Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

meltingpot of mozaiek

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Scriptie door een scholier
  • havo | 2150 woorden
  • 5 maart 2002
  • 36 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 36 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Om het hoofdstuk Verenigde Staten: Mozaïek of Melting pot? af te sluiten kregen we de afgelopen lessen de opdracht om een essay te schrijven over dit hoofdstuk. In dit essay moeten we de hoofdvraag stellen: Ontwikkelden de VS zich de 20e eeuw (1900 tot 2000) als melting pot of mozaiëk? En hierin moeten we verschillende aspecten verwerken met behulp van een mapje bronnen; bijvoorbeeld de pull en push factoren, over de minderheidsgroepen, discriminatie, de wetten, de stromen migranten en ga zo maar verder. Hieronder is het resultaat te zien.

De definitie van ‘melting pot’ en ‘mozaiëk
Mozaiëk zijn de mensen die hun eigen identiteit willen behouden, ondanks alles wat er gebeurt. Het woord melting pot staat voor een mix van culturen, ze passen zich aan de normen en waarden van de immigranten (degene die uit vrije wil vertrekken uit hun geboorteland om zich in een ander land te kunnen vestigen) die al langer in Amerika waren.


De immigrantenstromen
Het eiland vlak voor de kust van het New Yorkse stadsdeel, Ellis Island was al in zicht. Het eiland waar miljoenen immigranten hun voet aan wal zette.
Het eiland die de toegang was naar het land van belofte en hun zal leiden naar Miss Liberty (het beeld van de vrijheid) die alle immigranten leek te verwelkomen aan de Golden Door, de gouden toegangspoort van de Verenigde Staten. Via de haven van New York kwam 90% van het totale aantal immigranten Amerika binnen, nadat ze onderzocht waren door artsen of men geen besmettelijke ziektes of verborgen gebreken hadden, door ambtenaren of ze wel geldige identiteitspapieren hadden en of ze geen crimineel verleden hadden. In totaal werd ongeveer 1 tot 2% van de immigranten terug gestuurd. De omvang van deze stroom immigranten was vooral afhankelijk van de omstandigheden in het oude land, de aantrekkingskracht van de bestemming, de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van informatie. Een combinatie van deze factoren leidde naar een enorme immigrantenstroom in de jaren 1850, 1880 en in 1900.
De stroom immigranten is te verdelen in 3 verschillende periodes:

- De vroege immigratie: 1783-1815 van 250.000 immigranten (waarvan bekend is dat voor 1815 zo jaarlijks 6000 kolonisten binnen kwamen). Deze emigranten kwamen voornamelijk uit Groot-Brittannië. Er werden ook mensen tegengehouden in deze periode waren dat vooral de mensen die politiek van aard waren.

- De massale immigratie: 1815-1880 van 11 miljoen immigranten, de landverhuizers kwamen voornamelijk uit het Noorden en Westen van Europa: Ierland, Duitsland, Scandinavië, Nederland, België en Frankrijk. De Ieren en de Duitsers maakten voor ongeveer 39% het grootste deel uit van de nieuwe inwoners die voor 1861 naar Amerika kwamen. Hier werden de mensen die religieus van aard waren niet toegelaten en tegengehouden.

- De nieuwe immigratie: 1880-1920 van 23 miljoen immigranten. De emigranten kwamen uit Centraal, Zuid en Oost Europa: Oostenrijk, Hongarije, Rusland en Italië. Omdat ze in Rusland last hadden van woon en werkbeperkingen (wat tot armoede leidde) besloten meer dan anderhalf miljoen joden naar Amerika te gaan. En in deze periode werden de mensen die cultureel waren niet toegelaten tot het belovende land.

Na de nieuwe immigratie, ontstond een nieuw ideaal: Amerika zou een smeltkroes van culturen worden; de immigranten zouden worden omgesmolten tot een persoon namelijk: de Amerikaan.

Waarom naar Amerika?
Voor veel mensen was Amerika het land waar:

- Je vrijheid van godsdienst had
- Betere verdeling van politieke rechten had
- Beschikbaarheid had van grond, zodat je je eigen baas kon worden
- Zo een baan had, want er was immers werk genoeg
- Waar een overvloed aan landbouwproducten was.
- Geen hongerdood was (zoals veel Ieren hadden rond de jaren 1845 vanwege de mislukte aardappeloogst in heel Europa)
- Waar de prijzen voor tarwe, gerst en rogge niet zo hoog waren (zoals in Europa, ook vanwege mislukte aardappeloogst)
- Waar lonen aanzienlijk hoger waren dan in het vroegere land
- Amerika bood rooskleurige economische vooruitzichten

Wat gebeurde er met de negers en de indianen?

Negers:
De negers kwamen als slaven in Amerika, voornamelijk meegebracht door Nederlandse schepen. Deze negerslaven hadden geen keus want hun meesters bepaalde de vestigingsplaats, de keuze van een beroep en de invulling van hun leven. Tot dat de slavernij werd afgeschaft. Men Bleef gewoon wonen, waar men altijd al had gewoond omdat men niet durfde weg te gaan.
Tot de eerste wereld oorlog woonden slaven voornamelijk in het zuiden van Amerika, maar tegen 1914 trokken ze naar het noorden om onvrijheid en armoede te ontvluchten. Rond 1915 waren de economische omstandigheden goed voor de zwarten, de eerste wereld oorlog zorgde ervoor dat er een tekort was aan arbeidskrachten. Industrieën probeerden zwarte arbeiders uit het zuiden te lokken met gratis treinreizen, hogere lonen en een betere leefsituatie. Veel zwarten gingen op in hun aanbod, waardoor de Great Migration ontstond. Het noorden bleek niet het beloofde land. Toen in 1918 de WO1 eindigde kwamen de oudsoldaten terug en namen hun banen weer op. Er ontstond massale werkloosheid, de positie van de zwarten werd moeilijker door de concurrentie. Ze konden zich niet tegen misverstanden beschermen omdat ze niet werden geaccepteerd door de vakbond. Het einde van WO1 bracht ook in sociale opzichten moeilijkheden met zich mee: huizen werden duurder, woningnood, er waren slechtere goedkopere wijken (krottenwijken en Ghetto’s ontstonden) er heerste een grote armoed en werkloosheid. En veel negers gingen de criminaliteit, prostitutie of dergelijke in. De leefbaarheid van de negers werd steeds slechter.

Indianen:
De nieuwe bewoners van Amerika waren niet zo blij met de indianen. Verschillende keren probeerden ze de indianen slim af te zijn door verdragen te sluiten zodat ze hun land verkochten, ze te bedriegen door profiteurs en of door ze weg te jagen met behulp van het leger. Maar dit hielp niet. Op een gegeven moment gaf Amerika de oorspronkelijke bewoners, de verschillende indianenvolken de keus. Men mocht in hun eigen gebied blijven als ze zich aan de wetten van de blanken hielden. Wilden ze dan toch hun eigen normen, waarden en manieren behouden dan moesten ze achter de Mississippi gaan wonen.

Wat deed men tegen de immigratie?
Ondertussen kwamen er steeds meer mensen naar Amerika, en alhoewel ze bepaalde mensen niet meer toelieten werd het Amerika toch te veel. In 1882 werden Chinezen, veroordeelden, geestelijke gestoorden en armen ongewenst bestempeld en niet meer toegelaten.
Rond 1900 kwamen er allerlei vooroordelen rondom de Japanse immigranten. En omdat deze groep zo groot was, en zo door zou groeien, zouden ze de VS overnemen. Daarom kwam de president Theodore Roosevelt in 1907-1908 tot een Gentlemen Agreement: de emigratie in Japan zou niet meer door de overheid gestimuleerd worden. Het had niet het gewenste resultaat en er ontstaat daardoor een xenofobie; vreemdelingenangst.
In 1917 bepaalde de nieuwe immigratiewet dat immigranten boven de 16 zo’n 30 tot 40 woorden in hun eigen taal moesten kunnen lezen. Tegelijkertijd mochten arbeiders uit Azië en het Midden-Oosten niet meer binnen komen. De president Woodrow Wilson (1913-1920) weigerde onder dit beleid zijn handtekening te zetten, maar het congres zette door. Het gewenste effect op de Zuid- en Oost-Europeanen was echter beperkt. Driekwart van de nieuwkomers kon lezen en schrijven.
Aan het eind van het begin van de 20e eeuw werd dit uitsluitingsbeleid door gezet en werden steeds meer mensen van immigratie uitgesloten. In 1907 werden onder andere ook contractarbeiders, mensen met besmettelijke ziektes, prostituees, anarchisten en revolutionairen geweigerd. In 1924 werden ook alle Japanse immigranten geweigerd. Dit strakke immigratiebeleid werd tot de jaren ’60 gehandhaafd.
Na WO1 werden alleen nog maar Noord-Europeanen toegelaten. Tussen 1951-1960 was 53% afkomstig uit Europa, 40% uit Amerika (Mexico en Canada) en 7% uit Azië.
Toen John F. Kennedy president werd (1961-1963) ondernam hij pogingen om het immigratiebeleid te versoepelen: Kennedy vond namelijk dat iedereen het recht had naar de VS te migreren. Kennedy’s initiatief bleek niet zo goed te zijn. Toen in 1965 Lyndon B. Johnson president werd, werd de Immigration Reform Act ingevoerd: deze wet bepaalde dat er per jaar maximaal 170.000 immigranten uit Azië, Europa en Afrika tot de VS mochten worden toegelaten. Per land werd een maximum van 20.000 gehanteerd, en tevens zouden er ook 100.000 migranten toegelaten worden als deze al familieleden in de VS hadden.

Het wonen en werken van de immigranten
Voor de immigranten was het vinden van werk een van de grootste dromen en de steden boden de meeste werkgelegenheid. Voor het vinden van een baan waren bevriende relaties noodzakelijk. Zij konden namelijk vertellen waar veel mensen nodig waren: in bijvoorbeeld havens, op markten, in fabrieken en waar huizen en huizen werden gebouwd. Daarnaast kon de immigrant als hij geen bevriende relaties had deze informatie krijgen in cafés, hotels, pensions of via de meer officiële kanalen van immigratie agentschappen en immigrantengenootschappen.
De rol van vrouwen was vaak emotioneel moeilijker, ze waren afhankelijk van hun omgeving omdat ze een stuk minder goed Engels spraken. Dit kwam omdat men spaarzaam contact had met de buitenwereld.
Mannen en vrouwen gingen aan het werk en brachten zo hun offers, omdat ze zagen dat hun nageslacht in Amerika veel betere opleiding kregen dan in hun geboorteland het geval was.
De “nieuwe” immigranten concentreerden zich in de laagbetaalde banen: Polen, Slovenen en Hongaren werkten in zware industrie en landbouw. Ze waren bereid hard te werken onder slechte omstandigheden, omdat ze van plan waren met hun verdiende geld weer naar huis terug te keren. Ondanks dit voornemen bleven ze vaak in Amerika, omdat ze trouwen of oorlog hen belemmerden terug te keren.
Driekwart van de “nieuwe” immigranten vestigde zich in de steden omdat daar de meeste banen waren. Bovendien had het leven in de stad een hogere status en konden ze daar gemakkelijker aan een baan en onderdak komen. Het levenstempo was er sneller dan in het oude land en er was meer vrijheid. Nadat de forenzen de voorsteden hadden vrijgemaakt, verhuisden de rijkere inwoners naar de duurdere buitenwijken, terwijl hun eerdere plaats in werd genomen door de immigranten. Deze wijken waren meestal vies en vuil en overbevolkt. De miljoenen nieuwkomers moesten dicht bij hun werk wonen vanwege de reiskosten, ze moesten genoegen nemen met schamele behuizingen. Grote huizen werden opgedeeld in kleinere appartementen. Buiten slapen of voor 7 cent in een volkshotel was ook een alternatief.
Rond de 20e eeuw woonden er meer dan 30.000 mensen in New York in kelders waar geen daglicht in doordrong. Pas 30 jaar later werden de eerste woontorens gebouwd, maar ook daar ontbrak direct daglicht, stromend water en riolering omdat ze zo snel waren gebouwd.
Immigranten hadden weinig keus en moesten genoegen nemen met slecht betaald werk en huizen in mindere buurten, daarom dachten veel Amerikanen dat deze immigranten armoedzaaiers waren en ook in moreel opzicht lager stonden.

De omgang tussen verschillende culturen
Immigranten deden vaak ongeschoold werk onder slechte omstandigheden. Als ze tegen de slechte handelingen demonstreerde kregen ze veel kritiek van het publiek. De immigrant die met een vijandige houding werd geconfronteerd, zocht zijn troost in zijn kroeg, kerk, kennissenkring bordelen of gokhallen. Daar konden ze zich terugtrekken in hun eigen taal en cultuur. Ze sloten zich aan bij organisaties die voor hun belangen opkwamen of die de herinnering aan het vaderland levend hielden.
Aan de ene kant boden deze plaatsen een veilige haven voor de immigrant om tradities in stand te houden: maar aan de andere kant hadden de verenigingen en genootschappen waar ze lid van werden duidelijk Amerikaanse trekjes; zoals een optimistische inslag, individualisme en meer gelijkheid, waardoor deze clubs een brug naar de moderne Amerikaanse industriële samenleving vormden.
In veel steden vormden de etnische groepen in het midden van de 20e eeuw een duidelijke rangorde van sociale klassen. Bovenaan stonden de Yankees: Engelse en Duitse immigranten in het midden (geschoold werk) en de ongeschoolde Ieren en Italianen bungelden onderaan. Zo kregen etnische groepen een vaste plerk in de samenleving.

Melting pot of mozaiëk?
Ik denk dat de VS voornamelijk een melting pot is, verschillende culturen hebben zich de Amerikaanse normen en waarden aangeleerd. Zoals bijvoorbeeld de Chinezen en Japanners, ze voedde hun kinderen een gedeelte Japans/ Chinees op, maar aan de andere kant ook weer heel Amerikaans, qua school, werk en dergelijk. En die hebben ze nog steeds.
Aan de andere kant kan het ook wel een mozaiëk zijn want niet alle culturen hebben zich aan de Amerikaanse normen en waarden gehouden en hebben hun eigen cultuur behouden. Denk bijvoorbeeld aan de Indianen.
Waar ze ook naar de Nieuwe periode naar streefden: Amerika zou een smeltkroes van culturen worden en dat de immigranten zouden worden omgesmolten tot een nieuw mens, namelijk de Amerikaan. Dit vind ik een duidelijk voorbeeld van melting pot. En ik denk ook zeker dat je niet goed kan vast stellen of het nou een melting pot of een mozaiëk is.

bronnen
Ik heb verscheidene bronnen gebruikt:

- het boekje met bronnen wat je op school kon gebruiken
- het geschiedenisboek
- verslagen van vorig jaar (VWO 3 heeft het ook over Amerika gehad)
- verschillende zoekpagina’s op het internet zoals bijvoorbeeld:
- www.ilse.nl
- www.startpagina.nl
- www.lycos.nl
- en nog een aantal waar ik de namen niet meer van ken.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.