd, ten einde te voldoen aan de eisen die de consument aan deze producten stelt. Zij worden aanzien als een bestanddeel van het voedingsmiddel.
Additieven zijn pas toegelaten wanneer verschillende wetenschappelijke onderzoeken hebben aangetoond dat de toepassing ervan geen gezondheidsrisico’s oplevert. Als bewijs van wettelijke toelating krijgen zij een E-nummer. De warenwetgeving bepaalt ook in welke producten bepaalde additieven mogen worden gebruikt en in welke hoeveelheden. Bovendien mag een additief alleen worden toegevoegd als het technisch noodzakelijk is en er geen andere methode is om het gewenste effect te bereiken. Het gebruik van additieven mag ten slotte niet misleidend zijn ten aanzien van de aard van het product.

Concreet gaat het om de volgende groepen:

1.Kleurstoffen (E100 tot E199). Het gaat hier zowel om synthetische als om natuurlijke kleurstoffen. Dit laatste betekent niet noodzakelijk dat ze van nature in het product voorkomen, wel dat ze afkomstig zijn van natuurlijke producten zoals bv. bietenrood (E162) of carotenoïden (E160).

2. Bewaarmiddelen (E200 tot E299). Dit zijn stoffen die de ontwikkeling van bacteriën, schimmels, enz. in vlees, kaas, wijn, enz. afremmen.

3. Anti-oxidantia (E300 tot E399) worden gebruikt om voedselbederf door contact met lucht te vertragen. Het meest gebruikt product is ascorbinezuur of vitamine C (E300 tot E302).

4. Emulgeer-, bind- en geleermiddelen (E400 tot E499) dienen om het product stevigheid te verlenen of te behouden.

5. Smaakversterkers (E620 tot E640) zijn bedoeld om de smaak te versterken of te wijzigen. Het bekendste voorbeeld zijn de glutamaten, bekend van het zg. Chinees restaurantsyndroom (een op een allergie gelijkende reactie die het eerst werd vastgesteld na het eten van Chinese gerechten). Snoep bevat vele e-nummers

6. Zoetstoffen (E420, E421, E950 tot E960). Het gaat hier om kunstmatige zoetstoffen die suiker vervangen in sommige light-producten.
De technologische noodzaak voor het gebruik van additieven wordt steeds afgewogen tegenover de risico's die het gebruik ervan en soms het weglaten (niet-gebruik) ervan kan opleveren. Daarom wordt het gebruik van - op het eerste zicht - aanvechtbare additieven zoals sulfieten en nitrieten toch toegelaten om nog gevaarlijkere situaties te voorkomen. Zo kan de groei van de Clostridium botulinum en Staphyllococcus aureus en de productie van toxinen door toevoeging van nitriet sterk worden gehinderd en worden voedselintoxicaties en infecties, soms met fatale afloop, vermeden.

Is door het gebruik van deze stoffen het aantal kankers toegenomen?
Uit statistieken blijkt dat ten eerste het aantal kankers die hierdoor zouden kunnen veroorzaakt worden de laatste jaren niet is toegenomen, ondanks het toenemende gebruik van vermelde middelen sedert 50 jaar. Ten tweede dat andere milieu-oorzaken een veel belangrijker oorzaak van kanker zijn (90% van alle kankers zouden een milieu-oorzaak hebben).
Door al de veiligheidsmaatregelen is de kans op schadelijke effecten van additieven zeer klein, al kunnen ze nooit helemaal worden uitgesloten. Wel moeten de gebruikte additieven (meestal) op het etiket worden vermeld, zodat mensen met een uitgesproken allergie of overgevoeligheid voor een specifieke stof het gebruik hiervan kunnen vermijden.
Contaminanten:
Tijdens het productieproces worden chemische stoffen gebruikt. Wanneer ongewild resten van deze stoffen in het voedsel blijven steken zal men spreken van contaminanten. (bv. Resten van pesticiden, kunstmeststoffen,…)
Contaminanten zijn stoffen die niet opzettelijk aan voedingsmiddelen zijn toegevoegd maar daarin wel aanwezig zijn maar veelal uit het milieu hierin terecht komen.
Een klassiek voorbeeld zijn dioxines van afvalverbrandingsinstallaties. Zij worden via het gras door de koeien en scharrelkippen opgenomen en komen langs deze weg in de melk en de eieren terecht.

Waarom moet gewas beschermd worden?
Gewasbescherming, onder een of andere vorm, is veelal nodig omdat landbouwgewassen zich in een vreemd en vijandig milieu bevinden en moeten concurreren met de inheemse flora en fauna. Landbouwgewassen zijn door de eeuwen heen door de mens geselecteerd op specifieke eigenschappen en kunnen in de omgeving waarin zij groeien niet altijd zonder bescherming tegen vijandige invloeden.
Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en hun residuele overdracht naar de geoogste producten wordt bij wet streng geregeld. Ook uit puur economische motieven wordt het gebruik van veelal dure gewasbeschermingsmiddelen tot een minimum beperkt. Moderne middelen en nieuwe toepassingstechnieken zoals gerichte behandeling direct in de rijen en zaadbehandeling hebben bovendien de gebruikte hoeveelheden actieve bestanddelen sterk kunnen terugschroeven wat zowel het milieu als de volksgezondheid ten goede komt.

Wordt er ook rekening gehouden met dierengeneesmiddelen?
Ook in de dierlijke productie wordt gebruik gemaakt van beschermingsmiddelen, m.a.w. geneesmiddelen voor veterinair gebruik. De antibiotica vertegenwoordigen een belangrijke groep.
Enkel toegestane geneesmiddelen mogen worden gebruikt. De toelating wordt in EU verstrekt nadat de veiligheid van de substanties grondig door het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling geëvalueerd werd.
De toelating gebeurt voor elk type dier afzonderlijk; runderen, varkens, gevogelte, vissen… Een antibioticum dat bijvoorbeeld voor varkens toegestaan is, moet een aparte toelating krijgen alvorens het mag dienen voor bv. gevogelte.
Het voorschrijven, toedienen en verschaffen van dierengeneesmiddelen behoort tot de verantwoordelijkheid van de dierenarts. Hierbij is een goed beheer van de geneesmiddelenvoorraad en het geneesmiddelenregister op de veeteeltbedrijven onontbeerlijk.

Waaruit bestaat de controle op contaminanten?
België heeft met de ervaring van de dioxine- en PCB-crisis een controleprogramma opgezet dat de hele voedselketen controleert op contaminanten waarbij de klemtoon ligt op het vroegtijdig opsporen van problemen. Dit controleprogramma kreeg de naam Contaminant Surveillance Monitoringsystem of kortweg CONSUM en is opgebouwd uit volgende onderdelen:
• een permanente controle van de kritieke grondstoffen voor veevoederproductie
• steekproefsgewijze controle en verplichte traceerbaarheid (Met traceerbaarheid bedoelt men dat de herkomst van de producten gekend moet zijn) van de productie van mengvoeders
• steekproefsgewijze of gerichte controle op landbouwbedrijven en invoering van een C-statuut (Dit is een statuut of code die de bedrijven waar een besmetting vastgesteld is krijgen) wanneer contaminatie wordt gevonden
• een steekproefsgewijze controle op contaminanten op niveau van de distributiesector
• invoering van een globaal systeem van traceerbaarheid in de voedingsindustrie
• opmaak en uitvoering van draaiboek (dit is in feite een uitgeschreven handleiding van maatregelen en acties die uitgevoerd moeten worden na de vaststelling van een besmetting) bij vaststelling van een besmetting (noodplan)

Dagelijks Aanvaardbare Dosis (DAD):
DAD staat voor Dagelijks Aanvaardbare Dosis. Men probeert bij dieren die dosis te bepalen die gedurende een gans leven mag ingenomen worden. Men noemt dit de NEL-waarde (No Effect Level). Uitgaande van die dosis leidt men een onschadelijke dosis af bij mensen: de DAD.
Om tot de DAD te bekomen deelt men de NEL-waarde door 100. Men deelt vooreerst door 10 om de eventuele verschillen in gevoeligheid van dier naar mens te overbruggen en nogmaals door 10 om overgevoelige mensen te beschermen.
Omdat de DAD een weinig handig instrument is - hoe kan de consument weten of hij op één dag de DAD al dan niet overschreden heeft? - wordt gewerkt met maximumconcentraties van additieven in bepaalde soorten van levensmiddelen of groepen van levensmiddelen. De maximum toegelaten hoeveelheid additief wordt zo bepaald dat wie een normaal voedingspatroon in acht neemt, de maximale dosis nooit zal overschrijden.

Wat betekenen de begrippen cancerogeen, teratogeen en mutageen?
Cancerogeen, teratogeen en mutageen zijn kankerverwekkende stoffen. In 1958 had in Amerika de opvatting van Delaney ingang gevonden. Die meende dat alle potentiële kankerverwekkende stoffen uit de voeding geweerd moesten worden. In praktijk bleek dit echter onmogelijk te zijn. Heel wat cancerogenen komen van nature in de voeding voor of ze zijn niet te vermijden.
Stoffen die een uitgesproken cancerogeen, mutageen of teratogeen effect hebben worden verboden (bv. Bepaalde kleurstoffen o.a. botergeel). Van andere die een minder uitgesproken (doch bestaand) effect hebben, wordt eveneens een DAD bepaald. Deze bedraagt 1 honderdmiljoenste van de laagste dosis die bij proefdieren nog juist in staat is om bij een minimum aantal proefdieren kanker te verwekken. Men neemt hier a.h.w. het risico dat het gebruik van die stof 1 kanker zal verwekken bij iedere honderd miljoen verbruikers.

Wat zijn de gevolgen van nitraat, nitriet, en nitrosaminen?
Op zichzelf zijn nitraten en nitrieten in kleine dosissen onschadelijk. In grote hoeveelheden kunnen ze echter spijsverteringslast veroorzaken en nitriet kan bij baby’s eventueel verstikkingsverschijnselen veroorzaken. Verder kunnen nitrieten in aanwezigheid van eiwitten (o.a. in vlees) omgezet worden tot kankerverwekkende nitrosaminen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.