Lesuitval, een mondkapjesplicht, onzekerheid over de eindexamens... Wij zijn benieuwd hoe jij met de coronacrisis omgaat en wat jij vindt van de maatregelen. Doe mee met ons corona-onderzoek! 😷🦠🏫 We zoeken nog extra jongens!

Doe mee


ADVERTENTIE
1500 euro winnen met je pws of sectorwerkstuk?

Check de online masterclasses van het Rijksmuseum waarin experts hun kennis en tips delen, zodat jij tot een goed onderwerp komt. En wist je dat je mee kunt doen aan de Rijksmuseum Junior Fellowship wedstrijd? Je maakt dan met jouw pws of sectorwerkstuk kans op 1500 euro en een traineeship!

Zie de bijlage voor de grafiek en alle tabellen.




 




H8 Zuren en en Basen – Chemie Overal




§8.2 De pH van een oplossing

Zure oplossingen hebben een pH <7

Basische oplossingen hebben een pH >7

Neutrale oplossingen hebben pH = 7




Je kunt de pH van een oplossing meten met een pH-meter, met universeelindicatorpapier of met behulp van zuur-base-indicatoren.




VB:  Een oplossing kleurt rood met neutraalrood en geel met methylrood. Wat is de pH?

 (Binas tabel 52A)




 Neutraalrood pH < 6,8 Methylgeel pH > 6,0






Conclusie: pH zit tussen 6,0 en 6,8




§8.3 Zuren

 Een zuur is een deeltje dat één of meer H+-ionen kan afstaan. De H+-ionen ontstaan als het zuur in contact komt met water. Alle zure oplossingen bevatten dus H+-ionen.




Belangrijke zuren:

1. Zwavelzuur H2SO4

2. Salpeterzuur HNO3

3. Waterstofchloride HCL

4. Koolzuur/ koolstofdioxide in water H2CO3 / H2O + CO2

5. Fosforzuur H3PO4

6. Azijnzuur CH3COOH




Reactie met H2O: (H2O reageert niet mee!!)

1. H2SO4 --> 2H+ + SO42-

2. HNO3 --> H+ + NO3-

3. HCL --> H+ + Cl-

4. H2CO3 ↔ H+ + HCO3-

5. H3PO4 ↔ H+ + H2PO4

6. CH3COOH ↔ H+ + CH3COO-

Zoutzuur is een oplossing van waterstofchloride in water.

Formule: H+ (aq) + Cl -(aq)




 






Sterke en zwakke zuren

Sterke zuren ioniseren voor 100% (zie tabel 49, Kz >>1)




Oplossen in H2O geeft:

HCl(g) --> H+ (aq) + Cl- (aq)




Zwakke zuren ioniseren niet voor 100%, er ontstaat een evenwicht. (zie tabel 49 Kz <<1)

Bij het oplossen zijn er 2 reacties:

1. Oplosvergelijking. Vb: HF (g)--> HF (aq)

2. Ionisatie-evenwicht. Vb: HF (aq) --> H+ (aq) + F- (aq)




Het evenwicht ligt altijd links.




§8.4 pH berekenen aan zure oplossingen

De pH is de zuurgraad. Hoe zuurder, hoe meer H+




 






Vb1:  HCl-oplossing van 0,01 Molair (M of m/L)




HCL --> H+ + Cl-

Voor de pijl 0,01 M dus na de pijl ook 0,01 M (wet van Lavoisier)

pH = -log [H+] = -log 0,01 = 2

Dus de pH van HCl is 2




Vb2:  pH = 3,5

 Hoeveel mol H+ zit er in 100 mL?




 [H+] = 10-pH  = 10-3,5 = 3,2*10-4

 Maak nu een verhoudingstabel:




 3,2 * 10-4 M =  1L

          x  = 0,01L  




x = 3,2 * 10-4 * 0,01 ÷ 1

       = 3,2 * 10-5 mol H+-ionen in 100 mL HCl-oplossing




§8.5 Basen

Een base is een deeltje dat één of meer H+-ionen kan opnemen. Veel negatieve ionen die voorkomen in zouten zijn basen. Als een base in contact komt met water ontstaan OH--ionen. Alle basische oplossingen bevatten dus OH—ionen.




Vb: CO32- + H2O ↔ OH- + HCO3-




 




Sterke en zwakke basen

Sterke basen nemen voor 100% H+-ionen op in H2O. (Rechtsonder in tabel 49, KB >>1)




Vb: NaCH3CH2O   Sterke base = CH3CH2O-

 

 NaCH3CH2O + H2O --> CH3CH2OH + H2O

 Notatie oplossing: Na+ (aq) + CH3CH2OH (aq) + H2O (l)




Zwakke basen vormen in water een evenwicht. Je krijgt dus weer 2 reacties:




Vb1:  Oplossen: Na2CO3 (s) --> 2 Na+ (aq) + CO32- (aq)




Vb2: Evenwicht: CO32- (aq) + H2O(l) ↔ HCO3- (aq) + OH- (aq)




 Notatie: Na+ (aq) + CO32- (aq)




§8.6 Rekenen aan basische oplossingen

Hoe basischer de oplossing, hoe hoger de [OH-]. Dit kan worden uitgedrukt in pOH.




      

Vb1:  pH = 13,20 wat is de OH- concentratie?

 

 pOH = 14,00 – 13,20 = 0,80

 [OH-] = 10-0,80 = 0,16 M OH-




Vb2:  Je hebt 10 g Na2O in 100 mL, wat is de pH?




 Na2O (s) + H2O (l) --> 2 Na+ (aq) + 2 OH- (aq)

           1      :        2




 1 mol Na2O = 61,979 g

          x  =         10 g




 x = 1 * 10 ÷ 61,979 = 0,16 mol Na2O




 Maar let op! Molverhouding = 1 : 2. Dus: 2 * 0,16 = 0,32 mol OH-




 100 mL = 0,32 mol OH- 

 1000 mL =         y




 y = 1000 * 0,32 ÷ 100 = 3,2 M OH-




 pOH = -log [OH-]       = -log 3,2 = -0,51

 pH + pOH = 14,00 pH = 14,00 - -  0,51 = 14,51




§8.7 Zuur-basereacties

Tijdens een zuur-basereactie neemt een base één of meer H+-ionen op. Deze H+-ionen zijn afkomstige van een zuur of uit een zure oplossing.




Stappenplan zuur-basereacties

1. Welke deeltjes heb je?

• Alleen met lading als je zouten of sterke zuren hebt opgelost.

• Sterk zuur in H2O: H+, Cl-

• Zwak zuur in H2O: hele zuur, vb: HF (aq)

• Sterke base in H2O: OH- reageert

• Zwakke base in H2O: base reageer, vb: CO32-

2. Wat is het zuur en wat is de base? (Geen base, geen reactie!)

3. Laat ze reageren in de juiste verhouding.

4. Controleer of er nog een neerslagreactie ontstaat.




Vb1:  Je voegt een kaliumhydroxide-oplossing bij een salpeterzuuroplossing.




 K+, OH-   H+ is het zuur. OH- is de base, dus:

 H+, NO3-  H+ + OH- --> H2O




Vb2:  Je overgiet vast bariumcarbonaat met verdund zwavelzuur.




 BaCO3(s) bariumcarbonaat is vast. Deze valt dus niet uit elkaar. H+ is het zuur.

 H+, SO42- H+ + BaCO3 --> Ba2+ + 2 HCO3-

   Let op!! Hier is ook een neerslagreactie!

   Ba2+ (aq) + SO42- (aq) --> BaSO4 (s)




Let op!!

H2CO3 en H2SO3 zijn instabiele zuren en vallen uit elkaar:

H2CO3 --> H2O + CO2

H2SO3 --> H2O + SO2

 



REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.