Die nacht, ik herinner me alsof het gisteren gebeurd was. Ik ging juist naar m’n auto om naar huis te rijden. Een licht bries stak op en ik keek naar de hemel. Het was een heldere nacht. Ik had al heel de dag een gevoel alsof iemand me bespiedde, dit gevoel nam ik weer waar en
keek even rond me maar ik zag enkel maar enkele dronken mannen op de grond. Op dat moment liep ik langs de kerk. Uit de kerk stegen plots dreigende orgeltonen op en met de minuut werden de tonen zwaarder en zwaarder. Uit de kerk doemde opeens een stem op, het was een kille lage onaardse stem. Na enkele minuten hield de stem op en enkele seconden later hoorde ik een harde kraak. Ik wilde naar binnen gaan maar tot m’n verbazing hoorde ik een 2de kraak maar deze keer boven mij. Ik keek boven me en zag een wezen dat op een engel leek, maar deze “engel” zag er niet lief uit,in tegendeel het hele beeld in de lucht had zelfs een duivelse indruk. Naast het beest vlogen er allemaal sinistere schepsels rond. Ik geloofde m’n ogen niet maar iets in me zei dat dit echt en gevaarlijk is. Onwillekeurig spoelde er een angst over me heen en kon ik maar aan 1 ding denken: zorgen dat het me niet ziet. In een daad der wanhoop liep ik in de kerk binnen,niet wetend dat dat me fataal zou worden. Ik kroop vlug onder 1 van de banken in de hoop dat ik veilig zou zijn. Tussen de kieren van de bank zag ik dat het schepsel met z’n vazallen in de kerk neerdaalden. Ik zag dat “het” naar me keek met een kille dode blik en met zijn rottende hand wees naar de plaats waar ik lag. Hij kraste iets onaards en een bliksem sloeg in in de kerk. Tot m’n schrik zag ik dat de schepsels die bij de “engel” waren op me afkwamen. Ik wilde weglopen maar iets hield me tegen, een kracht van buitenaf. Uit alle macht protesteerde ik me tegen die kracht maar het was te machtig, ik kon me gewoon niet bewegen. Plots voelde ik kleine handjes rond m’n enkels en handen. Ik had me zo ingespannen om recht te komen dat ik niet had gezien dat die schepsels al rond me stonden. Diep vanbinnen wist ik nu dat het gedaan was met me, maar ik wilde niet toegeven, ik wilde niet sterven en ik wilde zeker niet tonen dat ik bang was. De kleine handjes legden me op een altaar. Tot m’n verbazing liepen ze nu weg. Ik woog m’n kansen af en besloot om het op een lopen te zetten, maar die zelfde kracht die ik al eens waargenomen had was er weer. Ik keek even rond me om te zien waar ik eigenlijk in beland was. Links van me zag ik een lichaam liggen waarvan het hoofd verpletterd was en ik schreeuwde om hulp uit het diepste van m’n longen. Maar het was tevergeefs dat wist ik ook wel. Ik keek naar links en zag het schepsel daar staan hij had z’n kap afgedaan en ik zag nu duidelijk z’n “gezicht”: het had een rottende huid met etterende zweren. De plaats waren ogen moesten zitten zaten er 2 gaten. Nu deed hij z’n mond open, maar uit z’n misvormde mond kwam er enkel maar een gekras dat door merg en been gaat. Ik keek op m’n horloge maar zag dat die tilt sloeg. Plots begonnen de klokken te luiden. Bij iedere gong hoorde je de rauwe kreten v. Gefolterde mensen. Bij klokslag 12 verscheen er boven me een opening waaruit allerlei creaturen kwamen. Bij ieder beest dat uit de poort kwam vergrootte m’n gevoel van angst. Na zo’n kwartier hielden de vershijningen op en veranderde de omgeving, heel de omgeving had nu een roodachtige schijn. Toen de metamorfose compleet was begon een lage zalvende stem onbegrijpelijke klanken uit te brengen. De stem die vanbinnen zei dat ik eraan ging werd alsmaar sterker en ik nu moest ik wel toegeven dat ik eraan zou gaan. De stem hield op met praten en er begon een wind op te komen. Uit de poort komt een rood wezen, de geur van zwavel en rottende eieren verspreidt zich en ik word misselijk van de geur en de sfeer die er is. Het was Satan hemzelf die uit het rijk der doden is opgestaan. Een gekrijs verspreidde zich in de lucht en de engel des doods richt zich tot de hemel, spreidt z’n armen in de lucht, brengt ze samen en in die rottende poten verschijnt een moker. Langzaam draait het zich om en heft z’n moker op. Ik zie nog juist de haat op z’n gezicht voor die hamer op me afstevent...
Maar zo’n 10 centimeter boven m’n hoofd word de hamer tegengehouden door een onzichtbare macht. Op een of andere manier voelde ik de angst die het schepsel voelde.
Opeens zwierde de moker achteruit en trekt de engel mee. Die valt los door een wand van de kerk. Uit m’n mond komen woorden, maar ik controleer het niet. Het is een stem uit de lucht die het altijd herhaalt, maar ik heb geen vrees. Op een of andere manier weet ik dat het m’n redding is, dus zei ik ook de woorden die er gezegd worden in m’n hoofdin de hoop het sterker wordt: Aménum Perdio uno, Aménum Perdio uno... Zoals eerder die nacht ging er een poort open maar deze keer kwam er een schepsel van licht uit. Er kwam opnieuw hoop in me op. Het schepsel van licht keerde zich naar de engel des doods, die stormde onmiddellijk op m’n redder af. Het goede haalde een lichtstraal uit dat veel meehad van een zwaard en hakte het hoofd van het kwade af. Het schepsel van het kwaad was verslagen. Ik dacht dat het eindelijk gedaan was. Maar Satan die zich op de achtergrond had gehouden was er nog altijd.
En deze kwam nu ten strijde tegen het goede. Maar plots verscheen een nog een andere poort.
Ik wist totaal niet wie/wat er nog kon verschijnen. Maar deze vraag werd bijna onmiddellijk beantwoord. Het was het opperste licht die vond dat het wel genoeg was en met 1 gebaar verscheen er een felle lichtstraal en die bewoog zich in de richting van Satan.
Deze was niet opgewassen tegen de kracht van het licht en verdween. Wegens al de inspanningen viel ik flauw en de volgende morgen werd ik wakker in m’n bed, dus moest het wel een droom geweest zijn... of niet???

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.