Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Onder bodemverontreiniging verstaan we de aanwezigheid van stoffen of organismen, veroorzaakt door menselijke activiteiten, op of in de bodem, die de kwaliteit van de bodem op rechtstreekse of onrechtstreekse wijze nadelig kunnen beïnvloeden.

Natuurlijke oorsprong.
Door natuurlijke omstandigheden kunnen in de bodem hoge gehaltes van schadelijke stoffen voorkomen.
Regelmatig worden plaatselijk zeer hoge gehalten arseen(= werd vroeger gebruikt als verdelging stof) en zink(blauwachtig-wit metaal) aangetroffen.

Lucht.
Via de lucht kunnen veel schadelijke stoffen op de bodem neerslaan. Enkele voorbeelden zijn lood langs verkeerswegen, dioxines(= gechloorde waterstof word gebruikt als ontbladeringsstof) en zware metalen rondom industrie-gebieden (te denken valt aan de cadmium-(= zacht zilverwit giftige stof) en zinkverontreiniging in de Brabantse Kempen).

Landbouw.
Bij het gebruik van dierlijke mest op landbouwgrond worden naast voedingsstoffen ook schadelijke stoffen in kleine hoeveelheden op de bodem gebracht. Belangrijk in dit kader zijn zware metalen (voornamelijk koper, lood en zink) en restanten van diergeneesmiddelen.
In het verleden werd op landbouwgrond ook vaak zuiveringsslib als meststof toegediend. Dit slib, vaak afkomstig van rioolwaterzuiverings- installaties, bevat relatief veel zware metalen en restanten van bestrijdingsmiddelen.
Naast dierlijke mest en zuiveringsslib wordt in de landbouw ook gebruik gemaakt van kunstmeststoffen. Het veelvuldig gebruik hiervan kan bijdragen aan een verhoogd gehalte lood en cadmium in de bodem. Ook het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan ertoe leiden dat met name restanten van zware metalen uit deze bestrijdingsmiddelen in de bodem worden aangetroffen.

Afval.
In het verleden, maar ook tegenwoordig, werd veel afvalmateriaal gebruikt voor het verharden en ophogen van wegen, paden en percelen. De meest gebruikte materialen hierbij waren en zijn verbrandingsslakken (veelal verontreiniging van de bodem met zware metalen en PAK), bouwpuin en -zand (PAK, olie en lood), haven- en slootslib (cadmium, lood, olie en resten van bestrijdingsmiddelen) en vliegas (voornamelijk 2ware metalen).
Ook het jarenlang (ver)branden van afval en/of hout, of het legen van een asla(= verbranden van as in een kachel) op dezelfde plaats kan verhoogde gehaltes zware metalen en PAK in de bodem te zien geven.

Wat gebeurt er verder?
De gevonden gehaltes verontreinigde stoffen in de grond en het grondwater worden getoetst aan de geldende richtlijnen (de streefwaarde) de tussenwaarde en de interventiewaarde. Worden alle onderzochte stoffen gemeten beneden de streefwaarde dan is de bodem multifunctioneel toepasbaar, dit betekent dat de bodem geschikt is voor alle gebruik.
Indien een of meerdere stoffen boven de streefwaarde worden gemeten, dan kunnen er bepaalde beperkingen aan het bodemgebruik worden gesteld. De grond mag dan bijvoorbeeld slechts onder bepaalde regels van het perceel worden afgevoerd. Als (een) stof(fen) de tussenwaarde, of zelfs de interventiewaarde overschrijdt betekent dit dat in principe een nader, intensiever, bodemonderzoek moet uitwijzen hoe groot en hoe ernstig de verontreiniging is.
Een mogelijke conclusie kan dan zijn dat de grond en/of het grondwater gereinigd of verwijderd moeten worden.

Speciale woorden.
Bodemmoeheid = Zodanige verandering van de bodem bij verbouw van steeds hetzelfde gewas dat de opbrengst sterk vermindert.
Bodembacteriën = In de bodem levende bacteriën, die met actinomyceten(=soort van bacteriën) en schimmels de organische stoffen afbreken welke voortdurend in de grond terechtkomen.
Bodemziekten = De ziekten van gewassen waarvan de oorzaak in een ongunstige samenstelling van de grond is gelegen.
Bodemerosie = Het snel door water- of winderosie verdwijnen van voor de plantengroei belangrijk bodemmateriaal. Een dergelijk proces heeft vaak geen natuurlijke oorzaak, doch is het gevolg van menselijke activiteiten, waarbij de vegetatie verdwijnt, zoals het geval is bij ontbossing, ploegen, het afbranden van steppen, overbeweiding enz.
Bodemfauna = De in de 10-25 cm dikke bovenlaag van in de bodem levende dieren, die daarin schuilplaats en voeding vinden. Men rekent hiertoe eencellige en van de dieren: mijten, springstaarten, regenwormen, slakken, spinnen, kevers en insectenlarven. De bodemdieren zijn, mét de bodemflora, van groot belang voor de geschiktheid van de bodem voor plantengroei.
Bodemflora = De in de bovenlaag van de bodem levende plantaardige organismen; men rekent hiertoe bodembacteriën, algen en schimmels.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

bedankt voor je collage ik had een 9 als ik iets terug kan doe n hoor ik het wel!

16 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast