India, godsdienst en economie

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Werkstuk door een scholier
  • 3e klas vwo | 4767 woorden
  • 20 december 2001
  • 171 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 171 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Deelvraag 1

Wat is het Hindoeïsme?


Het Hindoeïsme is de grootste godsdienst in India. De term Hindoeïsme doet zijn intrede in ongeveer 1830 in de Engelse literatuur en duidt globaal de Indiase cultuur van ongeveer de laatste 2000 jaar aan, als voortzetting van de oudere Vedisch-Brahmanistische beschaving.
Het Hindoeïsme is een bijzonder complex geheel. Het heeft godsdienstige, sociologische, economische, literair-historische en andere aspecten. Uit godsdiensthistorisch oogpunt is het een opeenhoping van religies die de meest uiteenlopende machten, goden of hogere wezens vereren. Het is ‘tolerant’ in die zin, dat het aan ieder individu zelf overlaat hoe en onder welke naam het goddelijke vereren wil en dat ieder dat geloof moet bezitten en die vorm van verering moet aanhangen die het beste bij zijn geestelijk niveau, aanleg, enz. past.
Ongeveer 82,6% van de bevolking van India (929 miljoen inwoners) wordt tot het Hindoeïsme gerekend, maar het is heel moeilijk te zeggen wie nou eigenlijk een hindoe is. De twee belangrijkste hindoe-organisatie zijn Sanatan Darm en Arya Samaj.

De `Heilige Boeken' waarvan de `Veden' de oudste en heiligste zijn, zijn talrijk. Je kan zeggen dat iedere sekte of richting zijn eigen heilige boek(en) heeft. Hoewel het Hindoeïsme eigenlijk door de Indo-ariërs is ontstaan, heeft het zich voor een groot gedeelte ontwikkeld uit de culturele religieuze tradities van de al aanwezige volkeren. De naam Arisch is gebaseerd op de term arya, die de Indo-Europese Indiërs zichzelf hoogst waarschijnlijk reeds in voorhistorische tijd gaven. Voor ons is het Hindoeïsme moeilijk te begrijpen. Het gaat niet terug op een stichter, zoals het Boeddhisme, er is niet een, door allen gerespecteerd, heilig boek. Zoals de Koran bij de moslims en er is ook niet een organisatie van priesters of leken die de zuiverheid van de leer controleert, zoals in de christelijke traditie.
In het Hindoeïsme zijn tal van stromingen en richtingen die allemaal hun eigen stichters en religieuze leraren (guru's) kennen. De god Vishnu is de behoeder van het heelal, de oorsprong der dingen. Hij ligt in slaap in de ‘oeroceaan’ op de duizendkoppige slang Sheshna. Tijdens zijn slaap groeit uit zijn navel een lotusbloem. In deze lotusbloem wordt Brahma geboren, die de wereld schept. Nauwelijks is de wereld ontstaan, of Vishnu ontwaakt uit zijn slaap, om in Valkhunta, de hoogste hemel, te regeren.
Volgens de Hindoeïstische mythologie heeft Vishnu zich negen keer op aarde geïncarneerd, dat wil zeggen dat hij negen keer in verschillende gedaantes ter wereld is gekomen. De gedaanten waarin hij negen keer ter wereld is gekomen, zijn: een vis, een schildpad, een wild zwijn, een leeuwenmens, een dwerg, Rama het ideaal van de deugdzame en voortreffelijke mens, Krishna en Boeddha. Krishna is een belangrijk persoon in het Hindoeïsme. Hij is belangrijk omdat hij de heilsleer voordraagt: God is de bron van alle zijn, alles is in Hem en Hij is in alles. Vishnu is de universele god, alle andere zijn uit hem geschapen, zijn aanblikken of zijn eigenschappen van Vishnu. Daarom is het ook zo moeilijk vast te stellen wie hindoe is en wie niet. Men zegt dat men hindoe is door geboorte. Hindoes geloven namelijk dat de mens na zijn dood in een ander wezen, hetzij mens of dier, weer herboren wordt, oftewel reïncarnatie. Zijn tegenwoordige leven is bepalend voor zijn toekomst, terwijl hetzelfde bepaald wordt door het voorafgaande. In de hindoefilosofie neemt het begrip ‘dharma’ een centrale plaats in. Dharma betekent gedrag.

Daarmee verbonden is het begrip karma: elke daad, bijvoorbeeld een inbreuk op de dharma, heeft zijn onuitwisbare consequentie, zoniet in dit leven dan wel in een volgend bestaan. En daar vloeit de reïncarnatie (samsara) dan ook uit. Zoals eerder gezegd, wordt het leven bepaald door het voorafgaande en je huidige leven bepaalt het volgende. Alleen door systematische strenge onthouding van alle zinnelijke genoegens (bijvoorbeeld seks), lichamelijke straffen en geestelijke oefeningen, kan men uit dit nooit ophoudende leven van moeiten verlost worden.
De belangrijkste drie goden van het Hindoeïsme (er zijn er heel erg veel) zijn Brahma (de `schepper' en oppergod, zo verheven dar hij veel vereerd wordt), Visjnu (de `onderhouder' van de wereld) en Sjiva (de `verdelger') De grote meerderheid van de Indiase sekten kan men Visjoeieten of Sjivaieten noemen. De laatste hebben een zeer bloedige cultus. Iedereen kent wel de Fakirs, die door middel van geestelijke oefeningen (slangenbezweren) en door lichamelijke kwellingen proberen een bovenmenselijke uithoudingsvermogen te krijgen. Men vindt ze niet alleen onder de Hindoes, maar ook bij de Mohammedanen en de Djains. Vooral wanneer er godsdienstige feesten zijn, zijn ze in grote getale aanwezig. Uiterlijk zijn ze zeer verschillend. De ene loopt in zalmkleurige gewaden, de ander is vrijwel naakt, de één heeft een kaalgeschoren hoofd en de ander heeft lange, wilde en vodderige haren.
Hindoes vind je overal in India, maar vooral in de vlakte van de Ganges en in de centrale deelstaten, zoals Madhya Pradesh (meer dan 90%) In een grensstaat als Kasjmir en de noordoostelijke bergstaat is hun aandeel kleiner, ongeveer 37% en 14%.

Uit het Hindoeïsme vormden zich nieuwe godsdiensten, zoals die van de Sikhs, de Djains en de Boeddhisten. Het zijn alle drie stichtergodsdiensten.
Sikh-religie is een godsdienst die werd gesticht omstreeks 1500 door Guru Nanak in Punjab. Een eerbiedwaardig persoon, vooral een familievader of een geestelijk leraar, wiens leerlingen hem volledige gehoorzaamheid verschuldigd waren. Sikhs betekenen leerlingen. Dit is een uit hindoe-elementen opgebouwde religie beïnvloed door de Islam en het Christendom. De sikhs hadden in de 19e eeuw zelfs een eigen staat, waar de Britten heel erg veel problemen hebben gehad met hun verovering. Dit gebeurde in 1849 uiteindelijk wel.
In de praktijk is het Hindoeïsme het zich aansluiten en aanpassen aan de gebruiken, levenswijze, enz. van hen die naar het oordeel van de gemeenschap Hindoes zijn en zich als zodanig gedragen. Deze algemene dharma-idee kan als de centrale band beschouwd worden die het Hindoeïsme bijeenhoudt, ondanks de zeer uiteenlopende cultuurvormen, sociale instellingen, enz. van de afzonderlijke gemeenschappen, waarvan de tradities als hun speciale dharma gelden. De instandhouding van dit sociaal-religieuze systeem waarborgt de traditiegetrouwe hindoe lichamelijk, materieel, en geestelijk welzijn en een goede toestand in het hiernamaals. Hij die het uiteindelijke bereiken van de verlossing als ideaal met het handhaven van de dharma, de zorgen voor zijn materiële behoeften en het bevredigen van geoorloofde genoegens op harmonische wijze verbindt, zal gelukkig worden.

Het kastenstelsel

De Indo-Ariërs verdeelden de maatschappij in vier groepen: brahmanen (priesters), kshatriya’s (krijgers), vaisja’s (boeren en handelaren) en sjudra’s (bedienden en landarbeiders), uitgewerkt tot duizenden kasten (Jati’s). Zoiets kennen wij eigenlijk ook namelijk de geestelijken, de adel en de burgerij in de middeleeuwen. Deze kasten zijn vaak zeer lokaal bepaald. Het wordt kaste komt van het Portugese woord casta, wat ras of dezelfde groep betekent. De kaste waarin iemand wordt geboren, bepaalt voor een groot deel zijn of haar leven: huwelijk, status, leefregels en beroep zijn vaak bepaald door de kaste. Je blijft ook je hele leven in één bepaalde kaste. Elk beroep heeft zijn eigen kaste: wassers, smeden, bakkers etc. In welke kaste men wordt geboren, hangt af van iemands karma: de optelsom van iemands goede en slechte daden in zijn of haar vorige leven.
Ten grondslag aan het kastenstelsel ligt de tegenstelling tussen rein en onrein, ofwel leven en dood/ontbinding. Bepaalde dingen zijn zeer onrein, zoals zweet, bloed, geknipt haar en uitwerpselen. Beroepen die te maken hebben met onreine zaken als vuilnis opruimen, mest kruien en toiletten schoonmaken, worden in India nog grotendeels vervult door de harijans (de onaanraakbare). De benaming ‘harijan’ betekent letterlijk ‘kind van God’ en is afkomstig van Mahatma Gandhi die zich inzette voor de ‘bevrijding van de onaanraakbare’. Het kastenstelsel bestond allereerst als een harmonische hiërarchie met de Brahmanen (de priesters) aan de top. De Britten dachten namelijk dat in die kasten alles werd bepaald door de rituele overwegingen van het reine of het onreine zijn. In werkelijkheid hing dit ook heel erg veel samen met economische en politieke factoren. Groeperingen die probeerden hun positie te versterken werden dan ook tegengewerkt door de overheid, omdat die vond dat alles maar op z’n plaats moest blijven.
Er werden dus beperkingen gelegd op de sociale activiteit en er was onder het kolonialisme sprake van minder flexibiliteit. Het is dus beslist onjuist om de Indiase onderontwikkeling toe te schrijven aan het kastenstelsel.
Hoewel sinds de onafhankelijkheid in 1947 wettelijk verboden speelt het kastenstelsel nog steeds een belangrijke rol in hedendaagse India. Vooral op het platteland, waar driekwart van alle Indiërs wonen, is het nog altijd een belangrijk maatschappelijk ordenend systeem. Met name in het zuiden leeft het nog sterk: zo zijn er in veel dorpen nog afzonderlijke woonwijken voor de onreine, die hun eigen waterput hebben en vooral geen water uit andere putten mogen drinken. Mensen met dezelfde kastenachtergrond hebben vaak een gevoel van saamhorigheid, wat nog versterkt wordt doordat ze vaak dezelfde taal, cultuur en economische positie delen. In de steden is het kastenstelsel echter in snel tempo aan het weg gaan en maakt het plaats voor een indeling gebaseerd op sociaal-economische positie.
De Indiase politiek probeert de zwakke positie van de onaanraakbare te verbeteren door middel van een beleid van positieve discriminatie. Zo zijn er voor onaanraakbare extra plaatsen gereserveerd in het onderwijs en bij de overheid. Dit roept echter weer het nodige verzet op van mensen die stellen dat dit beleid niet spoort met de feitelijke, wettelijke uitbanning van het kastenstelsel.

Deelvraag 2

Wat is de relatie tussen de economie en het Hindoeïsme?


Tussen de economie en het Hindoeïsme is heel duidelijk een relatie. In de vorige deelvraag is al uitgelegd hoe het kastensysteem in elkaar zit. Doordat er in een kastensysteem sprake is van hoge en lage kasten heeft dat invloed op de economie. Want hoe hoger je kaste, hoe hoger je baan, hoe hoger je inkomen. Hierdoor ontstaat er een grote scheidingslijn tussen arm en rijk. Want zit jij in een lage kaste maar ben je wel heel slim dan kan je daar niets mee doen.. Want je zit in een lage kaste en je moet dus ook een laag beroep kiezen. Je zult dus nooit een hoge baan krijgen, met een goed inkomen, terwijl je daar wel de hersens voor hebt. Ik zal het hier uitleggen met een voorbeeld:

Stel je voor dat iemand uit een lage kaste heel slim is, we noemen hem voor het gemak even Piet. Piet behoort tot een lage kaste waardoor hij geen beroep kan kiezen waarin zijn intelligentie tot zijn recht komt. - Stel je voor dat het kastensysteem niet had bestaan, dan had Piet met zijn hersenen een hele goede leraar geworden en had hij de volgende generaties nog wat kunnen leren. Maar omdat Piet nou net toevallig ouders heeft uit een lage kaste, kan hij geen leraar worden. Maar word waarschijnlijk schoenenpoetser, autowasser, of iets dergelijks.

Dan is er nog een tweede jongen en die noemen we even Jan. Jan komt uit een hoge kaste en is eigenlijk heel dom, maar niemand ‘ziet’ dat omdat hij uit een hoge kaste komt. Hij mag zo voor een klas gaan staan en lesgeven zonder opleiding of wat dan ook. Op die manier leren de kinderen aan wie hij les geeft, helemaal niets van hem. En hebben later dus ook geen goede kans in de maatschappij, want zonder goede opleiding, kunnen ze ook nooit een goede baan krijgen.

Zo zie je dat als je in een lage kaste zit, je totaal geen mogelijkheid heb op een goede baan met een goed inkomen... En dat alleen maar omdat jij de pech had om in een lage kaste geboren te worden. En dit heeft een grote invloed op de economie in India omdat de mensen er niet dom zijn, maar omdat vele de kans niet krijgen op een goede baan. En het werk dat de mensen uit lagere kasten doen word amper meegeteld en totaal niet gewaardeerd. Ook het loon van die mensen is minimaal, waardoor hun kinderen ook moeten gaan werken om het gezin helpen te onderhouden, kinderarbeid (daar komen we op terug in de vierde deelvraag)

Maar dat is niet de enige manier waarop het Hindoeïsme invloed heeft op de economie.
Het kastensysteem is wel een groot onderdeel van het Hindoeïsme, maar ook de heilige plichten zijn erg belangrijk.

De invloed van het Hindoeïsme

De bevolkingsgroei in India neemt snel toe, en dat is een probleem omdat het een arm land is. De mensen in India zelf denken er anders over, zij nemen juist veel kinderen om het armoedeprobleem op te lossen, want ze kunnen immers vanaf hun derde al werken en ook geld verdienen. Maar dit werkt juist averechts en ze worden er alleen maar armer van. De regering vindt ook dat er een bevolkingsprobleem is in India en zet verschillende geboortebeperkingsprogramma’s op om de groei af te remmen. Maar dit heeft geen succes want de mensen nemen niet alleen kinderen om ze te laten werken maar ook omdat het hun heilige plicht is, om zoveel mogelijk kinderen te krijgen en dan nog het liefste jongetjes. Ze vinden het een schending van hun heilige plicht om geen kinderen meer te krijgen, en dat willen ze niet want dat is niet goed voor hun Karma en anders komen ze hun volgend leven misschien wel terug als dier en dat willen ze niet.

In India zijn de mensen veel bezig met hun geloof, hun hele leven draait erom. Het gaat allemaal om je Dharma en je Karma, daardoor zijn de mensen in India een stuk minder materialistisch dan in het rijke westen. Het gaat vooral om je heilige plichten en die moet je zo goed mogelijk vervullen. De Hindoes (vooral in de lage kaste) geven niet veel om een carrière, ze werken alleen maar om geld te verdienen zodat ze zichzelf en hun kinderen kunnen onderhouden. Ze zijn blij met het baantje wat ze hebben. En hebben niet het verlangen om hoger op te komen, wat nog best moeilijk is in verband met het kastensysteem. Bij de mensen in de stad is dat verlangen er wat meer, maar in de arme dorpjes niet. Ze denken dat dat niet nodig is, zolang ze zich in dit leven maar goed gedragen en hun heilige plichten vervullen. Komen ze in hun volgende leven misschien wel terug in een hogere kaste of als koe (want die zijn heilig).
En dit heeft een grote invloed op de economie, omdat de mensen niet geven om hun carrière en blij zijn met het beetje wat ze hebben, komen ze ook nooit hoger... Wat betekent dat de hogere posities steeds blijven voor de mensen uit hogere kasten, terwijl zij niet altijd de meest geschikte personen hier voor zijn!

Deelvraag 3

Hoe is de economie opgebouwd?


Sinds de onafhankelijkheid van India in 1947 probeert de overheid de economische ontwikkeling te sturen. De overheid probeert door middel van een planning de drie sectoren van de economie te ontwikkelen.
De primaire sector is landbouw. De secundaire is industrie en mijnbouw. De tertiaire sector bestaat uit diensten en toerisme.

Primaire sector: landbouw

In India bepaalt de regering het centrale landbouwbeleid, terwijl de deelstaten zorgen voor de praktische uitvoering. De deelstaten mogen ook in beperkte mate zelf wetten opstellen. Deze situatie is te vergelijken met het Landbouwcommissariaat van de Europese Gemeenschap en de landbouwpolitiek van de afzonderlijke EG-lidstaten.
Na de onafhankelijkheid wilde men ten eerste het landbezit rechtvaardiger verdelen. Er werd gestreefd naar de uitschakeling van de grootgrondbezitters doormiddel van wetten en zo de herverdeling van het land onder de pachters. Hier kwam niets van terecht, want boeren die meer grond hadden, zetten die op naam van familieleden, zodat er weinig meer te verdelen viel.
India is voornamelijk een agrarisch land. Ongeveer 75% van de bevolking woont en werkt op het platteland. De agrarische sector levert aan 65% van de beroepsbevolking werkgelegenheid en draagt voor ongeveer 30% bij aan het nationaal inkomen. Het landbouwoppervlakte wordt voor meer dan 80% gebruikt voor de verbouw van voedselgranen zoals rijst en tarwe. Door het klimaat heeft India twee oogstseizoenen: de natte, hete zomer, de kharif, dan wordt er voornamelijk rijst, katoen en gerstsoorten verbouwd. En de koele winter, de rabi en dan wordt er voornamelijk tarwe, bonen en aardappelen verbouwd. Rijst wordt het meest in het nattere deel van India verbouwd, onder andere bij de Ganges.
De belangrijkste exporthandelsgewassen zijn katoen, thee en jute (bastvezel afkomstig van de hennepsoort) Koffie, suiker, specerijen, noten, tabak en rubber zijn voornamelijk gewassen voor de binnenlandse markt. Hiervan worden thee, koffie, tabak, specerijen en rubber op plantageondernemingen verbouwd.
Het vee brengt heel weinig op en dat komt voor een groot deel doordat de koe heilig is in India.

Secundaire sector: industrie

India kent inmiddels een hoog ontwikkelde industriële sector. Het land heeft na de onafhankelijkheid een gemengde economie ontwikkeld, waarin particulier ondernemerschap en staatsondernemingen naast elkaar bestaan. Om dit zo goed mogelijk te laten lopen probeert de regering dit door middel van veel omvattende vijf jaren plannen te verwezenlijken. Om dat doel te bereiken wordt er gebruik gemaakt van de nieuwste wetenschappelijke uitvindingen en technieken. India probeert zoveel mogelijk producten zelf te maken om zo een maximale onafhankelijkheid ten opzichte van het buitenland te bereiken.

Het aandeel van de industrie in het BNP dat voluit Bruto Nationaal Product betekent, bedroeg in 1994 28%. De grootste industriegebieden komen uit de koloniale tijd. Het grootste industrieelgebied is rond Bombay en Poona.
De katoenindustrie is de grootste vorm van industrie, maar er is ook chemische, petrochemische (de bereiding van chemische producten uit aardolie en aardgas), elektrotechnische, auto en plasticindustrie. De jute-industrie is het grootst in Calcutta. Verder bestaat in Calcutta metaalverwerkende industrie, papierindustrie, chemische-industrie en farmaceutische industrie. Het Damodargebied wordt ook wel het Ruhrgebied van India genoemd, omdat het Damodargebied het centrum van mijnbouw en zware industrie is. Er staan onder andere hoogovens, staalfabrieken en machinefabrieken. Over heel India zijn er diverse grote industriesteden zoals: Vishakapatnam (scheepsbouw), Hyderabad (machinefabrieken), Benares (textiel, locomotieven), Bhopal (elektrotechniek en chemische industrie), Kanpur (leer,textiel). Belangrijk in India is ook de filmindustrie; India is één van de grootste filmproducenten ter wereld. De voornaamste centra zijn Malayalam en Bombay.

Secundaire sector: mijnbouw

India bezit belangrijke rijkdommen in de mijnbouw. Ijzerertsreserves, die tot de grootste van de wereld behoren, kan je vinden in Bihar en Orissa, waar ook veel steenkool, mangaan, mica en andere ertsen zijn. In Madhya Pradesh, Andhra Pradesh en Tamil Nadu wordt ook mangaan en ijzererts gewonnen. Karnataka bezit goudmijnen en Kerala levert onder andere bauxiet en uranium. Aardolie wordt gevonden in het noordoosten en in het westen. Een deel van de benodigde aardolie moet worden geïmporteerd, maar India hoopte in de jaren negentig zelfvoorzienend te kunnen zijn.

Tertiaire sector: diensten

In de handel importeert India machines, ijzer, staal, aardolie (producten), katoen, chemicaliën, kunstmest en voedselgranen en rijst. De belangrijkste leveranciers zijn de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Duitsland, Iran, Saoedi-Arabië en Japan. De belangrijkste exportartikelen zijn edelstenen, kunstnijverheid, sieraden, textiel, katoen, jute, thee, ijzererts, huiden en vellen voor de leerindustrie, verse vruchten, noten en suiker. Een relatief nieuwe, sterk groeiende categorie exportartikelen wordt gevormd door de ‘engineering products’: spoorwegwagons, koelkasten, elektrische kabels en leidingen, dieselmotoren en auto’s, maar de export daarvan nam aan het begin van de jaren tachtig af als gevolg van de teruggang in de ontwikkelde landen. De belangrijkste afnemers zijn de Verenigde Staten, Japan, Groot-Brittannië, Hong Kong, de Verenigde Arabische Emiraten en de Benelux.
De Indiase handelaren en ondernemers spelen in Azië een grote rol (Midden-Oosten, Zuidoost-Azië), daarnaast werken vele Indiërs als gastarbeiders in de landen rond de Perzische Golf en hun verdiensten vormen een zeer belangrijke bron van inkomsten voor het land.

De handelsbalans was sinds de jaren tachtig vrijwel steeds negatief (in 1996 opgelopen tot bijna $ 4 miljard) de tekorten werden alleen overbrugd met omvangrijke buitenlandse kredieten. Veelzijdige hulp ontvangt India voornamelijk in de vorm van leningen via de Wereldbank. Tweezijdige hulp wordt hoofdzakelijk gegeven door de landen van de EU (onder andere Duitsland en Groot-Brittannië), de Verenigde Staten en Japan.
De spoorwegen, scheepvaart en luchtvaart zijn voor India belangrijker dan het wegennet in de nationale economie. Want het wegennet is nog niet voldoend uitgebouwd. In 1991 had het wegennet een lengte van 2,04 miljoen km waarvan ongeveer de helft verhardt. Het spoorwegnet, dat staatseigendom is, is met bijna 622500 km het langste van Azië en het op drie na langste ter wereld. Als scheepvaartland staat India op de zeventiende plaats in de wereld. Belangrijke havens zijn Bombay, Calcutta-Haldia, Cochin, Kandia, Madras en Visakhapatnam. Het luchtvervoer wordt verzorgd door staatsbedrijven Air India, voor buitenlandse vluchten en Indian Airlines, voor binnenlandse vluchten en voor buurlanden in Zuid-Azië. Palam (New Delhi), Santa Cruz (Bombay), Dum-Dum (Calcutta) en Meenambakkam (Madras) zijn de belangrijkste van de achtentachtig luchthavens.

Tertiaire sector: toerisme

In 1998 brachten 1,3 miljoen buitenlandse toeristen een bezoek aan India. Dat leverde 1,3 miljard dollar op. Daarmee is de toeristensector een belangrijke tertiaire sector voor India. De toeristen-industrie in India is niets bij dat van Thailand, Singapore of Hong Kong waar de bezoekersaantal zo drie tot vier keer hoger liggen. Met het ruime toeristische aanbod zou India deze aantallen makkelijk kunnen evenaren en het betalingsbalansprobleem in één keer kunnen oplossen. Het komt door de nationale overheid dat het toerisme in India tot nu toe niet zo veel oplevert. Omdat de Indiase overheid een lange tijd geen hoge prioriteiten heeft gesteld aan het toerisme bleef de daarvoor bestemde infrastructuur gebrekkig. Er was een tekort aan hotelkamers en de vervoerscapaciteit van de Indiase luchtvaartmaatschappijen bleek onvoldoende om een grote toeristenstroom te verwerken. Vanaf 1986 is er een verandering opgereden in het beleid van de overheid. In dat jaar kreeg het toerisme onder druk van Rajiv Gandhi de status van industrie en behaalde het daaraan verbonden financiële voordelen. Buitenlandse bedrijven werden aangemoedigd om te investeren en buitenlandse luchtvaartmaatschappijen kregen toestemming op India te vliegen. De visumregeling voor buitenlanders werd versoepeld en er werden speciale trein- en vliegtuigabonnementen geïntroduceerd. Als gevolg van het nieuwe beleid heeft het toerisme een flinke impuls gekregen. De groei hiervan komt vooral door de grote groei van het binnenlandse toerisme. De Indiase overheid stimuleert ook landgenoten om te gaan reizen. Dit gebeurt onder het motto ‘Discover India, discover yourself’. Voor de Indiase overheid is het belangrijk dat Indiërs hun eigen land als een eenheid gaan zien. Dit moet de kans op binnenlandse onrust en de drang naar afscheiding, bijvoorbeeld in Punjab en noordoost-India, verkleinen.

Deelvraag 4

Wat zijn de gevolgen van de economische toestand voor kinderen?


Zoals in dit werkstuk duidelijk word is de economische toestand in India er beroerd aan toe. Dit heeft gevolgen voor heel veel mensen, maar vooral voor kinderen.
In India is er veel kinderarbeid, dit komt omdat er in India (te) veel mensen wonen en het een erg arm land is. Arme gezinnen nemen veel kinderen omdat dat hun heilige taak is, maar ook omdat die kinderen vanaf dat ze ± 3 jaar oud zijn, kunnen werken voor de kost. Maar er zijn ook kinderen die op deze manier proberen te overleven omdat ze geen ouders meer hebben en er niemand verder is die voor hen zorgt. Door het doen van kleine klusjes bijvoorbeeld: schoenen poetsen, op auto’s passen of ze gaan naar de vuilnisbelt om dingen te zoeken die ze kunnen verkopen.
De kinderen in India werken op alle mogelijke plaatsen zoals: op het land, in de mijnen, in fabrieken, in de visserij, in de prostitutie en nog veel meer...

Prostitutie (kinderarbeid)

Veel straatkinderen komen in de prostitutie terecht. Maar niet alleen straatkinderen, ook arme kinderen die in kleine arme dorpjes wonen komen ermee in aanraking. Bazen van seksclubs komen naar die kleine dorpjes toe om nieuwe meisjes uit te zoeken... Ze bieden de ouders 1000 tot 1500 gulden voor hun dochter. Die komt dan voor die baas te werken als zogenaamd serveerster. Ze kunnen dan veel geld verdienen, over een paar jaar ‘rijk’ naar hun familie terugkeren, dan trouwen en nog lang en gelukkig leven. Maar de meisjes komen bijna nooit terug. Omdat ze het in de stad naar hun zin hebben en gewend zijn aan hun nieuwe leven. Maar ook vaak gebeurt het dat de seksbazen de meisjes niet laten gaan. Hun ouders weten niet waar hun dochter is en wat voor werk ze doet. De meeste meisjes die door hun ouders zijn verkocht werken in dure hotels als prostituee. Hun klanten zijn vaak rijke westerse toeristen. Achter die dure hotels liggen de donkere straten ook wel ‘the cages’ (de kooien) genoemd. Deze zijn niet bedoeld voor toeristen maar het is een uitgaanscentrum voor de arme bevolking. De reden waarom die straten zo worden genoemd is omdat de voorkant van die huizen helemaal uit tralies bestaat, daarachter zitten jonge meisjes die moeten werken als prostituee. Veel van die meisjes zijn nog maar kinderen niet ouder dan een jaar op 10, 12 jaar.
Deze meisjes zijn gekocht of zelfs ontvoerd. Het geld wat ze verdienen is voor de bordeeleigenaar. De meisjes zelf worden niet betaald, ze krijgen te eten en af en toe kleren. De kans voor die meisjes om ooit uit zo’n bordeel weg te komen is heel erg klein.
De gezondheid van deze meisjes is erg slecht, vele raken zwanger of raken besmet met AIDS. Maar niet alleen de kinderen in de prostitutie zijn er slecht aan toe maar ook in bijvoorbeeld de mijnen en in de fabrieken...

Mijnbouw

Ook werken er veel kinderen in (asbest)mijnen. Hun ouders laten hen hier werken zodat de kinderen kunnen meebetalen in het huishouden. Het werk wat de kinderen hier moeten doen is zwaar en het kost veel kracht en energie. Hun gezondheid is er dan ook slecht aan toe, want ze zijn de hele dag binnen in zo’n mijn bezig en komen bijna niet buiten. Hun longen zitten vol met stof en veel van deze kinderen sterfen dan ook aan long- en longvlieskanker.

Fabrieken (en sweatshops)

Kinderen in fabrieken werken zo’n 10 uur per dag onder erg slechte omstandigheden. De kinderen werken de hele dag zonder echt pauze te mogen houden. Het werk is zwaar en heel erg vermoeiend. Ze zitten of staan vaak de hele dag in dezelfde houding. Als dat al zo gebeurd vanaf dat de kinderen nog erg jong zijn, dan kunnen ze gaan vergroeien en misvormt raken. Ook hebben veel kinderen gehoorsafwijkingen. Een normale werknemer mag niet meer dan 80 decibel per (8 urige werkdag) hebben. De kinderen in fabrieken in India werken in een lawaai van 110 tot 120 decibel en ze werken meer dan 10 uur per dag. En dit alles voor maar een heel klein beetje geld, maar een paar roepies (1 roepie is ± 10 cent).

Er zijn veel verschillende oorzaken voor kinderarbeid:

- Armoede & tekort aan goede banen, mensen nemen (te) snel een baan aan, vaak is dit niet genoeg en moeten de kinderen meehelpen
- Geen onderwijs kinderen krijgen geen goede opleiding want daar hebben hun ouders geen geld voor, zonder opleiding geen goede baan, en nu kunnen zij zelf hun eigen kinderen ook geen opleiding geven.
- Snelle bevolkingsgroei stijgt het aantal banen (de slecht betaalde) ouders voelen zich verplicht om hun kinderen mee te laten werken.
- De houding van de machtshebbers veel regeringen ontkennen dat er in hun land sprake is van kinderarbeid, daardoor word er ook niks aan gedaan.
- Verandering van productieproces nu bedrijven groter worden, kopen ze vaak producten bij diegene die het goedkoopste kan leveren. Vaak is dat een lokaal bedrijfje in een arm land. Dat is goedkoop omdat ze daar gebruik maken van de goedkoopste arbeiders: Kinderen!

Gelukkig zijn er in India zelf ook instanties die kinderarbeid proberen tegen te gaan zoals:
- MV-Foundation = deze organisatie probeert ervoor te zorgen dat basisonderwijs verplicht wordt. Zodat kinderen een beter opleiding krijgen, en dat er zo minder kinderarbeid komt.
- Butterfly Garden = zij helpen getraumatiseerde kinderen. Kinderen die nu een veel beter leven hebben maar geestelijk nog steeds problemen hebben.
- SIAAP = zij helpen mensen/kinderen die besmet zijn met het HIV-virus
- JEEVA JYOTHT = deze organisatie zorgt voor de opvang van straatkinderen.

Maar ook hier in Nederland zijn er veel organisaties die tegen kinderarbeid strijden zoals bijvoorbeeld:
FNN, Foster Parentsplan, NOVIB, UNICEF, KINDEREN IN DE KREK, HET LANDELIJK INDIA en nog meer. En ook de regering helpt mee. Het Ministerie van Buitenlandse zaken, doet veel voor de kinderen in India doormiddel van Ontwikkelingssamenwerking. Zij zetten verschillende projecten op om daarmee de kinderen in India (maar ook in andere landen) te helpen. Dit beleid is gebaseerd op het verdrag van De Rechten van Het Kind. De komende jaren zal Ontwikkelingssamenwerking nog meer gaan werken aan de bescherming van kinderen, armoedebestrijding en de bestrijding van Kinderarbeid en Kinderziekten. En dat is in India hard nodig...

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.