HIV – Human Immonodeficiency Virus
[Hier stond in het groot het HIV Logo]
1 De geschiedenis van AIDS
1.1 Een onbekende ziekte
Aan het eind van de jaren '70, begin jaren '80 stak er een onbekende ziekte de kop op in Amerika en iets later in Europa. De weerstand van de getroffen personen was aangetast, 9 van de tien waren homoseksueel en 98 % was man. Het leek een 'Homoziekte', zoals veel kranten toen berichtten en daarom sprak men in eerste instantie over GRID (Gay-Related Immune Deficiency).
Later bleek deze aanduiding onjuist te zijn. In 1982 werd duidelijk dat ook gebruikers van verdovende middelen en lijders aan de bloederziekte hemofilie de ziekte konden krijgen. Deze laatstgenoemden kregen bloedtransfusies met besmet bloed. De ziekte kreeg een naam al voordat de verwekker gevonden was: acquired immune deficiency syndrome, AIDS...


1.2 Afweersysteem
Medici veronderstelden dat de ziekte te maken had met het afweersysteem, omdat een belangrijke groep bloedcellen die onze immuniteit regelen, de CD4 cellen, afnamen bij mensen met AIDS. Hierdoor kregen mensen met AIDS zogenaamde 'opportunistische infecties': infecties dus die gezonde mensen niet krijgen, maar die dankzij de verminderde afweer van mensen met AIDS hun kans krijgen om toe te slaan.
Infecties die gezonde mensen overleven, bleken dodelijk voor personen die getroffen waren door de onbekende ziekte, dat was bijvoorbeeld het geval met de longontsteking die door het meestal niet ziekmakende organisme pneumocystis carinii bij deze mensen ontstond.
1.3 Ouder dan gedacht
Professor dr. J. Goudsmit schreef dat het AIDS-virus, HIV, al tientallen jaren eerder dan gedacht voorkwam in Europa. Het virus zou verantwoordelijk zijn geweest voor enkele epidemieën van de bovengenoemde Pneumocystis-longontsteking.
De eerste epidemie was in de Poolse stad Danzig (Gdansk) in 1939 en het virus was waarschijnlijk meegekomen met Duitse soldaten vanuit Kameroen. De tweede epidemie stak de kop op tussen 1955 en 1958 in de Kweekschool voor Vroedvrouwen in Heerlen. Er zijn in enkele decennia oude weefselmonsters van patiënten die aan toen onverklaarbare ziekten waren gestorven wel AIDSvirussen aangetroffen.
2 Het virus zelf
2.1 Algemene informatie
AIDS was in de eerste decennia na de ontdekking een verschrikkelijk syndroom, dat in de meeste gevallen een dodelijke afloop had.


HIV is een virus en kan worden overgedragen op andere personen door onveilig seksueel contact of door besmetting met bloed. Dit laatste kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld bij verslaafden die elkaars naalden lenen of bij een bloedtransfusie.
Ook kunnen seropositieve vrouwen het virus doorgeven aan hun baby tijdens de zwangerschap, bij de bevalling of bij het geven van borstvoeding.
Een virus heeft altijd een incubatietijd, de tijd tussen de besmetting en het uitbreken van de ziekte. Bij AIDS is de gemiddelde incubatietijd 9 à 10 jaar, na deze periode word je dus pas echt ziek en heb je AIDS. De eerste 9 à 10 jaar ben je seropositief.
2.2 Symptomen
AIDS leidt tot een algemene immunodeficiëntie. Dit wil zeggen dat de specifieke afweer tegen bedreigingen voor het lichaam wordt afgebroken. We spreken van het AIDS-stadium als er per ml bloed nog slechts 200 T-helpercellen of minder worden aangetroffen.
Deze verminderde afweer leidt tot een grotere gevoeligheid voor infecties. De AIDSpatiënt wordt sneller ziek en kan aan meer ziektes tegelijk gaan lijden. Dit noemen we het AIDS related complex.
De volgende symptomen kunnen optreden als ziektes en symptomen:
• longziektes;
• kanker (meer bepaald Kaposisarcoom);
• herpesinfecties;
• acute necrotiserende ulceratieve gingivitis;
• Candida albicans proliferatie en andere schimmelinfecties;
• diarree;
• verminderde afweer
2.3 AIDS en het immuunsysteem
Men dacht dat het AIDS-virus in het bloed rondzweefde, dat is echter niet het geval. Slechts 2 % van het AIDSvirus bevindt zich in het bloed, de overige 98 % zit in de lymfeklieren.
Een symptoom van AIDS is een verminderde afweer, dat komt omdat HIV een klein deel van de T-lymfocyten besmet, namelijk de T4-cellen, ook wel CD4-cellen genoemd. Deze kunnen hun 'beroep' dus niet meer uitoefenen, ze doden de cellen die geïnfecteerd zijn met het AIDSvirus niet meer.
Er wordt maar een klein deel van de T-lymfocyten besmet en toch richt het AIDSvirus een enorme schade aan. Dit komt waarschijnlijk omdat de eiwitten van het AIDSvirus zich hechten aan de cellen die het HIV aanvallen. Deze worden dan door de cytotoxische T-lymfocyten aangezien als geïnfecteerde cellen (terwijl ze dat niet zijn) en worden gedood. HIV besmet niet alleen cytotoxische T-lymfocyten en helper-T-lymfocyten, maar ook macrofagen. De macrofagen kunnen dan geen micro-organismen meer doden.
Mensen hebben een voorraad van tweehonderd miljoen T4-cellen. Als iemand besmet is met het AIDSvirus, heeft die persoon ongeveer een miljard T4-cellen in zijn of haar lichaam zitten, die besmet zijn met het AIDSvirus. Als het afweersysteem haar werk goed doet, worden er dus iedere dag een miljard T4-cellen vervangen. Zo wordt het afweersysteem dag in dag uit zwaar op de proef gesteld.
Op een gegeven moment kan het afweersysteem het niet meer bijbenen en 'sterven' er iedere dag meer T4-cellen dan dat er bijgemaakt worden. Hoe de T4-cellen verdwijnen is niet helemaal duidelijk. Er zijn twee theorieën voor: of het afweersysteem heeft bepaalde killercellen die geïnfecteerde T4-cellen doden voordat het virus kans heeft gezien om naar buiten te komen, of de cellen gaan kapot nadat het virus zichzelf heeft vermenigvuldigd.
3 Preventie en medicatie
3.1 Condoomgebruik
Het is niet mogelijk om je als persoon te beveiligen tegen alle mogelijke risico's op aarde en dat geldt ook voor AIDS.
Het gebruik van een condoom maakt de kans op besmetting door AIDS zeer klein maar (vooral bij onzorgvuldig gebruik) blijft de kans op besmetting aanwezig. Bij zeer massaal, langdurig en zorgvuldig condoomgebruik worden het aantal besmettingen uiteindelijk zo laag dat de epidemie uitwoedt. Het bevorderen van het gebruik van condooms in onder andere derdewereldlanden is een middel om ervoor te zorgen dat AIDS en HIV zich minder verspreiden.
Het standpunt van het Vaticaan dat het AIDSvirus door het condoom heen kan dringen, is zeer waarschijnlijk onjuist en in ieder geval epidemiologisch van geen belang - het is geen reden om geen condooms te gebruiken.
3.2 HIV-remmer
Een HIV-remmer is een middel dat wordt gebruikt om de productie van het AIDS-virus (HIV) af te remmen.
Er zijn sinds 1996 veel nieuwe remmers op de markt en er wordt voortdurend gewerkt aan verbetering van bestaande remmers. HIV-remmers worden ingedeeld op basis van het werkingsmechanisme. De bekende HIV-remmers worden ingedeeld bij de reverse transcriptaseremmers en de proteaseremmers.
Er wordt onderzoek gedaan naar nieuwe middelen als integraseremmers en entree- en fusieremmers. Buiten de HIV-remmers is er geen andere medicatie tegen AIDS, daarom is preventie tegen AIDS zeer belangrijk.
4 Bronnen
http://nl.wikipedia.org/wiki/hiv-remmer
http://www.soa.nl/
http://www.aidsenhiv.nl/
http://www.wereldaidsdag.nl/

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.