Caesar, De bello Gallico I, 7: Vertaling

Toen de Helvetiërs op de hoogte gebracht waren van zijn aankomst, zonden ze gezanten, de meest adelijken van hun stam, naar hem - van dat gezantschap hadden Nammeius en Verucloetius de leiding - om te zeggen dat ze in gedachte hadden zonder enige misdaad een tocht door de provincie te maken, omdat ze geen andere weg hadden, en dat ze verzochten dat het met zijn wil toegestaan zou zijn dit te doen. Caesar, omdat hij in gedachte Lucius Cassius had, die door de Helvetiërs vermoord was en wiens leger verslagen en onder het juk gebracht was, meende dat het niet toegestaan mocht worden; en hij meende dat vijandig gezinde mensen, wanneer de mogelijkheid gegeven was om een tocht door de provincie te maken, zich niet zouden onthouden van onrecht en misdaad. Toch, opdat er tijd zou tussen liggen totdat de soldaten, die hij aangevoerd had, samenkwamen/zouden samenkomen, antwoordde hij aan de gezanten dat hij een dag zou nemen om te overleggen en dat, als ze iets wilden, ze moesten terugkeren op de Iden van april.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.