Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 1

Beoordeling 0
Foto van Linda
  • Samenvatting door Linda
  • 6e klas vwo | 932 woorden
  • 12 juni 2020
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Paragraaf 1.2 - Zuivere stoffen en mengsels


Zuivere Stoffen



  • Een zuivere stof bestaat uit slechts één type element (vb: H) of verbinding (vb: HNO3).

  • Zuivere stoffen hebben een smeltpunt en kookpunt.

  • Tijdens het smelten of koken blijft de temperatuur van een zuivere stof hetzelfde.



Mengsels



  • Een mengsel bestaat uit twee of meer stoffen.

  • Mensels hebben een melttraject en kooktraject.

  • De temperatuur loopt tijdens het smelten of koken langzaam op.



Verschillende soorten mengsels:


























Oplossing: 



Suspensie:



Emulsie:




  • Tot aan de bouwstenen gemengd




  • Lost niet goed op (er ontstaan korreltjes)




  • Ontmengt snel (er ontstaan twee lagen)




  • Helder en doorzichtig




  • Troebel en ondoorzichtig




  • Troebel en ondoorzichtig




  • Vloeistof + vloeistof of vaste stof + vloeistof




  • Vaste stof + vloeistof




  • Vloeistof + vloeistof




Termen:


Emulgator: Zorgt ervoor dat een emulsie niet ontmengt.


Hydrofiel: Een stof die goed op redelijk mengt met water


Hydrofoob: Een stof die slecht of niet mengt met water.


Paragraaf 1.3 - Scheidingsmethoden


Filteren



  • Gebaseerd op het verschil in deeltjesgrootte

  • Gebruikt om een vaste stof uit een suspensie halen



Bezinken



  • Gebaseerd op het verschil in dichtheid

  • Gebruikt bij suspensies en emulsies

    • Suspensie: de vaste stof zinkt naar de bodem

    • Emulsie: er ontstaat na enige tijd een tweelagensysteem (de stof met de grootste dichtheid zit onderop)





Indampen



  • Gebaseerd op het verschil in kookpunt

  • Gebruikt bij oplossingen

  • Voorbeeld: Suiker uit suikerwater halen, het water verdampt en de suiker blijft over



Destillatie



  • Gebaseerd op het verschil in kookpunt

  • Gebruikt bij een mengsel van twee of meer vloeistoffen

  • De kookpunten van de vloeistoffen moeten ver genoeg uit elkaar liggen

  • Destillatie verschilt van indampen doordat het is gericht op het scheiden van twee vloeistoffen. Indampen is daarentegen gericht op het scheiden van een vaste stof en een vloeistof.

  • Voorbeeld: Alcohol uit rode wijn halen, één van de vloeistoffen verdampt (en wordt opgevangen) en de ander blijft over



Extractie



  • Gebaseerd op het verschil in oplosbaarheid

  • Gebruikt bij een mengsel van twee of meer vaste stoffen

  • Voorbeeld: Olie uit pinda’s halen



Adsorptie



  • Gebaseerd op het verschil in absorptievermogen

  • Gebruikt om opgeloste kleur-, geur- en smaakstoffen te scheiden

  • Adsorptie: Wanneer een vaste stof moleculen in zijn structuur opneemt. Er wordt hiervoor vaak actieve koolstof gebruikt (heeft een groot oppervlak)

  • Voorbeeld: Spiritus ontkleuren



Chromatografie



  • Gebaseerd op het verschil in absorptievermogen en oplosbaarheid

  • Gebruikt om een kleine hoeveelheid mengsel van opgeloste (kleur)stoffen van elkaar te scheiden

  • Voorbeeld: Kleurstoffen van elkaar scheiden



Termen:


Filtraat: De heldere vloeistof die na het filteren door het filter heen is gelopen.


Residu: Vaste stof, het deel van een mengsel dat niet verdampt.


Destillaat: De vloeistof die opgevangen wordt bij het destilleren


Rf-waarde: De afstand van de start tot centrum van de vlek in een chromatogram ÷ de afstand van de start tot het eind van het papier. 



Paragraaf 1.4 - Chemische reacties


Endotherm


Tijdens een endotherm process wordt er energie uit de omgeving ontnomen. Er is een constante toevoer van energie nodig.


Exotherm


Tijdens een exotherm process gaat er energie naar de omgeving.


Kenmerken chemische reactie



  • Een chemische reactie kun je herkennen aan het veranderen van stofeigenschappen. Tijdens een chemische reactie veranderen de beginstoffen in reactieproducten.

  • Voor elke chemische reactie geldt de wet van massabehoud.

  • Stoffen reageren en ontstaan in een vaste massaverhouding.

  • Een chemische reactie verloopt pas als de temperatuur even hoog als, of hoger is dan de reactietemperatuur.

  • Bij elke chemische reactie treedt een energie-effect op.



Termen:


Reactietemperatuur: De minimale temperatuur die nodig is om een reactie te laten verlopen.


Energie effect: Kan optreden bij chemische reacties, maar ook bij faseveranderingen en het oplossen van veel stoffen in water.


Activeringsenergie: De energie die die nodig is om een reactie op gang te brengen.



Paragraaf 1.5 - De snelheid van een reactie


Reactietijd 


De tijd die verstrijkt tussen het begin en het einde van een reactie.


Reactiesnelheid


De hoeveelheid stof die per seconde per liter reactiemengsel ontstaat of verdwijnt. De reactiesnelheid is afhankelijk van de 5 factoren.


De 5 factoren 



  • De verdelingsgraad van de stof: Hoe kleiner de stukjes zijn, hoe groter de verdelingsgraad. Hoe groter de verdelingsgraad, hoe sneller de reactie verloopt.



  • De soort stof

  • De temperatuur: Hoe hoger de temperatuur, hoe groter de reactiesnelheid.



  • De concentratie: Hoe hoger de concentratie, hoe groter de reactiesnelheid.

  • De katalysator: Een stof die een reactie sneller laat verlopen.



Paragraaf 1.6 - Het botsende-deeltjesmodel


Effectieve botsingen


Er vindt een effectieve botsing plaats wanneer er een chemische reactie ontstaat. Des te groter het aantal effectieve botsingen, des groter is de reactiesnelheid. Voor een effectieve botsing moeten de twee deeltjes met grote snelheid tegen elkaar botsen. 


De volgende factoren -die betrekking hebben op de reactiesnelheid- kunnen worden uitgelegd met het botsende-deeltjesmodel.



  • De concentratie: Hoe meer deeltjes zich in een bepaald volume bevinden, des te groter is de kans dat deze deeltjes botsen.

  • De temperatuur: De reagerende deeltjes gaan sneller bewegen bij een hogere temperatuur, hierdoor wordt de kans vergroot dat ze tegen elkaar botsen.

  • De verdelingsgraad: Hoe fijner de vaste stof is verdeeld, des te groter is het contactoppervlak, des te meer botsingen er kunnen plaatsvinden.



Activeringsenergie


De andere twee factoren die invloed hebben op de reactiesnelheid zijn niet te verklaren met het botsende-deeltjesmodel, maar wel met het begrip activeringsenergie. De activeringsenergie is de energie die nodig is om een reactie op gang te laten komen.



  • De soort stof: Bij de ene stof is er minder energie nodig om de geactiveerde toestand te bereiken dan bij anderen.

  • De katalysator: Zorgt ervoor dat de reactie sneller verloop en/of bij een lagere temperatuur. De geactiveerde toestand wordt eerder bereikt doordat de katalysator de activeringsenergie van de reactie verlaagt.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Linda