Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 1

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 1099 woorden
  • 27 oktober 2019
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Paragraaf 1 materialen



Natuurlijke materialen= materialen uit de natuur(hout, been, steen)



Grondstoffen= nodig om materialen te maken



Synthetische materialen= materialen die je maakt met grondstoffen, niet in de natuur te vinden



Synthetisch= tegenwoordig: kunststof/plastic



Kunststoffen




  • Gemaakt van aardolie-> techniek 80 jaar geleden ontdekt

  • Voordelen plastic:

  • Kan in elke kleur worden gemaakt

  • Breekt niet snel




  • Alle vormen verkrijgbaar

  • Goedkoper dan andere materialen

  • Nadelen plastic:

  • Plastic is vaak niet afbreekbaar-> zorgt voor milieuvervuiling

  • Aardolie raakt op een gegeven moment op




  • Onderzoek naar nieuw soort plastic

  • Moet biodegradeerbaar(afbreekbaar door bacteriën) zijn

  • Moet gemaakt worden met hernieuwbare grondstoffen(grondstoffen die steeds opnieuw worden aangemaakt)

  • Voorbeeld biogradeerbaar plastic= Polymelkzuur(PLA(ook gebruikt als chirurgisch hechtdraad))



Materiaaleigenschappen




  • Materiaal keuze hangt af van de materiaaleigenschappen(eigenschappen die per materiaal verschillend zijn).

  • Waterdicht?

  • Waterabsorberend?

  • Elastisch?

  • Etc.




  • Een waterafstotend materiaal = hydrofoob

  • Hydrofiel = water absorberend



Materialenmix




  • Door twee materialen te combineren ontstaat er een materiaal met gemengde meteriaaleigenschappen.

  • Materiaal samengesteld uit meerdere materialen = composiet




  • Legering = mengsel van samengesmolten metalen

  • Een modern composiet= plastic versterkt met carbonvezels(even dik als normaal plastic maar door hele dunne vezels 10x zo sterk)



Nieuwe materialen




  • Touchscreen is een composiet

  • Op de glasplaat zit indiumtinoxide-> elektrisch geleidend




  • Wanneer je het aanraakt verandert de plaatselijke geleidbaarheid





Paragraaf 2



Materiaaleigenschappen en stofeigenschappen




  • Materiaaleigenschappen worden bepaald door de stofeigenschappen

  • Kleinste deeltjes waaruit een stof bestaat = molecuul




  • Moleculen bepalen de stofeigenschap



Zuivere stoffen




  • Zuivere stof geeft aan dat jet om 1 stof gaat

  • Een zuivere stof bestaat uit maar 1 soort moleculen



Mengsels




  • Mengsel waarbij je (onder de microscoop) de verschillende stoffen kunt zien= heterogeenmengsel

  • Homogeenmengsel= mengsel waarbij je de verschillende stoffen niet kunt zien.



Homogene mengsels




  • Homogeen mengsel is een oplossing-> ziet geen verschillende stoffen

  • De stof is opgelost in het oplosmiddel-> stof daarom altijd helder




  • Mengsel van vaste stoffen kan een heterogeen mengsel zijn-> bijv. bij metalen

  • Samengesmolten metalen= legering

  • Een gasmengselis altijd een homogeen mengsel



Heterogene mengsels




  • Suspensie= vloeistof waarin kleine brokjes van een vaste stof zweven-> als je het laat staan zakken de brokjes naar de bodem= bezinken




  • Elk brokje bestaat uit veel moleculen

  • Suspensie= altijd troebel

  • Emulsie= ondoorzichtige, troebele vloeistof waarin druppels van een andere stof zweven

  • Als je de 2 stoffen die een andere dichtheid hebben schudt, ontstaat de emulsie,

  • Als je de emulsie laat staan-> laagje met druppels komt boven de andere stof-> emulsie is dan ontmengd




  • Door een emulgator toe te voegen-> druppels van de stof blijven kleine drruppels



Zuivere stof of mengsel?




  • Zuivere stof of mengsel kun je weten door het kook- of smelt gedrag te onderzoeken

  • Kookpunt= de temperatuur waarop de stof gaat koken

  • Smeltpunt= de temperatuur waarop de stof smelt




  • Kookpunt wordt altijd gemeten bij de standaard druk

  • Mengsels bestaan vaak uit stoffen met een ander kookpunt.



Samenstelling van mengsels




  • Samenstelling geeft aan welke stof en hoeveel daarvan in 100 gram van iets zitten.

  • Hoeveelheid van de stof en een mengsel kun je uitdrukken in massaprecentage.




  • Formule:

  • Massapercentage stof= massa stof/massa mengsel x 100%





Paragraaf 3



Scheiden van mengsels




  • Mengsel bestaat uit 2 of meer stoffen

  • Scheiden-> mengsels uit elkaar halen

  • Afzonderlijke stoffen hebben verschillende stofeigenschappen

  • Manier waarop je stoffen scheidt-> scheidingsmethode



Filtreren




  • Bij filteren/filtratiegebruik je een filter -> vaste stof uit een vloeistof halen

  • Residu= stukjes vaste stof die achterblijven in de filter

  • Deeltjes kleiner dan de filter-> komen in het filtraat



Bezinken en afschenken




  • Bezinken-> bij een suspensie of emulsie.




  • Door zwaartekracht-> stof met grootste dichtheid zakt naar beneden

  • Bij thee kun je afschenken-> je laat de theeblaadjes bezinken en dan kun je de thee afschenken tot alleen de thee overblijft 



Centrifugeren 




  • Toegepast bij suspensies of emulsies

  • Snel draaiende bewegen-> stof met grootste dichtheid-> eruit geslingerd




  • Versnelt het bezinkproces

  • Vaak gecombineerd met filtratie-> wasmachine

  • Water wordt naar buiten geslingerd en versnelt het filtratieproces.



Indampen




  • Bij indampen-> verhit de oplossing waarin een vaste stof is opgelost




  • Door verschillend kookpunt verdampt de ene stof en blijft de andere achter

  • Nadeel= hoge energieverbruik



Destilleren




  • Destilleren/destillatie-> homogene mengsels

  • Vloeistof moet een ander kookpunt hebben




  • Stof met laagste vloeistof verdampt

  • Damp wordt opgevangen-> destillaat

  • Vloeistof die overblijft-> residu



Extraheren




  • Extraheren/extractie -> scheiden van mengsels van vaste stoffen




  • Extraheren-> ‘er uit trekken’

  • Oplosmiddel heet extractiemiddel

  • Vaak gecombineerd met filtratie



Adsorberen




  • Adsorberen/adsorptie-> maakt gebruikt van verschil in aanhechtingsvermogen




  • Adsorptie middel-> specifieke stof uit een homogeen mengsel te halen





Paragraaf 4 



Faseovergangen




  • Faseovergang= vb.-> vast naar vloeibaar




  • Zelfde moleculen in een andere gedaante



Chemische reacties




  • Chemische reactie= bij bijv. verhitten verdwijnt de oude stof(beginstof) en ontstaat er een nieuwe stof

  • Nieuwe stof-> reactieproducten

  • Reactieschema->



Beginstof(fen)                  ->                           reactieproduct(en)



Verbrandingsreacties




  • Altijd een chemische reactie

  • Brandstof verdwijnt en andere stoffen ontstaan

  • Nodig voor branden:




  • Brandbare stof

  • Zuurstof

  • Ontbrandingstemperatuur= de temperatuur waarboven de verbrandingsreactie vanzelf start

  • Reactieschema verbrandingsreactie=



Brandbaresrof+ zuurstof=verbrandingsproduct



Ontledingsreacties




  • Zonder zuurstof verhitten-> verbrand niet

  • Zodra je stopt met verwarmen stopt de chemische reactie

  • Reactieschema ontledingsreactie=



Beginstof-> ontledingsproduct



Scheiden




  • Geen chemische reactie

  • Voorbeeld:




  • Zoutoplossing boven een vlam verhitten

  • Water verdampt zout blijft achter




  • Situatie nu anders dan voor verhitten 




  • Geen chemische reactie-> geen nieuwe stof ontstaan


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.