AIDS

Beoordeling 6.6
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 4e klas vwo | 4057 woorden
  • 20 juni 2001
  • 131 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.6
  • 131 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Het afweersysteem

Het afweersysteem beschermt iemand tegen allerlei infecties en maakt binnendringende bacteriën, schimmels en virussen onschadelijk.
Ieder lichaam heeft een algemeen afweersysteem. Deze kan geen verschil maken tussen verschillende ziekteverwekkers.Ook heeft elk lichaam een specifiek afweersysteem, die dat wel kan. Tot de algemene afweer horen fagocyten en specifieke afweer horen de lymfocyten. Het afweersysteem bestaat uit witte bloedcellen.

Fagocyten
Fagocyten zitten in het bloed of op bepaalde plekken in het lichaam zoals bijvoorbeeld in de longen en hersenen. Fagocyten slokken antigenen (lichaamsvreemde stoffen) of geïnfecteerde lichaamcellen op en breken ze af. Fagocyten bieden meestal niet genoeg bescherming tegen bacteriën en virussen, omdat ze geen onderscheid kunnen maken tussen de verschillende soorten indringers. Ze behoren ook tot het algemene afweersysteem.

Er zijn verschillende soorten fagocyten. Bepaalde typen fagocyten, de macrofagen, activeren de lymfocyten van het specifieke afweersysteem.

Alle cellen, ook macrofagen, plaatsen contstant resten van eiwitten op het celmembraan (vliesje dat om cellen heenzit). Als de macrofagen bijvoorbeeld een bacterie hebben ‘opgeslokt’, komen er ook stukjes bacterie-eiwit op het celmembraan. Tussen die stukjes zitten specifieke bacterie antigenen. De macrofaag met bacterie-antigenen op zijn buitenkant, zoekt contact met de T-lymfocyten.

Lymfocyten
Lymfocyten kunnen via het bloed overal in het lichaam in actie komen. Wanneer een ziekteverwekker voor het eerst in iemands lichaam binnendringt zijn de lymfocyten die kunnen reageren nog niet geactiveerd. De ziekteverwekker kan zich snel vermeerderen en diegene wordt ziek.
Er zijn twee soorten lymfocyten: de B- en de T- lymfocyten.

De B-lymfocyten kunnen antigenen herkennen. Er zijn miljoenen verschillende B-lymfocyten. Elk lymfocyt is gespecialiseerd in het herkennen van één bepaald type antigeen. Als een B-lymfocyt zo’n antigeen tegenkomt, bijvoorbeeld op het celmembraan van een macrofaag, gaat de B-lymfocyt antistoffen maken.
De antistof die wordt gemaakt, bindt zich aan het antigeen. De antistof kan zich maar aan één antigeen binden en niet aan andere antigenen.
Door de antistoffen kan dat antigeen onschadelijk worden gemaakt.


T-lymfocyten zorgen dat de verschillende cellen tijdens de afweerreactie goed samenwerken en dat de afweerreactie weer op tijd stopt.
Er zijn twee soorten T-lymfocyten: de CD4+-cellen en de CD8-cellen.
De CD4+-cellen maken de B-lymfocyten actief. Verder maken de CD4+-cellen de macrofagen actief.
CD8-cellen zorgen dat de afweerreactie ook weer op tijd stopt.

Als de macrofaag de CD4+-cellen alarmeren, zorgen die ervoor dat de afweerreactie gestart wordt: ze delen zich. Een deel wordt niet actief en blijft achter als geheugencel. De geheugencellen zorgen dat iemand immuun wordt voor een bepaalde ziekte.
De andere CD4+-cellen worden T-helpercellen. De T-helpercellen geven signalen af, ze slaan alarm. Dat gebeurt via signaalstoffen: cytokinen. Er zijn zo’n zeventig verschillende cytokinen bekend. Sommige zorgen dat de B-lymfocyten zich gaan delen. Anderen maken de B-lymfocyten actief.
Een deel van die B-lymfocyten verandert tot geheugencellen en blijft weer inactief, maar het grootste verandert tot plasmacellen. De plasmacellen maken antistoffen. De antistoffen zijn eiwitmoleculen, die op één bepaald antigeen reageren. Antistoffen maken de ziekteverwekkers onschadelijk. Op een gegeven moment zijn er grote hoeveelheden van de antistof tegen de ziekteverwekker in het lichaam, dat de ziekteverwekker is uitgeschakeld.
De CD8-cellen zorgen er dan voor dat de afweerreactie stopt.

Virussen dringen lichaamscellen binnen.
Zolang het virus binnen het beschermende membraan van een lichaamscelzit, kunnen de antistoffen die je lichaam maakt hun werk niet doen.
De T-helpercellen activeren de CD8-cellen. De CD8-cellen kunnen behalve een afweereactie laten stoppen ook veranderen tot cytotoxische T-lymfocyten. De lymfocyten gaan op zoek naar cellen met stukjes antigeen op hun celmembraan. Bij zo’n cel geven zij eiwitten af die het celmembraan van de lichaamscel stuk maken. De cel en het virus gaan dood.

Het Hiv

Er bestaan drie soorten ziekteverwekkers: bacteriën ,schimmels en virussen. Bacteriën en schimmels zijn meestal gemakkelijk met medicijnen bestrijden, virussen niet.
Bacteriën en schimmels zijn groter dan virussen. Virussen zijn zo klein dat ze niet met een gewone microscoop te zien zijn. Verder zijn virussen moeilijker te ontdekken, omdat ze maar af en toe in onze cellen zitten.
Virussen bestaan niet uit cellen; ze bestaan uit DNA en RNA, dat omgeven is door een eiwitmantel. RNA is vergelijkbaar met het menselijke DNA. Ze bevatten beiden
genetisch materiaal. RNA is voor de meeste organismen een tussenvorm die bij celdeling wordt gebruikt. Je zou DNA kunnen zien als de fotoafdruk en RNA als het negatief.
Om in leven te blijven hebben de virussen ze andere organismen nodig.Wanneer een virus een cel binnendringt, hecht het zich eerst aan de receptoren op het celmembraan.
Receptoren zijn eiwitten op het celmembraan die signalen uit de omgeving ontvangen. Aan deze receptoren kunnen zich stoffen uit de omgeving van de cel hechten. Elke receptor bindt maar één bepaalde stof en de cel reageert daarop bij elke stof anders. Daarom hebben virussen voorkeur voor bepaalde cellen: zonder passende receptor kan het virus niet naar binnen.
Hiv is zo’n virus.
Hiv is de afkorting van: Humaan Immunodeficiëntie Virus.
Dit virus veroorzaakt veel ziektes, omdat het de CD4+-cellen van het afweersysteem afbreekt. Als het afweersysteem van iemand niet meer goed werkt, wordt diegene heel vatbaar voor allerlei infecties. Het verzwakte afweersysteem kan die infecties namelijk niet meer onschadelijk maken

Het hiv is een retrovirus. Bij retrovirussen bestaat het erfelijk materiaal niet uit DNA maar uit RNA.
Het hiv richt zich op de CD4+-cellen van het afweersysteem. Het hecht zich aan receptoren van die CD4+-cellen.
Het virus dringt de cel binnen. Een bijzonder enzym (reversetranscriptase) bouwt het
virus-RNA om tot DNA.
In de kern van de cel wordt het virus-DNA ingebouwd in het DNA van de cel. De cel deelt zich en het virus-DNA wordt ook gekopieerd. Er ontstaat virus-RNA. De cel gaat dus nu virussen maken. De cel zorgt nog voor eiwitmantels en de nieuwe virusdeeltjes zijn klaar.
Als er heel veel nieuwe virusdeeltjes gemaakt zijn, valt de cel uit elkaar en hechten de virusdeeltjes zich weer aan receptoren van andere CD4+-cellen.
Het hiv beschadigt de CD4+-cellen dus doordat de cel uit elkaar valt wanneer er heel veel virusdeeltjes zijn gemaakt, maar ook doordat de CD4+-cellen door het hiv de neiging krijgen aan elkaar te kleven en met elkaar te versmelten. De versmolten cellen gaan ook na een tijdje dood.
Op een gegeven moment is het aantal CD4+-cellen zo klein, dat het afweer niet goed meer kan werken.

Als het hiv het lichaam binnendringt is het een antigeen. Het lichaam reageert met een afweerreactie. Maar de antistoffen die door het lichaam gemaakt worden helpen niet.

Er bestaan twee soorten hiv: hiv-1 en hiv-2. Deze soorten zijn weer onder te verdelen in verschillende varianten en stammen.
In Europa wordt Aids bijna altijd veroorzaakt door hiv-1.
Aids wordt in de gebieden rond de evenaar door hiv-1 veroorzaakt, in West-Afrika door hiv-2. Iemand kan een infectie krijgen ook door hiv-1 en hiv-2

Het verloop van een hiv-infectie

Als iemand met hiv geïnfecteerd raakt, kunnen er in loop van tijd steeds verschillende
ziekteverschijnselen zijn. Niet iedereen hoeft alle stadia te doorlopen. Zo kan iemand bijvoorbeeld van het tweede stadium, direct naar het vierde stadium gaan. De stadia volgen elkaar op. Iemand kan dus niet terug van stadium vier naar stadium drie en iemand kan ook niet in twee stadia tegelijk zijn.

I De acute hiv-infectie. Dit is in de periode vlak nadat iemand geïnfecteerd is geraakt. Iemand krijgt klachten die lijken op griep of de ziekte van Pfeiffer. Meestal vallen deze klachten niet zo op, omdat ze zo algemeen zijn.

II Het latente stadium. Er zijn geen klachten.

III Het stadium van LAS.(Lymf Adenopathie Syndroom). De lymfeklieren raken opgezwollen.

IV Vierde stadium. Nu komen de ernstige klachten. Dit stadium wordt onderverdeeld in vijf verschillende groepen, die elk verschillende klachten met zich meebrengen:
a. ARC (Aids Related Complex, een reeks klachten die met aids te maken hebben) en hiv-wasting syndroom. (koorts, gewichtsverlies, diarree, moeheid.)
b. Zenuw-en hersenaandoeningen, zoals perifere neuropathie (een aandoening van zenuwen) en dementie.
c-1 Gelegenheidsinfecties. Bijvoorbeeld: longontsteking, ontsteking van de slokdarm, infectie met het Cytomegalovirus (slecht zien, blindheid), ontsteking van de hersenen.
c-2 Andere ziektes die veel bij hiv-infecties voorkomen, zoals gordelroos, infectie met Salmonella, longtuberculose, terugkerende longontsteking en baarmoederhalskanker.
d. Bijzondere soorten kanker, zoals het Kaposi sarcoom (KS, huidkanker) en het non-Hodgkin lymfoom (kanker van het lymfatisch systeem).
e. Een kleine restgroep van klachten. Bijvoorbeeld een tekort aan bloedplaatjes en een bepaalde vorm van longontsteking.

Aids

Aids is de afkorting van: Acquired Immune Deficiency Syndrome.
Dat betekend:Verworven Immuun Deficiëntie Syndroom.
Dat wil zeggen dat het een ziekte is, die is ontstaan doordat het afweer het niet goed doet. Met verworven wordt bedoeld dat het geen aangeboren aandoening is. Niet iedereen die met hiv geïnfecteerd is, heeft aids. Aids is een ziekte. Hiv is een virus. Aids is een gevolg van hiv. Hiv breekt het afweersysteem af en daardoor krijgt iemand aids. Het heet pas aids als iemand bepaalde ziektes heeft of heeft gehad.

Wanneer iemand in het eerste, tweede of derde stadium is, heeft diegene geen aids.
Als iemand in het vierde stadium is, noemt men het soms wel en soms geen aids. Of iemand aids heeft, hangt af van welke ziekte er optreedt. Bijvoorbeeld iemand in het 4-b stadium met ADC (dementie) heeft wel aids, maar iemand in hetzelfde stadium met perifere neuropathie niet. Hoe lang het duurt voordat iemand aids krijgt is heel verschillend. Bij de één kan het twee jaar duren en bij de ander tien jaar.

Levensverwachting en ziekteverloop

Het verloop van aids kan heel verschillend zijn.
De levensverwachting is sinds hiv werd ontdekt vooruitgegaan. In 1986 was de gemiddelde levensduur na het stellen van de diagnose acht maanden. Nu is deze opgelopen tot ruim twee jaar.
Dat komt door medicijnen die zijn uitgevonden tegen het virus zelf en doordat bepaalde infecties tegenwoordig sneller ontdekt worden en beter te behandelen zijn. De levensverwachting wordt nog steeds langer.
Sommige hiv-geïnfecteerden gebruikten al voor dat ze klachten hadden preventieve medicijnen. Dit is gunstig voor het ziekteverloop.
Vaak is het zo dat mensen zich na de behandeling van een infectie weer beter voelen. Een aids-patiënt hoeft zich dus niet altijd ziek te voelen, maar op den duur wordt diegene steeds zwakker. Op het laatst gaat hij dood, want aids is niet te genezen.

Hoe je hiv kunt krijgen en hoe je het kunt voorkomen

Het virus zit in lichaamsvochten, vooral in: bloed, sperma, vaginaal vocht en voorvocht.
Het hiv kan worden overgedragen door onveilige seks, door het gebruiken van vuile naalden bij drugsgebruik, door onveilige bloedprodukten of bloedtransfusies. Verder kan een seropositieve moeder haar baby besmetten tijdens de zwangerschap, de bevalling of via borstvoeding.

Vroeger kwam het voor dat mensen besmet werden door bloedtransfusies. Sinds 1985 worden alle bloeddonors in Nederland getest op hiv. Besmet bloed wordt niet gebruikt. Besmetting via bloedtransfusies is in Nederland en de bijna alle andere West-Europese landen dus onmogelijk. De bloedprodukten voor de behandeling van patiënten met hemofilie (bloederziekte) krijgen een speciale behandeling om het virus onschadelijk te maken. Sinds 1985 zijn deze bloedprodukten in Nederland dus ook veilig.

Bij iemand die besmet is met hiv bevatten bloed en sperma een hoge concentratie van het virus. In vaginaal vocht en voorvocht is die concentratie veel lager, maar overdracht via vaginaal vocht en voorvocht kan wel.
In andere lichaamsvochten, zoals zweet, tranen en speeksel kan het virus wel aanwezig zijn, maar in zo’n lage concentratie, dat het geen besmetting kan veroorzaken.
Zweet, tranen en speeksel zijn alleen gevaarlijk als er zichtbaar bloed in zit.

Iemand kan dus niet besmet worden: door iemand aan te raken, door kussen, door zoenen, door tranen, door zweet, door adem, door niezen, door hoesten, door muggen- of andere insectenbeten, door de toiletzitting, door iemand te verplegen, door eten en door voorwerpen. Op voorwerpen gaat het virus dood.

Als iemand eenmaal hiv-positief is, of aids heeft, kan diegene er niets meer aan veranderen. Maar je kunt wel voorkomen dat je het krijgt. Aids kun je voorkomen door: veilig te vrijen en veilg te spuiten.
Het gebruik van een condoom is dus noodzakelijk. De Pil gebruiken helpt niet: deze zorgt dat je niet zwanger wordt, maar hij beschermt je niet tegen aids.
Als je drugs gebruikt moet je, om te zorgen dat je niet besmet wordt, een nieuwe, schone naald gebruiken. Aan een gebruikte naald kan besmet bloed kleven.

Wie niet ziek is, of ziek lijkt, kan wel iemand besmetten. Je kunt namelijk het virus in je lijf hebben, maar er niet ziek van worden. Het virus heeft zich dan niet vermenigvuldigd. Maar iemand anders kan daar dan weer heel ziek van worden.

Het ontstaan van aids

Aids bestaat nog niet zo lang. Het kwam voor het eerst voor in de Verenigde Staten, in 1981. Jonge (homoseksuele) mannen, die gezond waren, kregen ook een soort longontsteking, die normaal alleen bij mensen met een verzwakte afweer voorkomt. Dezelfde mannen kregen ineens een bepaald soort huidkanker (KP). Deze zeldzame soort kanker kwam eigenlijk alleen bij oude mannen voor.
Het bleek een nieuwe ziekte te zijn, die aids genoemd werd. Later bleek dat de eerste gevallen van aids zich al in de jaren zeventig in de Verenigde Staten hadden voorgedaan, maar toen was de ziekte nog niet bekend.

In Nederland werd in 1982 voor het eerst de diagnose aids gesteld.

In 1984 werd ontdekt dat hiv de veroorzaker van aids is. Twee onderzoekers claimen de ontdekking: Montagnier en Gallo. Later werd bij Frans-Amerikaans verdrag geregeld dat beiden het virus hebben ontdekt.

In 1985 was de komst van de aidstest. De test werd door sommige landen een tijd niet toegepast door bloedbanken. De eerste Internationale Aidsconferentie werd ook in 1985 gehouden.

In 1986 werden de eerste medicijnen op de markt gebracht tegen aids.
Daarna zijn er steeds meer medicijnen op de markt gekomen die aids moesten bestrijden. Sommigen bleken wel effect te hebben, anderen werden na een paar jaar niet meer gebruikt. Er zijn tot nu toe nog geen medicijnen uitgevonden om aids te genezen.
(voor historisch overzicht: zie bijlage I)

Aids over de hele wereld

Vroeger dachten veel mensen dat aids een ziekte voor homoseksuele mannen was. Nu denken nog veel mensen dat. Maar dat is niet waar: iedereen kan aids krijgen.
Het is waar dat meer mannen aids hebben dan vrouwen. Vaak komt dat ook doordat het van vrouwen niet bekend is dat ze aids hebben. Bij vrouwen wordt heel snel gedacht dat er iets anders aan de hand is.

In de afgelopen jaren zijn hiv en aids in de wereld enorm toegenomen. UNAIDS (de aidsorganisatie van de Verenigde Naties) en de Wereld Hulp Organisatie schatten het aantal mensen met hiv en aids eind 2000 op 36.1 miljoen. Dat is 50% meer dan in 1991 werd voorspeld. In het jaar 2000 hebben 5.3 miljoen mensen hiv opgelopen. Men schat dat in de afgelopen 20 jaar 21.8 miljoen mensen aan hiv en aids zijn gestorven.

Dit zijn cijfers uit november 1999: In Nederland zijn er ongeveer 13.000 mensen met aids of hiv. Daarvan zijn 100 kinderen. Bij 6100 is de diagnose aids gesteld. In het totaal zijn er in Nederland meer dan 3.900 mensen overleden aan aids.
Het aantal aids patiënten in Nederland is de afgelopen jaren gedaald. Dat is nog geen reden tot optimisme. Het zegt niet zo veel over het aantal mensen dat met hiv geïnfecteerd is. Veel mensen gebruiken nu hiv-remmers zodat ze langer leven. Ook het aantal aids-diagnoses is de laatste jaren afgenomen. Maar ook dit zegt niets over het aantal hiv-patiënten. Door de hiv-remmers hebben veel mensen nog geen aids. En de diagnose aids is dus nog niet gesteld. Het aantal hiv-patiënten is in Europa niet geregistreerd. Men is daar nu mee begonnen.

Nu zijn er in Europa in Italië de meeste aids-diagnoses gesteld.In Rusland en Oost–Europa neemt op dit moment het aantal hiv- en aidspatiënten het snelst toe.
Aids komt in Europa het meest voor bij drugssgebruikers. Het aantal mensen dat door bloedtransfusies is besmet is in verhouding tot de andere besmettingen heel laag.

In de wereld zijn er in Afrika de meeste mensen met aids. Dat komt doordat de patiënten in Afrika de hoge kosten voor remmers niet kunnen betalen. Medicijnen zijn ontwikkelingslanden onbetaalbaar. 95% van de aidspatiënten kan geen medicijnen betalen.
Artsen zonder Grenzen vecht voor lagere prijzen voor hiv-medicijnen. In Senegal krijgen seropositieve, zwangere vrouwen gratis medicijnen die de overdracht van moeder op kind moeten verhinderen. In Oeganda zijn de medicijnen 70% goedkoper geworden. In Zuid-Afrika is mogen aids-medicijnen merkloos worden nagemaakt, zodat die medicijnen veel goedkoper worden.
In sommige ontwikkelingslanden is seks bovendien zo’n groot taboe dat regeringen het onderwerp niet durven aansnijden. De Zuid-Afrikaanse regering heeft zelfs een tijd lang volgehouden dat de oorzaak van aids geen hiv zou zijn. De oorzaak van aids zou volgens die regering armoede zijn. Ook geloven veel mensen niet dat je aids oploopt, maar dat deze door anderen over je wordt afgeroepen. Bijna één op de negen mensen in Afrika is met het hiv besmet. In Zuid-Afrika één op de vijf en in Botswana één op de drie.
Voor het eerst in jaren daalt het aantal besmettingen met hiv in Afrika.Volgens de VN-organisatie UNAIDS heeft de epidemie al zoveel slachtoffers gemaakt in Afrika, dat steeds minder mensen overblijven die nog besmet kunnen worden.

De aidstest

Wanneer iemand besmet wordt met hiv, gaat zijn lichaam antistoffen maken. Binnen zes maanden zijn er zoveel van deze antistoffen in zijn bloed, dat ze door een speciaal bloedonderzoek, de aidstest, gezien worden. Als iemand zulke antistoffen in zijn lijf heeft, is hij hiv-positief of seropositief. De seropositieven moeten na zo’n test verder leven met de gedachte dat zij over een paar jaar misschien aids krijgen. Het kan heel moeilijk zijn om met die onzekerheid te leven. Het heeft volgens sommige mensen geen zin om zo’n test te doen, omdat als je aids hebt, je nooit meer beter kan worden.
Als je precies weet hoe je besmetting moet voorkomen, hoef je ook niet te weten of iemand besmet is, zeggen anderen. Maar toch willen mensen zich laten testen, bijvoorbeeld als ze een kind willen krijgen en ze denken dat ze risico hebben gelopen.

Sinds kort zijn medische zelftesten te koop bij de apotheek. Mensen kunnen daarmee zelf onderzoeken of ze aids of andere ziektes hebben. Er is nog niets bekend over de betrouwbaarheid van deze test.

Britse wetenschappers hebben een bloedtest ontwikkeld, waarmee kleine deeltjes van hiv aangetoond kunnen worden.
Het virus kan zich namelijk verstoppen in het lichaam. Bloedtesten gaven aan dat het hiv verdwenen was, maar als de patiënt stopte met de medicijnen konden restanten ervoor zorgen dat de ziekte weer begon op te spelen.

Medicijnen

Als iemand hiv heeft, kan diegene nooit meer genezen. Toch zijn er een aantal medicijnen uitgevonden die hiv afremmen of bestrijden.
Wanneer medicijnen langdurig worden gebruikt, komt het voor dat het hiv minder gevoelig wordt voor die medicijnen. Die kans is vooral heel groot als mensen onregelmatig hun medicijnen innemen. Regelmaat is nodig, juist omdat er maar zo weinig medicijnen tegen hiv bestaan.
De medicijnen hebben die bestaan, hebben vaak ernstige bijwerkingen. Veel van deze bijwerkingen zijn nog onbekend en staan ook niet op de bijsluiter. Soms zijn de bijwerkingen van de medicijnen bijna even erg als de gevolgen van hiv en aids.
Een aantal behandelmogelijkheden zijn:

1 De basis therapie bestaat uit 3TC/ZDV en nevirapine. Dit zijn middelen die de vermenigvuldiging van hiv remmen. Ze verstoren de werking van het enzym reverse transcriptase. 3TC/ZDV en nevirapine maken deel uit van een groep die allemaal dezelfde werking hebben en ‘reverse transcriptase remmers’ (RT-remmers) worden genoemd. Door de remmende werking van deze medicijnen treden er vaak minder infecties op en worden de ziekteverschijnselen uitgesteld. Verder is er minder kans op aids-dementie (ADC).
Retrovir AZT D4T ddl en ddC zijn ook RT-remmers. Het wordt gegeven als er redenen zijn om geen 3TC/ZDV en nevirapine te gebruiken, bij last van ernstige bijwerkingen of wanneer de werkzaamheid van 3TC/ZDV en nevirapine minder wordt.
Het virusremmende middel zidovudine zorgt dat de overdracht van aids van moeder op kind kleiner wordt.

2 Proteaseremmers. Protease is een enzym dat een rol speelt bij vermenigvuldiging van hiv. Doordat dit enzym geremd wordt ontstaan er nog wel nieuwe virusdeeltjes, maar zijn die deeltjes niet meer in staat een cel binnen te dringen en zich verder te vermenigvuldigen. Hiv kan ook minder gevoelig worden voor deze middelen, maar dat is minder dan bij andere medicijnen die nu al gebruikt worden.

3 Expanded acces middelen.Voorbeelden van Expanded acces middelen zijn Tenofovir, Nandrolon, ABT-378/R+Efravirenz. Expanded acces middelen zijn middelen die niet toegankelijk zijn voor iedereen, omdat ze nog verder onderzocht moeten worden. Alleen mensen die mee doen aan een trial, een onderzoek met als doel een nieuwe behandeling te beoordelen, mogen deze middelen gebruiken. De farmaceutische firma kan zo’n expanded acces toegankelijker maken en het ook aan mensen die niet meedoen aan een trial beschikbaar stellen. Tenofovir is een hiv-remmer, Nandralon moet ervoor zorgen dat iemands gewicht toeneemt. Gewichtsafname kan namelijk een groot probleem zijn bij een hiv-infectie. ABT-378/R is een combinatiepil van ABT-378 en ritanovir. ABT-378 is een proteaseremmer en ritanovir verhoogt de bloedspiegels. Efravirenz is een krachtige hiv-remmer en uit onderzoek moet blijken of de combinatie ABT-378/R+Efravirenz goed helpt, ook bij mensen die al eerder proteaseremmers hebben gebruikt en die toen niet hielpen.

4 Actieve immunotherapie: iemand krijgt vaccinaties. Vaccinatie is iemand injecteren met een verzwakte ziekteverwekker.
Door de vaccinatie wordt iemand niet ernstig ziek, maar maakt het lichaam wel antistoffen tegen de ziekteverwekker. Wanneer iemand dan later echt door deze ziekteverwekker geïnfecteerd wordt, zijn er al antistoffen waardoor de afweerreactie sterk is. Iemand wordt niet meer ziek.

Vaccinaties werden altijd gebruikt om infecties te voorkomen. Alleen bij hondsdolheid werd behandeling met een vaccin gebruikt als de infectie al was opgelopen. Nu wordt het ook met hiv uitgeprobeerd.
Er wordt zo geredeneerd: Nadat iemand met hiv geïnfecteerd is kan het jaren duren voordat er klachten optreden. Het afweersysteem kan blijkbaar een lange tijd hiv onder controle houden met antistoffen en CD8-cellen. Af en toe “verslapt de aandacht” van het afweersysteem, of het hiv weet de aandacht van zich af te houden en kan zo langzamerhand terrein winnen. Als af en toe vaccins worden gegeven met onschadelijke onderdelen van hiv, wordt het afweersysteem geactiveerd en gaat weer antistoffen maken. Misschien kan het hiv zo langer of misschien voor altijd onder controle gehouden worden. Gp120 is een vaccin dat bestaat uit de eiwitmantel van het hiv. Het wordt gemaakt door bacteriën. Dit vaccin blijkt niet te helpen. Aids verandert snel van mantel, zodat antilichamen er geen vat op hebben.
P24 is een kerneiwit van het hiv en wordt gemaakt door gistcellen.
Een nieuw DNA-vaccin, die een extra afweer-eiwit heeft, is getest op apen. De apen kregen het ingespoten voordat ze hiv-positief waren. Toen ze in contact kwamen met het virus, werden ze nog steeds besmet. Maar het aantal virusdeeltjes bleef heel laag, zodat de apen geen aids kregen.
Israelische en Amerikaanse virus-deskundigen presenteren een vaccin dat ervoor zorgt dat de cytotoxische T-lymfocyten worden geactiveerd, zodat het lichaam de cellen met het virus kan opruimen. Het vaccin zou moeten worden gegeven in een vroeg stadium, als het virus zich nog niet heeft vermenigvuldigd. De virus-deskundigen hebben dit vaccin ook getest op apen en het werkte. Het aantal helpercellen bleef op peil. Of het bij mensen werkt, is nog maar de vraag. Apen-en mensenaids verlopen volgens een ander patroon.

5 Passieve immuuntherapie. Bij deze therapie wordt een mengsel van bloedplasma van verschillende hiv-geïnfecteerde donoren zonder ziekteverschijnselen gegeven aan andere hiv-patiënten. Het iedee hierachter is dat het plasma van seropositieven antistoffen tegen het hiv bevat. Deze stoffen kan een ander persoon helpen om het virus te bestrijden. Doordat het plasma van verschillende personen wordt samengevoegd, krijgt iemand veel verschillende antistoffen tegen het hiv. Dat is belangrijk omdat het hiv zelf ook steeds iets verandert en daardoor ontsnapt aan de antistoffen.





Gebruikte informatie


Aids Hiv-vereniging Nederland 1994
Hiv en aids
informatie voor familie en vrienden. Hiv-vereniging Nederland 1996
Hiv-nieuws Hiv-vereniging Nederland 2000
Seropositif verder Mainline
gezondheids-en preventiewerk
drugsgebruikers 1995
Aids SOA Stichting 1997
Begrip en aids horen bij elkaar SOA Stichting
Informatiepakket SOA stichting 1996
Alles over aids Stichting Aids Fonds 1995
Zorgmap Stichting Aids Fonds 1997
Nectar vwo bovenbouw biologie 1 J. Bijsterbosch e.a. 1998
www.aidsfonds.nl
www.ad.nl
www.hetparool.nl
www.hivnet.nl
www.telegraaf.nl
www.trouw.nl

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

heel goed
dank je
erg bruikbaar

21 jaar geleden

H.

H.

leuk werkstuk, verder geen commentaar

20 jaar geleden

F.

F.

bij medicijnen punt 3 staat als middel om hiv te onderdrukken 'Nandrolon'; dit is GEEN hiv-remmer.

20 jaar geleden