Bezig met je studiekeuze?

Deze en volgende week bieden we elke dag live Q&A's met studenten van verschillende studies. Stel je studiekeuzevragen, of kijk Q&A's terug.

 


Naar de Q&A's Alles over studiekeuze


Lanseloet van Denemarken



Lanseloet: prins van Denemarken

Sanderijn: kamermeisje van Lanseloets moeder

Lanseloets moeder

Reinout: Lanseloets dienaar

Een ridder in een vreemd land

’s ridders boswachter (warande huere)



een kunstig spel van

lanseloet van Denemarken

hoe hij de vrouw liefkreeg

die zijn moeder diende





Proloog:

Ik bid tot God van de hemel

En Maria, de schone maagd

Dat zijn ons wil bewaren

En in voorspoed ook sparen



Dat wij het hemelrijk winnen



Hierom bid ik Maria van de koninginnen,

Die een vrouw is boven alle vrouwen.

Nu hoort u wat men voor u spelen zal,

Het gaat over een belangrijke ridder

Die een voortreffelijke jonkvrouw lief kreeg

Zedig van hart en ziel

Maar ze was voor hem van te lage stand

Zowel van geboorte als van goederen.

Daarom was zijn moeder kwaad op hem,

Dat hij zo beneden zijn stand lief had.

Zijn hart lachte altijd van vreugde

Wanneer hij het edele meisje zag.

Maar zijn kwaadaardige moeder

Was er altijd boos en nijdig om

En verweet hem te meniger tijd



Dat hij zichzelf zo verlaagde (in stand).

Maar hij verdedigde zich altijd

Dat hij zo hoffelijk werd als maar kon,

Maar altijd droeg hij vriendelijke??? Liefde

de jonkvrouw heet Sanderijn

Ze kon niet edeler zijn

Maar ze was in een te lage stand voor hem geboren.

Hierom was zijn moeder zo boos

Dat zij er later uiting aan gaf (verwijzing naar het komende)

Nu bid ik dat u aandacht,

Hieraan wil geven

Ik denk dat u nooit van liefde

hebt gehoord zoals deze.



Nu bid ik u alle, arm en rijk

Dat u zwijgen wil

En oplet hoe dit beginnen zal.





Lanseloet

Heer God hoe kan het zijn

Dat ik met mijn hart van

Die mooie Sanderijn ben bezeten,

En ook dat het mij alle dagen

wordt verweten door mijn moeder

Dat ik lief heb zo beneden mijn stand .

Daarom hoor ik menig spijtige woorden,

Maar mijn liefde voorhaar heeft Mij zo doorboort dat ik haar niet kan laten gaan

Zonder dat ik haar aanspreek

Als ik haar met mijn ogen zie.

Hierom heeft mijn moeder groot verdriet.

Daarom moge het verborgen zijn

Nu wil ik hier wachten op mijn vrouw

Onder deze wilde rozenstruik

Want ze zal snel komen

Dat weet ik in deze boomgaard.



Sanderijn

O edele ridder van hoge afkomst

God, boven alle,

Die moet u geluk geven

Edele ridder van edele aard.



Lanseloet

O, mooie maagd, God staat ons bij,

En moge u en mij in voorspoed sparen,

En voor alle kwaden bewaren,

En het in het bijzonder van benijders

Zo dat er geen kwaad over ons wordt gesproken.

O Sanderijn, geef mij hulp

Mijn hart is helemaal van de kaart,

En door uw liefde gekweld

Dat het mijn leven zal kosten.

O Sanderijn mijn mooie vrouw

Kan ik u niet verwerven,

Dat zal mij mijn leven kosten,

En ik ben boor altijd verloren.



Sanderijn

Och edele hoog geboren ridder,

Dat mag nooit gebeuren.

Als ik het, dat ik u graag mag zien,

Ik ben niet uw gelijke.

U bent mij hoger en rijker

Om uw vrouw te zijn.

Daarom moet het achterwege blijven.

Ook als ik het dat ik u lief heb,

Ik wil geen minnares zijn

Die leeft onder hemels uitspansel

Al was hij koning en droeg een kroon.

Ook dan vernederde ik mij niet.



Lanseloet

O schone maagd met een rein hart.

Als u de mijne wil zijn,

Uitverkorene Sanderijn

Hetgeen u niet onbeloond zou blijven,

Want wonderlijke dingen zijn geschiedt.

U zoudt mijn vrouw wel kunne zijn,

Zijt mij genadig en blijf mij trouw,

En kom met mij naar het kasteel,

Ik zal u een juweel geven

Ik denk dat u nog nooit zo’n mooie gezien hebt.



Sanderijn

Nee edele heer, ook al ben ik maagd,

Hiervoor dank ik God van de hemel.

Als wilde u mij belonen,

Met duizend mark en rood goed,

Zelfs dan wilde ik mijn eer behouden.

Hooggeborene heer,

Al ben ik niet rijk van bezittingen

Noch geboren van grote bloedverwanten,

Daarom neem ik mij voor mij zo te houden

Dat ik niet zal worden uitgescholden

Heer Lanseloet, voor iemands minnares,

Maar ik zou graag ware liefde dragen

Zonder laagheid.



Lanseloet

Sanderijn bij de maagd Maria ,

Iets laags stel ik u niet voor.

Er is geen vrouw geboren

Op aarde onder hemels uitspansel

Zo schoon zo rijk en zo machtig als jij.

Och Sanderijn zal jij mij in dit verdriet laten?

En zal u zich niet ontfermen over mij,

Zodat ik troost mag ontvangen

Dat u niet met mij wilde gaan spelen

In dit groene dal,

Waar de vogels fluiten

En de bloemen bloeien.

Schone maagd zonder,

Geheel zonder laagheid.



Sanderijn

Heer Lanseloet, het is dikwijls gezegd,

Door licht geloven is menigeen bedrogen,

En dat is zeker niet gelogen,

Dat vrouwen schande geschieden

Omdat zij mannen vertrouwen

En dat later zeer berouwen

Als de zaken zijn gebeurd.

Er is niemand op aarde geboren,

Die ik zo ver vertrouwen kan

Dat ik met hem ging spelen in het woud

Dat hij dan niet zijn lust beging.



Lanseloet

Daartoe heb ik u te lief, Sanderijn, mooie vrouw

Dan zou ik jouw lichaam onteren

Schone maagd al had ik de macht ertoe,

Dan nog zou ik nooit het voornemen hebben

Dat ik u enige schande aan zou doen.

Al had ik u in vreemde landen,

Sanderijn uitverkorene

Ik zou liever voor u bedelen,

Dan ik u honger hebben liet.

Bij mijn ridderschap ik zou u geen kwaad doen, Sanderijn, tegen uw wil.



Sanderijn

Heer lanseloet wij zijn hier te lang!

Niemand mag ons horen of zien

Want benijders zijn er altijd op uit om te bespieden hoe zijn iemand te schande kunnen brengen.

Een verrader spreekt eerder kwaad dan goed, want dat is zijn natuur.

Nu zullen zij meteen uiteen gaan

Opdat niemand aanstoot aan ons neemt.

Hoge Baroen, edele heer

God onze heer moge u bewaren

En altijd in voorspoed sparen

Waarheen ge u ook keert.



Lanseloet

Okee, nog blijft mijn hart bedroeft,

Door de schone Sanderijn.

Ze wil mij niet liefhebben,

Daarom moet ik voor altijd droevig zijn,

Wat ik ook kerm of klaag.

Ze wil niet met mij naar het woud gaan,

Ze houdt van eer boven goud,

Dat hoor ik aan haar reactie.

Ze bevindt zich in een reine staat,

En haar hart is zo edel,

Bij mijn ridderschap ik wilde wel

Dat zij geboren was als mijn gelijke.

Al was zij niet rijk van goederen,

Ik zou haar mijn vrouw maken.

Want ze heeft een rein leven,

En haar hart is vol eer.

Ze wil haar ziel niet mijn stand in keren,

Hierom lijdt mijn hart grote droefheid.



Zijn moeder

Van Denemarken, Lanseloet,

Ik heb u wel horen vriën

Lanseloet bij de maagd Maria

Het kan mij niet genoeg verwonderen,

Dat u zich uzelf niet beter in achtneemt.

Dat u zo lief heeft beneden uw stand.

U staat zo verwijfd te klagen,

Om iemand die weinig om u geeft.

Foei, schande dat u leeft,

Als u zo’n laag geboren vrouw liefhebt.



Lanseloet

Ach moeder ze zo’n rein leven.

En haar hart is zo ook zo goed,

En zij is zo gracieus,

Dat ik haar telkens lief hebben wil.

Mijn hart brandt als vuur

Als ik haar zie.

Lieve moeder, edele vrouwe

Ik moet lief hebben wat ook geschiedt.



Zijn moeder

Lanseloet ik wil dat u uzelf, uw hoege geboorte beter in acht neemt,

En verder naar mijn raad te werk gaat,

En een gelijke zult lief hebben.



Lanseloet

Maar ik ken geen vrouw in het keizerijk die ik liever wil hebben dan Sanderijn.

Ik wilde dat zij de mijne mocht zijn.

Lieve moeder, met uw toestemming.

Al was de hele wereld van mij afhankelijk,

Ik wilde dat zij mij vrouw was.



Zijn moeder

Sachaam u! Vuile ellendeling,

Dat u zo beneden uw stand lief hebt.

Terwijl men zo’n mooie jonkvrouwen vindt van hoge stand.



Lanseloet

O lieve moeder de kracht van het lief hebben

Overziet hoge geboorte noch rijkheid van goederen.

Maar zij zoekt gelijke geest,

Die samen hetzelfde zijn.

Ik heb dikwijls horen lezen dat de liefde haar gelijke zocht.

Al is de ene arm en de andere rijk,

De edele liefde doet haar werk.

Ware liefde schenkt geen aandacht

Aan rijkheid noch de grootheid van verwanten.

Nog nooit deed zij dat ooit te genetijden maar het allemaal bij toeval.

Geeft de edele liefde haar kracht,

Dat overziet geen hoge geboorte.



Zijn moeder

O lanseloet, hoe verslingerd is uw hart aan Sanderijn!

Wil je haar lief hebben,

Dan zal ik u haar tot uw beschikking stellen.

Heel de nacht, heel stil

Op uw kamer waarde ridder,

En doet met haar wat u begeert

Als u mij een belofte wil doen.



Lanseloet

Vrouw Moeder, gezonden door Simon,

Wat u begeerd wil ik u beloven ,

Indien ik samen mag zijn met haar.

Op mijn kamer ik en zij.



Zijn moeder

Lanseloet, belooft u mij dat,

Bij uw ridderschap en trouwen?

Als u met Sanderijn de jonkvrouw hebt gedaan wat u begeert,

Dat moet ge zeggen, ik heb genoeg van u.

Sanderijn ik ben u nu zat.

En van hart ook wel

Al had ik 7 hammen gegeten dan nog zou ik dit niet vergeten.

Ge zult spreken deze woorden en dan zult u meteen u van de hare keren de hele nacht,

En liggen slapen zoet en zacht

Zonder te spreken en zijgen in alles.



Lanseloet

O lieve moeder is dat wat u wilt,

Dat ik deze lage woorden spreek

Iets dergelijks heb ik nog nooit gehoord.

Hoe kunt u hiermee geholpen zijn?

Dat ik dit zeg tot Sanderijn.

Het zou zeggen met mijn mond

En laag zou liggen als een hond

Zonder spreken als een ellendeling.

Wat zou ze peinzen die mooie vrouw,

Als ik die lompheid beging.

Terwijl ik haar genegenheid draag.

Dat zou dwars door mijn hart deren.



Zijn moeder

Lanseloet dat is mijn begeerte,

Als gij haar in uw macht wilt dan zult gij dit mij moeten beloven

En het volbrengen als een man.



Lanseloet

Moeder, doe haar bij mij komen dan.

Ik zal doen wat u begeert,

Al doet het mij pijn.



***



Menigeen zegt dingen die hij

Niet meent dat is ook mij geschiedt.

Want al sprak ik met mijn mond,

Ik zal het niet menen vanuit de grond van mijn hart.

Want ik gun haar niets dan goeds.

Ik bid tot God, de hoogste meester dat zij het mij niet kwalijk moge nemen.

Ze is zo eenzaam en zo goed,

En is het zo dat zij het mij kwalijk neemt dan wordt mijn hart ontvreemd van haar.

Dan blijft mijn hart lijden.



Zijn moeder

Daarom heb ik het zo gedaan,

Dat ik u beiden zal doen scheiden.

En ziet ge niet hoe hij zich zal gedragen,

Terwijl hij de hoogste van het land is,

Terwijl hij zichzelf grote schande aandoet,

Omdat hij zo’n laaggeboren vrouw bemint.

Hij zou die nietswaardige trouwen,

Dat hoor ik wel, zou ik het hem toestaan.

Maar ik zal alles anders regelen,

Zodat het nooit meer zo zal zijn.

Waar zijt ge, schone maagd Sanderijn?

Ik moet u spreken, kom naar mij.



Sanderijn

Hoog geboren vrouw, dat zij zo.

Nu zeg mij, wat is uw verlangen?



Zijn moeder

Sanderijn, wat mijn hart zeer verdriet doet,

Moet ik u vertellen, mijn noet.

Het gaat hierom: mijn lieve zoon Lanseloet

Is met zekere sere bevangen.

Hij werd gisteravond zo overvallen,

Dat hij sindsdien geen woord meer sprak.

Ik weeet niet wat hem scheelde,

Of wat hem verdriet deed.

Maar vanmorgen, toen het dag was,

Slaakte hij een zware zucht.

Sanderijn, ik vrees voor zijn leven,

Hierom zijdt mijn hart grote pijn.

Nu bid ik u, mooie maagd Sanderijn,

Dat ge naar Lanseloet wilt gaan,

Want hij ligt in grote nood.

Dit doet mijn hart zwaar verdriet.



Sanderijn

Edele vrouwe, wat gij gebiedt,

Wordt zeer graag door mij gedaan.

Ik wil gaarne met u gaan,

Want het zou me leed doen als het iets overkwam.



Zijn moeder

Wie zich bijtijd bezint,

Die mag in eer staan blijven.

Aldus zou men een list verzinnen

Om een vrouw een streek te leveren.

Wie zou dit beter gedaan hebben dan ik?

Want als de wil is gedaan

Zo is het de beminde geheel vergaan.

Dit is menichweerf gebeurt.



Nu is zij bij hem in de kamer geweest.



Sanderijn

Ay God, die zich kruisigen liet,

Wat een valse vrouw is Lanseloets moeder.

Hiervan ben ik nu meer op de hoogte dan dat ik gisteravond was.

Zij stond mij onbeschaamd voor te liegen,

Dat hij door ziekte was overvallen.

Ze heeft mi in een strik gevangen,

En heeft mij een leugen voor waar verteld,

En bracht mij in Lanseloets macht,

Waar ik eeuwig om zal rouwen.

Wat mij bovenal deert

De woorden, die hij sprak, die edele ridder,

Terwijl hij zijn gezicht van me wegdraaide,

Als was ik een stinkende hond.

Dat heb ik so vast in mijn hart

En het doet mijn hart zeer,

Ik zorg ervoor, dat hij nu nooit meer

Van mij weet, goed of kwaad.

Ik zal alles achterlaten en mijn eigen weg gaan

Dolen in vreemde landen.

Ik bid God, dat hij mijn schande Verhullen wil, die ik nu heb ondergaan,

Want ik heb het tegen mijn wil gedaan.

Hierom heb ik verdriet.

Lanseloet, gij ziet mij nooit meer.

Ik wil gaan dolen in dit woud.

O vader, zoon, heilige geest,

Ik bid u dat ge mijn lichaam bewaart,

Dat ik nooit meer iemands vrouw worden mogen tot mijn schande,

Waar ik kom in enige landen,

Dat ik moge blijven wat ik ben.

Hierom bid ik u, moeder en edele maagd,

Bron van alle zuiverheid,

Dat mij nooit een man tot laagheid moge verleiden;

Hierom bid ik u, bron, beek van vreugden,

Waarde moeder en reine maagd.



In het vreemde land



Sanderijn

Ik zie daar een schone bron,

daarbij wil ik rust gaan nemen.

Ik heb zo’n lange tijd gevast,

Dat ik honger en dorst heb.

Ik heb grote lust om te drinken,

Dat ik het niet langer kan verdragen.



Een ridder

Nu, als het God belieft, wil ik gaan jagen.

Ik bid de Hemelgod

En Maria, de schone maagd,

Dat zij mij vandaag bewaren mogen,

En gunst en voorspoed wil geven,

Opdat ik moge jagen en vangen,

Want zeker, ik ving lange tijd niets,

Waarover ik mij terecht schaam.

Ik heb vier dagen gejaagd,

Maar heb geen konijn gevangen.

In mijn hart schaam ik me ervoor,

Dat mijn arbeid dus vergeefs blijft.

Nu wil ik op mijn hoorn blazen,

En zien of God mij helpen zal.



Nu blaast hij op zijn hoorn



Bij de heer die mij schiep,

Ik zie daar een stuk wild voortgaan,

Waar mijn hart op gesteld is.

Ik zag nooit iemand bij gindse bron

Zo’n mooi stuk wild

Als daar staat bij de bron.

Een schone en reine maagd

komt zij me voor.

Ay God heer, moge ik die vangen,

Dan was mijn arbeid niet vergeefs!

Nog wil ik op mijn hoorn blazen

en zien hoe ze zich gedragen zal.

Nu blaast hij op zijn hoorn



Ay God, de heer van alles,

Moge hij me geluk geven,

Dat ik dat schone schepsel

tot mijn beschikking moge krijgen.

O schone maagd, nu staat alles stil.

Moge gij mijn gevangenen zijn.

Ik heb u liever dan een everzwijn,

Al was het van fijn goud gemaakt.

Ik dank de God van de mooie jacht,

Dat ik vandaag vroeg opstond.



Sanderijn

O edele ridder van goede roem,

Doe mij nu geen laagheid aan.

Hierom bid ik u omwille van uw edelheid,

dat gij mij geen laagheid bewijst,

Want het wordt u zeer als schande aangerekend,

Waar gij quaemt tot enige hoofsheid.

U lijkt mij een ridder van grote roem.

Daarom bid ik u, hoge baron,

Dat u mij niet slecht behandelen wilt

En mij laat voor wat ik ben.



De ridder

O mooie vrouw, nu zeg mij,

Vanwaar komt ge in dit woud?

Dat vraag ik me in mijn hoofd af,

Omdat ik u helemaal alleen vind

In dit woud bij deze bron.

Wat zijn de dingen die u hinderen?

Heeft een afspraak met iemand u hier gebracht,

Waar u, mooie vrouw, op wacht?

Hij zou van zo’n grote macht kunnen zijn,

Dat ik u niet durf aan te spreken.



Sanderijn

Och edele ridder, ik sta hier niet voor een man, hoge baron.

Het zijn andere dingen, waarom ik het doe.

Ik ben verdwaald, uit mijn stad,

Waar ik in eer en vreugde verbleef,

ben ik verdwaald, ik weet waar

En sta hier in grote angst,

En ik weet niet waar ik heen zal.

Daarom geeft God mij ongeluk,

Dat ik deze wereld moet besueren.



De ridder

Weer dank ik God voor het geluk

Omdat ik vanmorgen vroeg opstond,

En dat ik zo’n edele schone ontmoet heb op mijn jacht.

God heeft ons tezamen gebracht.

Dat weet ik stellig zeker.

U bent ter wille van mij geboren,

Want gij staat mij zeer aan.

Uw mooie lijf, uw beschaafde taal,

Dat bevalt mij allemaal wel.

Tezamen hebben we vreugde.

Nu kom met mij naar mijn kasteel.

U zag nog nooit zo’n mooi juweel.

Dat zal van u en mij zijn!



Sanderijn

Heer ridder, staak dit spreken.

Hierom bid ik u bij de machtige God,

Dat u niet de spot met mij drijft,

Als ik hier verdwaald ben.



De ridder

O mooie vrouw, in mijn vuur

leegt mijn hart helemaal en blaect.

U bent fijn beschaafd en schoon.

U zult mijn vrouw zijn bij mijn ridderschap,

-U hebt zo’n edel mooi lijf-

Indien het uw wil is en aangenaam.

Ik bid u, zeg me uw naam,

U zult zeker mijn vrouw zijn!



Sanderijn

O edele ridder, is het dan welgemeend,

Mijn naam laat ik u weten:

Sanderijn ben ik geheten,

En mijn vader heet Robberecht,

En was een edel geboren schildknecht,

En diende met de koning van Auvergne.



De ridder

O schone maagd, dat hoor ik graag,

Dat u uit een adel geslacht geboren bent.

Weer dank ik God voor het geluk,

Dat ik vanmorgen niet vast sliep.

Het was een engel die mij riep,

Dat ik in het woud zou gaan jagen.

Mijn ogen zagen nooit een vrouw liever!

U zult zeker de mijne worden!



Sanderijn

Heer ridder, zou het zo moeten zijn,

Zo wil ik graag tot u keren,

En dank God voor de eer,

Dat uzelf zo naar beneden komt.

U hebt mij zo vriendelijk aangesproken

Met beschaafde woorden en moet schone.

Ik bid God, dat hij u moge lonen,

Dat u zo beschaafd van hart bent,

Dat u mij nu, in deze tijd,

Zo vriendelijk hebt aangesproken.



De ridder

O schone maagd, nu gaan we dan.

Ik geef u mijn erewoord als pand.



Sanderijn

Nu gaan we dan in dit bos,

Heer ridder, spreek een beetje,

En begrijp mijn woorden.

Hierom bid ik u, hoog geboren baron.

Aanschouw deze mooie groene boom,

Hoe mooi dat hij in bloei staat.

Zijn heerlijke geur, hij doortrekt

Alles rondom deze boomgaard.

Hij staat in zo’n lieflijk dal,

Dat hij terrecht bloeien moet.

Hij is zo edel en zo zoet,

Dat hij de hele boomgaard versierd.

Kwam nu een valk van edel geslacht

Gevlogen naar deze boom en daalde

En een bloem eraf haalde

En daar nooit meer een enkele

nog nooit en haalde meer dan een,

Zou de boom daarom haten

En hem te copene daarom laten?

Dat bid ik u, dat u mij zegt,

En de echte waarheid spreekt,

Edele ridder, in oprechte taal.



De ridder

Mooie vrouw, ik begrijp u goed.

Een bloem, dat betekent niets,

Als er niet iets méér gebeurt.

Daarom zal ik de bloem niet haten,

Noch te copene daarom laten,

Want hij is zo mooi van uiterlijk.

Ik zie daarbij zo vele bloemen staan

In grote hopen, zonder getal,

Waar edele vruchten vanaf zullen komen,

Als het God ghedoghen wil.

Nu eeuwig hier af een stilzwijgen,

En kom met mij, mooie vrouw.



Denemarken



Lanseloet

Ay yuj, nu is al mijn vreugde verdwenen,

Die ik ooit op aarde verkreeg,

Omdat ik nergens vinden kan,

De zeer schone Sanderijn.

Vervloekt is mijn moeder,

Dat ik die woorden ooit sprak.

het scheen me toe, dat ik mijn hart brak,

Toen ik die felle woorden sprak.

Daarom is zij op mij verstoord

En is me heimelijk ontgaan.

Dat heeft mijn moeder allemaal gedaan,

Die mij de woorden liet spreken.

Nooit weer heb ik vrede,

Voor ik die edele vrouw zie.

Ay, ik houd van haar reine lichaam

Zo zeer, dat het me lijkt of ik wegkwijn.

Het is een vreugde bij haar te zijn,

Want ze is geheel en al edel.

Ze is een voorname vrouw

En keizerin van mijn geest.

Er zou geen man meer kunnen houden van een vrouw

Dan ik van haar houd, noch op dezelfde wijze.

Ik zal haar overal in het Christenrijk zoeken,

Om te zien waar ze is.

Waar zijt ge, Reinout? Kom naar mij,

Mijn allerliefste kamerheer.



Reinout

O edele heer, wat zijn de dingen,

Waarover u nu staat te klagen?



Lanseloet

Och, ik heb nog nooit zoveel verdriet gehad,

Al nu op dit ogenblik,

Dat ik het schone schepseltje

Sanderijn heb verloren.

Het lijkt me dat mijn hart zal scheuren

Van het grote verdriet dat ik heb.

Dat ik bij mijn verstand blijf,

Dat wonder is al te groot.

Ik was veel liever dood

Dan dat ik haar nooit meer zou zien.

Reinout, u moet erom gaan speuren,

Of u haar ergens vinden kunt,

Want nooit meer ben ik verheugd,

Voor dat ik haar met mijn ogen zie.

Reinout, wees mij nu trouw

En ga ze zoeken oost en zuid

En zeg haar, ik zal haar mijn bruid maken

In weerwil van al mijn verwanten.



Reinout

Heer, ik wil het er graag op wagen

En mijn leven geen arbeid sparen,

Maar het was beter, als ge het liet varen.

Het is onzeker, hoe ze zich zal gedragen.



Lanseloet

Ay, haar hard is al vol eer

En ze is zo rein van levenswandel.

Ik weet wel, Ze zou zich niet verlagen

Voor al het goede van het aardrijk.

Dat weet ik wel zeker.

Ze is zo edel van gedachten.

Reinout, haast je zo veel je kunt

En ga haar zoeken oost en noord

En zuid, west, enzovoort.

Tot de tijd dat u haar vindt,

Want mijn hart houd echt van haar.

Mijn ogen zagen nooit een vrouw liever!



In het vreemde land.



De ridders van de boswachter

Met recht mag ik beklagen,

Dat ik al zo menig jaar

Heb gewandeld hier en daar.

En de boswachter van mijn meester ben geweest,

En bewaakte zijn bos,

En deze bron in het bos,

En ben dikwijls gegaan op deze rivier.

Menig dag en menig uur

Maar nog nooit viel mij de beurt van het geluk,

Dat ik hier ooit een vrouw ontdekte

Die ik met rechte beklagen mag.

Of der er mij een tegemoet

Maar gisteren doet mijn haren rechtovereind staan.

Ik zou in het woud varen gaan,

Ik meende dat mijn ogen ooit zagen,

Schone vrouw die mij hier vond,

Hij nam haar vriendelijk bij de hand,

En bracht haar met blijde zin naar het hof.

Al was zij een keizerin,

Dan kon ze nog niet edeler zijn.

Ze heette Sanderijn,

Hij heeft haar al zijn vrouw gemaakt.

Met recht mag ik hierover rouwen.



Dat mij dat nooit mocht geschieden.

Bij de goden ik zou er naar gaan speuren,

Vroeg en laat ten alle uren

Wilde ik ook zo’n mooie rode mond.

Gevangen zou ik erover blijer zijn,

En met heel mijn hart is ze van mij.

God gehoor mij alle dagen

Nu wil ik me verstoppen achter deze haag,

En de loop der dingen afwachten.



In het vreemde land bijna een jaar later



Reinout

O Maria moeder en de pure maagd,

Ik bid u om een goede leiding,

En om een goed helder bericht

Te vernemen over Sanderijn.

Want laseloet mijn heer,

Zijn hart is zeer ontstelt

En van haar liefde gekweld.

Zorg dat hij het uithoudt.

Want al zijn gedachten en gelaat

Heeft hij nu dus verloren,

Nu heeft hij de ridderschap gezworen.

Kan u zijn vrouw vinden,

Want hij heeft veel verdriet

Dat hij haar verloeren heeft.

Dat hij in grote pijn leeft.

Geheel uit ware liefde.

Ay God heer, mocht ik haar in mijn macht krijgen,

Dan was ik blij.

God, wie zou me op de hoogt stellen,

Wat die man voorheeft, die daarginds staat?

Hij heeft zo’n boosaardig gelaat,

En een knots groot en zwaar.

Hij is zeker een moordenaar,

Of hij bedriegt mijn verbeelding.

Toch zal ik naar hem toe rijden,

Want er is er maar een.

Ik zag ooit een man alleen

Voor wie ik bang was.

Vriend, God geeft u een goede dag,

En een vriendelijke morgenstond.

Moge God u geven en een goede gezondheid.

Moge u dat blijven ter aller tijden!



Boswachter

Vriend, God loont u wie gij bent,

Dat gei mij vriendelijk aanspreekt.



Reinout

Je bericht mij als betrouwbare man,

Heeft u hier in lange tijden,

Een jonkvrouw zien lijden,

Die schoon was en van fraaie gedaante?



Boswachter

Vriend je zult mij verstaan,

Ik heb hier menig dag gewandeld

Ik zag hier ooit een vrouw,

Jong noch oud dat is werkelijk waar.

Maar het is bijna een jaar geleden,

Dat mijn heer de grote ridder,

Op een morgen opstond

En ging jagen bij deze bron.

Gevangen zou ik blijer zijn

En met mijn gehele hart.

Daar vond hij met rein hart,

Een jonkvrouw verborgen staan,

Hij heeft me blijde moed gegeven als gevangene.

En hij riep dat hij met succes had gejaagd,

Want hij bracht de gevangene macht,

Die schoon was en wel geboren.



Reinout

Vriend daar moet ik meer vanaf weten,

Ik vraag u hoe heette zij?



Boswachter

Vriend, de waarheid zult u weten

Ze heette Sanderijn.

Ze mocht niet edeler zijn,

Nog wel welgevormder van haar lijve,

Zo is er geen enkele vrouw,

Die hier in dit land woonachtig is

Want zij is schoon en goed daarbij.

Hij heeft zijn vrouw vermoord,

Zo dat zij met hem zo trouwen.

Gehoorzaam en onderdanig

En al de liefde die daar aan verwant zijn,

Houdend van haar grote deugdzaamheid,

Was hij al gauw door verheugd

Die tot het hof behoren.



Reinout

Nu moet God mij verder bijstaan,

Dit is de jonkvrouw die ik bedoelde.

Ik heb deze vrouw gezocht,

Menige mijlen en menige lanen,

Maar nooit kwam ik daar dat ik haar vond.

Zo schonen bericht dat u mij nu doet,

Oh lieve vriend nu maakt mij het mij bekend,

Hoe zou ik haar mogen spreken?



Boswachter

Vriend, dat moet u ontgaan,

Te spreken tegen mijne vrouw.

Het moest met mijn hulp zijn,

Want dit is mij door haar toevertrouwd.

Ik ben van alle knechten thoeft

Die mijn heer onthouden heeft.

In het geval dat jij mij geeft

Een drinkpenny in mijn hand

Zal ik u doen spreken, fiere held,

Zoals vele als u hart begeert.



Reinout

Een penny is snel verteerd,

En zonder plezier uitgegeven.

Loop en haast u in alle macht,

En laat mij spreken Sanderijn.

Hier zijn 2 penningen van rood goud.

En zeg tegen haar met overtuigende woorden

Dat hier een bode is uit Denemarken

Die haar met haast spreken moet.



Boswachter

Nu ga ik lopen met spoed,

En zou de vrouw met me meebrengen.

O edele vrouwe van edel hart,

Ik vraag u vriendelijk om hier te komen.

Hier buiten houd een held de wacht,

Die u met haast spreken moet.



Reinout

O edele vrouwe betrouwbaar en goed,

God die alle dingen heeft gemaakt,

Die moet u een goede dag geven,

Schone maagd Sanderijn.



Sanderijn

Welkom Reinout,

Nu zeg me wat u op u lever heeft.



Reinout

Dat zal ik u zeggen waarde vrouw,

U moet met mij mee varen.

Want Lanseloet de vrije ridder,

Heeft u overal gezocht.

Het laatste wat hij me beval,

Was dat als ik u vond

Ik u moest brengen

Hij zal u zeker bruid maken.



Sanderijn

Reinout, vriend dat spel is uit.

Zeg hem at hij een ander moet zoeken.

Ik geef niet om zijn liefde

Een grassprietje dat uit de aarde komt.



Reinout

O schone vrouw u moet naar hem,

Anders heeft hij veel ongeluk.

Nooit kwam het voor dat hij niet leed,

Sinds dat hij u verloor.

Sindsdien heeft hij altijd leed gehad.

En geleefd in grote pijn,

Het zal hem zeker de dood in jagen

Als hij niks van u verneemt.

Want ik weet dat hij van u houdt,

Boven iedereen.

Hij heeft bij ridderschap gezworen,

Als hij van u verneemt en weet,

Al was het al zijn verwanten tot leed,

Dat jij zijn vrouw wordt.



Sanderijn

Reinout dit moet zijn nagelaten,

Want ik ben eerlijk en goed gehuwd.

En heb een edele man getrouwd,

Die ik liefheb boven allen.

Hem wil ik niet in de steek laten,

Al was Lanseloet nog zo rijk.

Net zo rijk als hector van Troje,

En dat hij van goden verkregen was,

Dat hij de zelfde kroon droeg,

Die koning Alexander droeg,

Zo was hij nog steeds niet naar mijn zin.

Ik heb liever mijne man,

Die mij alle goeds gunde,

Die zou ik eeuwig trouw blijven.



Reinout

Oh Sanderijn wel schone vrouw,

En mag hij u dan winnen niet

Zo moet hij eeuwig leven in verdriet.

Blijvend in droefheid verkeren,

Dat u bent getrouwd,

Want Lanseloet die edele heer,

Was zeker met u getrouwd.



Sanderijn

Dat is iets, waarom ik geen verdriet heb,

En ook nooit zal hebben,

Want ik zag niemand op aarde,

Die ik meer goeds gunnen zou

dan ik mijn lieve man gun.

- Het is waar, want hij is veel waard.

Hij is een ridder wild vermaard,

En een dappere ridder met een hoog karakter,

hoog geboren en rijk van goederen,

En verstandig en wijs,

Ook is hij met wapens goed,

En om grote daden bekend

Want hem ben ik met mijn hart trouw.

Boven alle schepselen.

Nu wil ik hier niet langer blijven,

Reinout, ga snel

En zegt tegen Lanseloet, uw heer

Dat hij nooit meer peinst om mij.



Reinout

O edele vrouw, van edel hart.

Als het nu eenmaal zo zijn moet,

Zo bid ik u, goede edele vrouwe

Om een bewijs, opdat ik kan

Zeggen met waarheid, dat ik u zag.

En gesproken heb en gezien.



Sanderijn

Reinout, dat zal geschieden,

Ik zal u overtuigend geven,

Een litteken, geschikt en hoogstaand.

Jij zal de edele ridder zeggen,

Dat wij stonden, ik en hij,

In een mooie, groene boomgaard,

En dat daar kwam, van hoge afkomst,

Een edele valk, van hoge waardigheid.

En hij daalde neer op een tak

Die mooi in bloei stond,

Zeg die tegen de goede ridder

En dat die valk, die daar kwam,

Een bloem van de tak nam

En alle andere liet hij staan.

Hij sloeg zijn vleugels uit

En vloog snel weg.

Zeg dit tegen de edele heer

En kort daarna kwam de valk daar weer,

En zocht de tak aan alle kanten

Maar hij kon hem niet vinden

Hierom leed de valk zwaar verdriet.

Omdat hij de tak dus niet vond

Zegt dit tegen de koene held

Hij zal daardoor wel geloven,

dat u mij gesproken hebt en gezien,

als jij hem dit verhaal vertelt.

Nu heb ik mijn woord beeindigt.

Reinout, moge God uw beschermen.



Reinout

Ay God heer, nu moet ik varen.

En de mooie vrouwe achterlaten.

Nu ben ik heel erg in verlegenheid,

Hoe ik mijn boodschap zeggen zal.

Zeg ik hem de hele waarheid

Dat zij nog leeft, en gehuwd is.

Ik weet al, dat het ons allen rouwt,

Hij zal de mooie vrouw willen hebben.

Ik weet wel, het kost hem het leven.

En al degenen die hem na staan,

En tot de rode graad verwant zijn

(al dezen) zal hij daardoor op het spel zetten.

Daar zal menigeen om sterven.

Die bittere dood, dat weet ik zeker,

Nochtan bleve het werk al verloren,

Want hij mocht haar niet winnen.

Hij zou verdrinken van verdriet.

Bringhen ende oec groten heren

Ik zal mijn verhaal wel verdraaien,

En zeggen dat zij dood is.



Denemarken



Reinout

Waar zijt gij, geboren heer,

Van denemarken heer, koene heer,



Lanseloet

Ben welkom, lieve vriend Reinout,

Je welkom moet groot zijn.

Heb je van Sanderijn

Iets vernomen, zeg het mij.



Reinout

Och edele heer, van edel hart,

Ik heb haar gezocht in menig land.

Zo lang dat ik de mooie vond,

In een staat, die Rawast heette.

Daar was de mooi vrouw in reine levensstaat.

En die stad, in Afrika gelegen.

Lanseloet, zeer edele held

Daar vond ik de mooie vrouw

En dat koste haar haar leven.

Toen zij van u hoorde spreken,

Haar edele hart, dat moest haar breken,

Toen zijn van u hoorde spreken (ghewaghen).

Lanseloet

Reinout, dit zijn allemaal verzinsels.

Ik hoor wel, dat je tegen mij liegt.

Ik wil dat jij mij niet bedriegt,

Maar dat jij mij de klare waarheid vertelt.

Breng mij een goed bewijsstuk van haar,

Dan zou ik het beter geloven.



Reinout

Lanseloet, hoog geboren man,

Ik zal u overtuigend zeggen

Een geschikt en hoogstaands bewijsstuk

Dat mij door de reine vrouwe is gegeven.

Zij zei mij, dat jullie, met z’n tweeën,

Stond in een mooie, groene boomgaard,

En dat daar kwam, van hoge afkomst.

Een edele valk van grote waardigheid,

En zij daalde neer op een tak,

Die schoon te bloeien stond.

Dit beval zij mij te zeggen, goede ridder,

En dat die valk, die daar kwam,

Een bloem van die tak nam,

En alle andere liet hij staan.

Hij sloeg zijn vleugels uit

En hij vloog snel weg.

Dat zei zij mij, hoog geboren heer,

Een daar kwam de valk weer

En zocht de tak aan alle kanten.

Maar hij kon hem niet vinden.

Hierom leed de valk zwaar verdriet,

Omdat hij de tak niet vond.

Dit bewijsstuk, koene held.

Gaf mij de edele vrouw.

En keerde toen haar gezicht van mij

Een sprak daarna niet meer.



Lanseloet



Ay, hemelkoning, geweldige heer,

Dat een geschikt en hoogstaand bewijsstuk,

Waardoor ik het moet geloven..

Nu zeg mij, Reinout, is zij dan dood?



Reinout

Ja dat is zij, hooggeboren heer.

En begraven in de aarde.



Lanseloet beklaagde hier Sanderijn en blijft hier dood



Lanseloet

O sanderijn, jij was de tak,

Die schoon te bloeien stond.

En ik de valk – dit weet ik wel –

Die een bloem daar af nam

Want nooit sindsdien viel mij vreugde te beurt.

Sinds ik die edele tak verloor,

Sindsdien heb ik altijd geleden

Mijn uitverkoren vrouwe

Alle vreugde is (voor) mij nu een pijn.

Die ic op der eerden mach beswouwen.

Toonbeeld boven alle vrouwen

Die ik nooit op aarde zag!

Met recht roep ik: o wi, o wach

Over de moeder die mij droeg

Wan haar hart lachte in vreugde,

Toen zij mij de valse (foute) raad gaf.

Wee de bittere daad,

En de jammerlijke woert

Dat zij mij deze woorden deed spreken.

Daardoor verloor ik de mooie vrouw.

Wat haar en mij het leven zal kosten,

Want mijn hart is al geheel doorgeknaagd.

Ik wilde wel, dat mijn hart was gespleten,

En dat ik het leven een einde had.

Want waarheen ik mij ook wend

Ik blijf eeuwig vreugdeloos.

Die ik met goed hart coes

Ik heb door valse (foute) raad verloren.

Hierom heeft mijn hart groot verdriet

Dat het mij verscheuren zal van rouw.

Ik hoop haar in het hemelrijk te zien

Daarom wil ik nu in vreugde sterven .

Ay, genadige God van het hemelrijk,

Nu wilt haar ziel en die van mij ontvangen,

Want mijn leven is gedaan.





Epiloog



Reinout

Heren, vrouwen, vrouw en man,

Neem nu hier een voorbeeld aan,

Alwie trouw bemind

Als hij zijn lief voor zich wint,

Die spreke heuselijk van haar

Want van Denemarken de edele man.

Door kwalijk gespreek, door valse raad,

Is hij ten ondergegaan in ellende.

Zodat het hem zijn leven koste,

Hoewel hij de mooie vrouw

Beminde boven al het leven.

Door valse raad, die hem werd gegeven,

Zodat hij de schandelijke woorden sprak

Werd zijn waren beminde gestoord.

Zo dat zij hem ontweek,

Daarom raad ik allen aan

Beschaafd te spreken tegen iedereen.

Waar hij mag en waar hij kan

In het bijzonder tegen alle vrouwen,

Spreek beschaafd en bemin trouw.

Zo moed gij trouw van vrouwen verkrijgen.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

Echt superhard bedankt voor de tekst =)

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Y.

Y.

Ik kan je niet genoeg bedanken! Veel respect voor de moeite en resultaat!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

Is dit het hele verhaal?

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

Thx !!

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Pauline

Pauline

"Maar gisteren doet mijn haren rechtovereind staan.
Ik zou in het woud varen gaan,
Ik meende dat mijn ogen ooit zagen,
Schone vrouw die mij hier vond,"
Dit stukje klopt niet helemaal, dit is de correcte vertaling:
Maar gisteren, toen mijn heer opstond
en wou gaan jagen,
ik denk dat mijn ogen nooit zagen
een mooiere vrouw dan hij vond.

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast