Alleen vmbo'ers gezocht! Waar denk jij aan bij duurzaamheid? Vul de vragenlijst in en maak kans op een Bol.com bon van 15 euro

Meedoen

Hoofdstuk 10

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 721 woorden
  • 7 januari 2015
  • 29 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 29 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

§1.



Polymeer:een stof dat bestaat uit hele lange moleculen. Ze zijn bij kamertemperatuur vast doordat de vanderwaalsbindingen sterk zijn en door de aanwezigheid van H-bruggen tussen de polymeermoleculen.



Monomeren:de grondstoffen waaruit polymeren worden gemaakt (zijn klein).



Polymerisatiereactie:een reactie waarin monomeermoleculen met elkaar reageren.



Copolymeer:verschillende monomeren die met elkaar koppelen.



Synthetisch polymeren:kunststoffen die in fabrieken worden gemaakt(plastics, rubbers, polyesters en nylon).



Natuurlijk polymeren:stoffen die voorkomen in de levenloze natuur (eiwitten, cellulose, zetmeel en zijde).



Polymerisatiereactie (het aan elkaar koppelen van monomeermoleculen) kan op 2 manieren:




  1. Polyadditie:



-stoffen met een dubbele binding tussen 2 C-atomen.



-in het reactiemengsel zit een stof die de reactie op gang brengt: de initiator



Door het licht breekt de dubbele binding open en ontstaan er 2 brokstukken die elk een bindingsplaats ter beschikking hebben: radicalen.




  1. Polycondensatie:



-moleculen waarin karakteristieke groepen voorkomen. Als dit in hetzelfde molecuul aanwezig is dan is het 1 monomeer. En als de karakteristieke groepen verdeeld zijn over 2 moleculen dan zijn er 2 monomeren hierdoor een copolymeer.



Met 1 monomeer: zuurgroep (-COOH) met een hydroxygroep (-OH) of zuurgroep (-COOH) met een aminegroep (-NH2). Veel aminozuren:polymeer=polypeptide en de amide=peptidebinding.



Met 2 monomeren: ze bevinden zich niet in hetzelfde molecuul.





§2.



Eigenschappen van kunststoffen: licht, sterk en kunnen niet roesten.



Synthetische polymeren hebben een ander gedrag bij verwarming dat komt door de structuur van polymeermoleculen.



Verwerkingspunt: de temperatuur waarbij een kunststof zacht wordt (hoe sterker de bindingen tussen moleculen, des te hoger het verwerkingspunt). Met H-bruggen dus hoog.




  1. Thermoplasten:kunststoffen die zacht/ vloeibaar worden bij verwarming. Ze kunnen niet meer terug naar hun oorspronkelijke toestand (gekookte spaghetti).

  2. Thermoharders:kunststoffen die niet zacht worden bij verwarming. Ontstaan door bij elkaar brengen van 2 componenten die uitharden. Ze zijn crosslinks met elkaar verbonden (atoombindingen).

  3. Elastomeren:kunststoffen die flexibel zijn bij verwarming. En kunnen hun oorspronkelijke vorm weer aannemen. Het aantal crosslinks zijn kleiner waardoor ze minder overeenkomsten hebben met thermoharders (allerlei soorten rubber).





Eigenschappen van kunststof



-Weekmakers:het soepeler maken van een stugge kunststof (plastic van flessen).



-Blaasmiddelen:de dichtheid kleiner maken. Het is een vluchtige stof tijdens de vorming van het plastic verdampt.



-Kleurstoffen



-Vulstoffen:om het sterker en harder te maken (roet).



-Harder:ontstaan crosslinks tussen polymeermoleculen waardoor kunststof verandert in thermoharder (zwavel).



-Uv-absorptiemiddelen:vindt reactie plaats in dubbele binding waardoor stevigheid verliest.



-Vezels:om sterker te maken. De ontstane materialen=composieten (glasvezels).





Verwerking



1.Thermoplasten: worden gemaakt in de vorm van korrels/poeder.



-De korrels worden verwarmd tot ze zacht/vloeibaar zijn daarna worden ze geperst in een mal= spuitgieten.



-De korrels worden in machine verhit totdat ze zacht worden. Daarna wordt het naar buiten geperst hierdoor ontstaat folie= extruderen.



2.Thermoharders:de monomeren worden in een mal gedaan. Hierbij komt er meestal een harder dat veel zorgt voor crosslinks. De mal is op hoge temperatuur hierdoor vindt er polymerisatie plaats en worden  crosslinks gevormd. Hierdoor ontstaat een hard product.





Afval




  1. Recylcing (hergebruik)

  2. Bioplastics (tot compost verwerken hierdoor kunnen planten dit als voedsel gebruiken).





§3.




  1. Eiwitten=polypeptiden:




-COOH-groep en een NH2-groep





-eigenschappen van eiwit: bepaald door structuur. Als er verhitten of PH-verandering is dan gaan eigenschappen verloren.-eiwit als energievoorziening en vervoer van stoffen in lichaam.




  1. Koolhydraten=sachariden:



-bestaan uit C-, O- en H-atomen zie TABEL 67F.



-monosachariden=kleine moleculen (glucose en fructose).



-disachariden=moleculen waarin 2 monosachariden aan elkaar zijn gekoppeld (sacharose en lactose).



-polysachariden=lange moleculen waarin veel monosachariden aan elkaar zijn gekoppeld (amylose, glycogeen en zetmeel).



-zetmeel:via je voeding uit groene planten, is bestemd voor energieproductie.



-glycogeen:lichaam maakt het zelf aan uit glucosemoleculen, wordt opgeslagen in lever en spierweefsel en fungeert als energiebuffer.



-cellulose:via je voeding, is een bouwstof van celwanden van planten en bomen.





§5.



Voedingsstoffen:




  1. Eiwitten:



-tijdens spijsvertering vindt er hydrolyse van eiwitten uit het voedsel plaats.



-te weinig gegeten worden eiwitten omgezet in glucose voor energie.






  1. Koolhydraten:




-sacharose en zetmeel worden gehydrolyseerd hierdoor ontstaat glucose.



-een deel als energievoorziening (verbranding).



-een ander deel reageert tot glycogeen als dit wordt gehydrolyseerd ontstaat er weer glucose.




  1. Vetten:




-dierlijke vetten worden gehydrolyseerd hiervoor zorgen de vetzuren voor de bouw van lichaamscellen.





-teveel aan vetten wordt het opgeslagen als reservebrandstof.




  1. Mineralen:



-spelen belangrijke rol bij stofwisseling.






  1. Vitamines:




-via je voedsel binnenkrijgen.





-gevolg van tekort aan vitamines zijn ziekten en afwijkingen.




  1. Water:








REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.