Vertaling van Vergilius’ Bucolica, Ecloge I, 1-35:
M: Tityrus, jij, die achteroverligt in de schaduw van een wijdvertakte beuk; jij speelt een landelijk liedje op je fijne herdersfluit. Wij worden verjaagd uit ons grondbezit; wij worden verjaagd uit ons vaderland, Tityrus, jij, luierend in de schaduw leer je de bossen de bloedmooie naam Amaryllis te doen weergalmen.
T: O! Meliboeus, een god heeft ons dit rustige leventje bezorgd : want hij zal voor mij altijd een god zijn; dikwijls zal een tenger lam uit onze schaapskooien zijn altaar doordrenken. Hij zorgt er voor dat mijn runderen grazen, zoals je ziet, en mij liet hij spelen wat ik wou op de landelijke rietfluit.
M: Ik ben heus niet jaloers, eerder verwonderd, overal, in heel het land heerst grote onrust! Kijk, ikzelf, drijf mijn geitjes ziek van verdriet voor mij uit, deze hier, Tityrus, krijg ik nog nauwelijks mee, want zij heeft hier zopas tussen de dichte hazelaar haar tweeling, de hoop van de kudde, die zij zopas ter wereld bracht, achtergelaten op een naakte vuursteen. Vaak hebben eiken, door bliksem getroffen – was mijn geest niet verblind geweest, nu herinner ik het mij – ons dit onheil voorspeld. Maar toch Tityrus, vertel ons nu wie die god is.


T: De stad die men Rome noemt, Meliboeus, dacht ik dwaas, als aan onze stad gelijk, waarheen wij als herder gewoon zijn dikwijls de tengere jongen van onze ooien weg te drijven. Ik wist dat zo jonge hondjes lijken op grote honden, bokjes op hun moeders gelijken, zo vergeleek ik grote dingen met kleine dingen. Maar deze stad steekt zo hoog uit boven andere steden, zoals cipressen dat doen boven kruipende sneeuwbalstruiken.
M: Welke zo grote rede had jij, Tityrus om Rome te zien?
T: De vrijheid, die laat toch heeft omgekeken naar deze luierik, toen zijn baard bij het scheren zilverwit neerviel, omzien deed zij toch en die is pas na lange tijd gekomen. Nu Amaryllis ons heeft en Galatea ons verliet. Want, ik zal het maar bekennen, zolang Galatea mij gevangen hield, was er geen hoop op vrijheid, en geen zorg voor mijn spaargeld. Hoewel veel offerdieren mijn stallen verlieten, en romige kaas geperst werd voor de ondankbare stad, nooit kwam ik met handen gevuld met geld terug naar huis.
M: Ik verwonderde mij erover, Amaryllis, waarom jij treurig de goden aanriep en voor wie jij de vruchten liet hangen in hun boom: Tityrus was hier niet. Tityrus, de pijnbomen zelfs, de bronnen zelfs, zelfs dit struikgewas hier, riepen jouw naam.
T: Wat kon ik doen? Het was niet mogelijk om aan de slavernij te ontsnappen, en ook niet om ergens anders zo’n hulpvaardige goden te ontmoeten. Hier zag ik hem, als jongeman, Meliboeus, voor wie jaarlijks onze altaren 12 dagen roken. Hier gaf hij mij voor ’t eerst een antwoord op mijn vraag: "Laat je runderen grazen, jongen, en fok stieren zoals vroeger."
M: Gelukkige oude man! Jouw veld zal dus blijven! En voor jou zal het groot genoeg zijn, hoewel naakt gesteente en moeras met slijkerig riet alle weiden bedekt. Geen ongewoon voedsel zal de zwangere dieren bedreigen, en noch zal een kwaadaardige besmetting van het naburig vee hen kwetsen.
Gelukkige oude man! Hier, tussen de bekende stromen en heilige bronnen zal je nog genieten van de schaduwrijke koelte! Aan deze kant, zal de haag bij de grens van de buur, met haar wilgenbloesem, uitgepuurd door bijen van de Hyblaberg, je vaak met haar zacht gezoem tot een dutje verleiden. Aan de andere kant, onder de hoge rotswand, zal een snoeier uit volle borst zingen; en ondertussen zullen de hese houtduiven, jouw troeteldieren, en de tortelduif niet ophouden met koeren vanuit de hemelhoge olm.


T: Eerder dus zullen de lichte herten grazen in de hemel en zullen de golven de vissen naakt op het strand werpen, of nadat ze elkaars grondgebied doorkruist hebben, zullen de Parthen als balling van de Saône of een Germaan van de Tigris drinken, dan dat zijn gelaat zou verdwijnen uit ons hart.
M: Maar wij zullen gaan, de enen naar het droge Afrika, een deel naar Scythië en naar de Arax die krijt meesleurt en tot diep in Britannië dat afgescheiden is van de hele wereld.
Kijk, zal ik ooit na lange tijd mijn vaderland terugzien, de nok van mijn met graszoden bedekt armzalige hutje, zal ik later bij het zien van mijn koninkrijk enkele aren bewonderen?
Zal een goddeloze soldaat de bebouwde bouwgronden hebben? Zal een barbaar deze velden oogsten? Kijk, waarheen de burgeroorlog deze ongelukkige burgers heeft geleid! Voor hen hebben wij onze velden bezaaid! Ent nu de perenbomen, Meliboeus, en plaats de wijnstokken op een rij! Ga, mijn geitjes, eens zo gelukkig vee; voortaan zal ik jullie niet meer van ver zien hangen, liggend in een groene grot, aan de met struiken begroeide rotswand; ik zal geen herdersliedjes meer zingen; jullie zullen, onder mijn hoede geen bloeiende luzerne en bittere wilgen meer grazen.
T: Hier toch bij mij kon je deze nacht uitrusten op een groen loverbed; wij hebben zachte vruchten, malse kastanjes en een voorraad kaas. En in de verte roken de schoorstenen van de steden al en vallen de schaduwen langer van de hoge bergen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

Echt goed!

14 jaar geleden

A.

A.

Oooooh, dit helpt mij echt uit de nood ! Dankjewel !!

9 jaar geleden

A.

A.

Bedankt

9 jaar geleden

M.

M.

super!

8 jaar geleden

A.

A.

ENorm bedankt!!

8 jaar geleden

A.

A.

Super, dankjewel!

2 jaar geleden