Commentarii van Caesar: naar Brittannia

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Vertaling door een scholier
  • Klas onbekend | 1546 woorden
  • 26 juni 2001
  • 27 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 27 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
uit de commentarii van Caesar
Naar Brittannia

1) voorbereidingen


1. Caesar haastte zich om toch naar Brittannia te gaan toen er een klein deel van de zomer over was, hoewel in deze streken de winters vroeg beginnen.
2. Want hij begreep dat hulptroepen daarvandaan geleverd waren aan onze vijanden in bijna alle Gallische oorlogen.
3. Als de tijd zou ontbreken om oorlog te voeren, meende hij toch dat hij het voor hem tot groot nut zou zijn, als hij alleen al naar het eiland toegegaan zou zijn en de streek, de havens en de toegangen zou hebben leren kennen. Bijna al die zaken waren aan de Galliërs onbekend.
5. Want niemand gaat daarheen behalve kooplieden en aan henzelf is niets bekend behalve de zeekust en die streken die tegen Gallië liggen.

7. Toen van alle kanten kooplieden opgeroepen waren naar Caesar kon hij niet te weten komen hoe groot (de omvang van het eiland was, noch welke of hoeveel stammen er waren, nog welke
oorlogspraktijken (manier van oorlog voeren) ze hadden, noch welke haven er geschikt waren voor een nogal grote hoeveelheid schepen.
11. Om deze dingen te weten te komen stuurt hij Gaius Volusenus met een oorlogsschip vooruit. Hij draagt hem op dat hij zo snel mogelijk naar hem terugkeert wanneer hij alle zaken uitgezocht heeft.
12. Zelf vertrekt hij met alle troepen naar de streek waarvandaan de overtocht naar Brittannia het kortst is.
13. Hij geeft bevel, dat schepen uit naburige streken hier bijeenkomen.
14. Omdat zijn plan intussen bekend geraakt en door kooplieden doorgegeven is aan de Brittanniërs, komen gezanten uit verscheidene staten van dat eiland naar hem toe, opdat ze beloven gijzelaars te leveren en het gezag van het Romeinse volk te gehoorzamen.

Caesar 1, de bello Gallico, hoofdstuk 1

1 Gallie is in z’n geheel verdeeld in drie delen, waarvan de Belgen er een bewonen, een ander (deel) (bewonen) de Aquitaniers en het derde deel (bewonen) degenen die in hun eigen taal Kelten (en) in de onze Galliers heten.
2 Deze allen verschillen van elkaar in taal, instellingen en wetten. De rivier de Garonne scheidt de Galliers van de Aquitaniers, de Marne en de Seine scheiden de Galliers van de Belgen.

3 Van deze allen zijn de Belgen het dapperst, omdat ze het verst verwijderd zijn van de cultuur en beschaving van de Provence en omdat kooplieden het minst vaak bij hen komen en die zaken invoeren die geschikt zijn om de mensen minder hard te maken, en omdat ze het dichtst bij de Germanen wonen, die aan de overkant van de Rijn wonen, met wie ze voortdurend oorlog voeren.
4 Om die reden overtreffen de Helvetiers de overige Galliers ook in moed, omdat ze in bijna dagelijkse gevechten met de Germanen strijden, wanneer ze hen uit hun eigen gebied afweren of zelf in hun gebied oorlog voeren.
5 Een gedeelte ervan, waarvan verteld is, dat de Galliers het bezetten, begint bij de rivier de Rhone (en) wordt ingesloten door de rivier de Garonne, de Oceaan (en) het gebied van de Belgen, het grenst ook bij de Sequanen en Helvetiers aan de rievier de Rijn, en strekt zich uit naar het Noorden.
6 Het land van de Belgen begint bij de uiterste grenzen van Gallie en strekt zich uit naar het Noorden en Oosten.
7 Aquitanie strekt zich uit van de rivier de Garonne tot de Pyreneeen en dat deel van de Oceaan dat bij Spanje ligt. Het kijkt uit op het Noordwesten.

Caput 15

1) De volgende dag braken ze het kamp van die plaats op. Caesar deed hetzelfde en stuurde alle ruiterij, ongeveer vierduizend in aantal, die hij bijeengebracht had uit de gehele Provence en van de Haedui en hun bondgenoten, vooruit om te zien in welke richting de vijanden trokken.
2) Omdat zij nogal enthousiast de achterhoede achtervolgden, leverden ze op een ongunstig terrein een gevecht met de Helvetiers en een klein aantal van de onzen sneuvelden.
3) Toen de Helvetiers door dat gevecht bemoedigd waren, omdat ze met 500 ruiters een zo grote menigte ruiters verdreven hadden, begonnen ze soms nogal stoutmoedig halt te houden en met hun achterhoede de onzen tot een gevecht uit te dagen.
4) Caesar hield de zijnen weg van de strijd en vond het voor het moment voldoende de vijand af te houden van roverijen en foeragetochten.
5) Ze trokken ongeveer 15 dagen zo verder, dat tussen de achterhoede van de vijanden en onze voorhoede telkens niet meer dan vijf of zes mijl lag.

Caput 16

1) Intussen eiste Caesar dagelijks graan van de Haedui, omdat ze dat van staatswege beloofd hadden.
2) Want wegens de koude - omdat Gallie in het Noorden ligt, zoals vroeger verteld is - was niet alleen het koren op de akkers niet rijp, maar er was zelfs niet een voldoende grote voorraad voedsel voorhanden.
3) Hij kon echter van dat graan dat hij via de rivier de Arar met schepen stroomafwaarts gebracht had, daarom niet zo goed gebruik maken, omdat de Helvetiers van de Arar afgebogen waren, van wie hij niet wilde weggaan.
4) De Haedui hielden hem van dag tot dag aan het lijntje: ze zeiden, dat het bijeengebracht werd, dat het vervoerd werd, dat het er was.
5) Toen hij begreep, dat hij nogal langdurig bij de neus genomen werd, en toen de dag op handen was dat het graan aan de soldaten uitgedeeld behoorde te worden, riep hij hun edelen bijeen, van wie hij er een groot aantal in zijn kamp had - onder wie Diviciacus en Liscus die het hoogste ambt bekleedde, dat de Haedui vergobretus noemen, die jaarlijks gekozen wordt en de macht over leven en dood over zijn volksgenoten heeft -
6) en beschuldigde hen ernstig, dat hij door hen niet geholpen werd, in een zo moeilijke tijd, terwijl de vijanden zo dichtbij waren, hoewel (het graan) noch gekocht, noch van de akkers gehaald kon worden, en dat nog wel terwijl hij vooral op hun smeekbeden de oorlog ondernomen had. Hij klaagde nog veel meer, dat hij in de steek gelaten was.

Caput 17

1) Aangezet door de redevoering van Caesar, bracht Liscus toen pas naar voren, wat hij vroeger verzwegen had: dat er sommigen waren, van wie het gezag bij het volk zeer groot was, en als die als particulieren meer macht hadden dan de magistraten zelf.
2) (Hij zei), dat deze mensen door opstandige en slechte taal de menigte ervan afschrikten om het koren bijeen te brengen dat ze verschuldigd waren.
3) (Ze zeiden), dat het beter was om het gezag van Galliers dan dat van Romeinen te verdragen, als ze niet meer de belangrijkste plaats in Gallie konden verkrijgen:

Caput 18

1) Caesar voelde, dat door deze redevoering van Liscus Dumnorix, de broer van Diviciacus bedoeld werd, maar omdat hij die zaken niet wilde bespreken in aanwezigheid van meerderen, ontbond hij snel de vergadering (en) hield Liscus achter.
2) Hij vroeg aan hem alleen, wat hij in de vergadering gezegd had. Hij sprak vrijer en gedurfder.
3) Hij vroeg dezelfde dingen in het geheim aan anderen (en ) vonden, dat ze waar waren: dat het Dumnorix zelf was, die met zeer grote vermetelheid en met grote populariteit bij het gewone volk vanwege zijn vrijgevigheid, uit was op een revolutie. Dat hij verscheidene jaren de tolgelden en alle overige belastingen van de Haedui voor een klein prijsje gepacht had, omdat niemand een tegenbod durfde te doen, wanneer hij bood.
4) Dat hij hierdoor zowel zijn eigen vermogen vergroot had als grote sommen bijeengebracht had om uit te delen;
5) dat hij een groot aantal ruiters op eigen kosten onderhield en bij zich had;
6) en dat hij niet alleen thuis, maar ook bij de naburige staten veel invloed had en vanwege deze invloed zijn moeder uitgehuwelijkt had bij de Bituriges aan een man die daar zeer aanzienlijk en zeer machtig was,
7) dat hijzelf een Helvetische vrouw had en dat hij zijn zuster, de dochter van zijn moeder, en zijn vrouwelijke verwanten bij andere staten ondergebracht had om te trouwen.
8) Dat hij de Helvetiers begunstigde en genegen was vanwege deze verwantschap en dat hij ook persoonlijk Caesar en de Romeinen haatte, omdat door hun komst zijn macht verminderd was en zijn broer Diviciacus in zijn oude positie van aanzien en eer hersteld was.
9) Dat hij zeer gegronde hoop had, dat hij met behulp van de Helvetiers de macht kon grijpen, als er iets met de Romeinen zou gebeuren; dat hij door de macht van het Romeinse volk, niet alleen wanhoopte aan het regeren, maar ook aan die populariteit die hij had.
10) Caesar vond ook, toen hij navraag deed, dat de vlucht in dat slecht afgelopen ruitergevecht, dat weinig dagen daarvoor geleverd was, begonnen was door Dumnorix en zijn ruiters—want Dumnorix had het commando over de ruiterij die de Haedui Caesar te hulp gezonden hadden--; en dat door hun vlucht de rest van de ruiterij in paniek geraakt was.

Caput 19

1) Nadat deze zaken aan het licht gekomen waren en toen bij deze vermoedens vaststaande feiten kwamen, (nl) dat hij de Helvetii door het gebied van de Sequani geleid had, dat hij ervoor gezorgd had, dat ze onderling gijzelaars gaven, dat hij al die dingen niet alleen zonder opdracht van hem of van de staat gedaan had, maar ook zonder dat zij zelf er iets van af wisten, (en) dat hij door de overheid van de Haedui beschuldigd werd, meende hij, dat er voldoende reden was, waarom hij zelf tegen hem zou optreden of zou bevelen, dat de staat tegen hem zou optreden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

een scholier

een scholier

Dat was zeker heel veel werk.

2 jaar geleden