Kanker

Beoordeling 7.4
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 1e klas vmbo | 4664 woorden
  • 28 mei 2001
  • 239 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.4
  • 239 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Diagnose en behandeling
Iedereen is weleens een beetje ziek, verkouden of moe, maar als blijkt dat de reden waarom je je niet goed voelt kanker is, staat de wereld op zijn kop. Je kunt gewoon niet geloven dat je lichaam, dat altijd trouw deed aan wat het moest doen plotseling hapert. Of je voelt je zo gezond als een vis; je moet gewoon naar een kering voor je werk, de bloedbank, of je neemt deel aan een bevolkingsonderzoek, en volstrekt onverwacht krijg je het verzoek of je contact wilt opnemen met je huisarts: er is iets gevonden wat onderzocht moet worden.Het is moeilijk voor te stellen dat je het ene moment voor je gevoel nog gezond bent, en dat het volgende moment blijkt dat je mogelijk een ernstige ziekte hebt: kanker.
De woorden ‘het is kanker’ kunnen je als een doodvonnis in de oren klinken. En vroeger was dat het ook; tot aan het eind van de vorige eeuw konden artsen vrijwel niets tegen kanker doen. Maar tegenwoordig betekend kanker lang niet altijd dat het met je afgelopen is. Veel soorten kanker, zeker als ze vroeg worden ontdekt, kunnen goed worden behandeld. Daardoor zijn er steeds meer mensen die de ziekte voor kortere of langere tijd overleven en die dus ween wat het betekent om kanker te hebben gehad. Hun verhalen en ervaring zullen in dit boek veelvuldig aan bod komen.

De eerste signalen
Als er signalen zijn dat er iets niet goed is, zijn dat meestal vage klachten die nauwelijks ernstig genoeg lijken om naar de huisarts te gaan. Er zijn altijd wel redenen te bedenken waarom je je niet goed voelt: spanningen op het werk, hard aan vakantie toe, problemen in het gezin, een griep die niet over wil gaan... Wie denkt er dan aan kanker?
De eerste signalen kunnen ook opvallend zijn en zich plotseling manifesteren: bloed in urine of ontlasting, een moedervlek die opeens groter wordt, een vreemde verdikking op een plek waar nooit iets te zien was.
Bij welke signalen moet je nu aan kanker denken? En wanneer moet je naar de huisarts? De Nederlandse Kankerbestrijding/Koningin Wilhelminafonds (kwf) (de landelijke organisatie die zich onder andere bezighoudt met voorlichting aan publiek en patiënten) heeft daarvoor een folder uitgebracht: acht goede redenen om naar de dokter te gaan. De volgende waarschuwingstekend worden genoemd:
- Heesheid of hoest die langer dan zes weken duurt. Deze klacht moet vooral serieus worden genomen wanneer je rookt. Let ook op bloed in opgehoest slijm.
- Een wondje of een zweertje dat niet binnen 2 á 3 weken geneest.
- Een plotseling ontstaan wratachtig knobbeltje of moedervlek. Let ook op veranderingen van al bestaande moedervlekken: verandering van kleur, plotselinge groei, aanhoudende jeuk, bloeding of zweervorming.
- Klachten bij het slikken: het slikken doet pijn of je hebt het gevoel dat je een niet goed zakt, alsof het in je slokdarm blijft steken.

- Een knobbel in een borst of op een andere plek. Let ook op gezwollen klieren, vooral in hals, oksels en liezen. Als deze na 4 weken niet zijn verdwenen, moet je ernaar laten kijken.
- Ongewoon bloedverlies of abnormale afscheiding. Hierbij kun je denken aan een streepje bloed in opgehoest slijm, bloed in de urine of bij de ontlasting. Voor vrouwen geldt dat ze moeten letten op abnormale afscheiding of vaginaal bloedverlies buiten de menstruatieperiode om of na de overgang.
- Afvallen zonder dat daar een duidelijke aanleiding voor is.
Al deze signalen kunnen op kanker wijzen, maar het hoeft geen kanker te zijn. Zo kan bloed in je urine ook door een niersteentje worden veroorzaakt en kan een bultje in je borst of hals ook goedaardig zijn. Het is wel verstandig om deze signalen op te vatten als dringende redenen om naar de huisarts te gaan.
Huisarts of specialist
Het eerste dat je doet als je iets hebt wat op kanker zou kunnen wijzen, is naar de huisarts gaan. Meestal zal deze een oriënterend onderzoek doen. Er is niet één symptoom of klacht specifiek voor kanker; vaak kunnen ze ook op andere aandoeningen wijzen en wil de huisarts het nog even aanzien. Hij kan daarom voorstellen dat je na een paar weken nog eens terugkomt. Dat afwachten is voor degenen die uiteindelijk toch een slechte uitslag blijken te hebben achteraf vaak moeilijk te verteren. Soms ben je zo ongerust dat je onmiddellijk wilt worden doorverwezen; het is een onmogelijke opgave om nog een aantal weken in spanning te zitten. Over het algemeen zal de huisarts hier begrip voor hebben.
Hoe dan ook, op een gegeven moment ziet de huisarts aanleiding je door te sturen naar een specialist. Dit is de eerste bevestiging van je eigen bezorgdheid; de hoop dat het allemaal wel mee zal vallen, wordt voor het eerst krachtig de kop ingedrukt. Of er sprake is van kanker is nog niet zeker, maar ook de huisarts is er niet gerust op, dat is wel duidelijk.
Bij een eerste bezoek aan de specialist zal deze niet direct kunnen zeggen of het wel of geen kanker is. Voordat er een definitieve diagnose kan worden gesteld, moeten er meestal verscheidene onderzoeken worden gedaan. Pas op grond van de uitslagen kan de specialist tot een duidelijke uitspraak komen.
Welke onderzoeken er gedaan zullen worden, hangt af van de vorm kanker die wordt vermoed. Vrijwel altijd zal er een uitgebreid lichamelijk onderzoeken plaatsvinden, meestal aangevuld met bloed- en urineonderzoek. Daarnaast worden er ook vaak röntgenfoto’s, scans of echo’s gemaakt.
Ook een punctie, waarbij via een heel dunne naald cellen of vocht opgezogen worden, kan deel uitmaken van het onderzoek. En in veel gevallen wordt er een stukje weefsel weggenomen dat microscopisch onderzocht moet worden. Het zal doorgaans één tot twee weken duren voordat je weet wat de uitslag is.
Diagnose
De periode tussen het vermoeden dat er misschien iets ernstig is en het tijdstip waarop de arts de diagnose kanker stelt, kan in lengte variëren. Zo kun je binnen een week te horen rijgen dat je borstkanker hebt, maar soms moet er eerst een ingrijpende operatie plaatsvinden voordat je weet of een zwelling kwaadaardig is. Minder uitgebreide chirurgische ingrepen worden ook wel poliklinisch uitgevoerd.
Hoe lang of hoe kort de periode tussen vermoeden en weten ook duurt, zeker is dat voor iedereen een heel moeilijke tijd is, een periode waarin hoop en vrees hand in hand gaan en om de voorrang strijden, waarin hoop gisteren en morgen niet meer naadloos op elkaar aansluiten. Soms krijg je het gevoel dat je lichaam niet meer past bij het beeld dat je er altijd van had, of dat het een eigen leven leidt waarbij jijzelf niet meer betrokken bent.
Als er uiteindelijk niets aan de hand blijkt te zijn, ben je over het algemeen gauw vergeten hoe moeilijk die periode van onzekerheid is geweest. Maar als blijkt dat het wel kanker is, breekt er een periode aan die misschien nog wel moeilijker is en waar heel andere gevoelens en emoties je leven gaan beheersen.
Als de waarheid dan langzaam begint door te dringen, worden ongeloof en ontkenning afgewisseld met allerlei andere emoties: angst, boosheid, teleurstelling, verdriet, zelfmedelijden, schuldgevoel, zelfverwijt, schaamte, jaloezie, gedeprimeerdheid, onzekerheid, machteloosheid, en ga zo maar door. Heel verwarrend hierbij is dat veel emoties elkaar met grote snelheid kunnen afwisselen; het ene moment voel je je nog rustig en kalm, alsof je alles onder controle hebt, het volgende moment raak je volslagen in paniek. Gevoelend en emoties zijn heviger; het lijkt wel of alles harder aankomt. Bovendien hebben veel emoties zijn heviger; het lijkt wel of alles harder aankomt. Bovendien hebben veel emoties de onaangename eigenschap om je op de meest onverwachte momenten te overvallen. Zo kan de doodsangst je niet alleen ’s nachts aanvliegen, maar ook op klaarlichte dag, tijdens een belangrijke vergadering. Ook boosheid. Ook boosheid of verdriet kunnen op de meeste ongelegen momenten toeslaan.
Zeker in het begin kunnen de emotionele reacties vaak heel heftig zijn. Veel patiënten maken zich daarvoor nogal ongerust; vroeger reageerden ze nooit zo emotioneel. Sommigen hebben het gevoel dat ze te veel zeuren of te veel aandacht vragen: anderen zijn bang dat ze hun omgeving te zeer belasten met hun tranen en verhalen. Het is misschien goed om hierbij niet uit het oog te verliezen dat heftige emoties volstrekt normaal zijn als je ingrijpende gebeurtenissen meemaakt. Behalve normaal, zijn deze reacties ook gezond. Ze geven je de gelegenheid om te wennen aan de omstandigheden waarin je plotseling terecht bent gekomen en om je aan te passen aan je nieuwe situatie.
Kanker: wat, waarom, wanneer, hoe?
Het is nog niet zo heel lang geleden dat het volstrekt ondenkbaar was dat je in gezelschap het woord ‘kanker’ liet vallen. Tot ver in de jaren zeventig leed iemand niet aan kanker, maar had hij de ‘gevreesde ziekte’ of ‘k’. En vaak werden zelfs die omwegen niet gebruikt en verzon men gewoon een andere, minder angstaanjagend de ziekte.
Ook artsen droegen hun steentje bij om het taboe rond kanker in stand te houden. Vaak werd aan de patiënt zelf niet verteld dat hij kanker had; die waarheid kon hij immers niet aan. De familie werd wel vaak op de hoogte gesteld. Het gevolg was dat iedereen wist wat er aan de hand was, behalve het slachtoffer zelf.
Althans, daar ging met van uit. Er is weinig fantasie voor nog om je voor te stellen hoe zo’n patiënt zich moet hebben gevoeld tussen al die opgewekte mensen die almaar riepen hoe goed het ging en hoe goed hij eruitzag.
Gelukkig begint het taboe rond kanker in onze cultuur zo langzamerhand wat minder te worden en ontstaat er steeds meer openheid. Maar in andere culturen vindt men het nog altijd ongepast een patiënt met zijn ‘narigheid’ te confronteren. Natuurlijk zijn er ook in Nederland nog steeds mensen – onder wie ook nog wel artsen – die er moeite mee hebben om ‘gewoon’ over kanker te praten. Maar over het algemeen zeggen artsen tegenwoordig wel waar het op staat en draaien ze er niet omheen als ze je moeten vertellen dat je kanker hebt. Ook in de dagelijks omgang doen we er vaak niet meer zo moeilijk over en kun je het woord ‘kanker’ in de meeste gevallen gewoon gebruiken. Toch bestaan er nog veel vragen en misverstanden rond kanker.
Wat is kanker?
Het woord ‘kanker’ op zich duidt niet één ziekte aan, maar wordt gebruikt als verzamelnaam voor zo’n honderd verschillende ziektes. Deze kunnen zich voordoen op verschillende plaatsen in of op het lichaam. Bekende voorbeelden zijn longkanker, maagkanker, darmkanker, huidkanker, borstkanker en prostaatkanker. Hier wordt de ziekte met de naam van getroffen orgaan gecombineerd. Daarnaast zijn er vormen van kanker die een wat minder herkenbare naam hebben, zoals de ziekte van Hodgkin, voor een kwaadaardige aandoening van het lymfstelsel; of leukemie, voor een kwaadaardige aandoening van de bloedcellen. Alle vormen van kanker hebben één ding gemeen: er is altijd sprake van een ongeremde groei van abnormale cellen.
Het lichaam van de mens is opgebouwd uit vele miljarden cellen. Dit zijn op zichzelf staande deeltjes van een organisme, die zich voeden, die groeien, die zich voortplanten, die ouder worden en uiteindelijk afsterven.
Iedere seconde sterven er miljoenen cellen af en komen er miljoenen nieuwe bij. Tussen het ontstaan van nieuwe cellen en het afsterven van oude cellen bestaat een wonderbaarlijk evenwicht; er ontstaan niet meer cellen dan er nodig zijn. Voor een kind in de groei betekent dit dat er veel cellen worden aangemaakt dan dat er afsterven. Bij volwassenen en ouderen blijft de hoeveelheid cellen min of meer gelijk en worden over het algemeen oude of beschadigde cellen vervangen.
Bij de bevruchting vormt zich door samensmelting van een eicel van de moeder en een zaadcel van de vader één cel, waaruit uiteindelijk alle cellen van het menselijk lichaam zullen ontstaan. In die cel bevindt zich en kern die grotendeels uit organisch zuur bestaat: het desoxyribonucleïnezuur, beter bekend als dna. Het dna vormt een blauwdruk van alle erfelijke eigenschappen van de mens en is voor de helft afkomstig van de vader en voor de helft van de moeder.
Het dna is opgebouwd uit zeer groot aantal genen, die allemaal de codes bevatten voor een bepaalde eigenschap van de cel, het orgaan waarin die cel zit of de persoon van wie dat orgaan is. Doordat per cel andere genen uit het dna actief zijn, kunnen cellen zich verschillend ontwikkelen. Op die manier kunnen bepaalde soorten weefsel, zoals huid, spier of bot, en verschillende organen, zoals het darmstelsel, de longen of de hersenen, ontstaan. Andere genen maken dat je steil of gekruld haar hebt of blauwe dan wel bruine ogen. Weer andere zorgen ervoor dat je mooi kunt zingen of dat je wat opvliegend van aard bent.
In alle weefsel en organen behouden de cellen in meerdere of mindere mate het vermogen om zich te delen als dat, voor de groei of ter vervanging van cellen die verloren zijn gegaan, nodig is.
Deze celdeling wordt door allerlei factoren zodanig gereguleerd dat er van alle soorten cellen altijd voldoende en nooit te veel zijn. Ook bij deze regulering van de celdeling zijn genen betrokken. Er zijn genen die onder invloed van een bepaalde prikkel ervoor kunnen zorgen dat de cel gaat delen en genen die de deling van de cel juist remmen. Als er met deze genen, die ook wel ‘oncogenen’ worden genoemd, iets mis is en het regelmechanisme niet meer goed werkt, gaat een cel zich delen zonder iets aan te trekken van de prikkels die daarvoor nodig zijn. Door die ongeremde groei ontstaat een gezwel of tumor.
Zo’n tumor kan goedaardig zijn: hij duwt het omliggende weefsel opzij, maar dringt het niet binnen.
Behalve de delingseigenschappen kunnen er ook andere eigenschappen in de tumorcellen veranderd zijn, zodat er abnormale cellen ontstaan. In dat geval is er sprake van een
kwaadaardig gezwel of kanker: de abnormale cellen kunnen in hun
ongeremde groei ook andere weefsels binnendringen en kapotmaken, zich via de bloedbaan of het lymfvaatstelsel naar andere plaatsen in het lichaam verspreiden en vervolgens daar weer
verder groeien.
Niet alle vormen van kanker gaan gepaard met gezwelvorming.
Kankercellen die ontstaan in het beenmerg of in het lymfsysteem bijvoorbeeld, verspreiden zich door de bloedbaan, verdringen de normale cellen en verstoren zo de aanmaak en de werking van het bloed.
Oorzaken van kanker
Waarom heb ik kanker gekregen? Deze vraag zal iedereen die hoort dat hij kanker heeft vroeg of laat stellen.
Helaas kan niemand er een antwoord geven, domweg omdat er geen rechtstreeks en eenduidig antwoord is.
Maar veel mensen, patiënt of niet, kunnen met een dergelijke onzekerheid niet leven en denken dat ze het antwoord op die vraag wél hebben. Het milieu, zeggen sommigen.
Denk maar een aan luchtverontreiniging, gifstoffen in de bodem, vervuild grondwater, het gat in de ozonlaag.
Onze eetgewoonten, zeggen anderen, en dan doelen ze op grote hoeveelheden vet die we dagelijks binnenkrijgen, de hormonen in vlees, de conserveringsmiddelen en kleurstoffen in ons voedsel. Weer anderen geven de schuld aan het ongezonde dat we leiden: stress, roken, drinken, weinig beweging en weinig ontspanning. Er zijn ook menden die ervan uitgaan dat kanker niets te maken heeft met hoe je leeft of wat je eet, omdat het erfelijk is. En soms wordt er zelfs beweerd dat kanker ‘tussen je oren’ zit.
Over de oorzaken van kanker is nog niet heel veel met zekerheid bekend, maar in medische kringen gaat men er tegenwoordig van uit dat kanker in de meeste gevallen niet door één factor, maar door samenspel van verschillende factoren wordt veroorzaakt.
Een ongezonde manier van leven, een vervuild milieu, erfelijkheid, psychische (on)gesteldheid, of welke factor dan ook is zelden of nooit de enige boosdoener. Deze factoren kunnen zowel van buitenaf als binnenuit komen.
Behandeling
Na de angst en verwarring van onderzoeken en diagnose breekt een nieuwe periode aan: de periode van behandeling. Ook deze periode kan heel angstig en verwarrend zijn: er gebeurt van alles met je, het lijkt soms wel of je de zeggenschap over je lijf bent kwijtgeraakt, je voelt je beroerd. Maar bij tijd en wijle kun je ook heel sterk, vol vechtlust en hoop zijn: alles wat er met je gebeurt, kan ertoe bijdragen dat je beter wordt, dat je kanker overwint.
Zoals al gezegd dat de behandeling van kanker tegenwoordig zo veelomvattend is dat er vrijwel altijd verschillende specialisten bij betrokken zijn. Vaak wordt een combinatie van behandeling voorgesteld. De behandeling die je met je specialisten bespreekt, is het resultaat van de adviezen van een multidisciplinair team van specialisten.
Welke behandeling de artsen ook je adviseren, ze zullen je er vrijwel altijd bij kunnen vertellen wat het doel ervan is: genezing van de kanker of bestrijding van de symptomen ervan. Wanneer de behandeling gericht is op genezing, wordt hij ‘curatief’ (genezend) genoemd. Voorbeelden van zo’n in opzet genezende behandeling zijn: huidtumor operatief verwijderen, stembandkanker bestralen, en bij borstkanker een amputatie of borstparende operatie in combinatie met bestraling.
Om de genezingskansen te vergroten wordt een eerste behandeling soms gevolgd door een aanvullende behandeling. Dan krijg je, na bijvoorbeeld een operatie waarbij de tumor is verwijderd, nog een bestraling of een behandeling met medicijnen.: chemotherapie of hormonale therapie. De bedoeling daarvan is de kwaadaardige cellen die misschien toch nog in het lichaam zijn achtergebleven, te vernietigen.
Operatie, bestraling of chemotherapie kunnen ook als ‘palliatieve’(verzachtende) behandeling toegepast worden. Zo’n behandeling heeft tot doel de ziekte tegen te houden of te vertragen en klachten, zoals pijn, zoveel mogelijk te voorkomen of te verlichten.
Zo kunnen botuitzaaiingen bestraald worden om pijn te bestrijden of kan hormonale of chemotherapie gegeven worden om klachten te verlichten of het leven te verlengen.
Operatie
De oudste, meest bekende en in veel gevallen de meest effectieve manier om kanker te behandelen is operatie. Daarom zal er, als er geopereerd kán worden, in de meeste gevallen ook worden geopereerd. Doel van een operatie is de verwijdering van de kwaadaardige tumor(en).
Als hierdoor een volledige genezing tot stand wordt gebracht, is er sprake van curatieve behandeling. Soms wordt een operatie voorafgegaan of gevolgd door radiotherapie of chemotherapie om de kansen op genezing zo groot mogelijk te maken.
Wanneer wordt er geopereerd?
Het besluit om wel of niet te opereren, speelt de vraag of de tumor en eventuele lymfklier-uitzaaiingen geheel verwijderd kunnen worden een belangrijke rol. Soms kan de chirurg dat pas tijdens de operatie zien; dan pas wordt het duidelijk of de tumor is doorgegroeid in ander weefsel of andere organen. Als dat het geval is, wordt de operatie soms niet uigevoerd.
Dit wordt ook wel een ‘open-dicht’ operatie genoemd.
Als de chirurg tijdens de operatie ziet dat de tumor een redelijk duidelijk gegrensd geheel is, zal hij behalve de tumor zelf ook een laag gezond weefsel eromheen wegnemen.
Hierin kunne namelijk kwaadaardige cellen zitten. Dit weefsel wordt door patholoog-anatoom in het laboratorium onderzocht.
Als de snijranden schoon zijn, heeft de chirurg goed nieuws voor je. Als ze niet schoon zijn, moet er eventueel opnieuw worden geopereerd of wordt er gekozen voor een aanvullende behandeling met bijvoorbeeld bestraling. Van sommige vormen van kanker is bekend dat er uitzaaiingen naar de lymfklieren kunnen optreden. Tijdens de operatie wordt dan vaak eerst nagegaan of dit het geval is.
De chirurg neemt een aantal lymfklieren weg en laat die onderzoeken. Afhankelijk van de uitslag wordt het operatieplan bijgesteld of wordt soms van verder opereren afgezien.
Radiotherapie
Bij de behandeling van kanker wordt al sinds honderd jaar gebruik gemaakt van radiotherapie of, in gewoon Nederlands, bestraling. Bestraling wordt in tweeëntwintig ziekenhuizen en instellingen in Nederland toegepast. Een bestralingsspecialist, de radiotherapeut-oncoloog, is gespecialiseerd in de behandeling van kanker van radiotherapie.
Wat is radiotherapie
Net als chirurgie, is radiotherapie een plaatselijke, lokale behandeling: de bestraling heeft alleen effect op het gebied dat bestraald wordt.
In dit gebied liggen, naast de kankercellen, ook altijd gezonde cellen. Het zijn vooral de sneldelende cellen, en daarmee dus ook de kankercellen, die gevoelig zijn voor de straling.
Deze beschadigt namelijk het dna, zoadat de kankercellen bij een volgende celdeling te gronde gaan. Hierdoor wordt de groei van het gezwel gestopt.
Bij bestraling denkt met over het algemeen in de eerste plaats aan bestraling van buitenaf, aan uitwendige bestraling. Je ligt dan onder een apparaat dat met behulp van elektrische hoogspanning röntgenstraling van heel hoog energie produceert. Bij de behandeling van kanker wordt echter ook inwendige bestraling toegepast. Hierbij wordt radioactief materiaal in of vlak bij de tumor in het lichaam gebracht.
Chemotherapie
Chemotherapie is misschien wel een van de meest beladen woorden die in verband met kanker worden gebruikt. In feite betekent het echter niets anders dan behandeling van een ziekte met scheikundig bereide stoffen.
Een antibiotica-kuur tegen voorhoofdsholteontsteking, een kalmerend middel tegen examenvrees, en zelfs twee aspirientjes tegen hoofdpijn, kunnen daarom net zo goed ‘chemotherapie’ of chemokuur’ worden genoemd; deze – en vele andere – geneesmiddelen worden ook op chemische wijze bereid. In de wandeling wordt de term echter vooral gebruikt voor de behandeling van kanker met medicijnen. Vandaar waarschijnlijk die beladenheid: chemotherapie en kanker zijn in het dagelijks spraakgebruik onverbrekelijk met elkaar verbonden.
Chemotherapie kan in curatieve opzet als enige of belangrijkste behandeling gebruikt worden bij tumoren die er gevoelig voor zijn, zoals de ziekte van Hodgkin, bepaalde vormen van zaadbalkanker en sommige kindertumoren.
Chemotherapie kan ook als aanvulling op een lokale behandeling gebruikt worden om de kans dat de kanker later terugkomt te verkleinen, zoals na een operatie voor borstkanker of dikke-darmkanker. Door chemotherapie voorafgaand aan een operatie of in combinatie met radiotherapie te geven, kan het effect van die behandeling worden verstrekt.
Tot slot wordt de chemotherapie ook palliatief gegeven om klachten van een uitgezaaide tumor zoveel mogelijk onderdrukken of uit te stellen.
Wat is chemotherapie
De medicijnen die bij chemotherapie worden gebruikt, worden ‘cytostatica’ genoemd; ze zijn in staat cellen te doden of de celdeling af te remmen.
Ze doen dit door bepaald moment in het ontwikkelingsproces van een kankercel in te grijpen en die ontwikkeling stop te zetten.
Sommige cytostatica tasten de cel aan op het moment dat deze net aan het rijpen is, andere op het tijdstip dat het dna in de celkern wordt aangemaakt, terwijl weer andere pas in het geweer komen wanneer de cel op het punt staat zich te delen.
Om het effect van cytostatica zo groot mogelijk te laten zijn, krijgen kankerpatiënten vaak een combinatie van verschillende soorten cytostatica.
Dit doet men omdat de medicijnen, zoals gezegd, op verschillende momenten in het ontwikkelingsproces van de kanker werkzaam zijn, en dus elkaars werking kunnen versterken of aanvullen.
De behandeling van kanker met cytostatica is van vrij recente datum: na de Tweede Wereldoorlog kwam het onderzoek op dit gebied pas goed op gang. Tot op heden zijn er meer dan veertig verschillende soorten cytostatica gevonden. Niet ieder cytostaticum is echter even geschikt voor de behandeling van iedere vorm van kanker is even gevoelig voor cytostatica. Daarom wordt voor de verschillende vormen van kanker naar een ‘eigen’ chemotherapie gezocht. Voor een aantal vormen is – nog – geen doeltreffend cytostaticum gevonden
Sommige cytostatica worden gegeven als pillen of capsules die via de mond worden ingenomen. Vaak worden de medicijnen ook door middel van een injectie of een infuus toegediend.
Nu gaat alles ook meestal volgens een recept en hoef je niet (zoals vroeger) opgenomen te worden in het ziekenhuis.
Chemotherapie is dus een heel andere behandelvorm dan operatie of radiotherapie. Bij deze laatste twee wordt alleen een bepaalde plek of een bepaald orgaan behandeld; er wordt ‘lokaal’ ingegrepen.
Chemotherapie, daarentegen, heeft invloed op het hele lichaam, op het totale systeem. Men spreekt daarom ook wel van lokale therapie als men het over operatie of radiotherapie heeft, terwijl chemotherapie ook wel systemische therapie wordt genoemd.
Een systemische behandeling als chemotherapie, met zijn invloed op het totale systeem, werkt dus niet alleen in op de kankercellen, maar tast ook gezonde cellen aan. Tot nu toe is men er nog in geslaagd om cytostaticum te vinden dat alleen invloed heeft op kankercellen en de gezonde ongemoeid laat.
Wel is het zo dat gezonde cellen minder gevoelig zijn voor cytostatica dan kwaadaardige. Bovendien kunnen de gezonde zich beter herstellen dan de kwaadaardige. Daarom wordt een behandeling met cytostatica over het algemeen met tussenpozen gegeven: de perioden waarin je medicijnen moet nemen, worden afgewisseld met perioden van rust zonder medicijngebruik. In zo’n rustperiode krijgen de gezonde cellen de tijd zich weer te herstellen, zodat je min mogelijk last van bijwerkingen hebt.
Hormonale therapie
Bepaalde vormen van kanker worden met hormonen behandeld. Een behandeling met dit soort medicijnen, in de vorm van tabletten of injecties, wordt hormonale therapie genoemd. Deze vorm van behandeling wordt vooral toegepast bij prostaatkanker, borstkanker en baarmoederkanker. Hormonale therapie kan ook plaatsvinden door middel van operatief verwijderen of bestralen van die organen in je lichaam die hormonen produceren.
Hormonale therapie kan ook plaatsvinden door middel van operatief verwijderen of bestralen van die organen in je lichaam die hormonen produceren.
Hormonale therapie met behulp van medicijnen wordt vaak gedurende langere tijd gegeven en kan maanden of ook wel jaren duren. De therapie kan curatief of palliatief zijn. Bij borstkanker wordt hij ook als adjuvante behandeling gegeven, na operatie en bestraling. De behandeling behoort tot de van de systemische therapieën: de hormonen worden in het bloed opgenomen en komen dus overal in het lichaam terecht. Dit betekent dat niet alleen de tumor(en) zelf, maar ook de eventueel in het lichaam aanwezige uitzaaiingen worden bereikt.
Hoe werkt hormonale therapie?
Hormonen zijn stoffen die worden geproduceerd door bepaalde organen in het menselijk lichaam, zoals de schildklier, de bijnieren, de zaadballen en de eierstokken. Die verschillende organen produceren allemaal verschillende hormonen, die allemaal hun eigen specifieke taak vervullen. Zo zorgen bepaalde hormonen ervoor dat bepaalde organen zich naar behoren ontwikkelen: anderen zijn nodig om bepaalde organen goed te laten functioneren, terwijl weer andere onontbeerlijk zijn voor een goede werking van bepaalde systemen, zoals de stofwisseling of de menstruatiecyclus.
Een belangrijke groep hormonen zijn de mannelijke en vrouwelijke geslachtshormonen.
Het vrouwelijke hormoon oestrogeen zorgt ervoor dat organen als de borstklieren en het baarmoederslijmvlies zich goed ontwikkelen.
Het mannelijk hormoon testosteron laat onder andere de prostaat naar behoren functioneren.
Wanneer kanker ontstaat in een orgaan dat hormonen nodig heeft om zich te ontwikkelen of om goed te functioneren, dan kunnen die hormonen alleen niet alleen de groei van gezonde, maar ook van kankercellen stimuleren. Kankercellen zijn veranderde normale lichaamscellen die een aantal eigenschappen van de cellen waaruit ze ontstaan zijn behouden kunnen hebben.
Het is dus bijvoorbeeld mogelijk dat borstkankercellen net als gewone borstklieren beïnvloed worden door oestrogenen; of dat prostaatkankercellen, net als gewone prostaatkliercellen door testosteron gestimuleerd worden.
Hormoongevoelige tumoren kunnen dus groeien onder invloed van het ‘eigen’ hormoon, het hormoon dat het lichaam zelf produceert. Dit betekent dat wanneer je de hormoonproductie stopzet of tegenwerkt, de aanmaak en de woekering van kankercellen ook kan ophouden.
Stopzetten van de hormoonproductie kan gebeuren door het orgaan dat de hormoon aanmaakt operatief te verwijderen. Bij vrouwen met borstkanker die nog niet in de overgang zijn, worden soms de eierstokken weggehaald, zodat er geen oestrogenen meer worden geproduceerd. Ook door middel van bestraling kan de hormoonproductie in de eierstokken worden uitgeschakeld. Bij prostaatkanker worden de zaadballen soms operatief verwijderd, zodat er geen testosteron meer wordt geproduceerd.
Een andere mogelijkheid om de productie van de geslachtshormonen (zowel bij mannen als bij vrouwen) uit te schakelen is het gebruik van LHRH-analogen. LHRH (Luteïnizing Hormone Releasing Hormone) is een stof die in de hersenen gemaakt wordt ene via een ingewikkelde weg de productie van geslachtshormonen regelt. Door middel van een scheikundig bereide stof die veel overeenkomst met dit LHRH vertoont, wordt dit regelmechanisme uitgeschakeld en stopt de productie van geslachtshormonen. Deze stof kan in de vorm van injecties worden toegediend.
Nog een andere – en wellicht de meest gebruikte – vorm van hormonale behandeling is het gebruik van anti-hormonen zoals tamoxifen ofwel Nolvadex®.
Dit is een stof die op oestrogeen lijkt maar het niet is. Ook deze stof brengt in de cellen die er gevoelig voor zijn groeiremming teweeg.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

he bedankt voor je werkstuk ik heb er veel aan gehad
groetjes aline van de vosse

20 jaar geleden

M.

M.

Hey thanxxx voor je werkstuk
xxx melisje

19 jaar geleden

L.

L.

ik vind het een goed verslag en ik heb er veel info uit gehaald BEDANKT!



groetjes laura

19 jaar geleden

K.

K.

wat goed wekstuk

17 jaar geleden

A.

A.

alles is gekopieerd uit het boek 'over kanker'
daaaamn ga zelf eens nadenken

11 jaar geleden

S.

S.



@anoniem: is dat echt zo?

7 jaar geleden

M.

M.

IK HOU VANJJULLIE BEDANKtt

11 jaar geleden