Bucolica, ecloge 1

Beoordeling 7.5
Foto van een scholier
  • Vertaling door een scholier
  • Klas onbekend | 898 woorden
  • 11 februari 2009
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.5
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Vergilius - Bucolica, Ecloge I : Vertaling
M. Tityrus, jij, die daar achterover ligt onder het bladerdek van een wijdvertakte beuk, je speelt een landelijk deuntje op je tengere rietfluit, wij moeten ons vaderlijk erfgoed en onze aangename akkers verlaten, wij moeten ons vaderland verlaten; jij, Tityrus, ligt lang uitgestrekt in de schaduw en je laat het lied van de mooie Amaryllida weerklinken in de bossen.
T. Ach, Meliboeus, een god heeft ons dit rustig leven bezorgd: want hij zal voor mij altijd een god zijn; vaak zal een tenger lam uit onze schaapskooi zijn altaar doordrenken. Hij zorg ervoor dat mijn kudde graast in vrijdheid, zoals je ziet, en dat ik het liedje dat ik wil, kan spelen op mijn herdersfluit.

M. Ik ben niet jaloers, eerder verwonderd: overal heerst er tot zover onrust op alle akkers! Kijk, deze geitjes kan ik met moeite voorwaarts drijven; en zelfs dit, Tityrus, krijg ik nog nauwelijks mee, want ze heeft zopas 2 bokjes, de hoop van de kudde, gebaard tussen de dichte hazelaars en ze moeten achterlaten op de naakte stenen. Ik herinner me dat dikwijls de eikenbomen die getroffen door de bliksem zijn ons dit onheil voorspelden, als onze geest niet verblind was geweest. Maar vertel ons toch, Tityrus, wat voor iemand die god is.
T. De stad die wij Rome noemen, Meliboeus, waarvan ik dacht, dwaas als ik was, dat ze dezelfde als de onze was, waarheen wij gewoon zijn, als herders, vaak de tengere jongeren van onze schapen heen te drijven. Zoals ik wist dat hondjes hetzelfde zijn als hun moeders, evenals bokjes en hun moeder, zo ben ik gewoon groot met klein te vergelijken. Zo hoog toornt de stad Rome boven de andere steden, zoveel als de cypressen gewoon zijn tussen de kruipende sneeuwbalstruiken.
M. En welke zo grote rede had jij om Rome te zien?
T. De vrijheid, die, ook al was het laat, toch naar mij in mijn lamlendigheid heeft omgekeken, nadat mijn zilverwitte baard bij de kapper was geschoren. Toch bekommerde ze zich om mij en kwam ze na lange tijd, nadat Amaryllis van mij is, en Galatea me verlaten had. Want, ik zal het maar bekennen, zolang als Galatea me vasthield, was er noch hoop op vrijheid, noch op zorg voor spaargeld. Hoewel veel offerdieren mijn stal verlaten hebben en romige kaas werd geperst voor de ondankbare stad, keerde mijn hand nooit zwaar van het geld terug naar huis.
M. Ik verwonder me waarom jij, Amaryllis, op de goden triestig riep en voor wie jij de vruchten aan hun boom liet hangen. Tityrus was hier niet! Tityrus, zelfs de pijnbomen en zelfs de struiken riepen om jou.
T. Wat moest ik doen? Het was niet mogelijk voor mij om elders uit de slavernij te ontsnappen of zo hulpvaardige goden te leren kennen. Hier, in Rome, Meliboeus, heb ik de jongeman gezien, voor wie onze altaren tweemaal zes dagen roken. Hier gaf deze als eerste aan mij het antwoord toen ik er om vroeg: “Laat je koeien grazen, jongens, en fok je stieren.”
M. Gelukkige oude man! Jouw landgoeden zullen van jou blijven. En het is groot genoeg voor jou, hoewel kale stenen en moerassen al je weiden bedekt met modderig riet. Geen ongewoon voeder zal je drachtige dieren op de proef stellen en geen besmettelijke ziekten van het naburig vee zullen hen schade berokkenen. Gelukkige oude man! Hier, tussen de gekende rivieren en de heilige bronnen zal je genieten van de lommerrijke koelte. Hier zal de zacht zoemende haag die grenst aan je buur, je in slaap doen vallen, wanneer de wilgenkatjes zijn uitgepuurd door de Hyblabijen. Hier aan de voet van de hoge rots zal een snoeier zeer luid zingen, toch zullen ondertussen de schorre houtduiven, jouw lievelingsdieren, niet ophouden met kirren, evenals de tortelduiven vanuit de hoge olm.

T. Eerder nog zullen lichtvoetige herten grazen in de lucht en zullen de golven naakte vissen op het strand afzetten, eerder nog zullen de Parthen van de Saône drinken of de Germanen van de Tigris, nadat ze elkaars grondgebied als banneling hebben doorkruist, dan dat zijn gelaat uit onze herinnering zou glijden.
M. Maar wij zullen van hier weggaan, sommigen naar het droge Afrika, een ander deel naar Scythië en naar de Araxes, die krijt meesleurt en tot in het hartje van Britanni, dat volledig gescheiden is van de wereld. Kijk, zal ik ooit, na lange tijd, mijn vaderland aanschouwen, en het dak van mijn schamele hut die met graszoden is bedekt en later enkele korenaren, wanneer ik mijn koninkrijk zie? Zal een goddeloze soldaat deze zo bewerkte bouwland bezitten, en een barbaar deze gewassen? Kijk, waartoe deze tweedracht de ellendige burgers gebracht heeft! Voor deze hebben wij onze akkers bezaaid! Ent nu de perenbomen, Meliboeus, plaats de wijnstokken op een rij! Ga, mijn geitjes, ga, mijn ooit gelukkig vee; voortaan zal ik, languit liggend in een groene grot, jullie niet meer in de verte zien rondhangen aan de met struiken begroeide rotsen; ik zal geen liedjes zingen; jullie, geitjes, zullen niet meer onder mijn hoede de bloeiende luzerne en de bittere wilgenblaadjes afgrazen.
T. Toch kan je hier met mij deze nacht uitrusten onder het groene loof. We hebben rijpe vructen, gepofte kastanjes en een voorraad zachte kaas. En reeds zie je in de verte de schoorstenen van de landgoeden roken en er vallen al tamelijk lange schaduwen van de hoge bergen.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.